Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2000-200127824 nr. 3

27 824
Aanpassing van de wetgeving aan de herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

INHOUDSOPGAVE

Algemeen2
   
1. Inleiding2
2. Algemeen overzicht van de aanpassingen2
   
Artikelen4
Hoofdstuk 1Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties4
Hoofdstuk 2Ministerie van Buitenlandse Zaken5
Hoofdstuk 3Ministerie van Economische Zaken5
Hoofdstuk 4Ministerie van Financiën5
Hoofdstuk 5Ministerie van Justitie6
Hoofdstuk 6Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij25
Hoofdstuk 7Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen26
Hoofdstuk 8Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid26
Hoofdstuk 9Ministerie van Verkeer en Waterstaat27
Hoofdstuk 10Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport27
Hoofdstuk 11Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer29
Hoofdstuk 12Aanhangige wetsvoorstellen31
Hoofdstuk 13Overgangsrecht44
HOofdstuk 14Slotbepalingen44

ALGEMEEN

1. Inleiding

Thans is bij de Tweede Kamer in behandeling wetsvoorstel 26 855, herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (Kamerstukken II, 1999/2000, 26 855, nrs. 1–7; hierna: wetsvoorstel 26 855). Dit wetsvoorstel strekt ertoe het burgerlijk procesrecht te verbeteren in termen van vereenvoudiging, modernisering, systematiek, deformalisering en doelmatigheid. Daartoe wordt een omvangrijke wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna ook: Rv) voorgesteld, alsmede wijziging van de Wet op de Rechterlijke Organisatie. De voorgestelde herziening van het burgerlijk procesrecht is voor de bestaande wetgeving niet zonder gevolgen. Dit brengt mee dat de bestaande wetgeving dient te worden aangepast aan wetsvoorstel 26 855. Gelet op de omvang van deze aanpassingsoperatie is ervoor gekozen de noodzakelijke wetswijzigingen bij een aparte wet door te voeren. Het onderhavige wetsvoorstel voorziet daarin. De aanpassing van rijkswetgeving zal bij rijkswet worden geregeld; lagere regelgeving zal op haar eigen niveau worden aangepast.

Bij de voorbereiding van het wetsvoorstel heeft overleg plaats gehad met de Adviescommissie voor Burgerlijk Procesrecht. Voorts is advies gevraagd aan de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en de Nederlandse Orde van Advocaten. De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak heeft afgezien van advisering. De besprekingen van de Adviescommissie en het advies van Orde hadden in het bijzonder betrekking op aanpassing van de Faillissementswet en de Wet schadefonds geweldsmisdrijven in verband met de toepasselijkheid van de nieuwe algemene regeling voor verzoekschrifprocedures in de derde titel van wetsvoorstel 26 855. In § 2.2 en bij de toelichting op genoemde wetten wordt hierop teruggekomen.

De verschillende wetten die aanpassing behoeven zijn in het wetsvoorstel alfabetisch gerangschikt naar het eerstverantwoordelijke ministerie waaronder zij ressorteren (vgl. AR 223a).

2. Algemeen overzicht van de aanpassingen

2.1 Verwijzingen naar het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Wetsvoorstel 26 855 brengt verandering in de inrichting van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De talloze verwijzingen in de bestaande wetgeving naar het huidige Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zullen na wijziging daarvan derhalve niet meer kloppen. Daar waar de voorgestelde wijzigingen louter aanpassing van de verwijzing betreft, is in het artikelsgewijze deel van deze memorie een toelichting achterwege gelaten.

2.2 Toepasselijkheid van de algemene regeling voor verzoekschriftprocedures

Met betrekking tot de werkingssfeer van de (vernieuwde) algemene regeling van de verzoekschriftprocedure verschilt wetsvoorstel 26 855 wezenlijk ten opzichte van het huidige recht. Het systeem van de wet is thans dat de artikelen 429a tot en met 429r Rv slechts van toepassing zijn in verzoekschriftprocedures waarvoor zij bij afzonderlijke wettelijke bepaling in werking zijn getreden. Met wetvoorstel 26 855 wordt dit omgedraaid: de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure (van de derde titel) treedt over de gehele linie in werking voor (alle) zaken die met een verzoekschrift moeten worden ingeleid en is dan ook daarop van toepassing, tenzij uit de wet het tegendeel voortvloeit (zie artikel 3.1.1 van wetsvoorstel 26 855, zie voorts Kamerstukken II, 1999/2000, 26 855, nr. 3, blz. 13 en 150). Dit brengt mee dat in de bestaande wetgeving verwijzingen naar de huidige twaalfde titel (artikelen 429a tot en met 429t) kunnen vervallen.

Met het oog hierop is met de Adviescommissie voor het Burgerlijk procesrecht overleg gevoerd omtrent de vraag voor welke specifieke verzoekschriftprocedures waarvoor de huidige algemene regeling van de artikelen 429a tot en met 429t Rv niet in werking zijn getreden, de algemene regeling van derde titel van wetsvoorstel 26 855 buiten toepassing zou moeten blijven. De Adviescommissie en de Orde zijn van mening dat voor verzoekschriftprocedures ingevolge de Faillissementswet, gegeven de specifieke rechtsgang die in die wet is neergelegd, de derde titel buiten toepassing zou moeten worden verklaard. Ik deel deze opvatting. In het wetsvoorstel wordt artikel 362 FW dan ook in deze zin gewijzigd.

Daarnaast wordt de algemene regeling niet geheel van toepassing op verzoekschriftprocedures op de voet van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (zie de toelichting aldaar). Ten aanzien van andere specifieke verzoekschriftprocedures is niet van voldoende gewichtige bezwaren gebleken om toepasselijkheid van de algemene regeling uit te sluiten. Overigens verdient het opmerking dat de omvang van veranderingen op dit vlak zullen meevallen. Ten aanzien van verzoekschriftprocedures waarvoor de algemene regeling niet in werking is getreden, past de rechter die algemene regeling zoveel mogelijk analogisch toe.

2.3 Door het Openbaar Ministerie in te leiden verzoekschriftprocedures

In de derde plaats bepaalt artikel 1.5.2, eerste lid, van wetsvoorstel 26 855 dat indien het openbaar ministerie als partij optreedt in een procedure, de inleiding en de behandeling van de zaak geschieden volgens de gewone regels, voorzover daarvan in de overige leden van voormeld artikel niet wordt afgeweken. Ten aanzien van de verzoekschriftprocedure brengt dit mee dat (ook) het openbaar ministerie een procedure die eindigt met een beschikking zal moeten inleiden met een verzoekschrift. In wetsvoorstel 26 855 is artikel 3.1.1, dat in de plaats treedt van het huidige artikel 429a Rv, hieraan reeds aangepast, doordat de in het huidige artikel 429a Rv voorkomende zinsnede «op vordering van het openbaar ministerie» in artikel 3.1.1 niet terugkeert. De overige wetgeving dient in dit opzicht tevens te worden aangepast. Telkens waar gesproken wordt van een door het openbaar ministerie (of de officier van justitie) in te stellen vordering ten aanzien van een procedure die eindigt met een beschikking of die door anderen (belanghebbenden) bij verzoek moet worden ingeleid, wordt het woord «vordering» (of een vervoeging daarvan) vervangen door: verzoek (of een vervoeging daarvan).

2.4 Proceskostenveroordeling

De regels betreffende de proceskostenveroordeling zijn in wetsvoorstel 26 855 ondergebracht in 2 van afdeling 2.11. Het huidige artikel 56 Rv keert in wetsvoorstel 26 855 met uitzondering van het vierde lid en overigens in gemoderniseerde vorm terug in artikel 2.11.9. Deze wijziging is evenwel niet van belang voor de aanpassing de bestaande wetgeving. Het eerste en zesde lid van het huidige artikel 57 Rv zijn in wetsvoorstel 26 855 opgenomen in artikel 2.11.11, respectievelijk artikel 2.11.12. Het tweede tot en met vijfde lid van artikel 57 keren niet terug in wetsvoorstel 26 855. Het huidige artikel 57b Rv, waarnaar artikel 8:75, tweede lid, tweede volzin, verwijst, is in wetsvoorstel 26 855 ten dele opgenomen in artikel 2.11.14. De verwijzing in het eerste lid van artikel 57b naar voorschotten ter zake van deskundigenkosten op de voet van artikel 225 (in wetsvoorstel 26 855: artikel 2.8.50) is overgebracht naar artikel 2.11.15. Ook in het tweede lid van artikel 2.11.14 is de verwijzing naar de voorschotten verwijderd. Ook artikel 58 Rv wordt geschrapt, doch daarvoor in de plaats treedt het nieuwe artikel 2.11.16, dat de mogelijkheid biedt de gemachtigde of procureur van een niet bestaande of niet geldig in het geding verschenen partij te veroordelen in de kosten van de winnende partij (zie voor een en ander Kamerstukken II, 1999/2000, 26 855, nr. 3, blz. 137–139).

2.5 Verkrijging van tweede en verdere grossen

De huidige nogal omslachtige regeling van artikel 843 Rv keert in wetsvoorstel 26 855 in sterk vereenvoudigde vorm terug in artikel 2.11.3 (alsmede in artikel 3.4.13 ten aanzien van de verzoekschriftprocedure; zie hieromtrent Kamerstukken II, 1999/2000, 26 855, nr. 3, blz. 187). Ingevolge de nieuwe regeling worden de tweede of verdere in executoriale vorm opgemaakte afschriften van een vonnis door de griffier verstrekt.

2.6 Gewijzigde terminologie

Op enkele punten wijzigt wetsvoorstel 26 855 de nu gebruikelijke terminologie. Zo wordt «rekest civiel» omgedoopt tot «herroeping» en krijgt «royement» een wettelijke regeling onder de noemer «doorhaling op de rol».

2.7 Nadere wijziging van het procesrecht

Het is wenselijk gebleken in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering nog enige wijzigingen van diverse aard aan te brengen. De voornaamste daarvan houden verband met het wetsvoorstel organisatie en bestuur gerechten (27 181), zoals de regeling welke zaken door de kantonrechter worden behandeld (artikelen 2.2A.1 e.v. Rv) en een herziene regeling voor de verwijzing van zaken door of naar de kantonrechter (artikel 1.8.2a Rv. Ook is bijvoorbeeld een herziene regeling voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter opgenomen, die is afgestemd op de Verordening (EG) Nr. 1347/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen (artikel 1.1.4 Rv). Voorts is de relatieve bevoegdheid in huurzaken aangepast naar aanleiding van hetgeen daarover is opgemerkt bij de behandeling van het nieuwe huurrecht in de Tweede Kamer.

ARTIKELEN

HOOFDSTUK 1. MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Artikel 3. Wet algemene regels herindeling

De regeling van schorsing, en hervatting, waarnaar het derde lid van het huidige artikel 44 verwijst, is in enigszins gemoderniseerde vorm opgenomen in de tiende afdeling van de tweede titel van het eerste boek (artikelen 2.10.1 tot en met 2.10.4) van wetsvoorstel 26 855. De wijzigingen zijn voor de aanpassing van artikel 44 evenwel niet van belang.

HOOFDSTUK 2 MINISTERIE VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Enig Artikel. Wet van 12 juni 1909 tot uitvoering van het op 17 juli 1905 te 's-Gravenhage gesloten verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering (Stb. 141)

Het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954 vervangt in de rechtsbetrekkingen tussen de staten die het hebben bekrachtigd het Rechtsvorderingsverdrag 1905 (artikel 29 Rechtsvorderingsverdrag 1954). Nederland heeft beide verdragen bekrachtigd. Van de landen die zijn toegetreden tot het Rechtsvorderingsverdrag 1905 heeft IJsland het Rechtsvorderingsverdrag 1954 niet bekrachtigd. Dit betekent dat in de betrekkingen tussen Nederland en IJsland het oude verdrag van 1905 nog geldt. De uitvoeringswet bij dat verdrag heeft derhalve nog steeds gelding, zodat het voor aanpassing in aanmerking komt.

De wijzigingen betreffen alle de aanpassing van verwijzingen naar het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

HOOFDSTUK 3. MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Artikel 1. Handelsregisterwet 1996

Zie § 2.2.

HOOFDSTUK 4. MINISTERIE VAN FINANCIËN

Artikel 1. Invorderingswet 1990

A

De huidige artikelen 1 e.v. Rv geven regels met betrekking tot de betekening van dagvaardingen. In de praktijk wordt wel aangenomen dat zij ook op andere exploten betrekking hebben. In verband met dit laatste geeft wetsvoorstel 26 855 in afdeling 1.6 algemene regels voor de betekening van exploten. In verband hiermee is het eerste lid van artikel 13 aangepast door het woord «dagvaardingen» te vervangen door «exploten».

De eerste twee leden van het huidige artikel 2 Rv zijn in wetsvoorstel 26 855 opgenomen in artikel 1.6.3. Het derde lid van artikel 2 Rv wordt geschrapt, omdat de daarin vervatte bepaling in artikel 12, derde lid, van het wetsvoorstel Gerechtsdeurwaarderwet (22 775) is opgenomen. In verband hiermee behoefde de formulering van het tweede lid van artikel 13 aanpassing.

C

In wetsvoorstel 26 855 is een nieuwe, gemoderniseerde regeling van de lijfsdwang opgenomen. Zulks brengt mee dat de verwijzing naar artikel 20 aanpassing behoeft.

Aangezien in wetsvoorstel 26 855 lijfsdwang ook mogelijk is bij de tenuitvoerlegging van beschikkingen (zie het nieuwe artikel 585), behoeft de laatste volzin van het eerste lid van artikel 20 aanpassing, omdat daarin thans alleen wordt verwezen naar vonnissen.

Artikel 2. Wet aansprakelijkheid kernongevallen

A Zie § 2.4.

B

Zie § 2.2.

Artikel 6. Wet van 30 oktober 1974 tot beëindiging van de overheidstaken met betrekking tot de zaken van de voormalige wees- en momboirkamers en het beheer van vicarieën, alsmede afkoop van onveranderlijke lasten (Stb. 700)

Zie § 2.3.

HOOFDSTUK 5. MINISTERIE VAN JUSTITIE

Artikel 1. Algemene wet bestuursrecht

Algemeen

De aanpassing van de Algemene wet bestuursrecht betreft verwijzingen naar bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.

A

In het derde lid van het huidige artikel 8:33 is – onder meer – artikel 199, eerste lid, Rv betreffende gijzeling van getuigen van overeenkomstige toepassing verklaard. In wetsvoorstel 26 855 is deze regeling neergelegd in artikel 2.8.26. Zij bevat een aantal nieuwe elementen. Gijzeling wordt in de tijd beperkt tot de duur van maximaal één jaar. Voorts is nieuw dat de rechter gijzeling slechts beveelt indien het belang van de waarheidsvinding zulks rechtvaardigt (zie artikel 2.8.26, tweede lid). Ten slotte is nieuw dat de rechter die de gijzeling heeft bevolen, ambtshalve of op verzoek van de gegijzelde de gijzeling beëindigt, indien voortzetting daarvan naar zijn oordeel niet meer door het belang van de waarheidsvinding wordt gerechtvaardigd (zie artikel 2.8.26, derde lid). Ten einde deze waarborgen voor de bescherming van de gegijzelde ook in het kader van de Algemene wet bestuursrecht toepassing te doen vinden, wordt ook verwezen naar het tweede en derde lid van artikel 2.8.26.

G

Het huidige artikel 57b Rv, waarnaar artikel 8:75, tweede lid, tweede volzin, verwijst, is in wetsvoorstel 26 855 ten dele opgenomen in artikel 2.11.14. De verwijzing in het eerste lid van artikel 57b naar voorschotten ter zake van deskundigenkosten op de voet van artikel 225 (in wetsvoorstel 26 855: artikel 2.8.50) is overgebracht naar artikel 2.11.15. Ook in het tweede lid van artikel 2.11.14 is de verwijzing naar de voorschotten verwijderd. Aangezien de vergoeding van deskundigen in de Algemene wet bestuursrecht niet op de leest van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is geschoeid, kan in artikel 8:75 een verwijzing naar artikel 2.11.15 evenwel achterwege blijven.

Artikel 2. Auteurswet 1912

Krachtens artikel 26c, tweede lid, vierde volzin, van de Auteurswet 1912 worden de daarin genoemde voorstellen en bezwaren betekend overeenkomstig het bepaalde in de huidige Eerste Titel, Eerste Afdeeling, van het Eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, luidende: «Van exploiten van dagvaarding, aanzegging en betekening». In de praktijk wordt thans algemeen aangenomen dat de eerste vier bepalingen van deze Afdeling, anders dan de titel van de afdeling en de bewoordingen van de bepalingen ervan doen vermoeden, niet slechts betrekking hebben op dagvaardingen, maar op alle exploten. In wetsvoorstel 26 855 zijn de desbetreffende bepalingen dan ook als algemene voorschriften ten aanzien van de exploten geredigeerd en neergelegd in de zesde afdeling van de eerste titel. Dit brengt mee dat artikel 26c Auteurswet 1912 met een verwijzing naar deze afdeling dient te worden aangepast aan wetsvoorstel 26 855.

Artikel 3. Burgerlijk Wetboek

A

1 tot en met 16, 18 tot en met 21, 24 tot en met 32, 35 tot en met 40.

Zie § 2.3

17. Het huidige artikel 280 verwijst naar het uit vijftien leden uiteenvallende artikel 429c Rv terzake van de relatieve bevoegdheid. In wetsvoorstel 26 855 is deze regeling in vereenvoudigde vorm opgenomen in de tweede afdeling van de derde titel van het eerste boek (artikelen 3.2.1 tot en met 3.2.8), waarbij een aantal bepalingen van artikel 429c Rv, waaraan geen grote bevoegdheid lijkt te bestaan, zijn geschrapt. Aangezien het in artikel 280 gaat om «zaken betreffende minderjarigen» dient te worden verwezen naar het daarop betrekking hebbende artikel 3.2.3. Daarnaast is verwezen naar artikel 3.2.7, dat een regel geeft voor gevallen waarin de specifieke regels van artikel 3.2.1 tot en met 3.2.6 geen bevoegde rechter aanwijzen (zie het huidige vijftiende lid van artikel 429c Rv).

22. Het huidige artikel 344 wijst kantonrechter aan die bevoegd is aanwijzingen te geven betreffende de bewaargeving door de voogd van spaarbankboekjes en gelden van de minderjarigen, naast de kantonrechter onder wiens goedkeuring een verdeling tot stand is gekomen. Hierbij wordt verwezen naar het uit vijftien leden opgebouwde artikel 429c Rv, waarin een regeling van de relatieve bevoegdheid van de rechter is neergelegd. In wetsvoorstel 26 855 is deze regeling in vereenvoudigde vorm opgenomen in de tweede afdeling van de derde titel van het eerste boek (artikelen 3.2.1 tot en met 3.2.8), waarbij een aantal bepalingen van artikel 429c Rv, waaraan geen grote bevoegdheid lijkt te bestaan, zijn geschrapt. Desbetreffende gevallen kunnen ook via de hoofdregels zoals zij in het wetsvoorstel worden geformuleerd worden behandeld. Het twaalfde lid van artikel 429c betreffende executie is verplaatst. Voor artikel 1:344 BW hebben deze wijzigingen evenwel geen gevolg.

23 en 34. De huidige artikelen 345 en 441 verwijzen naar het huidige artikel 19 Rv dat betrekking heeft op de schikkingscomparitie. In wetsvoorstel 26 855 is de schikkingscomparitie geregeld in artikel 2.1.10, dat globaal overeenstemt met artikel 19 Rv. De wijzigingen ten opzichte van artikel 19 Rv zijn voor de verwijzing in de artikelen 345 en 441 evenwel niet van betekenis.

28a. De verwijzing in artikel 414, eerste lid, is aangepast.

33. In wetsvoorstel 26 855 is deze regel van artikel 429c, vijfde lid, Rv opgenomen in artikel 3.2.4. Daarnaast wordt, evenals bij artikel 280, verwezen naar artikel 3.2.7, dat de rechter te 's-Gravenhage aanwijst als bevoegde rechter in geval artikel 3.2.4 niet een bevoegde rechter aanwijst.

B

1, 3 tot en met 17, 23 tot en met 29. Zie § 2.3.

18 en 19. De aanpassing van de artikelen 323 en 334u betreft terminologie. In wetsvoorstel 26 855 wordt de term «request-civiel» vervangen door «herroeping». De artikel 323 en 334u zijn hieraan aangepast. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt de woorden «verzet van derden» te vervangen door «verzet door derden», aangezien dit de benaming is die wordt gebruikt in de negende titel van het eerste boek, waar dit bijzonder rechtsmiddel is geregeld.

20. Wetsvoorstel 26 855 wijzigt artikel 344 Rv aldus dat in het tweede lid de woorden «de meervoudige kamer» worden vervangen door «een meervoudige kamer». Dit brengt mee dat de woorden «de meervoudige kamer en» in artikel 336 kunnen vervallen.

21. Het huidige artikel 339 verwijst naar de artikelen 222 tot en met 236 en strekte ertoe de regeling van het deskundigenbericht in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing te verklaren. Deze regeling is thans – na de inwerkingtreding van het «nieuwe» bewijsrecht op 1 april 1988 – evenwel neergelegd in de artikelen 221 tot en met 225. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt dit recht te zetten.

22. Het huidige tweede lid van artikel 343 verwijst naar de artikelen 68 tot en met 74 Rv, die betrekking hebben op vrijwaring. Deze bepalingen keren in wetsvoorstel 26 855 inhoudelijk vrijwel geheel terug in de artikelen 2.9.3 tot en met 2.9.9. De wijzigingen zijn niet van betekenis voor de verwijzing in artikel 343.

26. In het huidige artikel 349a verdiende de advocaat-generaal aparte vermelding, omdat deze functionaris zich bij vordering tot het Gerechtshof te Amsterdam moest wenden voor een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon, waar andere belanghebbenden dit bij verzoekschrift moesten doen. Nu ook de advocaat-generaal de hier bedoelde procedure bij verzoekschrift moet gaan inleiden (zie onder het algemeen gedeelte van deze memorie), valt hij reeds onder de «indieners van het in artikel 345 bedoelde verzoek», zodat de aparte vermelding kan vervallen. Zie ook § 2.3.

28. Naast de aanpassing van het huidige artikel 355 aan het uitgangspunt dat ten aanzien van door het openbaar ministerie te entameren verzoekschriftprocedures wordt gesproken van «verzoek» in plaats van «vordering» (zie § 2.3), is in het tweede lid nog een terminologische wijziging aangebracht. De zinsnede «Het verzoek moet geschieden» wordt is vervangen door de gangbare uitdrukking «Het verzoek wordt gedaan».

C

1. Het voorgestelde artikel 15b bevat de materie van artikel 11 van het Wetboek van Koophandel, dat thans komt te vervallen. De redactie is gemoderniseerd en verduidelijkt, waarbij ook aansluiting is gezocht bij artikel 15a van Boek 3. Net als in artikel 2.8.14 is gekozen voor de term «openlegging», omdat voor een afwijkende terminologie geen goede grond bestaat. Het zal zowel bij de toepassing van artikel 2.8.14 als bij de toepassing van artikel 15b van de omstandigheden van het geval afhangen op welke wijze openlegging zal moeten geschieden: door het verlenen van inzage, door het verschaffen van een uittreksel of anderszins. Omdat niet uitgesloten kan worden dat zich ook buiten de in artikel 11 WvK genoemde gevallen verhoudingen kunnen voordoen waarin openlegging gevorderd kan worden, is het limitatieve karakter van die bepaling niet gehandhaafd. Mede in verband daarmee is de – verouderde– verwijzing naar «aanstellers van factoors of bewindvoerders» niet overgenomen. Voor openlegging van de boekhouding aan een schuldeiser in faillissement of schuldsaneringsregeling is mede de eis gesteld dat deze daarbij een rechtstreeks en voldoende belang heeft. In het kader van het thans in voorbereiding zijnde wetsvoorstel tot vaststelling van titel 7.13 (vennootschap) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek zal overigens een specifieke bepaling worden voorgesteld voor inzage in de boekhouding van een personenvennootschap.

2. Het huidige artikel 27 is erop gericht mogelijk te maken dat een rechterlijke uitspraak omtrent het door eiser gepretendeerde recht ook jegens onbekende belanghebbenden gezag van gewijsde heeft. In verband daarmee wordt thans in de derde volzin van het eerste lid de regeling van verstek en aanhouding in geval sommige gedaagden zijn verschenen en anderen niet, vervat in artikel 79, eerste lid, Rv, buiten toepassing verklaard. In wetsvoorstel 26 855 is de herhaalde oproeping van niet verschenen gedaagde(en) in geval één of meer andere gedaagden wel zijn verschenen, echter afgeschaft. Dit brengt mee dat de grond om artikel 79, eerste lid, Rv, in artikel 27 buiten toepassing te verklaren is komen te vervallen. De verwijzing in het vierde lid wordt aangepast aan die van wetsvoorstel 26 855.

3. Het huidige derde lid van artikel 29 verwijst naar de artikelen 85 en 433 Rv, alwaar de bevoegdheid is gegeven van verzet, respectievelijk hoger beroep en beroep in cassatie aantekening te doen in een daartoe bestemd register. In wetsvoorstel 26 855 wordt de regeling van deze registers geconcentreerd in artikel 433. In verband daarmee wordt de verwijzing aangepast.

De grond aan de tweede volzin van het derde lid (dat artikel 79, eerste lid, Rv buiten toepassing stelt) is, evenals bij artikel 27, komen te vervallen (zie de toelichting bij artikel 27). Dit brengt mee dat de tweede volzin kan vervallen.

Het huidige artikel 81 komt in gewijzigde vorm terug in artikel 2.7.1 van het wetsvoorstel 26 855. De wijziging hebben evenwel niet betrekking op de aanvang van de verzettermijn.

4. De aanpassing van artikel 301 ten aanzien van de huidige artikelen 81, 85 en 433 Rv berust op dezelfde gronden als die van artikel 29 en 27 (zie de toelichting aldaar).

D

1 en 2. Zie § 2.3.

E

De aanpassing van artikel 32 ten aanzien van de huidige artikelen 81, 85 en 433 Rv berust op dezelfde gronden als die van artikel 3:27, 3:29 en 3:301 BW (zie de toelichting aldaar).

F

5. De huidige artikelen 68 en 69 keren in licht gewijzigde vorm terug in artikelen 2.9.3 en 2.9.4 van wetsvoorstel 26 855. De wijzigingen zijn evenwel voor de aanpassing van artikel 244 niet van belang. Het huidige artikel 73 Rv keert in wetsvoorstel 26 855 terug in artikel 2.9.8.

G

1. Zie § 2.4.

2. Afdeling 3.2 van wetsvoorstel 26 855, dat de relatieve bevoegdheid van de rechter in de verzoekschriftprocedure regelt, kent niet een alternatieve bevoegdheid in zaken betreffende een arbeidsovereenkomst. Daarom is in verband met de verwijzing naar het huidige artikel 98 Rv een daaraan ontleende zinsnede aan artikel 685 toegevoegd en kon niet worden volstaan met verwijzing naar afdeling 3.2.

Afdeling 3.2 kent evenmin een specifieke bevoegdheidsregel ten aanzien van een door de verweerder gekozen woonplaats. Zulks is ook niet nodig. Bij een gekozen woonplaats kan gewoon de hoofdregel van artikel 3.2.1 worden toegepast. Ten aanzien van het huidige artikel 99 Rv behoeft artikel 685 derhalve geen aanpassing.

Artikel 4. Faillissementswet

A

Het huidig artikel 33 bepaalt dat het vonnis van faillietverklaring – onder meer – ten gevolge heeft dat «geen vonnis bij lijfsdwang kan worden ten uitvoer gelegd» (eerste lid) en dat een schuldenaar die zich in gijzeling bevindt daaruit wordt ontslagen (derde lid). Het vierde lid bepaalt evenwel dat een en ander niet geldt «voor lijfsdwang in zaken als bedoeld bij artikel 598a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering». Het huidige artikel 598a Rv ziet op lijfsdwang bij alimentatie, dat thans nog een aparte regeling heeft. In wetsvoorstel 26 855 zijn allerlei verschillen tussen de algemene regeling van gijzeling en die van de alimentatieregeling echter als overbodig geschrapt. Als gevolg hiervan is de tekst van het eerste lid van artikel 598a Rv overgenomen in het vierde lid van artikel 33.

B

De huidige artikelen 197 tot en met 201, waarnaar artikel 66 verwijst, keren in wetsvoorstel 26 855 in licht gewijzigde vorm terug in de artikelen 2.8.23 tot en met 2.8.28. De wijzigingen zijn evenwel niet van belang voor de aanpassing van artikel 66. Bij voornoemde artikelen van wetsvoorstel 26 855 is ook een bepaling opgenomen die niet voorkomt in de huidige artikelen 197 tot en met 201. Het gaat om artikel 2.8.25, op grond waarvan de rechter indien een partij die gehouden is als getuige een verklaring af te leggen, niet ter terechtzitting verschijnt, niet antwoordt op de haar gestelde vragen of weigert haar verklaring te ondertekenen, daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht. Toepassing van deze bepaling in het kader van de Faillissementswet zou minder gelukkig zijn, omdat daarin elders, in artikel 87 e.v., reeds een regeling is gegeven voor het geval waarin de gefailleerde zijn verplichtingen uit hoofde van de Faillissementswet niet nakomt (zie hieromtrent overigens ook de wijziging van artikel 87 en 89 en de bijbehorende toelichting). Om dezelfde reden is de tweede volzin van het eerste lid van artikel 2.8.26 buiten toepassing verklaard.

C en D

In wetsvoorstel 26 855 is een nieuwe regeling van het onderwerp lijfsdwang opgenomen. Met die regeling houdt verband de regeling van verzekerde bewaring in de Faillissementswet (artikelen 87 tot en met 90 Fw). Het huidige artikel 89 Fw schrijft dwingend voor dat gijzeling, indien verzocht, in bepaalde gevallen moet plaatsvinden. In overeenstemming met de voorgestelde algemene gijzelingsregeling verdient het de voorkeur de rechter de vrijheid te geven ieder gijzelingsverzoek op zijn merites te beoordelen. Dit brengt mee dat artikel 89 komt te vervallen. Wel moet duidelijk zijn dat, in overeenstemming met de vaste rechtspraak terzake, faillissementsgijzeling op ruimere gronden kan plaatsvinden dan aangegeven in het huidige artikel 89 Fw. Met het oog hierop wordt in artikel 87 Fw een toetsingskader geformuleerd dat de rechter een wettelijk aanknopingspunt verschaft bij de toepassing van de bepaling. Om de rechter daarbij van voldoende armslag te verzekeren, is de redactie nog iets verruimd ten opzichte van hetgeen is aangekondigd in de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 26 855 (Kamerstukken II, 1999/2000, 26 855, nr. 3, blz. 179).

E

Het huidige vierde lid van artikel 122a bepaling verwijst naar het huidige artikel 261 Rv. Ingevolge het eerste lid van deze bepaling wordt in geval op de dagvaarding tot hervatting na een schorsing van de procedure verstek wordt verleend, de procedure hervat «achtereenvolgens de laatste gedingstukken». In wetsvoorstel 26 855 keert deze regeling in gewijzigde vorm terug in artikel 2.10.3. Deze bepaling is naar aanleiding van overleg met de Adviescommissie voor het Burgerlijk Procesrecht gewijzigd bij tweede nota van wijziging (Kamerstukken II, 1999–2000, 26 855, nr. 7). Bij de aanpassing van artikel 122a Fw is aan deze gewijzigde regeling aangehaakt. Een en ander brengt mee dat het huidige vierde lid kan vervallen.

F

De aanpassing van artikel 223b berust op dezelfde gronden als die van artikel 66.

G

De voorgestelde algemene regeling voor de verzoekschriftprocedure van titel 1.3 van wetsvoorstel 26 855 zal in beginsel onmiddellijk over de gehele linie, ten aanzien van alle zaken die met een verzoekschrift moeten worden ingeleid in werking treden. Dit betekent dat ingevolge artikel 3.1.1, eerste lid, titel 1.3 van toepassing is op alle zaken die met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, tenzij uit de wet anders voortvloeit. In § 1 is al erop gewezen dat het op grond van de aard van de faillissementsprocedure niet wenselijk is dat titel 1.3 daarop van toepassing is. Daarom is aan de algemene slotbepaling een lid toegevoegd waarin de toepasselijkheid van titel 1.3 wordt uitgesloten.

Artikel 4a. Gerechtsdeurwaarderswet

De omschrijving van de aan de voet van een exploot te vermelden kosten is gepreciseerd door verwijzing naar de desbetreffende bepalingen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Artikel 5. Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek

A

Het huidige eerste lid van artikel 28 verwijst naar artikel 814 Rv, eerste lid, onder c, Rv. Dit onderdeel is evenwel bij wet van 1 juli 1992 (Stb. 373; echtscheidingsprocesrecht) opgegaan in een gewijzigd onderdeel b en als zelfstandig onderdeel vervallen. In verband met de Verordening (EG) Nr. 1347/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen keert het bepaalde in artikel 814, eerste lid, onder b, in het nieuwe procesrecht niet terug. In verband daarmee vervalt artikel 28.

B-D

Zie § 2.3.

E

Zie § 2.2.

Artikel 6. Pachtwet

A

De verwijzing naar de artikelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is aangepast. Opgemerkt zij dat de nieuwe artikelen op een aantal punten afwijken van de huidige regeling. Deze wijzigingen zijn voor de aanpassing van artikel 101 evenwel niet van belang. Thans verwijst artikel 101 niet naar artikel 190 Rv, waarin is bepaald dat ook partijen als getuigen kunnen optreden. Er is niet gebleken van een goede reden om dit voorschrift, dat in wetsvoorstel 26 855 terugkeert in artikel 2.8.16, niet ook in het kader van een procedure op de voet van de Pachtwet van toepassing te verklaren. Indirect werd reeds naar de partij-getuige verwezen door de van overeenkomstige toepassing verklaring van de artikelen 199, tweede lid, en 205, eerste lid, Rv. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt artikel 101 op dit punt te wijzigen.

Voorts is het vijfde lid in overeenstemming met Aanwijzing 52 van de Aanwijzingen voor de regelgeving beknopter geformuleerd.

D

De huidige artikelen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering waarnaar artikel 139 verwijst, keren in vrijwel dezelfde vorm terug in wetsvoorstel 26 855. De wijzigingen zijn voor de aanpassing niet van belang.

Artikel 9. Wet bescherming persoonsgegevens

Zie § 2.2. Bij de aanpassing is ermee rekening gehouden dat in het huidige artikel 46, vierde lid, artikel 429d, derde lid, Rv (vgl. artikel 3.4.1, derde lid, in wetsvoorstel 26 855) buiten toepassing is gelaten en een verzoekschrift als bedoeld in artikel 46 dus niet door een procureur behoeft te worden ingediend.

Aangezien artikel 345 in wetsvoorstel 26 855 komt te vervallen kan de buiten-toepassingverklaring van artikel eveneens worden gemist.

Artikel 10. Wet conflictenrecht namen

Zie § 2.3.

Artikel 11a. Wet op de rechterlijke organisatie

A en C

De wijzigingen van de artikelen 38, eerste lid, onder a en b, en 67, tweede lid, betreffen een aanpassing aan de euro.

B

De aanvulling van artikel 38, eerste lid, onder c, is ontleend aan het thans geldende artikel 39, onder 2°.

Artikel 12. Wet op het notarisambt

In de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 26 855 is aangekondigd dat in de aanpassingswet ter vervanging van het huidige, nogal omslachtige artikel 841 Rv een regeling zal worden getroffen voor de afgifte van tweede en verdere grossen van akten door de notaris (Kamerstukken II, 1999/2000, 26 855, nr. 3, blz. 187). Daarbij is aangegeven dat de voor te stellen regeling van de notaris geen onderzoek zal verlangen naar de gronden voor het verzoek om een tweede of verdere grosse. Zulks is bij de aanpassing van artikel 50 geschiedt met een formulering die is ontleend aan de artikelen 2.11.3 en 3.4.13 van wetsvoorstel 26 855.

Artikel 13. Wet Overheidsaansprakelijkheid Bezettingshandelingen

Zie § 2.4.

Artikel 14. Wet persoonsregistraties

Zie § 2.2. Bij de aanpassing is ermee rekening gehouden dat in het huidige artikel 34 artikel 429d, derde lid, Rv (vgl. artikel 3.4.1, derde lid, in wetsvoorstel 26 855) buiten toepassing is gelaten en een verzoekschrift als bedoeld in artikel 34 dus niet door een procureur behoeft te worden ingediend.

Aangezien door de inwerkingtreding van wetsvoorstel 26 855 komt artikel 345 Rv te vervallen, kan de buiten-toepassingverklaring van artikel eveneens worden gemist.

Artikel 15. De Wet schadefonds geweldsmisdrijven

Ingevolge de Wet schadefonds geweldsmisdrijven kan het slachtoffer van een geweldsmisdrijf een uitkering verzoeken bij het schadefonds geweldsmisdrijven. Dit verzoek wordt in eerste instantie beoordeeld door de commissie die met het beheer van het schadefonds is belast. Het slachtoffer kan bij verzoekschrift bij het Gerechtshof te Den Haag opkomen tegen een afwijzende beslissing van het de commissie. In verband daarmee geven de artikelen 14 tot en met 18 enkele procesregels.

De twaalfde titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is niet in werking getreden ten aanzien van gerechtelijke verzoekschriftprocedures op de voet van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven. Wel verklaart artikel 16 ten aanzien van de behandeling van het verzoekschrift enkele bepalingen van de twaalfde titel van toepassing.

Nadat wetsvoorstel 26 855 kracht van wet heeft gekregen en in werking is getreden, zal de nieuwe algemene regeling van de derde titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ingevolge artikel 3.1.1, eerste lid, integraal van toepassing worden op de bij verzoekschrift als bedoeld in artikel 14 van de Wet Schadefonds geweldsmisdrijven in te leiden procedure, voorzover daarvan in die wet niet wordt afgeweken (zie § 2.2 ). De vraag of dit wenselijk is, is besproken met het Haagse Hof en de Adviescommissie voor het Burgerlijk Procesrecht en voor advies voorgelegd aan de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en de Nederlandse Orde van Advocaten. Ofschoon de Adviescommissie en de Orde (de NVvR heeft afgezien advisering) deze vraag bevestigend hebben beantwoord, zou de regering deze materie niet in het kader van dit wetsvoorstel willen beslissen. Mede naar aanleiding van een tweetal tijdens de behandeling van de Justitie-begroting aangenomen moties (Kamerstukken II, 1999/2000, 27 400 VI, nr. 24 en 25) wordt thans bezien of de Wet schadefonds geweldmisdrijven wijziging behoeft ten aanzien van een van de criteria voor uitkering uit het fonds. Dit raakt de mate waarin een beroep wordt gedaan op het fonds en dus ook het beslag dat wordt gelegd op de rechtspleging. Met het oog hierop acht de regering het niet wenselijk op dit moment in te grijpen in de wijze van procederen, omdat zij deze onderwerpen in samenhang wil bezien. Dit betekent dat bij de aanpassing van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven aan wetsvoorstel 26 855 in afwachting – en ook ten behoeve – van nadere beleidsvorming de status quo wordt gehandhaafd.

Artikel 16 van de wet is met inachtneming van het bovenstaande aangepast. In het nieuwe eerste lid wordt verwezen naar bepalingen van wetsvoorstel 26 855 die corresponderen met de artikelen waarnaar thans wordt verwezen. In het tweede lid is tot uitdrukking gebracht dat voor het overige de derde titel van wetsvoorstel 26 855 niet van toepassing is.

Artikel 16. Wet tarieven in burgerlijke zaken

C

Het huidige vijfde lid van artikel 11 bepaling verwijst naar het huidige artikel 104, dat betrekking heeft op de formulierdagvaarding van de kantongerechtsprocedure. In wetsvoorstel 26 855 keert de formulierdagvaarding evenwel niet terug. Dit brengt mee dat het daarop betrekking hebbende eerste gedeelte van het vijfde lid van artikel 11 kan vervallen.

Artikel 17. Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds

Artikel 23 verwijst naar de tweede titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarin de kantongerechtsprocedure is geregeld. Wetsvoorstel 26 855 kent evenwel niet een aparte kantongerechtsprocedure, maar maakt onderscheid tussen zaken waarin wel en niet in persoon kan worden geprocedeerd. Dienovereenkomstig is artikel 23 aangepast.

Artikel 19. Wet van 24 februari 1955, houdende regeling van gedwongen tenuitvoerlegging van uitspraken en beschikkingen, die ingevolge het Verdrag tot de oprichting van de Europese Gemeenschappen voor Kolen en Staal kunnen worden tenuitvoergelegd (Stb. 73)

Zie § 2.5.

Artikel 22. Wet van 17 februari 1972, houdende uitvoering van de op 10 september 1964 te Parijs ondertekende Overeenkomst inzake beslissingen tot verbetering van akten van de burgerlijke stand, met Bijlagen en aanvullingen, in verband daarmede, van artikel 29 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (Stb. 85)

Het eerste lid van het huidige artikel 9 geeft aan dat de daarin bedoelde procedure eindigt met een beschikking, terwijl het derde lid de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure van toepassing verklaart. Tegen deze achtergrond is het ongelukkig dat het eerste lid spreekt van «op de vordering», in plaats van «op het verzoek» (vgl. § 2.3).

Het derde lid kan vervallen op de gronden als vermeld in § 2.2.

In de tweede volzin van het eerste lid wordt thans de appèltermijn op twee maanden gesteld, aanvangende met de dag van dagtekening van de beschikking. Dit is in overeenstemming met de thans in het algemeen geldende appèltermijn in verzoekschriftprocedures (zie het huidige artikel 429n, tweede lid, Rv, alsmede artikel 345, tweede lid, Rv). In wetsvoorstel 26 855 wordt de (algemene) appèltermijn in verzoekschriftprocedures evenwel op drie maanden gesteld, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak (zulks in overeenstemming met de appèltermijn in de dagvaardingsprocedure; zie het nieuwe artikel 358, tweede lid). Het ligt in de rede dat deze nieuwe appèltermijn ook in de uitvoeringswet bij het Verdrag inzake beslissingen tot verbetering van akten van de burgerlijke stand tot uitgangspunt wordt genomen. Met het oog hierop komt de tweede volzin van het eerste lid van artikel 9 vervallen, zodat de hoofdregel van artikel 358 (nieuw) van toepassing wordt.

Artikel 25. Wet van 6 oktober 1977, houdende vaststelling van regelen betreffende de gedwongen tenuitvoerlegging van uitspraken van het Benelux-Gerechtshof die executoriale titel vormen (Stb. 557)

Zie § 2.5.

Artikel 26. Wet van 8 maart 1980, houdende uitvoering van artikel 19, zevende lid van het op 18 oktober 1961 te Turijn gesloten Europees Sociaal Handvest (Stb. 95)

B

Het huidige artikel 585 Rv geeft een achtledige opsomming van gevallen waarin lijfsdwang mogelijk is. In wetsvoorstel 26 855 wordt in artikel 585 (nieuw) een meer algemene opsomming gegeven van gevallen waarin de rechter lijfsdwang kan toestaan. In verband hiermee wordt naar het gehele artikel verwezen, in plaats van naar een onderdeel daarvan. Terzijde zij nog opgemerkt dat bij wet van 23 december 1992 (Stb. 1993, 29) onderdeel 7 van artikel 585 is komen te vervallen, onder vernummering van de onderdelen 8 en 9 tot 7 en 8.

De verwijzing naar 768 kan achterwege blijven, aangezien deze bepaling reeds bij wet van 19 november 1980, Stb. 616 is vervallen.

Artikel 27. Wet van 1 november 1980, houdende aanwijzing van een rechter op grond van artikel 54 van het Verdrag van Washington van 18 maart 1965 inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen Staten en onderdanen van andere Staten (Trb. 1966, 152) (Stb. 595)

Zie § 2.5. De redactie van het derde lid is zodanig aangepast dat duidelijk(er) tot uitdrukking komt dat het gaat om de uitgifte van tweede en verdere grossen van uitspraken uit hoofde van het Verdrag van Washington.

Artikel 28. Wet van 11 december 1980, houdende uitvoering van het op 18 maart 1970 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken (Stb. 653)

A

Thans verwijst het tweede lid van artikel 11 naar de artikelen 116 tot en met 118 Rv. Deze bepaling is niet aangepast aan het op 1 april 1988 in werking getreden «nieuwe bewijsrecht», waarin de bepalingen van het oude artikel 117 zijn teruggekeerd in de huidige artikelen 197 tot en met 199 en 201 Rv. Het oude artikelen 116 komt in het huidige Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet voor, maar keert in wetsvoorstel 26 855 terug in artikel 2.8.31. Het oude artikel 118 heeft noch in het huidige Wetboek, noch in het wetsvoorstel een plaats gekregen. Bij de aanpassing aan wetsvoorstel 26 855 is hiermee rekening gehouden.

Voorts wordt van overeenkomstige toepassing verklaard artikel 2.8.31. Deze bepaling opent de mogelijkheid dat een opgeroepen getuige die niet ter terechtzitting is verschenen of die wel is verschenen, maar weigert de eed of een verklaring af te leggen, wordt veroordeeld tot vergoeding van de vergeefs aangewende kosten, onverminderd zijn aansprakelijkheid tot schadevergoeding indien daarvoor gronden zijn. In het kader van artikel 11 is de overeenkomstige toepassing van deze nieuwe bepaling evenzeer wenselijk.

Artikel 30. Wet van 2 mei 1990 tot uitvoering van het op 20 mei 1980 te Luxemburg tot stand gekomen Europese Verdrag betreffende de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en betreffende het herstel van het gezag over kinderen, uitvoering van het op 25 oktober 1980 te 's-Gravenhage tot stand gekomen Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen alsmede algemene bepalingen met betrekking tot verzoeken tot teruggeleiding van ontvoerde kinderen over de Nederlandse grens en de uitvoering daarvan (Stb. 202)

De tweede volzin van artikel 12 kan vervallen op de gronden als vermeld in § 2.2.

Artikel 31. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

A

Artikel 1.1.1 is in overeenstemming gebracht met nr. 340a van de Aanwijzigingen voor de regelgeving.

B

De wijziging van artikel 1.1.4 hangt samen met de op 1 maart 2001 in werking getreden Verordening (EG) Nr. 1347/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen (Pb. EG L 160 van 30 juni 2000) (ook wel bekend als de «Brussel II-verordening»). Binnen het werkingsbereik van deze verordening vloeit daaruit rechtstreeks voort in hoeverre aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt in zaken van echtscheiding en daarmee verwante zaken. In het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is slechts plaats voor een aanvullende regeling van rechtsmacht voor die zaken en aspecten die niet rechtstreeks door de verordening worden bestreken. Over dit onderwerp heb ik advies gevraagd van de Staatscommissie IPR. Daarnaast heb ik aandacht gevraagd voor de positie van het forum non conveniens in het licht van nieuwe regelingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid als neergelegd in de Verordening en het op 19 oktober 1996 te 's-Gravenhage gesloten Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (Trb. 1997, 299) (hierna: «HKV 1996»). De Staatscommissie heeft op 14 mei 2001 haar advies uitgebracht, dat geraadpleegd kan worden op de website van het ministerie van Justitie1. De voorgestelde artikelen 1.1.4 en 1.1.4a en de navolgende toelichting daarop zijn in belangrijke mate gebaseerd op dit advies.

Algemeen

Op 1 maart 2001 trad de Verordening (EG) Nr. 1347/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen (PbEG L 160/19 van 30 juni 2000) in werking voor alle lidstaten met uitzondering van Denemarken. Deze verordening behelst bevoegdheidsbepalingen met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed en de nietigverklaring van het huwelijk. Tevens bevat de verordening een bevoegdheidsregeling met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid over gemeenschappelijke kinderen van de echtelieden. De verordening regelt voorts de erkenning en de tenuitvoerlegging van de in de lidstaten gewezen beslissingen op dit terrein.

Het toepassingsgebied van de verordening valt ten dele samen met het toepassingsgebied van het op 5 oktober 1961 te 's-Gravenhage gesloten Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen (Trb. 1968, 101) (hierna: «HKV 1961») en het hiervoor genoemde HKV 1996.1 Het toepassingsgebied van de verordening valt tevens ten dele samen met dat van het op 1 juni 1970 te 's-Gravenhage gesloten Verdrag inzake de erkenning van echtscheidingen en scheidingen van tafel en bed (Trb. 1979, 131) en het op 8 september 1967 te Luxemburg gesloten Verdrag inzake de erkenning van beslissingen betreffende de huwelijksband (Trb. 1979, 130). De regelingen van deze verdragen zijn voor wat betreft de erkenning van buitenlandse echtscheidingen in Nederland gecompleteerd door artikel 2 Wet Conflictenrecht Echtscheiding.

Als gevolg van het feit dat de verordening rechtstreeks toepasselijk is zonder dat omzetting in de nationale wetgeving is toegestaan, kan in de Nederlandse wetgeving nog uitsluitend een voorziening worden getroffen voor de gevallen die buiten het toepassingsgebied van de verordening vallen. Daarbij lijkt uit de uitspraak van het Hof van Justitie in de Commissie v. Italië 39/72, te kennen uit R.H. Lauwaars/C.W.A. Timmermans, Europees Recht in kort bestek, 5e druk, p. 104 (zie ook Amsterdam Bulb v. Produktschap Siergewassen, 50/76, Jur. 1977, p.137), te volgen dat het Gemeenschapsrecht ook niet toestaat de tekst van de verordening over te nemen in de nationale wet. Bij overname worden de bepalingen van een verordening ingebed in het wettelijk stelsel van het betreffende land, waardoor de Europese signatuur en autonome status van een verordening gemakkelijk verloren kunnen gaan. In de voorgestelde tekst is dan ook slechts een verwijzing opgenomen naar de verordening. In verband met het feit dat, zoals hierna nog aan de orde komt, op dit terrein ook andere internationale regelingen van belang zijn, wordt omwille van de duidelijkheid in de voorgestelde regeling door verwijzing naar. artikel 1.1.1 uitdrukkelijk herinnerd aan het aanvullend karakter van de artikelen 1.1.4 en 1.1.4a.

De verordening is gebaseerd op titel IV van het derde deel van het EG-Verdrag, zoals dit is gewijzigd door het Verdrag van Amsterdam. De tekst van de verordening sluit grotendeels aan op de tekst van het Verdrag betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken, Brussel 28 mei 1998 (Trb. 1999, 14). Zoals de preambule van de verordening aangeeft, bouwt de verordening voort op de resultaten van het verdrag (nr. 6). Het toelichtend rapport van prof. Alegría Borrás op het ontwerp-Verdrag (Pb. EG C 221 van 16 juni 1998, p. 27 e.v.) behoudt dan ook zijn betekenis voor de uitleg van de verordening.

Het materiële toepassingsgebied van de verordening

De verordening is van toepassing op burgerlijke rechtsvorderingen en de erkenning van beslissingen betreffende echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk. Hieronder vallen niet vraagstukken zoals de schuld van echtgenoten, het huwelijksgoederenrecht, alimentatieverplichtingen of andere bijkomende maatregelen, ook al houden deze met de in de verordening geregelde procedures verband (zie Preambule, considerans nr. 10). De rechtsvorderingen en beslissingen betreffende geldigheid en nietigheid van het huwelijk vallen buiten het toepassingsgebied van de verordening. In de voorgestelde redactie voor artikel 1.1.4 wordt, in overeenstemming met het advies van de Staatscommissie, voor deze rechtsvorderingen in het commune recht wel voorzien in een bevoegdheidsregeling, die overigens gelijk is aan die van de verordening.

Het interne Nederlandse recht kent het geregistreerd partnerschap, terwijl het huwelijk is opengesteld voor personen van hetzelfde geslacht. Tenzij de verordening aldus moet worden uitgelegd dat de term «huwelijk» ook betrekking heeft op het opengesteld huwelijk, dienen de commune bevoegdheidsregels tevens betrekking te hebben op het opengesteld huwelijk en het geregistreerd partnerschap. In het voorgestelde artikel 1.1.4 is hiermee rekening gehouden. Gewezen zij er nog op dat de omzetting van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap geen echtscheiding is, maar een andere vorm van ontbinding van het huwelijk. Dientengevolge valt een dergelijke omzetting niet onder het toepassingsgebied van de verordening.

De verordening regelt tevens de bevoegdheid ter zake van burgerlijke rechtsvorderingen en de erkenning van beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen van de echtgenoten ter gelegenheid van een verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk. De term «ouderlijke verantwoordelijkheid» is ontleend aan artikel 1, tweede lid, HKV 1996, volgens welke bepaling deze term het ouderlijk gezag omvat of iedere overeenkomstige gezagsverhouding waarin de rechten, de bevoegdheden en de verantwoordelijkheden van ouders, voogden of andere wettelijke vertegenwoordigers ten opzichte van de persoon of het vermogen van het kind besloten liggen. Aangenomen wordt dat ook het omgangsrecht onder het toepassingsgebied van de verordening valt.

De verordening heeft uitsluitend betrekking op bevoegdheid en erkenning van beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid met betrekking tot gemeenschappelijke kinderen van de echtgenoten. Dit kunnen ook de door de echtelieden gezamenlijk geadopteerde kinderen zijn. Het omvat echter niet kinderen die slechts tot één der echtgenoten in familierechtelijke betrekking staan.

Deze beperkingen leiden er toe dat in een groot aantal gevallen waarin maatregelen betreffende ouderlijke verantwoordelijkheid of andere maatregelen ter bescherming van minderjarigen moeten worden genomen, zoals ondertoezichtstelling, niet de verordening maar het HKV 1961 van toepassing is. Het verdrag van 1961 heeft echter een beperkt toepassingsgebied (artikel 13) zodat er ook op dit terrein behoefte bestaat aan een commune regeling. Ook dit gegeven is verwerkt in de voorgestelde artikelen 1.1.4 en 1.1.4a.

Het formele toepassingsgebied van de verordening

Het formele toepassingsgebied van de verordening volgt uit de artikelen 7 en 8 van de verordening. Artikel 7 geeft aan dat een verweerder met de nationaliteit (voor het Verenigd Koninkrijk en Ierland moet hiermee het begrip «domicile» worden gelijkgesteld) van een lidstaat of met gewoon verblijf in een lidstaat uitsluitend volgens de bevoegdheidsregels van artikel 2 tot en met artikel 6 van de verordening voor het gerecht van een andere lidstaat kan worden opgeroepen.

Het Rapport-Borrás, nr. 44 op het verdrag vermeldt dat de bevoegdheidsregels van artikel 2–6 exclusief zijn. Art. 8 lid 1 van de verordening bepaalt dat in het geval dat artikel 2–6 van de verordening niet een gerecht van een lidstaat aanwijzen, de gerechten hun bevoegdheid mogen baseren op nationale rechtsmachtbepalingen. Dit worden «residuele» bevoegdheden genoemd. Volgens het rapport-Borrás (nr. 47) beschikt Nederland niet over dergelijke bepalingen. Met de Staatscommissie onderschrijf ik dit standpunt, voor zover daarmee wordt bedoeld dat het Nederlandse recht geen bevoegdheidsregels kent die ruimer zijn dan die van de verordening.

Binnen de Staatscommissie leven verschillende opvattingen over de uitleg van artikel 7 en 8 van de verordening. Een deel van de commissie is van mening dat het formele toepassingsgebied van de verordening ingevolge artikel 7 beperkt is tot de situaties dat de verweerder door nationaliteit of gewoon verblijf is verbonden met een lidstaat. Dit houdt in dat tegenover verweerders die hieraan niet voldoen de nationale bepalingen kunnen worden ingeroepen. Artikel 2 is in een dergelijk geval niet van toepassing. In een dergelijk geval is het niet van belang of de verweerder een band met een lidstaat heeft. In deze visie bestaat er dus behoefte aan een nationale regeling die voorziet in bevoegdheidsregels voor de gevallen die niet onder de verordening vallen. Deze nationale bevoegdheidsregels zouden overigens gelijk kunnen zijn aan competentieregels van de verordening.

De andere opvatting houdt in dat de verordening een uitputtende competentieregel voor alle rechtsvorderingen bevat ongeacht of de verweerder een band heeft met een lidstaat. Dit betekent dat voor verzoeken tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed en de nietigverklaring van het huwelijk de rechter eerst moet onderzoeken of zijn bevoegdheid op artikel 2 berust. Indien dit het geval is, verklaart hij zich bevoegd. Indien dit niet het geval is, mag volgens artikel 8 van de verordening worden bezien of zijn bevoegdheid kan worden afgeleid uit de nationale bepalingen van de geadieerde rechter. Aangezien artikel 1.1.4 geen andere bevoegdheidsgronden kent dan de verordening in artikel 2 opsomt, zal er in een dergelijke situatie geen bevoegdheid bestaan voor de Nederlandse rechter. In deze visie is dus geen behoefte aan bevoegdheidsregels voor gevallen waarin artikel 2 van de verordening geen bevoegde rechter aanwijst en zou artikel 1.1.4. voor de bevoegdheid ter zake van de echtscheiding en scheiding van tafel en bed kunnen vervallen. Dit geldt niet voor het geregistreerd partnerschap en het opengesteld huwelijk voorzover dit laatste niet onder de verordening mocht vallen, zodat voor deze ontbindingen wel altijd een bevoegdheidsregeling nodig zal zijn. Met de Staatscommissie ben ik van oordeel dat, zolang geen duidelijkheid bestaat over de uitleg van artikel 7 en 8 van de verordening, de commune bevoegdheidsregel inzake echtscheiding van artikel 1.1.4 dient te worden gehandhaafd.

De verordening geeft de mogelijkheid dat een gerecht van een lidstaat voorlopige of bewarende maatregelen treft zoals deze in zijn nationale wetgeving zijn voorzien (zie artikel 12 van de verordening). Een vereiste is dat de maatregelen personen of goederen betreffen die zich in de lidstaat van het betreffende gerecht bevinden. De verordening bepaalt niets over de vraag of dergelijke maatregelen buiten het territoir van het gerecht dat deze uitvaardigde, erkend of ten uitvoer kunnen worden gelegd. De toepasselijkheid van de voorlopige maatregel, eindigt als in hetzelfde land de beslissing in de hoofdzaak definitief is geworden of een onder de verordening bevoegde instantie van een ander land een beslissing heeft gewezen die conform de regels van de verordening is erkend (of ten uitvoer is gelegd). Voor maatregelen betreffende kwesties die buiten de verordening vallen, geldt dat deze hun werking behouden totdat op die kwesties definitief is beslist. Artikel 12 van de verordening bevat geen bevoegdheidsgronden, zodat men hiervoor aangewezen blijft op het nationale recht.

Hoewel verdedigbaar is dat het voorgestelde artikel 1.1.12 deze materie reeds regelt, wordt ter wille van de duidelijkheid toch een speciale bepaling voor voorlopige voorzieningen opgenomen in artikel 1.1.4.

Artikel 3 van de verordening regelt de bevoegdheid ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen. De verordening verklaart de rechter van een lidstaat bevoegd als hij bevoegd is ingevolge artikel 2 Vo en het kind zijn gewoon verblijf heeft in de staat van die rechter. Indien het kind niet in die lidstaat zijn gewoon verblijft heeft, maar wel in een andere lidstaat, kan de krachtens artikel 2 bevoegde rechter toch rechtsmacht toekomen indien ten minste een der ouders de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind draagt en de bevoegdheid van de rechter door de echtgenoten is aanvaard en de bevoegdheid door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd. Hieruit volgt dat artikel 3 van de verordening een beperkt toepassingsgebied heeft. Daarbuiten is de regeling van de bevoegdheid overgelaten aan het nationale recht. Voor Nederland betekent dit dat de bevoegdheid wordt bepaald door het HKV 1961 en – buiten het toepassingsgebied daarvan – door het commune recht.

Voor de vraag welke regels zouden moeten gelden voor rechtsvorderingen inzake kinderen die niet onder de verordening noch onder een verdrag vallen, dient een onderscheid te worden gemaakt tussen voorzieningen die in het kader van een echtscheidingsprocedure worden gevraagd en die in overige gevallen, zoals ondertoezichtstelling van een minderjarige.

Voor de voorzieningen in het kader van de echtscheiding kan het best worden aangesloten bij de bevoegdheid van de echtscheidingsrechter, zoals dit ook voor de overige nevenvoorzieningen wordt voorgestaan. Het is echter wenselijk, zoals ook de Staatscommissie meent, dat de rechter een handvat krijgt op grond waarvan hij zijn bevoegdheid alsnog kan afwijzen omdat hij zich niet in staat acht het belang van het kind naar behoren te behartigen wegens onvoldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer.

Voor de overige voorzieningen wordt in de praktijk het HKV 1961 reeds bij wijze van analogie toegepast. Met de Staatscommissie meen ik dat het aanbeveling verdient om deze praktijk te consolideren in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In de bij wetsvoorstel 26 855 voorgestelde rechtsmachtregels wordt de bevoegdheid inzake zelfstandige verzoeken tot het treffen van maatregelen ten aanzien van kinderen bepaald door artikel 1.1.3. Dit artikel baseert de bevoegdheid ten aanzien van genoemde maatregelen niet op de gewone verblijfplaats van het kind, hetgeen nu juist wel de voornaamste aanknopingsfactor is van de kinderbeschermingsverdragen en ook in de verordening een belangrijke rol speelt (artikel 3, eerste lid). In dit licht acht ik, met de Staatscommissie, artikel 1.1.3 niet toereikend om in de bevoegdheid van de rechter ter zake van zelfstandige verzoeken inzake maatregelen ten behoeve van kinderen te voorzien. Om die reden wordt voorgesteld hiervoor alsnog een afzonderlijk artikel op te nemen (artikel 1.1.4a). In dit nieuwe artikel 1.1.4a wordt bovendien een forum non conveniens-regel opgenomen, die door de rechter slechts in een uitzonderlijk geval mag worden toegepast. In principe is de voldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer immers gegeven als het kind zijn gewoon verblijf in Nederland heeft.

Artikel 1.1.4

Eerste lid. Omdat over het exacte toepassingsgebied van de verordening verschillend geoordeeld kan worden, is een algemene voorziening noodzakelijk voor alle gevallen die niet onder de verordening vallen. In deze situaties zal de verordening analoog worden toegepast. Dit is het eenvoudigst en creëert bovendien rechtsgelijkheid tussen de gevallen die wel en die niet onder het bereik van de verordening vallen. Het materiële bereik van het eerste lid is door de toevoegingen van de nietigheid en de geldigheid van het huwelijk iets ruimer dan dat van de verordening.

Tweede lid. Hoewel de in dit lid omschreven bevoegdheid ook reeds kan worden afgeleid uit de algemene bepaling inzake voorlopige en bezwarende maatregelen van artikel 1.1.12, is het ter wille van de duidelijkheid gewenst dat de bevoegdheid van de door het eerste lid als bevoegd aangewezen rechter tot het treffen van voorlopige voorzieningen in verband met de echtscheiding uitdrukkelijk op deze plaats wordt vastgelegd. De redactie van het tweede lid wijkt enigszins af van die welke is voorgesteld door de Staatscommissie, teneinde buiten twijfel te stellen dat de regeling zowel toepassing kan vinden wanneer de rechtsmacht voor de hoofdvoorziening wèl door de Brussel II-verordening wordt beheerst als wanneer die rechtsmacht voortvloeit uit het eerste lid. Onverlet blijft dat de bevoegdheid om een voorlopige voorziening te treffen in voorkomend geval zal worden bepaald door de Brussel II-verordening, door het Europees Bevoegdheids- en Executieverdrag 1968 (EEX), voorzover het alimentatie betreft of het HKV 1961, voorzover het maatregelen van kinderbescherming betreft.

Derde lid. Dit lid is in materieel opzicht niet gewijzigd ten opzichte van het oorspronkelijke artikel 1.1.4: als hoofdregel is de echtscheidingsrechter eveneens bevoegd ter zake van de nevenvoorzieningen. Ook hier geldt dat de rechterlijke bevoegdheid onder omstandigheden wordt bepaald door de Brussel II-verordening, het EEX, dan wel het HKV 1961.

Met de Staatscommissie ben ik van mening dat het niet opportuun is dat de rechter zou moeten oordelen over het voorgezet gebruik van de echtelijke woning, zoals bedoeld in artikel 827, eerste lid, onder d en e, Rv in de gevallen dat de woning niet in Nederland is gelegen. Een daarop betrekking hebbende uitzondering is daarom in het derde lid onder a opgenomen. Hoewel er in wetsvoorstel 26 855 is gekozen voor het niet-opnemen van een algemene forum non conveniens-regel, is zo'n regel voor dit specifieke geval wel op zijn plaats. De regeling sluit daarmee aan bij de praktijk, waar de rechter zich over het algemeen niet bevoegd acht ten aanzien van deze verzoeken als de woning in het buitenland ligt.

De uitzondering onder b van het voorgestelde derde lid vloeit voort uit de gedachte dat de rechter de vrijheid moet hebben om af te zien van het treffen van een gezagsvoorziening of een omgangsregeling als dit niet in het belang van het kind is. Deze uitzondering sluit aan bij de rechtsmacht op grond van het HKV 1961 en de rechtspraak over gevallen buiten het verdrag. Zij sluit ook aan bij het systeem van het HKV 1996. Bewust is gekozen voor de terminologie van de Nederlandse wet en is niet de term «ouderlijke verantwoordelijkheid» van het HKV 1996 en de Verordening overgenomen. Het belang van het kind vormt voldoende reden om ook op deze plaats een forum non conveniens-regel op te nemen. Dat is uit rechtssystematisch oogpunt ook zuiverder dan – zoals in de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 26 855 werd gesuggereerd – om het aan de rechter over te laten om de gevraagde voorziening af te wijzen indien deze niet in het belang van de kind is. Daarmee zou de mogelijkheid van het weigeren van een beslissing immers afhankelijk zijn van de inhoud van het toepasselijke recht, terwijl niet uitgesloten is dat het toepasselijke recht een dergelijke mogelijkheid niet toestaat. De redactie van het derde lid wijkt enigszins af van die welke is voorgesteld door de Staatscommissie, teneinde buiten twijfel te stellen dat de regeling zowel toepassing kan vinden wanneer de rechtsmacht voor de hoofdvoorziening wèl door de Brussel II-verordening wordt beheerst als wanneer die rechtsmacht voortvloeit uit het eerste lid.

Vierde lid. Voor het geregistreerd partnerschap is in navolging van wetsvoorstel 26 855 gekozen voor een gelijkschakeling met de regeling van de bevoegdheid ter zake van de echtscheiding inclusief de nevenvoorzieningen. Daardoor kan worden volstaan met een verwijzing naar het eerste tot en met derde lid. Daarnaast is het oorspronkelijke tweede lid van artikel 1.1.4 (steeds rechtsmacht voor in Nederland aangegane partnerschappen) in het slot van het vierde lid gehandhaafd. De redactie van het vierde lid is ten opzichte van de door de Staatscommissie voorgestelde redactie enigszins vereenvoudigd, waardoor ook beter tot uitdrukking komt dat daaronder behalve de ontbinding en nietigheid van het geregistreerd partnerschap ook de nietigverklaring en geldigheid daarvan vallen, alsmede voorlopige voorzieningen en nevenvoorzieningen.

Artikel 1.1.4a

Met de Staatscommissie ben ik van mening dat artikel 1.1.3 niet op een adequate wijze voorziet in een bevoegdheidsregeling ter zake van de verzoeken betreffende maatregelen ten behoeve van kinderen anders dan in het kader van de echtscheiding. In artikel 1.1.4a wordt aangesloten bij de bij de hoofdregel van de kinderbeschermingsverdragen (zie artikel 1 HKV 1961 en artikel 5 HKV 1996). De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht als het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. In uitzonderlijke gevallen moet de rechter evenwel de mogelijkheid hebben om bevoegdheid af te wijzen, indien hij zich, in verband met de internationale aspecten van de zaak, niet voldoende in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen. Als voorbeeld kan genoemd worden het geval waarin ondertoezichtstelling wordt gevraagd van een kind dat na de indiening van het verzoek naar het buitenland is vertrokken. Hoewel in de praktijk (nog) geen gevallen bekend zijn waarin de rechter van het treffen van een voorziening heeft afgezien terwijl het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland had, verdient het toch de voorkeur daartoe een exceptie op te nemen. Het belang van het kind moet onder alle omstandigheden het zwaarst kunnen wegen. Vergelijk artikel 8 HKV 1996.

C

Artikel 1.6.2 is op aandringen van de Koninklijke Vereniging van Gerechtsdeurwaarders (KVG) gewijzigd. De wijziging geeft de deurwaarder de ruimte om in het geval dat degene voor wie het exploot bestemd is, weigert om dit in ontvangst te nemen, een afschrift van het exploot hetzij aan de woonplaats achter te laten in een gesloten envelop, hetzij dit afschrift ter post te bestellen. De oorspronkelijke redactie liet de deurwaarder op dit punt niet de keuze, maar schreef primair voor dat het afschrift werd achtergelaten en stond ter post bezorging slechts toe wanneer ook achterlating feitelijk onmogelijk was. Het verdient de voorkeur dat de deurwaarder op dit punt naar bevind van zaken kan handelen.

D

Naar aanleiding van de brief van 2 april 2001 (kamerstukken II 2000/01, 26 089, nr 20) die na het wetgevingsoverleg van 26 maart 2001 over de wetsvoorstellen tot vaststeling van titel 4 (huur) van Boek 7 BW (kamerstukken II 1997/98, 26 089, nrs 1–3), inzake Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (kamerstukken II 1997/98, 26 090, nrs 1–3) en tot vaststelling van afdeling 7.4.6 van het BW (huur bedrijfsruimte (kamerstukken II 1999/2000, 26 932, nrs 1–3) aan de Tweede Kamer is gezonden, is opnieuw aandacht besteed aan de vraag of in huurzaken een exclusieve bevoegdheid wenselijk is van de rechter binnen wiens rechtsgebied het gehuurde is gelegen. Ik ben tot de slotsom gekomen dat, zoals hierna nader uiteen te zetten, inderdaad een exclusieve bevoegdheid de voorkeur verdient. Daarbij moet onderscheiden worden tussen zaken die met een dagvaarding beginnen en zaken die met een verzoekschrift worden ingeleid.

In dagvaardingszaken betreffende de huur van woonruimte en de huur van bedrijfsruimte wordt een exclusieve bevoegdheid voorgesteld van de rechter binnen wiens rechtsgebied het gehuurde of het grootste gedeelte daarvan is gelegen. De regeling is beperkt tot de huur van woonruimte en middenstandsbedrijfsruimte, omdat hier aan de huurder een bijzondere bescherming wordt gegeven en plaatstelijke omstandigheden, eventueel vast te stellen door een plaatsopneming of bezichtiging, voor een goed oordeel over betreffende de zaak een belangrijke rol kunnen spelen. Dit sluit aan bij de huidige, vergelijkbare, exclusieve bevoegdheid van de kantonrechter in artikel 98 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en in artikel 27 van de Huurprijzenwet woonruimte, die is overgenomen in artikel 7:262 lid 2 BW van wetsvoorstel 26 089. Ook wordt aldus aansluiting verkregen bij de bevoegdheid van de plaatstelijke huurcommissie. Men zie de artikelen 9, tweede lid, 33, 39 en 40 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte. In geval van bedrijfsruimte moet worden gedacht aan de taak van bedrijfshuuradviescommissies. Ook in verband hiermee mag van een exclusieve bevoegdheid van de plaatselijke rechter verwacht worden dat zij een efficiënte procesvoering ten goede komt.

Voor wat betreft de verzoekschriftprocedure bevat de huidige wetgeving reeds twee gevallen van een zodanige exclusieve bevoegdheid. Men zie artikel 28d Huurwet, overgenomen in artikel 7:230a lid 1, derde zin, BW van wetsvoorstel 26 932, waarin de huurder de rechter kan verzoeken de ontruimingstermijn te verlengen, en artikel 7A:1629 lid 4 BW, overgenomen in artikel 7:291 lid 2, tweede zin, BW van wetsvoorstel 26 932, waarin partijen de rechter kunnen verzoeken afwijkende bedingen goed te keuren. In titel 7.4 BW komen geen andere huurzaken voor die met een verzoekschrift ingeleid worden. Zolang het huidige huurrecht geldt, kunnen genoemde bepalingen worden gehandhaafd. Voor nadien moet het evenwel duidelijker worden geacht deze bepalingen te doen vervallen en de bevoegdheid in de hier bedoelde huurzaken op te nemen in de nieuwe regeling van de relatieve bevoegdheid in verzoekschriftprocedures in afdeling 3.2. Dit laatste wordt voorgesteld in hoofdstuk 12, artikel 4, van dit wetsvoorstel. Het daar voorgestelde artikel 3.2.2a Rv heeft betrekking op alle zaken betreffende huur van gebouwde onroerende zaken of een gedeelte daarvan, zodat ook – net als thans – het gehele gebied van artikel 7:230a BW wordt bestreken.

E

De wijziging in artikel 2.2.10 betreft een aanpassing aan de euro.

F

Artikel 2.3.1, tweede lid, onder g, schrijft tevens voor dat de gedaagde in kantonzaken in de dagvaarding wordt gewezen op de wijze waarop hij op de eis kan antwoorden en op de gevolgen van het uitblijven van een tijdig antwoord (vergelijk artikel 103 Rv).

G

In artikel 2.3.4, derde lid, wordt, evenals thans in artikel 11 Rv, voor de bepaling van de dagvaardingstermijn mede rekening gehouden met een door de gedaagde in Nederland gekozen woonplaats.

H

Aan de in artikel 2.4.4 op de gedaagde gelegde, thans niet bestaande, verplichting om bij de conclusie van antwoord het exploot van dagvaarding over te leggen, bestaat bij nadere overweging geen behoefte. De rechter heeft voldoende aan het door de eiser overgelegde exemplaar van de dagvaarding; desgewenst kan de rechter de gedaagde op de voet van artikel 1.3.4 bevelen zijn exemplaar van de dagvaarding over te leggen.

I

Van artikel 2.8.16, derde lid, dat bij amendement is ingevoegd, is over het hoofd gezien dat het inhoudelijk nagenoeg overeenstemt met artikel 2.8.25. Omdat artikel 2.8.25 mede rekening houdt met het geval dat een partij-getuige niet ter terechtzitting verschijnt, verdient het de voorkeur de inhoud van die bepaling over te brengen naar artikel 2.8.16, derde lid.

J

Het vervallen van artikel 2.8.25 hangt direct samen met de wijziging van artikel 2.8.16.

K

Artikel 2.9.17, tweede lid, onder a en b, is in overeenstemming gebracht met nr. 340a van de Aanwijzigingen voor de regelgeving. In laatstgenoemd onderdeel is het voorts nodig gebleken uitdrukkelijk rekening te houden met artikel 40 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.

L

Artikel 2.11.11a. Voor de regeling van de proceskosten worden kosten voor deurwaardersverrichtingen in aanmerking genomen overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur te geven tarieven. Omdat het is wenselijk dat de aldus vastgestelde tarieven jaarlijks geïndexeerd kunnen worden, en zulks het beste bij ministeriële regeling kan geschieden, dient de mogelijkheid daartoe te worden gecreëerd in artikel 2.11.11a.

M

In artikel 2.12.4, derde lid, is de verwijzing naar artikel 2.12.3 verbeterd.

N

De redactie van artikel 3.2.1, eerste lid onder a, is verduidelijkt, zodat ook duidelijk is dat als er verschillende verzoekers zijn, de rechter van ieders woonplaats – of bij gebreke daarvan: verblijfplaats – gelijkelijk bevoegd is.

O

Artikel 3.4.13. In het vierde en vijfde lid zijn twee onvolkomenheden hersteld.

P

De wijziging van artikel 332 betreft een aanpassing aan de euro.

Q

Artikel 434a. De wijziging komt overeen met die in artikel 2.11.11a.

R

Artikel 642z. Zie § 2.4

S

Artikel 700, derde lid. De wijziging strekt tot herstel van een lacune in de voorschriften voor conservatoir beslag, waarop is gewezen door prof. mr. A. I. M. van Mierlo (WPNR 6373 (1999), blz. 726. De lacune bestaat hierin dat bij conservatoir derdenbeslag of conservatoir beslag op aandelen niet gewaarborgd is dat, indien de termijn voor het instellen van de hoofdzaak door de rechter op de voet van artikel 700 Rv wordt verlengd, de derde c.q. de vennootschap daarvan op de hoogte wordt gesteld. Omdat overschrijding van de termijn voor het instellen van de hoofdzaak het beslag doet vervallen, dient de derde c.q. de vennootschap van verlenging van de termijn schriftelijk op de hoogte te worden gesteld. Het ligt in de rede dat dit dient te geschieden binnen acht dagen na het tijdstip waarop de termijn zonder verlenging zou verstrijken, omdat hetzelfde tijdstip wordt aangehouden voor het aan de derde c.q. de vennootschap overbetekenen van de dagvaarding in de hoofdzaak (artikel 715, tweede lid, tweede zin, Rv en artikel 721, eerste zin, Rv). Zulks wordt in de vierde zin van artikel 700, derde lid, bepaald. Uit de vijfde zin, waarvan de redactie enigszins is verduidelijkt, vloeit voort dat overschrijding van de al dan niet verlengde termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak het beslag doet vervallen.

Opmerking verdient nog dat de president, met het oog op de belangen van de beslagene, bij een verlenging van de termijn aan zijn beschikking voorwaarden kan verbinden, bijvoorbeeld dat daarvan vóór een door hem te bepalen tijdstip mededeling wordt gezonden aan de beslagene of dat zijn beschikking aan de beslagene wordt betekend. Zou de beslaglegger niet voldoen aan een zodanige voorwaarde, dan mist de verlenging zijn werking. Omdat mededeling of betekening aan de beslagene niet voor alle gevallen nodig lijkt en de gevallen ook overigens sterk van elkaar kunnen verschillen, is ervan afgezien op dit punt in de wet een regeling te treffen.

Artikel 32. Het Wetboek van Koophandel

A

Het vervallen van de artikelen 7 en 9 is aangekondigd en toegelicht in de memorie van toelichting bij wetsvoorstel 26 855 (Kamerstukken II 1999–2000, 26 855, nr. 3, blz. 120. Aldaar is ook toegelicht dat artikel 8 kan vervallen in verband met opneming van artikel 2.8.14 in de regeling van het bewijsrecht. Met betrekking tot artikel 11 (overlegging van boekhouding) is tezelfder plaatse per abuis opgemerkt dat deze bepaling reeds naar het BW was overgebracht. Deze overbrenging vindt nu plaats in het kader van dit wetsvoorstel (hoofdstuk 5, artikel 3, onderdeel C, artikel 3:15b BW).

HOOFDSTUK 6. MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUURBEHEER EN VISSERIJ

Enig artikel. Zaaizaad- en plantgoedwet

A

De huidige artikelen 197 tot en met 199, waarnaar artikel 14 verwijst, keren in wetsvoorstel 26 855 in licht gewijzigde vorm terug in de artikelen 2.8.23 tot en met 2.8.26. De wijzigingen zijn evenwel niet van belang voor de aanpassing van artikel 14.

De verwijzing in het huidige derde lid naar artikel 203, tweede en derde lid, kan komen te vervallen, omdat het vijfde lid van artikel 14 eveneens naar (het gehele) artikel 203 verwijst.

Thans verwijst artikel 14 niet naar artikel 190 Rv waarin is bepaald dat ook partijen als getuigen kunnen optreden. Er is niet gebleken van een goede reden om dit voorschrift, dat in wetsvoorstel 26 855 terugkeert in artikel 2.8.16, niet ook in het kader van een procedure op de voet van de Zaaizaad- en plantgoedwet van toepassing te verklaren. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt artikel 14 op dit punt te wijzigen.

B

Zie § 2.4.

C

Zie § 2.3.

HOOFDSTUK 7. MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN

Artikel 3. Wet tot behoud van cultuurbezit

Zie § 2.2.

HOOFDSTUK 8. MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Artikel 1. Algemene bijstandswet

In wetsvoorstel 26 855 is in het huidige artikel 803 Rv, waarnaar artikel 103 verwijst, een voorschrift opgenomen dat overbodig wordt door het algemenere artikel 1.3.4 van het wetsvoorstel, dat vanwege zijn plaats in de afdeling «Algemene voorschriften voor procedures» van toepassing is op alle civiele procedures, waaronder procedures ingevolge de Algemene bijstandswet. In verband daarmee is de aldus opengevallen plaats benut voor een ander voorschrift (zie Kamerstukken II, 1999/2000, 26 855, nr. 3, blz. 185). Dit brengt mee dat de verwijzing in artikel 103 naar 803 Rv kan vervallen.

Artikel 3. Wet arbeid mijnbouw Noordzee

Het huidige artikel 3 verwijst naar twee artikelen van het huidige Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering die onderdeel uitmaken van de titel inzake de kantongerechtsprocedure en die betrekking hebben op de relatieve bevoegdheid. Wetsvoorstel 26 855 kent evenwel niet een aparte kantongerechtsprocedure, maar maakt onderscheid tussen zaken waarin wel en niet in persoon kan worden geprocedeerd. De (algemene) regels met betrekking tot de relatieve bevoegdheid zijn in wetsvoorstel 26 855 voor de dagvaardingsprocedure neergelegd in afdeling 2.2 en voor de verzoekschriftprocedure in afdeling 3.2. Aangezien geschillen terzake van een arbeidsovereenkomst in beide soorten procedures aan de orde kunnen komen, is naar beide afdelingen verwezen.

Artikel 5. Wet op de Europese ondernemingsraden

Zie § 2.2.

Artikel 6. Wet op de Ondernemingsraden

Zie § 2.2.

HOOFDSTUK 9. MINISTERIE VAN VERKEER EN WATERSTAAT

Artikel 2. Wet bestrijding ongevallen Noordzee

Het huidige artikel 14 regelt de wijze waarop kan worden opgekomen tegen een beslissing van de minister van verkeer en waterstaat op een verzoek om een tegemoetkoming terzake van schade als bedoeld in artikel 13 van de Wet bestrijding ongevallen Noordzee. Omdat deze materie zozeer is verweven met het zeerecht is ervoor gekozen de beoordeling van geschillen terzake op te dragen aan de burgerlijke rechter (zie Kamerstukken II, 1987/88, 20 653, nr. 3, blz. 22). De procedure wordt gevoerd naar de regels voor verzoekschriftprocedures in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (artikel 14, tweede lid), hetgeen meebrengt dat de rechter daarbij niet als administratieve rechter wordt aangemerkt (artikel 1:4, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht). Anders dan in het thans geldende procesrecht is het in het nieuwe procesrecht niet nodig de toepasselijkheid van de regels voor verzoekschriftprocedures voor elke afzonderlijke (civiele) procedure in de wet tot uitdrukking te brengen. Op die grond kan de verwijzing in het tweede lid naar de bepalingen betreffende de verzoekschriftprocedure vervallen (zie ook § 2.2).

Thans verwijst artikel 14, tweede lid, niet naar de artikelen 429a tot en met 429c en artikel 429e. Laatstgenoemde bepaling keert in wetsvoorstel 26 855 niet terug. Artikel 429c regelt de relatieve bevoegdheid, hetgeen in wetsvoorstel 26 855 in de tweede afdeling van de derde titel is neergelegd. Aangezien de Wet bestrijding ongevallen Noordzee de toepasselijkheid van bepalingen van de derde titel kan beperken (zie artikel 3.1.1, eerste lid), brengt de bevoegdheidregel van artikel 14 mee dat de afdeling 3.2 nagenoeg geheel toepassing missen. wel kan de regeling van artikel 3.2.8 betreffende de gevolgen van het benaderen van een onbevoegde rechter, worden toegepast. De bepalingen van artikel 429a en 429b die in wetsvoorstel 26 855 terugkeren in artikel 3.1.1, betreffen het toepassingsgebied van de algemene regels voor de verzoekschriftprocedure. Er is geen grond deze materie in artikel 14 buiten toepassing te laten.

Artikel 3. Wet op de strandvonderij

A en B

In wetsvoorstel 26 855 keren de huidige artikelen 635 en 637 Rv in een verkorte vorm terug. De reden daarvoor is dat ten aanzien van de dagvaardingsprocedure de nieuwe regeling van de relatieve bevoegdheid in afdeling 2.2, alsmede het al bestaande artikel 767 Rv over het zogenaamde «forum arresti», veel van het thans in de artikelen 635 en 637 bepaalde overbodig maakt. Dit brengt evenwel mee dat de relatieve bevoegdheid ten aanzien van verzoekschriftprocedures op de voet van de Wet op de strandvonderij niet meer alleen aan artikel 637 kan worden ontleend, maar dat de in de artikelen 3.2.1 tot en met 3.2.8 ook nodig zijn.

HOOFDSTUK 10. MINISTERIE VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Artikel 1. Infectieziektenwet

A en B

Zie § 2.3.

C en D

Het eerste lid van artikel 23 en het tweede lid van artikel 24 zijn aangepast aan de nieuwe regeling van de verzoekschriftprocedure. In het tweede lid van artikel 23 en het derde lid van artikel 24 is de verwijzing naar artikel 429f Rv – dat betrekking heeft op de mondelinge behandeling en in wetsvoorstel 26 855 in artikel 3.4.2 terugkeert – komen te vervallen. Indien het verzoek tot schadevergoeding bij afzonderlijk verzoek wordt ingediend is artikel 3.4.2 reeds van toepassing krachtens de algemene toepasselijkheid van titel 3.3. Indien het een zelfstandig verzoek bij verweerschrift betreft, geeft het vierde lid van artikel 3.4.5 een regeling. Wel is het nodig deze regeling van overeenkomstige toepassing te verklaren indien het verzoek ter gelegenheid van het verhoor van de betrokkene wordt gedaan. Zulks wordt in de beide leden bepaald.

E

Zie § 2.2. Bij de aanpassing is ermee rekening gehouden dat in het huidige artikel 41 artikel 429d, derde lid, Rv (vgl. artikel 3.4.1, derde lid, in wetsvoorstel 26 855) buiten toepassing is gelaten en een verzoekschrift als bedoeld in artikel 41 dus niet door een procureur behoeft te worden ingediend. Hierbij zij nog opgemerkt dat uit artikel 1.5.2, tweede lid, reeds volgt dat de officier van justitie ook bij verzoeken ingevolge deze wet geen procureur hoeft te stellen.

Artikel 2. Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen

A

Aangezien het tweede en derde lid van artikel 49 van de Wet op de rechterlijke organisatie komen te vervallen, kan worden volstaan met verwijzing naar artikel 49, in plaats van verwijzing naar het eerste lid van die bepaling.

B-X en Z

Zie § 2.3. De omzetting van «vordering door de officier van justitie» in «verzoek door de officier van justitie» (zie § 2.3) vergen voorts nadere aanpassing in verband verwijzingen naar de vordering (thans: verzoek) van de officier van justitie en naar verzoeken van anderen.

N en S

Deze artikelen krijgen een licht gewijzigde redactie. In het tweede lid wordt telkens de term «zelfstandig verzoek» gebruikt, hetgeen in overeenstemming is met artikel 3.4.5, vierde lid. De verwijzing naar artikel 429f Rv, dat betrekking heeft op de mondelinge behandeling en in wetsvoorstel 26 855 in artikel 3.4.2 terugkeert, is komen te vervallen. Indien het verzoek tot schadevergoeding bij afzonderlijk verzoek wordt ingediend is artikel 3.4.2 reeds van toepassing krachtens de algemene toepasselijkheid van titel 3.3. Indien het een zelfstandig verzoek bij verweerschrift betreft, geeft het vierde lid van artikel 3.4.5 een regeling. Wel is het nodig deze regeling van overeenkomstige toepassing te verklaren indien het verzoek ter gelegenheid van het verhoor van de betrokkene wordt gedaan.

Y en AA Op de gronden als vermeld in § 2.2 is het niet nodig apart te bepalen dat de algemene regeling voor verzoekschriftprocedures van titel 3 in werking treedt. In zoverre kan artikel 78 vervallen. De voorts in het huidige artikel 78 neergelegde regel dat de daar genoemde functionarissen en personen geen procureur hoeven te stellen (doordat artikel 429d, derde lid, Rv niet van toepassing is) is ondergebracht in een nieuw artikel 72a, omdat deze regel beter past bij de slotbepalingen van de artikelen 71 en 72 en minder goed aansluit bij de overgangsbepalingen van de artikelen 73 e.v. Als gevolg hiervan komt artikel 78 in zijn geheel te vervallen. Hierbij zij nog opgemerkt dat uit artikel 1.5.2, tweede lid, reeds volgt dat de officier van justitie ook bij verzoeken ingevolge deze wet geen procureur hoeft te stellen.

Artikel 3. Wet klachtrecht cliënten zorgsector

Zie § 2.2. Aangezien door de inwerkingtreding van wetsvoorstel 26 855 artikel 345 Rv komt te vervallen, kan de buiten-toepassingverklaring van dat artikel worden gemist.

Artikel 4. De Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen

Zie § 2.2. Aangezien door de inwerkingtreding van wetsvoorstel 26 855 artikel 345 Rv komt te vervallen, kan de buiten-toepassingverklaring van dat artikel worden gemist.

HOOFDSTUK 11. MINISTERIE VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Artikel 1. Huurprijzenwet woonruimte

Zie § 2.2.

Artikel 2. Huurwet

Zie § 2.4.

Artikel 3. Kadasterwet

Het huidige artikel 56c regelt de rechtsbescherming ten aanzien van beslissingen op een bezwaarschrift tegen beschikkingen inzake de bijwerking van de kadastrale registratie, het kaartenbestand en het net van coördinatiepunten (hoofdstuk 4 van de Kadasterwet). Ofschoon beslissingen in het kader van de bijwerking een publiekrechtelijk karakter hebben, is bij de aanpassing van de Kadasterwet aan de Algemene wet bestuursrecht ervoor gekozen tegen de genoemde beslissingen beroep open te stellen bij de burgerlijke rechter. Dit hield verband met het feit dat de bijwerking in hoofdzaak voortvloeit uit privaatrechtelijke rechtsfeiten (Kamerstukken II, 1993/94, 23 358, nr. 5, blz. 113; vgl. ook nr. 7, blz. 11). De procedure wordt, met inachtneming van de in de artikelen 56c en 56d geregelde bijzonderheden, gevoerd naar de regels voor verzoekschriftprocedures in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (artikel 56c, tweede lid), hetgeen meebrengt dat de rechter daarbij niet als administratieve rechter wordt aangemerkt (artikel 1:4, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht). Anders dan in het thans geldende procesrecht is het in het nieuwe procesrecht niet nodig de toepasselijkheid van de regels voor verzoekschriftprocedures voor elke afzonderlijke (civiele) procedure die met een verzoekschrift moet worden ingeleid in de wet tot uitdrukking te brengen (zie § 2.2). Op die grond kan de verwijzing in het tweede lid naar de bepalingen betreffende de verzoekschriftprocedure vervallen.

Toepasselijkheid van de bepalingen van de derde titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden beperkt in een bijzondere wet, zo vloeit voort uit de aanhef van artikel 3.3.1, eerste lid, van wetsvoorstel 26 855. Hiervan is ook in het geval van de Kadasterwet sprake. Zo zal bijvoorbeeld de tweede afdeling van de derde titel, gewijd aan de relatieve bevoegdheid, nagenoeg geheel toepassing missen door de specifieke regeling van artikel 56c, eerste lid, Kadasterwet; wel kan de regeling van artikel 3.2.8 betreffende de gevolgen van het benaderen van een onbevoegde rechter, worden toegepast. Uit artikel 56d, vierde lid, eerste zin, Kadasterwet vloeit voort dat de vierde afdeling van de zevende titel van het eerste boek, gewijd aan hoger beroep tegen beschikkingen van de rechtbank, niet van toepassing is. Bepalingen als artikel 3.3.3 en 3.4.7, derde lid, komen naar hun aard niet voor toepassing in aanmerking. Behalve de bepalingen van de verzoekschriftprocedures zijn, voor zover daarvan niet wordt afgeweken, ook de algemene bepalingen van de eerste titel van het eerste boek van toepassing. Dat geldt bijvoorbeeld voor de regeling van de enkel- en meervoudige kamers (artikel 1.2.2, eerste tot en met vierde lid), de openbaarheid van de terechtzitting en de uitspraak (artikelen 1.3.9 en 1.3.10) en de motiveringsplicht (artikel 1.3.11), alle onderwerpen die voorheen afzonderlijk bij de verzoekschriftprocedure geregeld waren. Het geldt echter ook voor de andere algemene bepalingen, zoals de bepalingen betreffende hoor en wederhoor (artikel 1.3.1), de waarheidsplicht (artikel 1.3.3) en bijvoorbeeld de bepalingen over het verkrijgen van inlichtingen over buitenlands recht (artikelen 1.7.1 en 1.7.2).

In het (vernummerde) tweede lid is in één opzicht afgeweken van de procesregels voor de verzoekschriftprocedure, doordat artikel 3.4.3 buiten toepassing wordt verklaard. Daarmee wordt bereikt dat wanneer een verzoekschrift wordt ingediend door een notaris in plaats van door een procureur, de rechter niet de mogelijkheid heeft om overlegging van een schriftelijke machtiging te verlangen en de notaris ook niet wegens ernstige bezwaren als gemachtigde kan weigeren, zoals hij wel kan bij andere gemachtigden die geen advocaat, procureur of deurwaarder zijn.

Artikel 4. Onteigeningswet

A

In wetsvoorstel 26 855 wordt de conclusie van eis afgeschaft. In verband hiermee dient het in het thans geldende tweede lid vervatte voorschrift dat de aanlegger ten dage dienende voor eis concludeert, te vervallen. Het voorschrift van het thans geldende derde lid – dat door het vervallen van het huidige (ongenummerde) tweede lid opschuift tot tweede lid – behoeft in verband hiermee aanpassing. Het nieuwe tweede lid bepaalt dat verweerders op de eerste roldatum voor antwoord concluderen. Doen zij dit niet, dan worden zij geacht het aanbod tot schadeloosstelling te hebben verworpen. In het nieuwe vijfde lid (thans nog: zesde lid) is als aanvangstijdstip van de termijn waarin de rechtbank in beginsel uitspraak doet de eerste roldatum genoemd. Ter vermijding van misverstand over de ongenummerde leden van artikel 24 wordt dit artikel geheel opnieuw vastgesteld.

B

Het huidige artikel 37 verwijst naar artikel 224, tweede lid, Rv, op grond waarvan de rechter aan deskundigen die een bericht hebben uitgebracht, een nadere toelichting of aanvulling kan bevelen of andere deskundigen kan benoemen. Deze bepaling keert in wetsvoorstel 26 855 in gewijzigde vorm terug. Nieuw is dat de toelichting of aanvulling niet alleen ambtshalve, maar ook op verzoek van partijen kan worden bevolen en dat, indien andere deskundigen worden benoemd, de rechter daarover overleg moet voeren met partijen (zie Kamerstukken II, 1999/2000, 26 855, nr. 3, blz. 123).

Artikel 5. Waterleidingwet

A

Het huidige tiende lid van artikel 44 kan vervallen op de gronden als vermeld in § 2.2.

De in het zesde en zevende lid gestelde appèl- en cassatietermijn wijken af van de algemeen geldende regels terzake van artikel 358 respectievelijk 426. Gelet op het in § 2.2 uiteengezette systeem van de derde titel van het eerste boek, is zulks uitdrukkelijk vermeld.

B

Het huidige vijfde lid van artikel 45 kan vervallen op de gronden als vermeld in § 2.2.

Aangezien de regeling van de verzoekschriftprocedure van toepassing is, ligt het uit oogpunt van systematiek in de rede dat de rechter bij beschikking uitspraak doet, in plaats van bij vonnis. Met het oog hierop is het vierde lid aangepast.

Artikel 6. Woningwet

Zie § 2.2.

HOOFDSTUK 12. AANHANGIGE WETSVOORSTELLEN

Artikel 1

Zie § 2.4.

Artikel 2

Dit artikel bevat de aanpassingen die als gevolg van het wetsvoorstel organisatie en bestuur gerechten (hierna: wetsvoorstel 27 181) in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moeten worden aangebracht. Het betreft deels terminologische aanpassingen en deels wijzigingen in het procesrecht die het gevolg zijn van de bestuurlijke onderbrenging van kantongerechten bij de rechtbank. Er is om wetstechnische redenen voor gekozen deze aanpassingen in het onderhavige wetsvoorstel mee te nemen in plaats van in de ontwerp-aanpassingswet bij wetsvoorstel 27 181. Doordat een deel van de wijzigingen, waaronder het opnemen van een nieuwe afdeling, betrekking heeft op het Eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de bepalingen uit het Eerste Boek in het wetsvoorstel 26 855 met een voorlopige nummering worden aangeduid, ligt opneming van de wijzigingsbepalingen in het onderhavige wetsvoorstel meer voor de hand. Tevens zijn in dit artikel opgenomen de aanpassing van wettelijke bepalingen waarin wordt verwezen naar artikelen uit het Eerste Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, die als gevolg van het wetsvoorstel organisatie en bestuur gerechten moeten worden gewijzigd.

a. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

A

Als gevolg van de bestuurlijke onderbrenging van de kantongerechten bij de rechtbanken verdwijnen de kantongerechten als aparte gerechten. In de opsomming van de gerechten in het opschrift van het Eerste boek dient «kantongerechten» dan ook te vervallen.

B

Een aparte bepaling voor de kantongerechten dient te vervallen als gevolg van de bestuurlijke onderbrenging van de kantongerechten bij de rechtbank. Artikel 1.2.2, eerste lid, is ook van toepassing op de kantonzaken.

C

Het hoger beroep van kantonzaken dat nu nog door de rechtbank wordt behandeld, zal als gevolg van het wetsvoorstel 27 181 naar het gerechtshof gaan. Als gevolg daarvan kan het vijfde lid van artikel 1.2.2 vervallen.

D

1. Deze wijziging is terminologisch van aard: de aanhangigheid van een zaak ziet op de vraag bij welk gerecht een procedure plaatsvindt. Bij het gerecht wordt de zaak behandeld door een van de kamers van het gerecht.

2. Het vormen en bezetten van enkelvoudige en meervoudige kamer is in artikel 2.1.5 van de Wet op de rechterlijke organisatie (zoals opgenomen in het wetsvoorstel 27 181) een bevoegdheid van het bestuur. De bevoegdheid die in artikel 1.2.5, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (wetsvoorstel 26 855) is neergelegd, maakt onderdeel uit van die bevoegdheid. Voorgesteld wordt dan ook in artikel 1.2.5, eerste lid, «de president van het college» te vervangen door: het bestuur van het gerecht. Het ligt in de rede dat de bevoegdheid in te stemmen met de doorverwijzing naar een andere kamer (1.2.5, eerste lid, BRv) in de praktijk wordt gemandateerd aan de sectorvoorzitter, die zicht heeft op de werklast in de sector.

3. Deze wijziging stemt overeen met artikel 1.8.2a, vijfde lid, eerste zin. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting bij die bepaling.

E

1. Het begrip «president» in artikel 1.3.10, zesde lid, dient als gevolg van het wetsvoorstel 27 181 te worden vervangen. In het wetsvoorstel 27 181 is gekozen voor een strikte onderscheiding in de aanduiding van rechterlijke en bestuurlijke functies. In de Wet op de rechterlijke organisatie is «president» gereserveerd voor de aanduiding van een bestuurlijke functie, te weten: de voorzitter van het gerechtsbestuur (zie artikel 2.2.1.2, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, zoals opgenomen in het wetsvoorstel 27 181). De president als aanduiding voor een rechterlijke functie verdwijnt (zie artikelen 2.3.1.1, eerste lid, en 2.4.1.1, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie, zoals opgenomen in het wetsvoorstel 27 181). De rechterlijke taken die in het huidige systeem zijn opgedragen aan de rechterlijk ambtenaar, de president, worden geattribueerd aan een enkelvoudige kamer, waarvan de rechter de titel «voorzieningenrechter» draagt (artikel 2.3.3.1, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

Artikel 1.3.10 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (wetsvoorstel 26 855) regelt het beroep tegen een afwijzing van een verzoek om afschrift van een rechterlijke beslissing door de griffier. Nu hier sprake is van een rechterlijke toets van de beslissing van de griffier kan de behandeling het beste worden geconcentreerd bij de voorzieningenrechter.

2. Vanwege de duidelijkheid is de laatste zin van het zesde lid uitgeschreven als het nieuwe zevende lid.

F en G

De bestuurlijke onderbrenging van de kantongerechten bij de rechtbank maakt deze artikelen overbodig. Zie ook de toelichting bij A.

H

Vanwege de duidelijkheid is deze zinsnede uitgeschreven, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke werkwijze bij de Hoge Raad.

I en J

De bestuurlijke onderbrenging van de kantongerechten bij de rechtbank, maakt deze zinsneden overbodig. Zie ook de toelichting bij A

K

Bevat de terminologische aanpassing van het begrip «president». Omdat hier sprake is van een rechterlijke taak, is gekozen voor vervanging door: de voorzieningenrechter. Zie ook de toelichting bij E1.

L

Het opschift van de afdeling is uitgebreid in verband met de opneming van artikel 1.8.2a.

M

Na bestuurlijke onderbrenging van de kantongerechten in de rechtbanken zullen deze één gerecht vormen. De absolute bevoegdheid van dit gerecht omvat in beginsel alle burgerlijke zaken in eerste aanleg (artikel 2.3.1.3 van de Wet op de rechterlijke organisatie, zoals deze zal komen te luiden op grond van het wetsvoorstel 27 181). Derhalve is voor onbevoegdverklaring wegens absolute onbevoegdheid geen plaats meer in het geval dat de behandeling van een kantonzaak ten onrechte is aangevangen bij een andere sector dan de sector kanton, en evenmin als de behandeling van een zaak ten onrechte is aangevangen bij de kantonrechter in plaats van bij een van de andere sectoren. De taakverdeling tussen de kantonrechters en de kamers van de andere sectoren van de rechtbank zal bij dit wetsvoorstel voor het burgerlijk procesrecht worden vastgelegd in een nieuwe afdeling (Eerste boek, tweede titel, tweede afdeling A, artikelen 2.2A.1 tot en met 2.2A.6). Is een zaak niet bij de juiste rechter in behandeling, dan zal verwijzing moeten plaatsvinden naar een andere kamer, hetzij van de kantonsector hetzij van een van de andere sectoren, opdat de zaak verder door die andere kamer kan worden behandeld, overeenkomstig het voor de desbetreffende kamer geldende processuele regime (hetzij in persoon of bij gemachtigde, hetzij bij procureur). Een regeling daartoe wordt opgenomen in artikel 1.8.2a, in samenhang met enkele nieuwe regels uit de artikelen 2.2A.2, 2.2A.3 en 2.2A.5.

De strekking van de nieuwe regeling is om in zaken bij de rechtbank verwijzingsperikelen, die zich thans met zekere regelmaat voordoen bij de toepassing van de artikelen 156–157b Rv en die door de daarmee gemoeide vertraging en kosten zowel voor partijen als voor de rechtspleging als zodanig zeer bezwaarlijk zijn, zoveel mogelijk te beperken en daarmee de doelmatigheid van de procesvoering te bevorderen. Daartoe wordt bepaald dat een verwijzing voor de rechter naar wie de zaak is verwezen, bindend is, terwijl tegen de beslissing tot verwijzing geen voorziening wordt opengesteld (artikel 1.8.2a, vijfde lid). Voorts wordt daartoe vastgelegd dat voor de vraag welke rechter een zaak moet behandelen niet alleen de stellingen in de inleidende dagvaarding of het inleidende verzoekschrift doorslaggevend zijn, maar ook – wanneer niet het beloop van de vordering maar de aard van het geschil daarvoor bepalend is, zoals bij arbeidszaken en huurzaken – een voorlopig oordeel van de rechter omtrent de aard van het geschil (artikel 1.8.2a, derde lid). Voorts wordt de doelmatigheid van de procesvoering bevorderd door de mogelijkheid dat zaken die op grond van de regels van artikel 2.2A.1 (dat gebaseerd is op de thans geldende verdeling van absolute bevoegdheid tussen rechtbank en kantonrechter) eigenlijk door verschillende rechters behandeld zouden moeten worden, niettemin gezamenlijk kunnen worden behandeld indien daartoe wegens hun samenhang grond voor is (artikelen 2.2A.2, tweede tot en met vierde lid, en 2.2A.5).

Bij het ontwerpen van de voorgestelde regeling heeft overleg plaatsgevonden met de Adviescommissie burgerlijk procesrecht. De Adviescommissie onderschrijft de wenselijkheid van een verwijzingsregeling langs de hiervoor geschetste lijnen.

Eerste en tweede lid. Uitgangspunt van de voorgestelde regeling is dat de verwijzing zo nodig ambtshalve plaatsvindt, derhalve – anders dan onder het huidige recht – ook als het gaat om een zaak die door de kantonrechter moet worden behandeld. Voor het handhaven van de oneigenlijke prorogatie van artikel 157 Rv (artikel 1.8.3) zie ik in de nieuwe rechterlijke organisatie onvoldoende grond.

Derde lid. De beoordeling door de rechter van zijn absolute bevoegdheid geschiedt naar het thans geldende recht aan de hand van de vordering zoals die blijkens de dagvaarding door de eiser is ingesteld, waarbij – als de bevoegdheid niet van de hoogte maar van de aard van de vordering afhangt – de benaming door de eiser gegeven aan de overeenkomst waaruit hij ageert, niet beslissend hoeft te zijn (HR 7 maart 1980, NJ 1980, 641). Door uit te gaan van de stellingen van eiser en niet van het oordeel van de rechter over de werkelijke rechtsverhouding, streeft de huidige regeling doelmatigheid na: langdurige geschillen over de aard van de rechtsverhouding in het kader van de bevoegdheidsvraag worden voorkomen. Keerzijde van dit stelsel is echter dat de rechter die (uitsluitend) op grond van de stellingen van eiser bevoegd is over een vordering te oordelen, daarmee moet oordelen over een rechtsverhouding die «materieel» buiten zijn werkterrein ligt. Daarbij is onzeker of de rechter in het geval dat de werkelijke rechtsverhouding buiten zijn werkterrein ligt, bij de beoordeling ten gronde de vordering moet afwijzen (zoals door Heemskerk verdedigd in zijn noot onder het hiervoor genoemde arrest van 7 maart 1980, doch in het midden gelaten in HR 15 mei 1998, NJ 1998, 625). Naar komend recht verdient een andere benadering de voorkeur, althans voor zover het erom gaat of een zaak bij de rechtbank behandeld moet worden door de kantonrechter dan wel door een kamer van een andere sector. Voor deze benadering, vastgelegd in het derde lid, is mede inspiratie geput uit de door Van Maanen in NJB 2000, blz. 805–806 ontwikkelde gedachten, welke door de Adviescommissie burgerlijk procesrecht worden onderschreven. Ingevolge deze bepaling zal de rechter de vraag of verwijzing nodig is niet (slechts) beantwoorden aan de hand van de stellingen van eiser, maar – voor zover het onderwerp van het geschil van belang is voor de verwijzingsvraag – aan de hand van een eigen voorlopig oordeel over het onderwerp van het geschil. Enerzijds wordt zo voorkomen dat de eiser door de formulering van zijn dagvaarding beslissende invloed heeft op de vraag welke rechter zijn zaak moet beoordelen, anderzijds wordt door uit te gaan van een voorlopig oordeel van de rechter voorkomen dat over de voorvraag van verwijzing te lang moet worden geprocedeerd (daaraan draagt ook de uitsluiting van rechtsmiddelen in het vijfde lid bij). Opmerking verdient daarbij dat de rechter naar wie de zaak wordt verwezen aan die verwijzing is gebonden (vijfde lid, tweede zin). Voorts zal deze rechter de vordering ook niet mogen afwijzen op de grond dat de zaak naar zijn oordeel «materieel» niet behoort tot zijn werkterrein. Daarmee zou immers afbreuk worden gedaan aan de doelmatigheid van de verwijzingsregeling. Door uit te gaan van een voorlopig oordeel van de rechter wordt verder tot uitdrukking gebracht dat de rechter bij de beoordeling ten gronde van de zaak niet gebonden is aan het voorlopig oordeel in het kader van de vraag of verwijzing nodig is. Eenzelfde regel geldt thans, waar de rechter bij de beoordeling van de hoofdzaak niet gebonden is aan oordelen uit het bevoegdheidsincident.

Indien een der partijen verwijzing verlangt, kan hij daartoe een incidentele vordering instellen dan wel, in een verzoekschriftprocedure, daartoe een verzoek doen. De algemene bepalingen betreffende incidentele vorderingen zijn in het eerste geval van toepassing (artikelen 2.9.1 en 2.9.2). De wederpartij zal in elk geval op de vordering mogen reageren bij incidentele antwoordconclusie. Ambtshalve verwijzing kan aan de orde komen als de rechter, bijvoorbeeld ter gelegenheid van de beoordeling van de zaak op de voet van artikel 2.4.7, bevindt dat de zaak thuishoort bij een andere sector. Omdat partijen zich reeds hebben kunnen uitlaten over de vraag of de zaak bij de juiste rechter in behandeling is, vergt artikel 1.3.1 (hoor en wederhoor) in zo'n geval niet dat aan partijen uitdrukkelijk gelegenheid dient te worden geboden zich over de voorgenomen verwijzing uit te laten. Wel staat artikel 1.3.1 er aan in de weg dat de rechter tot verwijzing overgaat voordat de verschenen gedaagde zijn conclusie van antwoord heeft genomen. Meent de gedaagde dat de zaak verwezen dient te worden, dan staat het hem ook vrij om, in plaats van een incidentele vordering in te stellen, zulks aan de rechter kenbaar te maken en het aan de rechter over te laten of deze ambtshalve zal verwijzen.

In het vierde lid zijn enige procedurevoorschriften opgenomen. In de beslissing tot verwijzing vermeldt de rechter op welke wijze partijen verder in de procedure moeten verschijnen. In dagvaardingszaken wil dat dus zeggen: in persoon of bij gemachtigde, dan wel bij procureur. In verzoekschriftzaken bij de kantonrechter kunnen belanghebbenden, evenals in dagvaardingszaken, in persoon of bij gemachtigde verschijnen, maar in zaken bij de andere sectoren zijn er verschillen met de dagvaardingszaken. Indiening van verzoekof verweerschriften geschiedt bij procureur (artikel 3.4.1, derde lid, en artikel 3.4.5, eerste lid) en hetzelfde valt aan te nemen voor eventuele nadere schrifturen. Ter terechtzitting kunnen de verzoeker en belanghebbenden echter verschijnen hetzij in persoon, al dan niet met bijstand van een advocaat of procureur, hetzij bij procureur (artikel 3.4.2, derde lid). Afhankelijk van het stadium van de procedure zal de rechter hiermee in de verwijzingsbeslissing rekening moeten houden. Betreft de zaak een verzoekschriftprocedure, dan zal de rechter de zaak overdragen aan een kamer van de sector die de zaak verder moet behandelen en is het verder aan deze kamer om partijen op de hoogte te stellen van de wijze waarop zij aan de verdere behandeling van de zaak kunnen deelnemen (bijvoorbeeld door het indienen van een verweerschrift of door verschijning ter zitting). Betreft de zaak een dagvaardingsprocedure, dan zal de verwijzende rechter in zijn beslissing tevens een nieuwe roldatum opnemen. Intern zal de rechter ervoor moeten zorgdragen dat de zaak op de desbetreffende rol wordt ingeschreven. Is tegen de gedaagde verstek verleend, dan dient de gedaagde opnieuw te worden opgeroepen, zodat hij weet bij welke rechter hij het verstek kan zuiveren en tevens op de hoogte raakt van de alsdan geldende voorschriften op het punt van procesvertegenwoordiging.

In het geval van verwijzing door de kantonrechter naar een kamer van een andere sector zullen partijen, althans in een dagvaardingsprocedure, alsnog procureur moeten stellen. Nu de zaak in de stand waarin zij zich bij de verwijzing bevindt verder wordt afgehandeld met verplichte procesvertegenwoordiging, dienen de procureurs van partijen in elk geval nog over de zaak te kunnen uitlaten (vergelijk artikel 2.3.12, vierde lid, dat is te beschouwen als een uitwerking van artikel 1.3.1). Op grond van de omstandigheid dat vóór de verwijzing verrichte proceshandelingen na verwijzing geldig blijven, zal hebben te gelden dat een eenmaal verschenen partij ook na de verwijzing moet worden aangemerkt als in het geding verschenen («Eens verschenen, blijft verschenen», vergelijk Ynzonides, Verstek en verzet (diss.), 1996, blz. 12 e.v). Verzuimt eiser na verwijzing procureur te stellen, dan zal hij daartoe dan ook niet ingevolge artikel 2.3.12, eerste lid, alsnog in de gelegenheid worden gesteld. Evenmin zal in dat geval aan het niet bij procureur verschijnen van de eiser het in artikel 2.3.12, tweede lid, voorziene gevolg van ontslag van instantie kunnen worden verbonden. Laat de gedaagde na een procureur te stellen, terwijl hij voor de verwijzing wel in de procedure was verschenen, dan zal de zaak ook zonder dat hij verder in de procedure wordt vertegenwoordigd als een zaak op tegenspraak worden voortgezet. Zouden beide partijen na verwijzing geen procureur stellen, dan zal de zaak door de rechter kunnen worden geroyeerd op de grond dat geen der partijen er blijk van geeft de zaak te willen voortzetten (artikel 2.12.2). Ook in verzoekschriftzaken heeft te gelden dat een eenmaal verschenen partij ook na verwijzing geacht wordt te zijn verschenen. Slechts voor het indienen van een verweerschrift of andere schrifturen, zoals een schriftuur tot wijziging van het verzoek (artikel 3.4.6), is tussenkomst van een procureur vereist.

Vijfde lid. De beslissing tot verwijzing levert een tussenvonnis of tussenbeschikking op, evenals de beslissing tot het achterwege laten van verwijzing, gegeven op een verzoek of vordering tot verwijzing, gedaan of ingesteld door één der partijen. Ter vermijding van vertraging van de procedure staat tegen de verwijzing, of het achterwege laten daarvan, geen voorziening open (eerste zin). Het is van belang dat procedures zo min mogelijk belast worden met discussies over welke rechter een zaak dient te behandelen. In die zin ook Van Maanen, Wetsontwerp 26 855 en bevoegdheidsperikelen, NJB 2000, blz. 805–806. Een vergelijkbare bepaling is opgenomen in artikel 1.2.5, eerste lid, tweede zin. De kamer van de andere sector waarnaar een zaak wordt verwezen, is aan de verwijzing gebonden (tweede zin). Zeker nu binnen de rechtbank de kantonrechter geen lagere rechter is in verhouding tot de rechters van andere sectoren, is er voldoende reden om de verwijzing bindend te doen zijn. Vertraging van de procedure door verdere geschillen daarover wordt zo voorkomen.

N, O en P

De regels betreffende onbevoegdverklaring en verwijzing wegens absolute onbevoegdheid zullen in verband met de onderbrenging van de kantongerechten in de rechtbanken nog slechts zelden toepassing vinden. Ook voor de onbevoegdheid wegens ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter of wegens een arbitrageclausule zijn de regels van artikel 1.8.3 e.v. niet nodig (vergelijk de artikelen 1.1.10 NRv en 1022 lid 1 Rv). Uitgesloten is echter niet dat zaken ook in de toekomst nog bij een verkeerde rechter aanhangig worden gemaakt, zoals bijvoorbeeld hoger beroep van een vonnis van de kantonrechter, ingesteld bij de rechtbank, of een zaak die ten onrechte niet bij de Ondernemingskamer wordt aangebracht. Om die reden worden deze artikelen toch behouden.

In verband met het feit dat de kantonrechtspraak wordt ondergebracht bij de rechtbanken zijn wel enige wijzigingen nodig gebleken in de artikelen 1.8.3, 1.8.6 en 1.8.7. Dienaangaande verdient opmerking dat de regel van artikel 1.8.3, eerste lid, tweede zin, kon vervallen omdat die regel slechts van belang is voor de thans geldende competentieverdeling tussen rechtbanken en kantongerechten, welke na bestuurlijke onderbrenging van de kantonrechtspraak tot het verleden zal behoren. In de materie van artikel 1.8.3, eerste lid, derde zin, wordt voorzien door artikel 2.2A..3. Zie voor het vervallen van artikel 1.8.3, tweede lid, hiervoor onder M.

Q

Artikel 2.1.4 wordt gewijzigd in verband met het overhevelen van het hoger beroep in kantonzaken van de rechtbank naar het gerechtshof. Zie ook de toelichting onder C.

R

Naar huidig recht is de taakverdeling tussen de kantonrechters en de rechtbanken neergelegd in de regels van absolute competentie in de Wet op de rechterlijke organisatie. Na bestuurlijke onderbrenging van de kantongerechten in de rechtbanken zal het takenpakket van de kantonrechter gehandhaafd blijven. In de nieuwe Tweede afdeling A wordt van de werkzaamheden van de rechtbank in civiele zaken bepaald welke van deze zaken worden behandeld en beslist door de kantonrechter. In de artikelen 2.2A.1 en 2.2A.4, overeenkomend met de artikelen 38 en 43 Wet RO zoals deze komen te luiden ingevolge wetsvoorstel 26 855 en dit wetsvoorstel, wordt bepaald welke zaken worden behandeld en beslist door de kantonrechter.

Een nadere toelichting behoeven de regels die men aantreft in de artikelen 2.2A.2, 2.2A.3 en 2.2A.5, welke samenhangen met de hiervoor reeds toegelichte nieuwe verwijzingsregels van artikel 1.8.2a NRv.

Bijzondere aandacht verdienen de zaken waarbij verschillende vorderingen tegelijk worden behandeld, zoals zich kan voordoen in het geval van cumulatie van vorderingen door de eiser, in het geval van vorderingen in conventie en in reconventie als ook bij een vordering in vrijwaring naast een vordering in de hoofdzaak. Hier doet zich de vraag voor in hoeverre tegengegaan moet worden dat door verwijzing afbreuk wordt gedaan aan de gezamenlijke behandeling van met elkaar samenhangende vorderingen. Een gescheiden behandeling van vorderingen kan in het geval van samenhang immers bezwaarlijk zijn. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan vorderingen ter zake van een arbeidsongeval, die enerzijds gegrond kunnen worden op de arbeidsovereenkomst en anderzijds op onrechtmatige daad (vergelijk bijvoorbeeld HR 16 februari 1979, NJ 1979, 453). Behoren afzonderlijke vorderingen tot de absolute competentie van verschillende rechters, dan staat zulks naar huidig recht in de weg aan gezamenlijke behandeling. Een belangrijke uitzondering doet zich voor bij cumulatie van niet-aardvorderingen door de eiser: daarbij wordt het gezamenlijk beloop van de vorderingen opgeteld ter bepaling van de bevoegde rechter. Deze zogenoemde «optelregel» is voor het nieuwe recht neergelegd in het voorgestelde eerste lid van artikel 2.2A.2. Ook naar komend recht doet zich bij deze categorie zaken dus niet het gevaar voor van versnippering van samenhangende vorderingen.

Voor het overige bestaat er in de nieuwe rechterlijke organisatie echter aanleiding voor een heroverweging van de regels die tot versnippering van samenhangende zaken kunnen leiden. Het belang dat een zaak wordt behandeld overeenkomstig het in beginsel toepasselijke processuele regime dient naar mijn oordeel te wijken voor het inhoudelijke belang dat samenhangende zaken ook gezamenlijk kunnen worden afgedaan. Gezamenlijke behandeling van samenhangende zaken is uit oogpunt van doelmatigheid van de rechtspleging wenselijk, zelfs als daardoor een partij kan worden opgeroepen voor een andere rechter dan de rechter waarvoor hij zonder die samenhang zou zijn opgeroepen. Wel dient daarbij recht te worden gedaan aan de kantonrechtspraak als gespecialiseerde rechtspraak ter zake van de huurzaken en arbeidszaken: betreft een der samenhangende zaken een aardvordering, dan kan gezamenlijke behandeling slechts plaatsvinden voor de kantonrechter. Afgezien van het verschil ten aanzien van de mogelijkheid om in persoon te procederen, bestaan er tussen de procedure bij de kantonrechter en de procedure bij de andere sectoren bestaan geen zodanige verschillen, dat een gezamenlijke behandeling van met elkaar samenhangende vorderingen waarvoor in beginsel een ander processueel regime geldt niet verantwoord zou kunnen plaatsvinden.

De vraag of er sprake is van een samenhang die zich verzet tegen verwijzing, staat ter beoordeling van de rechter, die daarbij een eigen beoordelingsruimte heeft. Dringt een der partijen mede op grond van het alsdan geldende andere processuele regime aan op verwijzing, dan zal de rechter dit kunnen meewegen in zijn beoordeling of de samenhang zich tegen verwijzing verzet.

In het tweede lid van artikel 2.2A.2 is het geval geregeld van cumulatie van een aardvordering met een niet-aardvordering. Verzet de samenhang van de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling in verschillende kamers, dan dient de kantonrechter beide vorderingen te behandelen. Zijn beide vorderingen bij de kantonrechter ingesteld, dan blijft derhalve verwijzing op de voet van artikel 1.8.2a, eerste lid, achterwege, ook als de niet-aardvordering qua beloop behandeld zou moeten worden door een kamer van een andere sector dan de sector kanton. Omgekeerd worden dergelijke zaken, wanneer zij bij een kamer van een andere sector in behandeling zijn, ingevolge artikel 1.8.2a, tweede lid, verwezen naar de kantonrechter. In het hiervoor genoemde geval van een arbeidsongeval die (tegen dezelfde gedaagde) aanleiding geeft tot een vordering uit de arbeidsovereenkomst en een vordering op de grondslag van onrechtmatige daad met een beloop van meer dan EUR 5000,–, zullen beide vorderingen door de kantonrechter moeten worden behandeld.

Het derde lid van artikel 2.2A.2 geeft eenzelfde regel voor het geval van zaken in conventie en reconventie. Ook hier zal, wanneer de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet, steeds gezamenlijke behandeling door de kantonrechter moeten plaatsvinden, wanneer ten minste een der vorderingen een aardvordering is. Het vierde lid van artikel 2.2A.2 geeft eenzelfde regel voor het geval van een hoofdzaak en een zaak in vrijwaring, met dien verstande dat hier niet met zoveel woorden de eis van samenhang is gesteld omdat deze samenhang per definitie steeds aanwezig is.

Naar huidig recht leidt vermeerdering van eis tot boven de competentiegrens van de kantonrechter ertoe dat de zaak niet langer kan worden behandeld door de kantonrechter. Omgekeerd tast in een rechtbankzaak eisvermindering tot onder de competentiegrens van de rechtbank de bevoegdheid van de rechtbank niet aan. Ten aanzien van de zogenoemde «aardvorderingen» (vorderingen betrekkelijk tot arbeidsovereenkomsten, huurovereenkomsten e.d., thans geregeld in de artikelen 39 tot en met 42 Wet RO) geldt thans dat een zaak door eiswijziging wel van een kantonzaak tot een rechtbankzaak kan worden, doch niet omgekeerd. In de nieuwe opzet van de rechterlijke organisatie, waarin kantonrechters binnen de rechtbank zullen functioneren, is er aanleiding om de gevolgen van eiswijziging eenvoudiger te regelen. De rechter dient bij de vraag of de zaak bij hem thuishoort, steeds mede acht te slaan op een eventuele wijziging van de eis en in het ontkennende geval de zaak te verwijzen op de voet van artikel 1.8.2a, zodat de afdoening zoveel mogelijk plaatsvindt door de «materieel» bevoegde rechter. Aldus wordt voorkomen dat de regels van verplichte procesvertegenwoordiging kunnen worden ontgaan door het instellen van een vordering beneden de competentiegrens van EUR 5 000 en deze vordering vervolgens tot boven de competentiegrens te verhogen. Omdat een verwijzing op de voet van artikel 1.8.2a niet afdoet aan de aanhangigheid van de zaak bij de rechtbank en ook een nieuwe oproeping in beginsel niet nodig is, is het weinig bezwaarlijk wanneer door de regel van artikel 2.2A.3 eerst in de loop van de behandeling een verwijzing naar een andere kamer nodig wordt. Een gevolg daarvan is verder dat wanneer de eiser zijn vordering vermindert, hij daardoor kan bewerkstelligen dat hij alsnog zonder procureur kan (voort)procederen (óók als de zaak aanvankelijk als procureurszaak was aangebracht, hetgeen naar huidig recht niet het geval is). Opmerking verdient nog dat de gekozen systematiek meebrengt dat artikel 2.4.4, derde lid (concentratie van verweer) er niet aan in de weg dient te staan dat een partij na eiswijziging alsnog verwijzing verlangt (vergelijk Rechtbank Breda 3 juni 1969, NJ 1970, 38).

Artikel 2.2A.5 geeft in aanvulling op artikel 2.2A.2, derde en vierde lid, enige regels voor de gezamenlijke behandeling en beslissing van zaken in conventie en reconventie en hoofdzaak en vrijwaringszaak. Uit artikel 2.2A.2, derde en vierde lid, vloeit voort dat wanneer in deze zaken tenminste één vordering een vordering is als bedoeld in artikel 2.2A.1 onder c of d (een aardvordering), de zaken voor gezamenlijke behandeling door de kantonrechter in aanmerking komen. Artikel 2.2A.5 houdt in dat wanneer in dergelijke zaken geen aardvorderingen aan de orde zijn, eveneens gezamenlijke behandeling mogelijk is, doch niet per se door de kantonrechter. Uit het eerste lid vloeit voor zaken in reconventie voort dat deze, indien de samenhang met de conventionele vordering zich tegen afzonderlijke behandeling verzet, gezamenlijk met de zaak in conventie wordt behandeld, ook als de reconventie naar de regels van de voorgaande artikelen door een andere rechter zou moeten worden behandeld. In het tweede lid is eenzelfde regel gegeven voor vrijwaringszaken, met dien verstande dat ook hier de eis van samenhang met de hoofdzaak niet wordt gesteld omdat deze samenhang is gegeven. Beide regels komen er dus op neer dat in deze gevallen de rechter die de conventie of de hoofdzaak behandelt, eveneens de reconventie of de vrijwaring dient te behandelen. Verwijzing op de voet van artikel 1.8.2a blijft dan dus achterwege.

Opgemerkt zij nog dat de Adviescommissie burgerlijk procesrecht gaarne zou zien dat wanneer de kantonrechter zaken, hoewel zij niet alle kantonzaken zijn, wegens hun samenhang gezamenlijk moet behandelen, hij de mogelijkheid heeft om deze zaken, indien hij ze door hun ingewikkeldheid ongeschikt acht voor behandeling door een enkelvoudige kamer, gezamenlijk te doen behandelen door een meervoudige kamer uit de sector kanton. Een dergelijke mogelijkheid van meervoudige kantonkamers valt naar mijn oordeel echter niet te verenigen met de aard van de kantonrechtspraak als unus-rechtspraak en is daarom in dit wetsvoorstel niet opgenomen. Wel kan de kantonrechter in een dergelijk geval blijkens artikel 2.2A..6 met toepassing van artikel 1.2.2, tweede lid, NRv de zaken verwijzen naar een meervoudige kamer, maar daarbij zal het moeten gaan om een kamer van een andere sector (zodat in zoverre ten dele wordt afgeweken van de voorschriften voor behandeling in artikel 2.2A.1 e.v. NRv). Daarbij verzet zich er overigens niets tegen dat de kantonrechter zelf, maar dan niet als kantonrechter, in die kamer zitting heeft.

Ra

Aan de vereisten die worden gesteld aan een dagvaarding wordt toegevoegd dat in voorkomende gevallen tevens vermeld wordt op welke nevenvestigingsplaats of nevenzittingsplaats de zaak moet worden behandeld. Aldus wordt zeker gesteld dat de gedaagde in zaken waarvan bij algemene maatregel van bestuur is bepaald dat zij niet op de hoofdvestiging maar op een nevenlocatie worden behandeld, op de hoogte wordt gesteld van het adres daarvan. Met name in kantonzaken is de vermelding van dit adres cruciaal, omdat de gedaagde op dit adres in persoon ter zitting kan verschijnen dan wel naar dit adres zijn conclusie van antwoord kan zenden. Is het adres niet of niet juist vermeld, dan levert dit een grond op voor nietigheid van de dagvaarding (artikel 2.3.9, eerste lid). Deze nietigheid kan worden hersteld door middel van een herstelexploot (artikel 2.3.9, tweede lid).

S en T

Beide artikelen bevatten een terminologische aanpassing van het begrip «president». Omdat in de artikelen 2.3.1a en 2.3.6 sprake is van rechterlijke taak is gekozen voor vervanging door: de voorzieningenrechter. Zie ook de toelichting bij E1.

U

Het tweede lid van artikel 2.5.3 is aangepast in verband met het nieuwe artikel 1.8.2a.

V

Hiervoor bij de toelichting op de artikelen 2.2A.2 en 2.2A.5 , onder R, kwam reeds aan de orde dat het feit dat de hoofdzaak en de vrijwaringszaak, op zichzelf beschouwd, behandeld en beslist zouden moeten worden door verschillende rechters, niet in de weg dient te staan aan gezamenlijke behandeling van beide zaken door dezelfde rechter. Wanneer in zo'n geval de vrijwaringszaak een vordering betreft die ongeacht het beloop of de waarde door de kantonrechter moet worden behandeld, dient ook de hoofdzaak door de kantonrechter te worden behandeld (artikel 2.2A.2, vierde lid). In verband daarmee wordt in het derde lid van artikel 2.9.3 toegevoegd dat de rechter in zo'n geval in het incidentele vonnis waarbij de oproeping in vrijwaring wordt toegestaan beide zaken met overeenkomstige toepassing van artikel 1.8.2a direct naar de kantonrechter verwijst. In het (zeldzame) geval van een oproeping in vrijwaring door de eiser (artikel 2.9.3, tweede lid), zal de eiser de gedaagde in vrijwaring moeten oproepen voor de rechter die de hoofdzaak behandelt, waarna beide zaken zo nodig ingevolge artikel 1.8.2a, tweede lid, kunnen worden verwezen. Is de vordering in vrijwaring geen aardvordering en behoort zij naar het beloop of de waarde tot het werkterrein van de kantonrechter, dan kan de gedaagde in vrijwaring worden opgeroepen voor de rechter die de hoofdzaak behandelt en zal deze beide zaken – wegens de samenhang met de hoofdzaak – gezamenlijk behandelen (artikel 2.2A.5, tweede lid).

W

Verwijzing wegens aanhangigheid elders van een zaak over hetzelfde onderwerp tussen dezelfde partijen (litispendentie), dan wel wegens aanhangigheid elders van een verknochte zaak tussen andere partijen (connexiteit), strekken tot vergroting van de doelmatigheid van procedures en het voorkomen van tegenstrijdige beslissingen. Ook hier behoort daaraan niet in de weg te staan dat de zaken, op zichzelf beschouwd, tot het werkterrein van verschillende rechters behoren (vergelijk artikel 2.2A.2, tweede tot en met vierde lid). Aldus is in de toevoeging aan het eerste lid tot uitdrukking gebracht. Voor zover het gaat om verwijzing wegens verknochtheid, is er ruimte om – net als bij het samenhang-criterium in artikel 2.2A.2 – een afweging te maken of de procedures zodanig met elkaar verband houden dat, mede in het licht van het belang van afwikkeling volgens het in beginsel voorgeschreven regime, gesproken moet worden van een verknochtheid die verwijzing rechtvaardigt.

In het geval van zaken die bij verschillende kamers van hetzelfde gerecht in behandeling zijn, dient geen voeging doch verwijzing te worden gevraagd, zulks in overeenstemming met hetgeen hieromtrent doorgaans wordt geleerd (zie de verwijzingen in Kluwers losbladige Burgerlijke Rechtsvordering, aantekening 4 op artikel 159 Rv). Voor dit geval worden in het nieuwe vierde lid enige regels gesteld, grotendeels gebaseerd op artikel 1.8.2a, vierde lid. Opmerking verdient dat deze regels niet alleen van toepassing zijn bij verwijzing door de kantonrechter naar een kamer van een andere sector of omgekeerd, maar ook bij verwijzing van de ene naar de andere kamer binnen dezelfde sector.

Ingevolge het eerste lid van artikel 2.9.13 is het steeds de jongste zaak die wordt verwezen naar de rechter die de oudste zaak behandelt. Betreft de jongste zaak een vordering als bedoeld in artikel 2.2A.1 onder c of d (een aardvordering), die steeds door de kantonrechter moet worden behandeld, dan mag de zaak niet door verwijzing terechtkomen bij een niet-kantonrechter. In het vijfde lid is daarom bepaald dat in zo'n geval verwijzing van de andere – oudste – zaak kan worden gevraagd. Een bijzonder geval doet zich voor wanneer in zo'n geval de behandelende rechters ook nog eens behoren tot verschillende gerechten. Uitgangspunt dient ook dan te zijn dat dat aardvorderingen steeds door de kantonrechter worden behandeld. Voorts geldt bij verwijzing dat in beginsel steeds de jongste zaak verwezen wordt, zodat een eenmaal op juiste wijze gestarte procedure niet door latere ontwikkelingen kan worden onttrokken aan de absoluut en relatief bevoegde rechter. Is de oudste zaak bij de kantonrechter van het ene gerecht in behandeling, dan zal de jongere zaak, die bij een ander gerecht wordt behandeld door een niet-kantonrechter, op grond van het eerste lid in één keer kunnen worden verwezen naar de kantonrechter van het eerste gerecht. Is echter de zaak bij de kantonrechter de jongste zaak, dan is een nadere regel nodig om uit te maken of beide zaken moeten worden behandeld door die kantonrechter, dan wel door de kantonrechter van het andere gerecht. In het wetsvoorstel is gekozen voor een verwijzing in twee stappen: eerst verwijst de kantonrechter «zijn» zaak naar het gerecht waar de oudste zaak aanhangig is en vervolgens moet, als de jongste zaak aldaar bij de kantonrechter aanhangig is gemaakt, in de oudste zaak verwijzing naar laatstbedoelde kantonrechter plaatsvinden. Het voorgestelde systeem heeft als voordeel dat de oudste zaak bij hetzelfde gerecht in behandeling blijft en niet verwezen behoeft te worden naar de kantonrechter van een andere gerecht. In het door de Raad van State gesuggereerde alternatief, waarin zaken die door een kantonrechter moeten worden afgedaan daar ook blijven en de andere zaak, ook al zou die van oudere datum zijn, naar hem worden verwezen, zou de oudste zaak naar een ander gerecht moeten worden verwezen, hetgeen vooral voor de partij die geen verwijzing wenst, bezwaarlijk kan zijn. Het daarmee te bereiken voordeel, dat slechts in één zaak verwijzing hoeft te worden gevorderd, weegt daartegen naar mijn oordeel niet op. Op grond van lid 5 zal eerst in de jongste zaak verwijzing gevorderd moeten worden naar de kantonrechter van het gerecht waar de oudste zaak in behandeling is. Vervolgens kan ook de andere zaak bij die kantonrechter terecht komen doordat in de andere zaak verwijzing van die andere zaak wordt gevorderd naar de desbetreffende kantonrechter.

Overigens verdient nog opmerking dat ervan is afgezien een toevoeging als in het eerste lid ook aan te brengen in artikel 3.8.4, dat een met artikel 2.9.13 vergelijkbare bepaling inhoudt voor de verzoekschriftprocedure. De reden daarvoor is dat de wet voor elke afzonderlijke zaak waarvoor de verzoekschriftprocedure is aangewezen, bepaalt of deze door de kantonrechter dan wel door (een andere sector van) de rechtbank moet worden behandeld. In zekere zin gaat het telkens om wat men zou kunnen noemen «aardverzoeken»: verzoeken die naar hun aard behandeld moeten worden door hetzij de kantonrechter, hetzij een kamer van een andere sector dan de sector kanton. Om een voorbeeld te noemen: bij curatele is de kantonrechter aangewezen voor de behandeling van bepaalde verzoeken die betrekking hebben op het bewind door de curator over het vermogen van de curandus (artikel 1:386, eerste lid, BW), terwijl de rechtbank over de benoeming en het ontslag van de curator gaat (artikel 1:383 lid 1, 1:385, eerste lid, onder d, BW). Hoewel in bepaalde gevallen door een betrokkene een samenhang tussen dergelijke zaken aanwezig zal worden geacht, lijkt het toch niet wenselijk deze toedeling van zaken te doorkruisen door verwijzing van een zaak naar een andere rechter, net zomin als dat in de dagvaardingsprocedure ten aanzien van aardvorderingen het geval is (artikel 2.2A.2, tweede tot en met vierde lid).

X en Y

Deze artikelen bevatten een terminologische aanpassingen van het begrip «president». Omdat hier telkens sprake is van rechterlijke taken is gekozen voor vervanging door: voorzieningenrechter. Zie ook de toelichting onder E1.

Z

De toevoegingen hebben dezelfde strekking als de wijziging van artikel 2.9.13: verwijzing van zaken wegens verknochtheid of «litispendentie» mogelijk te maken ondanks een verschil tussen de verwezen zaak en de zaak die aanleiding is voor de verwijzing ten aanzien van de mogelijkheid om in persoon te procederen. De regeling is zoveel mogelijk gelijk aan de regeling van artikel 2.9.13. Ook hier wordt rekening gehouden met de kantonrechter als de gespecialiseerde rechter in huur- en arbeidszaken: zaken op die terreinen kunnen niet worden verwezen naar een kamer van een andere sector.

AA

De wijziging houdt verband met het hiervoor toegelichte vervallen van artikel 1.8.3, tweede lid.

BB

De tweede volzin van artikel 333 heeft betrekking op de kantonzaken, opgenomen in artikel 2.2A.4. De verwijzing naar artikel 43 van de Wet op de rechterlijke organisatie is derhalve aangepast.

CC

Het artikel bevat een verwijzing naar de feitelijke beroepsinstantie in de Wet OBG. Met de hogere rechter wordt in artikel 359 Rv nog slechts gedoeld op het gerechtshof.

DD

De wijziging houdt verband met het verdwijnen van de kantongerechten als afzonderlijke gerechten.

EE

Deze artikelen bevatten een terminologische aanpassing van het begrip «president». Aangezien telkens sprake is van rechterlijke taken is telkens gekozen voor vervanging door: voorzieningenrechter. Zie ook de toelichting onder E1.

FF

Dit artikel bevat een terminologische aanpassing van het begrip «president». Aangezien sprake is van rechterlijke taken is gekozen voor vervanging door: voorzieningenrechter. Zie ook de toelichting onder E1.

b. Artikel 14 Tijdelijke wet huurkoop onroerende zaken

Het artikel bevat een verwijzing naar het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

c. Artikel 2 Uitvoeringswet EEG-Executieverdrag

Het artikel bevat een verwijzing naar het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

d. Artikel 3 Wet tarieven in burgerlijke zaken

Het zevende lid komt voort uit artikel 11, vijfde lid, zoals dat komt te luiden ingevolge Hoofdstuk 5, artikel 16, onderdeel C, van dit wetsvoorstel. Omdat artikel 11 bij de aanpassingswet bij de Wet organisatie en bestuur gerechten voor het overige komt te vervallen, wordt de inhoud van het vijfde lid daarvan overgebracht naar artikel 3.

Het achtste lid is materieel ontleend aan het thans geldende zevende lid, tweede volzin.

Het negende lid is ontleend aan het thans geldende zevende lid, met dien verstande dat het geval van verwijzing door de kantonrechter grotendeels door het achtste lid beheerst wordt en het voor dat geval geldende principe is veralgemeniseerd, zodat het bijvoorbeeld toegepast kan worden als van een vonnis van een kantonrechter ten onrechte wordt geappelleerd bij de rechtbank.

Artikel 3

Zie § 2.2.

Artikel 4

De voorwaardelijke wijzigingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Burgerlijk Wetboek in verband met het nieuwe huurrecht zijn toegelicht bij hoofdstuk 5, artikel 31, onder D (artikel 2.2.5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering), waarnaar hierbij zij verwezen.

Artikel 5

Bij het wetsvoorstel 27 743 betreffende de elektronische handtekeningen wordt artikel 3:15a BW in verband met de opneming van enige nieuwe bepalingen in Boek 3 BW vernummerd tot artikel 3:15i. In verband daarmee dient ook het bij dit wetsvoorstel voorgestelde artikel 15b te worden vernummerd.

HOOFDSTUK 13. OVERGANGSRECHT

Enig artikel

Deze bepaling is afgestemd op het overgangsrecht bij wetsvoorstel 26 855. Daar waar op grond van het overgangsrecht bij wetsvoorstel 26 855 het oude recht nog geldt, dient ten aanzien van de aanpassing van de overige wetgeving aan het nieuwe procesrecht hetzelfde te gelden.

HOOFDSTUK 14. SLOTBEPALINGEN

Artikel 1 en 2

Artikel 1 bevat enkele wetgevings-technische voorzieningen. Artikel 2 bepaalt dat de wet bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking treedt. Daarvoor is gekozen, omdat het wenselijk is dat het onderhavige wetsvoorstel en wetsvoorstel 26 855 nadat zij kracht van wet hebben gekregen op dezelfde datum in werking treden en in wetsvoorstel 26 855 eveneens is voorzien in een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip van inwerkingreding.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals


XNoot
1

Zie http://www.minjust.nl/_Cactual/ rapport/cie/commissi.htm.

XNoot
1

Dit verdrag is inmiddels voor het Koninkrijk der Nederlanden (Nederland) ondertekend, maar nog tot op heden nog niet in werking getreden.