27 813
EU Structuurfondsen

nr. 29
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 april 2008

Inleiding en samenvatting

Sinds 2001 ontvangt uw Kamer elk jaar een voortgangsrapportage over de Structuurfondsenprogramma’s 2000–2006. Deze brief beschrijft de voortgang tot en met 2006. Ik bied u deze aan mede namens de ministers van respectievelijk LNV, VROM, BZK1. Het verslag over 2005 ontving u op 7 februari 2007 (2006–2007, 27 813, nr. 25).

De voortgangsrapportage is aangehouden in afwachting van de eindrapportage van het Nationaal Actie Plan EFRO (Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling), zoals die op 4 april jongstleden aan de Europese Commissie (EC) is aangeboden. Ik ga daar in het tweede deel van deze brief uitgebreid op in.

Voortgangsrapportage Structuurfondsen

Uitvoering van de programma’s 2000–2006

Er worden negen programma’s gefinancierd vanuit de Europese fondsen. In bijlage 1 van de brief vindt u een korte beschrijving van deze programma’s2. De bijlagen 2 tot en met 4 en bijlage 6 geven per programma inzicht in de financiële stand van zaken: hoeveel geld is er per programma beschikbaar, hoeveel geld is er toegekend en hoeveel is er daarvan eind 2006 uitgegeven1. Bijlage 5 laat per programma zien wat er concreet tot stand is gebracht, bijvoorbeeld het aantal hectares geherstructureerde bedrijventerreinen dat het betreffende programma heeft gerealiseerd (peildatum 31-12-2006)1.

Samenvattend is de financiële stand van zaken eind 2006 als volgt:

EU-middelen 2000–2006Beschikbaar t/m 2006Gecommitteerd t/m 2006Gerealiseerd t/m 2006 
 %*%*
Doelstelling 1 Flevoland132 000137 500104 103 30078
Doelstelling 2 Oost147 960146 3189997 11066
Doelstelling 2 Noord356 600400 832112215 53860
Doelstelling 2 Zuid146 270139 78296103 01170
Doelstelling 2 Steden208 170210 132101139 54667
Interreg (grensoverstijgend)831 040787 09695473 71557
Urban, FIOV en Leader140 741134 9779693 32866

* Ten opzichte van beschikbare middelen

Het algemene beeld over de uitvoering van de programma’s tot en met 2006 is wat betreft de committeringen, de toekenning van de subsidies, positief. De programma’s hebben hun middelen helemaal of bijna helemaal gecommitteerd. De programma’s 2000–2006 hebben een uitlooptijd tot einde 2008. Dat wil zeggen dat het toekennen en uitbetalen van de middelen mogen doorlopen tot aan het einde van dit jaar.

Het gemiddelde realisatiepercentage ligt eind 2006 op 66%. Inmiddels is tussen 31 december 2006 en nu een behoorlijke slag gemaakt. Eind 2007 ligt het gemiddelde realisatiepercentage voor de vier Doelstelling 2 en het Flevolandprogramma op 80%. Maar mede gelet op de vrijval vanwege het Nationaal Actieplan zal de resterende 8 maanden nog een flinke inspanning vereist zijn. De managementautoriteiten van de programma’s zullen er voor moeten zorgen dat de projecten dit jaar worden afgerond.

Als middelen niet tijdig worden besteed, dan vermindert de Europese Commissie de bijdrage aan een programma (zogenoemde N+2 regel). In 2006 was dit echter niet aan de orde. Zodra het beeld over 2007 duidelijk is, zowel wat betreft de uitputting van de middelen als ten aanzien van de N+2, zal ik uw Kamer informeren, naar verwachting na de zomer dit jaar. Momenteel is de N+2 uitkomst voor 2007 nog niet bekend.

Nieuwe programmaperiode 2007–2013

Voor de programmaperiode 2007–2013 is er vanuit het Rijk het zogenoemde Nationaal Strategisch Referentiekader (NSR) opgesteld, dat net voor de zomer 2007 is goedgekeurd door de Europese Commissie (2005–2006, 27 813, nr. 22). Het NSR diende als leidraad voor de regionale programma’s, met als belangrijkste richtsnoer dat 80% van de middelen gaat naar de Lissabondoelstellingen.

De regionale programma’s zijn in de maanden juni tot en met december 2007 door de Europese Commissie goedgekeurd. Het gaat om vier landsdelige Doelstelling 2 programma’s EFRO, één Doelstelling 2 ESF (Europees Sociaal Fonds), en zes internationale Interreg-programma’s (waarvan het nieuwe programma «2 Zeeën» met Frankrijk, België, het Verenigd Koninkrijk en Nederland binnenkort door de Commissie wordt goedgekeurd).

De loketten van de programma’s zijn rond de jaarwisseling 2007/2008 opengesteld. In de volgende voortgangsrapportage meld ik u graag de eerste resultaten.

Afronding Nationaal Actieplan Efro

Op 23 oktober 2006 bent u door de staatssecretaris van Economische Zaken op de hoogte gesteld over de brief over de controle en beheersystemen die de Europese Commissie (EC) in september 2006 aan de lidstaat Nederland heeft gestuurd (2006–2007, 27 813, nr. 23). Naar aanleiding van de brief van de EC heeft mijn Ministerie in overleg met alle betrokken partijen een Nationaal Actieplan opgesteld, dat in december 2006 aan de EC is aangeboden. Het Actieplan heeft betrekking op de Doelstelling 2 EFRO programma’s van Noord, Oost, Zuid en Steden, het EFRO deel van het Doelstelling 1 programma Flevoland en de Urbanprogramma’s. Het actieplan en de eerste voortgangsrapportage aan de EC zijn op 7 februari 2007 aan u verzonden (2006–2007, 27 813, nr. 25). Overigens staat Nederland hierin niet alleen, in totaal 16 lidstaten hebben op verzoek van de EC een dergelijk actieplan op moeten stellen.

Het Nationaal Actieplan kent twee hoofdonderdelen. Ten eerste gaat het om de verbetering van het controle- en beheersysteem van de betreffende programma’s en ten tweede om een hercontrole via een steekproef van de tot en met 2006 bij de Europese Commissie ingediende declaraties. Hieronder ga ik in op de resultaten van het actieplan.

Verbetermaatregelen

Op 31 januari jl. is het eindrapport over dit deel aan de Europese Commissie gestuurd. U vindt dit rapport als bijlage 7 bij deze brief1. De belangrijkste conclusie is dat bijna alle 16 actiepunten uit het Actieplan die hiermee te maken hebben zijn uitgevoerd. Voorbeelden van maatregelen zijn het gebruik van uniforme checklisten en het beter registreren van onregelmatigheden. Daarmee is het controle- en beheersysteem op orde gebracht. De Europese Commissie heeft aangegeven tevreden te zijn over de verbeteringen die Nederland heeft doorgevoerd. De maatregelen die Nederland heeft genomen naar aanleiding van de EFRO-problematiek zoals opgenomen in het Nationaal Actieplan, zijn volgens de Europese Commissie een goed voorbeeld van wat verwacht mag worden van een lidstaat als er door de Commissie problemen worden gesignaleerd.

De hercontrole

Omdat de Europese Commissie, door de bevindingen bij de door de EC zelf uitgevoerde audits in de periode 2004–2006, onvoldoende zekerheid had over de juistheid van de bij de EC gedeclareerde uitgaven, heeft zij mij verzocht een steekproefsgewijze hercontrole uit te voeren op de declaraties ingediend tot en met 2006 en indien nodig correcties uit te voeren. De Auditdienst van mijn Ministerie heeft deze hercontrole uitgevoerd. Op 31 maart heeft de Auditdienst het rapport van bevindingen aan mij aangeboden. Dit rapport van bevindingen en de conclusies daaraan te verbinden, heb ik op 3 april in een bestuurlijk overleg besproken met de managementautoriteiten (decentrale overheden) van de betreffende programma’s. Op 4 april heb ik het definitieve rapport van bevindingen met een begeleidende brief waarin de conclusies die de managementautoriteiten en ik aan het rapport verbinden aan de EC aangeboden. U vindt de begeleidende brief en het rapport van bevindingen als bijlagen 8 en 9 bij deze brief.

In de onderzochte projecten uit de steekproef is een foutpercentage gevonden van gemiddeld 2,9% van de gedeclareerde uitgaven. De gedeclareerde uitgaven betreffen alle uitgaven die voor de betreffende projecten gedaan worden. Gemiddeld wordt circa 35% van die uitgaven betaald met Europese middelen uit het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling. De meest voorkomende fouten hebben betrekking op aanbesteden, verkeerd berekende loonkosten en onjuiste of te late taxaties van grondaankopen. Er zijn géén gevallen van fraude ontdekt. Met de programma’s Oost, Noord, Zuid en Stedelijke gebieden ben ik tot overeenstemming gekomen over de correcties die hieruit voort vloeien. Met Flevoland heb ik nog geen overeenstemming kunnen bereiken. Ik verwijs u voor de verdere uitkomsten en de toelichting daarop naar het rapport van bevindingen. De volgende stap is dat de Europese Commissie haar oordeel moet geven over het voorstel zoals dat is ingediend. Vervolgens zullen de managementautoriteiten de noodzakelijke correcties moeten doorvoeren.

Belangrijk is dat er op dit moment geen geld terugvloeit naar de Europese Commissie. De Europese regels bepalen dat het door de correcties vrijgevallen geld beschikbaar blijft voor de lidstaat tot het moment van sluiting van de programma’s 2000–2006. Aangezien er uitgaven gedeclareerd mogen worden tot en met het einde van dit jaar, betekent het dat de middelen nog tot aan het eind van dit jaar opnieuw ingezet kunnen worden. Pas bij de eindafrekening van de programma’s zal blijken of er daadwerkelijk middelen naar de Europese Commissie terugvloeien.

Het gevonden foutpercentage steekt niet ongunstig af tegen het door de Europese Rekenkamer in 2007 gevonden percentage van 12% in geheel Europa, hoewel de wijze van berekenen van dat percentage af zou kunnen wijken. Ik hecht eraan op te merken dat de middelen aan goede projecten worden besteed. Uit het rapport van bevindingen van de Auditdienst blijkt wel dat niet alle uitgaven geheel volgens de Europese regels zijn gedeclareerd. Publieke middelen dienen juist besteed te worden. Ik werk er daarom met de verantwoordelijke overheden aan het foutpercentage in de toekomst verder naar beneden te brengen.

Langs de volgende sporen werk ik samen met mijn collega’s in het kabinet en de managementautoriteiten aan een beter, maar ook efficiënter controle- en beheersysteem:

• In de nieuwe programmaperiode worden de taken van de certificeringautoriteit en auditautoriteit centraal door het Rijk uitgevoerd. Daarmee wordt een uniformering in de controle doorgevoerd. Deze beslissing was overigens al genomen voordat de Europese Commissie ons had verzocht een actieplan op te stellen.

• Er wordt met het Samenwerkingsverband Noord-Nederland een pilot uitgevoerd om de controledruk te verminderen.

• De lessen uit het actieplan zullen gebruikt worden in de nieuwe programmaperiode.

• In de periode 2000–2006 bepaalde de EC in hoge mate de criteria waaraan uitgaven moesten voldoen. In de periode 2007–2013 is een groot deel van die verantwoordelijkheid bij de lidstaten komen te liggen. Dit heeft de mogelijkheid geboden de criteria beter aan te laten sluiten bij de in ons land gebruikelijke regels. De criteria zijn vastgelegd in het besluit Besluit EFRO programmaperiode 2007–2013.

Dit moet er toe leiden dat het controle- en beheersysteem uniformer, effectiever en efficiënter gaat werken. En minstens zo belangrijk: zo kan de aandacht verlegd worden naar dat waar het werkelijk om draait: het ontwikkelen en uitvoeren van goede projecten die bijdragen aan een economisch sterker en duurzamer Nederland.

De minister van Economische Zaken,

M. J. A. van der Hoeven


XNoot
1

De Staatssecretaris van SZW heeft uw Kamer de afgelopen jaren periodiek geïnformeerd over de voortgang van ESF en Equal, laatstelijk 28 juni 2007 (2007–2008, 26 642, nr. 102). Voor de zomer 2008 zal de Staatssecretaris de Kamer opnieuw informeren.

XNoot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven