Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 27803 nr. 1 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 27803 nr. 1 |
Vastgesteld 12 juni 2001
Een delegatie uit de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken1 heeft van 4 tot en met 8 maart 2001 een werkbezoek gebracht aan de Republiek Suriname. De delegatie was samengesteld uit de leden De Boer (PvdA, voorzitter van de commissie), Gortzak (PvdA), Weisglas (VVD), Verburg (CDA), Hoekema (D66) en Karimi (GroenLinks). De heer Hommes was de griffier van de delegatie. De delegatie werd voorts vergezeld door mevrouw Gartz, voorlichter van de Tweede Kamer.
De delegatie heeft tijdens het bezoek kennis genomen van de situatie in Suriname en daartoe gesprekken gevoerd met diverse autoriteiten en instanties. Het geheel heeft een goed beeld gegeven van de politieke en economische ontwikkelingen in het land. Daarnaast is uitgebreid van gedachten gewisseld over de ontwikkelingsrelatie tussen Suriname en Nederland.
De delegatie heeft het bezoek als zeer nuttig en informatief ervaren. Het was, mede gezien de gevoelige relatie tussen Suriname en Nederland en het feit dat het laatste bezoek van een delegatie lang geleden in 1992 plaatsvond, een bijzonder bezoek. Zij is de Nationale Assemblee erkentelijk voor de verleende gastvrijheid en wil daarbij in het bijzonder dank uitspreken aan de leden van de Commissie voorbereiding en coördinatie parlementair overleg Nederland–Suriname.
Daarnaast is de delegatie dank verschuldigd aan de medewerkers van de Nederlandse ambassade in Paramaribo, die zich zeer hebben ingespannen om het bezoek succesvol te laten verlopen. In het bijzonder geldt dit voor de ambassadeur, de heer mr. R.J. Treffers en de heer drs. R.J. Quarles van Ufford (politieke, pers-, en culturele zaken).
Het programma is als bijlage bij het verslag gevoegd, evenals de slotverklaring die aan het einde van het bezoek door de gezamenlijke delegaties is uitgebracht.
Suriname is bijna 5 maal zo groot als Nederland en telde in 1999 ongeveer 428 000 inwoners. De bevolking is zeer divers samengesteld.
In 1667 werd het gebied van Suriname door de Engelsen aan Nederland overgedragen als uitvloeisel van een ruil met het huidige New York. De kolonie vormde een plantage-economie op basis van slavenarbeid. In 1863 werd de slavernij echter afgeschaft en vond grootschalige immigratie plaats van contractarbeiders uit Brits-Indië (Hindoestanen) en Nederlands-Indië (vooral Javanen). Vanaf de twintigste eeuw drijft de economie vooral op bauxiet. In 1954 werd het Statuut van het Koninkrijk van kracht. Hierin kreeg Suriname een grote mate van autonomie, behalve op het terrein van buitenlandse politiek en defensie.
Op 25 november 1975 werd Suriname een onafhankelijke republiek. In het onafhankelijkheidsverdrag werd overeengekomen dat Nederland in een periode van 10 tot 15 jaar voor 3,5 miljard gulden aan ontwikkelingshulp zou geven. Vlak voor en na de onafhankelijkheid vond een grote uittocht van de bevolking plaats naar Nederland. In februari 1980 pleegden een aantal legerofficieren onder leiding van sergeant Desi Bouterse een staatsgreep. Aanvankelijk werd de Nederlandse hulp voortgezet, maar na de zogenaamde Decembermoorden van 1982 werd de hulp opgeschort. Na een periode van binnenlandse onrust werd in september 1987 per referendum een nieuwe grondwet aanvaard. Bij de verkiezingen van november wonnen de zogenaamde «oude» politieke partijen een meerderheid. De gekozen regering-Shankar werd echter op kerstavond 1990 via een telefonisch dreigement van de militairen (de «telefooncoup») door Bouterse ten val gebracht. De verkiezingen van mei 1991 werden nogmaals gewonnen door de «oude» partijen, verenigd in het Front en in september werd Ronald Venetiaan tot president gekozen.
De nieuwe regering zorgde dat het militair apparaat weer ondergeschikt werd aan het civiele gezag. Ook werd monetaire stabiliteit bereikt, waardoor economisch herstel mogelijk werd.
Na de verkiezingen van 1996 trad de regering-Wijdenbosch aan die voor een belangrijk deel steunde op de partij van Bouterse, de NDP. De verhouding met Nederland bekoelde, zeker nadat bekend werd dat Nederland een internationaal opsporingsbevel had uitgevaardigd tegen Bouterse in verband met handel in cocaïne. In november 1997 zegde Suriname eenzijdig het overleg over de bestedingen van ontwikkelingsfondsen op, waarop de Nederlandse regering besloot dat geen nieuwe activiteiten uit de verdragsmiddelen konden worden aangegaan. Tijdens de regering-Wijdenbosch ging de economie van het land steeds verder achteruit als gevolg van het gebrek aan goed bestuur en goed beleid. Er ontstonden spanningen binnen de coalitie, binnen de NDP, alsmede tussen president Wijdenbosch en Bouterse, die in april 1999 werd ontslagen als Adviseur van Staat, een speciaal voor hem gecreëerde functie.
Op 25 mei 2000 vonden opnieuw verkiezingen plaats, waarbij de coalitie «Nieuw Front» onder leiding van Ronald Venetiaan een meerderheid behaalde. Venetiaan werd de nieuwe president.
Suriname kent een gemengd parlementair-presidentieel stelsel. De uitvoerende macht ligt bij de president, die staatshoofd en regeringsleider is. De president wordt gekozen voor een termijn van vijf jaar door het parlement, De Nationale Assemblee (DNA). Hiervoor is een meerderheid nodig van tweederde. Indien verkiezing door DNA niet mogelijk blijkt wordt de president met een gewone meerderheid aangewezen door de Verenigde Volksvergadering, bestaande uit vertegenwoordigers van DNA, district- en ressortraden. Naast de president is er een vice-president, die tevens voorzitter van de ministerraad is.
DNA heeft 51 leden die worden gekozen voor vijf jaar via proportionele vertegenwoordiging per district. De wetgevende macht berust bij DNA en de regering gezamenlijk.
Ontwikkelingsrelatie met Nederland
De Overeenkomst inzake Ontwikkelingssamenwerking van 1975 regelde de terbeschikkingstelling van in totaal 3,5 miljard gulden, de zogenaamde verdragsmiddelen. In 1992 kwamen Nederland en Suriname het Raamverdrag inzake vriendschap en nauwere samenwerking overeen, waarin naast economisch herstel, het belang van herstel en consolidering van democratie en rechtsstaat werd vastgelegd. De regering-Wijdenbosch blokkeerde eind 1997 het reguliere ministerieel beleidsoverleg over het OS-programma. Tussen 1997 en 2000 heeft geen overleg tussen de betrokken ministers plaatsgevonden. Hierdoor zijn geen nieuwe activiteiten meer gestart. De totale uitgaven voor Suriname in 2000 bedroegen ongeveer 40 miljoen gulden en betroffen grotendeels uitgaven uit de verdragsmiddelen. De uitgaven waren voornamelijk gericht op infrastructuur, gezondheidszorg en onderwijs.
In het kader van het nieuwe landenbeleid besloot de Nederlandse regering in 1999 om geen structureel bilateraal OS-programma in Suriname meer te voeren. Na het bezoek van de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking eind 2000 is een voorzichtige herstart gemaakt met de OS-relatie. Voor de Nederlandse regering is de sectorale benadering daarbij het uitgangspunt.
Het laatste parlementaire bezoek aan Suriname vond plaats in 1992. Daarvoor waren er verschillende andere bezoeken geweest. Het voorgenomen bezoek in 1997 werd door Suriname op dat moment niet opportuun geacht en werd dan ook tot nader order uitgesteld. De parlementaire relatie is daarmee grotendeels een weerspiegeling van de algemene politieke verhoudingen tussen Nederland en Suriname in de jaren '97 tot 2000, die werd gekenmerkt door een bevriezing van de verhoudingen, geïnspireerd door de toenmalige Surinaamse regering. Het bezoek van de delegatie dat nu is afgelegd betekent een nieuw begin.
Allereerst is de delegatie ontvangen door de voorzitter van de Nationale Assemblee, de heer Jagernath Lachmon. De heer Lachmon kenschetste de Surinaamse samenleving als vreedzaam in verscheidenheid. De democratie is hersteld en het heeft geen zin om teveel terug te kijken. De toekomst is belangrijk en daarbij zijn goede banden met Nederland van grote betekenis. Er wonen immers zeer veel Surinamers in Nederland en er is de gemeenschappelijke taal en de geschiedenis. De samenwerking tussen Suriname en Nederland moet volgens de heer Lachmon verder worden geïntensiveerd op zoveel mogelijk terreinen. De samenwerking moet zijn gericht op wederzijds voordeel. Hij achtte het bezoek van de Nederlandse delegatie een bewijs van de goede betrekkingen. De heer Lachmon memoreerde in dit verband ook het komende bezoek van een parlementaire delegatie uit Aruba en de Nederlandse Antillen, hetgeen hij beschouwde als een soort revitalisering van het vroegere Contactplan tussen de verschillende onderdelen van het Koninkrijk.
In Suriname is een ontwikkeling gaande waarbij de verschillende bevolkingsgroepen in toenemende mate met elkaar integreren. Dit vindt op vrijwillige basis plaats met zoveel behoud van de eigen cultuur. Deze integratie heeft gevolgen voor de sectorale aanpak, omdat er minder verdelingsproblemen dan zijn voorheen. De heer Lachmon achtte de sectorale aanpak, zoals wordt voorgestaan door de Nederlandse minister voor Ontwikkelingssamenwerking overigens in strijd met het Raamverdrag uit 1992.
President Ronald Venetiaan verklaarde tijdens het onderhoud met de delegatie dat het nu tijd is van handelen, maar ook van luisteren. De nieuwe regering probeert brede ondersteuning te vinden voor haar beleid, in de samenleving en bij de oppositie. Als voorbeeld noemde hij de voorgenomen oprichting van een Sociaal Economische Raad.
Volgens de president moeten condities worden geschapen voor de ontwikkeling van de particuliere sector. Ondanks veel goede wil loopt de particuliere sector nog niet voorop. Er moet meer worden geïnvesteerd, bijvoorbeeld door multinationals. Hiervoor is stabiliteit noodzakelijk, bijvoorbeeld voor wat betreft de wisselkoers en het begrotingsevenwicht. Mede door maatregelen die door de regering zijn genomen eind vorig jaar is de wisselkoers tot rust gebracht. Dit is de kapstok voor verdere ontwikkelingen. Een belangrijk beleidsdoel van de regering is het op orde brengen van de staatshuishouding. Monetaire financiering moet tot het verleden behoren. Er moeten fondsen worden gecreëerd om investeringen mogelijk te maken. Het Surinaamse bankwezen is tamelijk zwak en zal dus versterkt moeten worden.
Bauxiet zal ook in de toekomst belangrijk blijven voor de Surinaamse economie. Daarnaast zal de betekenis van goudwinning toenemen en worden de mogelijkheden van bosbouw onderzocht. Voor verdere economische ontwikkeling zal ook gekeken moeten worden buiten de natuurlijke hulpbronnen. Op dit moment speelt de informele economie ook een belangrijke rol. Volgens de president moet dit niet worden onderschat. De drugscriminaliteit moet in dit verband met kracht worden bestreden. De criminaliteit in het algemeen baart de regering veel zorgen.
Voor wat betreft de ontwikkelingsrelatie zei de president geen bezwaar te hebben tegen de sectorale benadering, maar wel tegen de sectorconcentratie. Concentratie betekent dat de schenkingsmiddelen voor enkele sectoren kunnen worden gebruikt en dat voor andere sectoren leningen moeten worden afgesloten. Sommige sectoren zullen geheel uit de boot vallen. Daarnaast is complicerend dat sommige sectoren zijn gekoppeld aan specifieke regio's en het beleid dus uitwerkt voor de hele regio. Ook zijn sectoren gekoppeld aan bevolkingsgroepen en leeftijdscategorieën. De president pleitte voor uiterste voorzichtigheid bij de sectorale benadering, ook omdat de eerdere verdragen uit 1975 en 1992 voorzien in een integrale benadering en de sectorale benadering strijdig is daarmee. Voor de president zijn de belangrijkste sectoren de sociale sector, de sector gezondheid en de sector onderwijs.
Voor wat betreft het onderzoek van de Decembermoorden zei de president dat de regering hierin een beperkte rol vervult. Het Openbaar Ministerie dat onafhankelijk van de regering is, heeft hierbij het voortouw. Wel kan worden gesteld dat het onderzoek een laag tempo heeft.
De vice-president van Suriname, de heer Jules Ajodhia, verwees gedurende het gesprek met de delegatie naar de stabilisatiemaatregelen en de maatregelen op sociaal vlak, die zijn genomen in oktober 2000. Op dit moment vindt een evaluatie plaats van de effecten van de besluiten. Het rapport van de Wereldbank/IMF over Suriname wordt bij die evaluatie betrokken.
De vice-president kenschetste de relatie tussen Suriname en Nederland als bijzonder. Eventuele plooien moeten zo snel mogelijk glad worden gestreken. Volgens hem is daarvoor geen derde partij, zoals de Wereldbank, nodig. In de relatie tussen beide landen zijn de verdragen uit 1975 en 1992 leidend. Het beleid van de Nederlandse minister voor Ontwikkelingssamenwerking (sectorbeleid) is wellicht strijdig met deze verdragen.
De regering van Suriname heeft een meerjarenontwikkelingsplan opgesteld, waarbij begrotingsevenwicht uitgangspunt is en waarbij monetaire financiering niet langer nodig is.
De regering heeft een groot aantal beleidsvoornemens in gang gezet. Een anti-corruptiewet is in concept gereed. Er is een nationale grondwetscommissie die voorstellen moet ontwikkelen voor hervorming van het staatsbestel. De reorganisatie van het overheidsapparaat wordt serieus aangepakt. De organisatie moet op rationele leest wordt geschoeid en er moet een einde worden gemaakt aan het verschijnsel «spookambtenaar». Het probleem hierbij is wel de ruime ontslagbescherming. Een en ander zal slechts in overleg met de sociale partners tot stand kunnen worden gebracht.
Tenslotte vroeg de vice-president aandacht voor het Nederlandse visumbeleid. Dit moet naar zijn mening worden versoepeld. Nu zijn er teveel belemmeringen. Hij vroeg om begrip van Nederland voor de Surinaamse problemen op dit terrein.
Er heeft een aantal werkbesprekingen plaatsgevonden tussen de Nederlandse delegatie en vertegenwoordigers van de Nationale Assemblee. De eerste werkbespreking werd geopend door haar voorzitter, de heer Lachmon. Hij stelde dat bij de verkiezingen door de Surinamers is gekozen voor herstel van de relatie met Nederland. De nieuwe regering heeft dat ook onderstreept. Het bezoek van de Nederlandse delegatie staat in het teken van versterking van de vriendschap tussen beide landen. Het Raamverdrag 1992 is de basis voor de relatie. Dit Raamverdrag heeft betrekking op de mensenrechten, de bestrijding van de misdaad, bevordering van de economische groei, de sociale rechtvaardigheid en van de internationale rechtsorde. Het verdrag ademt de geest van wederzijds respect, vertrouwen en soevereiniteit. Suriname heeft grote mogelijkheden voor ontwikkeling. Zo zijn er delfstoffen, er is landbouwgrond, visserij en menskracht. De voorzitter wenste de delegaties een vruchtbare discussie toe.
Tijdens de discussie is vooral van gedachte gewisseld over de ontwikkelingsrelatie tussen Nederland en Suriname. Daarnaast is gesproken over het Rechtshulpverdrag, de Wet Beperking Export Uitkeringen (BEU-wet) en over het visumbeleid.
Van Surinaamse zijde werd in dit verband naar voren gebracht dat de relatie tussen Nederland en Suriname gedurende eeuwen tot volwassenheid is gekomen. Er is niet sprake van een statische situatie, maar van een ontwikkeling. Een ontwikkeling die heeft geleid tot het Onafhankelijkheidsverdrag 1975 en het Raamverdrag 1992. De verdragen voorzien in een samenwerking op alle gebieden en hebben tot doel de economische weerbaarheid van Suriname te vergroten. Deze verdragen moeten worden nagekomen. De relatie tussen Nederland en Suriname is in ieder geval niet vrijblijvend. Er bestaat grote reserve in Suriname bij het Nederlandse sectorbeleid. Dit betreft niet de sectoren, maar de concentratie van de sectoren. Met die concentratie is de Surinaamse regering volgens de parlementariërs ook niet akkoord gegaan tijdens het bezoek van de Nederlandse minister. Sectorconcentratie is in strijd met de verdragen. Deze verdragen zijn ongewijzigd en dus had de Surinaamse regering geen ruimte om daarmee in te stemmen.
De suggestie om de resterende verdragsmiddelen over te maken op een rekening beheerd door de president van de Centrale Bank, de heer Telting, werd sympathiek beoordeeld. De begroting vertoont een tekort en 85% van de bevolking leeft onder de armoedegrens. Door overmaking van het geld zullen de monetaire reserves worden vergroot en zullen condities worden gecreëerd voor de noodzakelijke vergroting van de verdiencapaciteit.
Er moet meer inhoud worden gegeven aan de verdragen en er moeten voorwaarden worden geschapen om te komen tot een sectorale benadering. Tijdens een overbruggingsperiode moeten de lopende verplichtingen worden uitgevoerd. Er werd erkend dat Suriname meer donoren nodig heeft dan alleen Nederland. Daartoe werd de steun van Nederland gevraagd bijvoorbeeld bij de Europese Unie en de WTO. Ook zou Nederland steun kunnen geven bij het verbeteren van de toegang van Suriname tot de internationale kapitaalmarkt.
Van Nederlandse zijde werd verbazing uitgesproken over de aan Surinaamse zijde genoemde problemen met het sectorbeleid. De delegatie was niet op de hoogte dat er dergelijke bezwaren bestonden. Na het bezoek van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking in november 2000 was in Nederland de indruk gewekt dat hierover overeenstemming was bereikt. De evaluatie van de verdragen, zoals overeengekomen tijdens het bezoek van de Nederlandse minister voor Ontwikkelingssamenwerking in november 2000, dient snel te worden uitgevoerd. Nederland heeft zich aan de verdragen gehouden door bijvoorbeeld het grootste deel van het afgesproken geldbedrag over te maken. Suriname is een onafhankelijk land en moet zijn verantwoordelijkheid nemen. De centrale vraag is hoe de duurzame ontwikkeling van Suriname te bereiken. Hiervoor moet een discussie worden gevoerd omtrent een brede ontwikkelingsvisie en die vindt niet plaats in Suriname. Er moet in ieder geval worden gestreefd naar diversificatie van het aantal donoren. Aangezien de Nationale Assemblee nog niet over de voorstellen heeft gedebatteerd is een alternatief niet aangegeven.
Door de Nederlandse delegatie werd het belang van een democratisch Suriname benadrukt. De basis van de relatie tussen beide landen is gelijkwaardigheid. Hiervoor is begrip en inzicht nodig voor elkaars positie en opvattingen.
Door de Surinaamse delegatie werd aandacht gevraagd voor het Rechtshulpverdrag. Er werd aangedrongen op een goede uitvoering en meer informatie-uitwisseling. Snellere procedures en meer effectiviteit zijn noodzakelijk. Suriname heeft veel problemen met grensoverschrijdende criminaliteit. Het betreft hier voornamelijk druggerelateerde activiteiten. Suriname zou bijstand van Nederland bij de bestrijding van deze criminaliteit zeer op prijs stellen, ook gelet op het grote probleem van de «bolletjesslikkers», die er voor zorgen dat er veel Nederlanders (meer dan 300) in de Surinaamse gevangenissen zitten en een groot beslag leggen op de capaciteit.
De BEU-wet, die een regeling treft voor de export van sociale uitkeringen is door de Surinaamse regering positief gewaardeerd. Volgens Suriname zal de wet ervoor zorgen dat veel (veelal oudere) Surinamers naar hun land terugkeren. Daardoor heeft Nederland minder ouderen. De mensen die terugkeren naar Suriname nemen kennis en geld mee om die ten bate van hun land aan te wenden. Een en ander zal een financiële injectie betekenen. Door Nederland wordt gehecht aan een goed en duidelijk controlemechanisme, waarbij er effectief toezicht kan worden gehouden op de rechtmatigheid van de verstrekking. Daarnaast is een goede voorlichting vereist.
Voor wat betreft het visumbeleid heeft Suriname een commissie ingesteld die de mogelijkheden moet gaan onderzoeken om het personenverkeer naar Suriname te vereenvoudigen. Deze vereenvoudiging is noodzakelijk om het toerisme te bevorderen. Voor wat betreft het Nederlandse visumbeleid bestaat in Suriname de vraag waarom de tarieven in US dollars worden berekend en niet in Surinaamse guldens en waarom er ook moet worden betaald als de aanvraag wordt afgewezen. Er werd erkend dat de voorzieningen voor wachtenden bij de Nederlandse ambassade sterk zijn verbeterd.
De delegatie heeft gesproken met vertegenwoordigers van het Surinaamse bedrijfsleven. Het betrof hier de Kamer van Koophandel en Fabrieken, de ASFA en de Vereniging Surinaams Bedrijfsleven (VSB). De Kamer van Koophandel vroeg vooral aandacht voor de ontwikkeling van ondernemerschap. Daarvoor moeten gunstige voorwaarden worden geschapen, vooral voor kleinere bedrijven en voor startende ondernemingen, via bijvoorbeeld belastingfaciliteiten. Dit zorgt voor werkgelegenheid en helpt de armoedebestrijding. De Kamer pleitte ervoor om wettelijke belemmeringen te verwijderen. Daarnaast moet toegang worden gecreëerd tot kapitaal tegen internationaal concurrerende tarieven. Het visumbeleid voor Nederlanders zou versoepeld moeten worden, zodat het voor hen gemakkelijker wordt Suriname binnen te komen. De Kamer bespeurde helaas een wat negatieve houding van de Surinaamse overheid tegen het bedrijfsleven.
De ASFA merkte op dat de economische ontwikkeling wordt bemoeilijkt door verouderde wetgeving en door de politieke instabiliteit. Zij pleitte voor inspanningen op dit gebied.
Volgens de VSB heeft de regering Venetiaan-Adjodhia zich in de eerste maanden van haar bestaan vooral bezig gehouden met de overname van de desolate boedel van de vorige regering. Zo zijn er maatregelen genomen ter stabilisatie van de wisselkoers en is er gepoogd om wantoestanden in het ambtenarenapparaat te corrigeren. De regering heeft zich ook tot doel gesteld om de criminaliteit in te dammen, het onderwijs op gang te brengen en te houden en regelingen te treffen voor schulden aan derden. Daarnaast is gepoogd om het imago van Suriname op te vijzelen. De resultaten zijn tot nu toe relatief gering. Bestrijding van corruptie is onvoldoende op gang gekomen, er is nog onvoldoende begonnen met de sanering van het overheidsapparaat, de belangrijkste bron van de budgettaire problemen. Ook is er nog geen Sociaal Economische Raad ingesteld. Er is nog geen aantrekkelijke investeringsregeling en er wordt geen aanvang gemaakt met de modernisering van de wetgeving, in het bijzonder de arbeidswetgeving. De noodzakelijke investeringen komen slechts langzaam op gang, alhoewel de belangstelling groot is. De steun voor de private sector is gebrekkig. Investeringskosten en rentetarieven zijn te hoog. De oriëntatie van Suriname zou ook meer op de directe omgeving (het gebied van de Caricom) moeten worden gericht, waar een nieuwe markt zit.
Voor de VSB houdt de relatie tussen Nederland en Suriname meer in dan het vooruitzicht op een hoeveelheid restantmiddelen. Op een groot aantal fronten is samenwerking en/of uitwisseling mogelijk. Er werd daarbij ook verwezen naar het Verenigd Koninkrijk, die de private sectoren van haar voormalige koloniën maximaal bijstaat om aan mogelijkheden te komen van bijvoorbeeld de EU, Canada, de Verenigde Staten, Japan en andere landen. Voor nagenoeg alle producten, die voor het Caribische gebied van belang zijn bestaat er een «negotiating group»of «lobby center» in Londen. Dergelijke steun van Nederlandse zijde zou zeer op prijs worden gesteld. Bijstand in het kader van de overeenkomst van Cotonou door Nederland aan Suriname is wenselijk indien Suriname optimaal gebruik zou willen maken van de mogelijkheden.
Volgens de VSB zijn de garantiemiddelen in de beginperiode (0–5 jaar) dringend nodig voor de schuldsanering van de Surinaamse overheid. Daarna zou de private sector goed gebruik kunnen maken van deze middelen bij het aangaan van leningen ten behoeve van productieve «joint ventures». Concluderend werd door de VSB gesteld dat Surinaamse en de Nederlandse regeringen in staat moeten worden geacht om op de juiste wijze te komen tot de vaststelling van een programma voor de besteding van de restfondsen uit de ontwikkelingssamenwerking ten behoeve van de duurzame ontwikkeling en economische groei van Suriname, die zonder twijfel gebaseerd zal zijn op de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen en bij voortzetting van goed bestuur.
Aansluitend op het overleg met het bedrijfsleven heeft de delegatie gesproken met vertegenwoordigers van de gezamenlijke vakorganisaties verenigd in de RAVAKSUR (Raad van Vakcentrales Suriname) en de OSAV (Onafhankelijke Surinaamse Autonome Vakbonden). Zij herinnerden aan de strijd die de bonden hebben gevoerd tijdens de vorige regering over bijvoorbeeld het behoud van Staatsolie en de rechterlijke macht en tegen de dictatoriale neigingen van die regering.
Ondanks de negatieve factoren toonden de vakbonden zich overtuigd dat Suriname er weer bovenop kan komen. Nederlandse hulp moet soelaas bieden tot het moment dat Suriname weer op eigen benen kan staan. Uitgangspunt van die hulp zijn de verdragen uit 1975 en 1992, die een integrale aanpak regelen. Wijzigingen in die verdragen, zoals het betrekken van IMF/Wereldbank bij de hulp en de sectorale aanpak, kunnen slechts worden aangebracht in onderling overleg en na overeenstemming tussen beide landen.
Het grote probleem van Suriname is de zwakke economie, die mede is veroorzaakt door de voortgaande internationalisering. Zo is Suriname binnen de Caricom een buitenbeentje, bijvoorbeeld door de taal, het rechtssysteem en de afwijkende onderwijskwalificaties.
De bonden zijn teleurgesteld dat de regering nog steeds de beloofde anti-corruptiewet niet heeft ingediend. Ook is de noodzakelijke vernieuwing van de wetgeving nog niet tot stand gebracht en is de Sociaal Economische Raad nog niet opgericht. De president werkt wel hieraan en heeft daarvoor de steun van de vakbonden. Er is een investeringswet nodig om vreemd kapitaal te kunnen aantrekken. Door methodische problemen is deze wet helaas nog niet tot stand gekomen. De bonden zijn erkentelijk voor de Nederlandse bereidheid om met behulp van garantiemiddelen dure leningen om te zetten in goedkope leningen.
De bonden drongen aan op steun van Nederland in ACP-verband, zodat een dreigende ondergang van de Surinaamse bananenteelt wordt voorkomen. Het Europees Ontwikkelingsfonds heeft weliswaar 15 miljoen Euro ter beschikking gesteld, maar dit moet wel snel beschikbaar komen. Het EU-beleid doorkruist volgens de vakorganisaties de OS-inspanningen en het ontwikkelingsperspectief. Nederland draagt hier als lidstaat van de Europese Unie een verantwoordelijkheid voor en zou zich sterker moeten inzetten voor de Surinaamse belangen.
De delegatie heeft een bezoek gebracht aan de Minister van Handel en Industrie, de heer Jack Tjon Tjin Joe. Volgens de minister zijn economische activiteiten de basis voor de ontwikkeling van het land. Hij zei volledig verrast te zijn geweest door de Nederlandse plannen met betrekking tot het sectorbeleid. Suriname had gerekend op projecthulp. Er bestaat in Suriname grote onbekendheid met de sectorale aanpak. Deskundigheid zal eerst moeten worden opgebouwd en dat betekent een groot tijdverlies. Voorts zijn de sectoren moeilijk afzonderlijk aan te wijzen. Alles hangt met alles samen en een scheiding is nauwelijks mogelijk. De minister pleitte voor een overbruggingsperiode.
Met de Minister voor Planning en Ontwikkelingssamenwerking, de heer Stanley Raghoebarsingh, heeft de delegatie gesproken over het sectorbeleid. Volgens de minister heeft het sectorbeleid een politieke lading gekregen, terwijl het eigenlijk een techniek is. Hij toonde zich een voorstander van het sectorbeleid. Suriname moet weer een middellange termijn planning gaan opzetten en ook meer aansluiting vinden bij het buitenland.
De ontwikkelingsrelatie tussen Nederland en Suriname zou een meer technisch karakter moeten hebben. Het geld moet goed worden besteed en niet primair snel worden uitgegeven. Duurzaamheid moet voorop staan. De politieke situatie vereist echter wel voortvarend handelen. Volgens de minister is stabiliteit belangrijk en moeten de emoties worden beheerst. De huidige plannen voor het sectorbeleid leiden tot onduidelijkheid. Het grote probleem voor Suriname is de versmalling van sectoren. Deze concentratie is naar de mening van de minister in strijd met de verdragen. Het overleg met de ambassade is overigens goed.
Volgens de minister is het zeer gewenst dat Suriname samen gaat werken met meer donoren, zoals de Europese Unie en de Interamerican Development Bank. De eenzijdige afhankelijkheid van Nederland moet verminderen. Voorts zal de markt een grotere rol dienen te spelen bij de ontwikkeling van het land.
IMF/Wereldbank worden overigens in Suriname niet als vijanden gezien. Hun adviezen worden hoog geschat en waar mogelijk ten uitvoer gebracht. Tot nu toe zijn de maatregelen van de regering uitgevoerd zonder hulp van buiten. De minister verklaarde echter huiverig te staan tegen internationalisering van de hulp en dus tegen afhandeling van de Nederlandse financiële middelen door IMF/Wereldbank.
Het plan om het restant van de Nederlandse verdragsmiddelen in één keer op een rekening bij de Centrale Bank te zetten achtte hij een ongewenste verenging van de ontwikkelingsrelatie. Daarnaast voorzien de verdragen ook in meer dan het slechts overmaken van geld.
Tenslotte sprak de minister positief over een eventuele hervatting van de samenwerking tussen de Nederlandse en de Surinaamse belastingdienst. Suriname heeft behoefte aan capaciteitsontwikkeling en kostenbesparing. Wellicht kan een samenwerking daaraan een bijdrage leveren.
Met de Minister van Buitenlandse Zaken, mevrouw Maria Levens, heeft de delegatie gesproken over de positie van Suriname in de regio. Er zijn toenemende contacten tussen Suriname en de buurlanden Guyana, Frans Guyana en Brazilië. Suriname is lid van de Caricom en speelt daarin een eigen rol. Het land heeft een eigen benadering van ontwikkelingsvraagstukken en is niet Engelstalig, zoals de meeste andere Caricomlanden. Daarnaast heeft Suriname veel ervaring met de democratie in tegenstelling tot veel andere landen in de regio.
Voor wat betreft de benoemingen van nieuwe ambassadeurs zijn er nog geen benoemingen gedaan. Dit is primair een zaak van de president. Wel zijn er profielschetsen gemaakt die als basis dienen voor de benoemingen. Het visumregime dat door Nederland wordt gehanteerd komt voor rekening van Nederland. De minister benadrukt de eigen Nederlandse verantwoordelijkheid daarbij. Suriname staat open voor inwoners uit Zuid-Amerika en in de toekomst zal het ook gemakkelijker worden voor Europeanen om te komen.
De delegatie heeft een bezoek gebracht aan Staatsolie in Saramacca. Hier werd een inleiding gehouden door de directeur, de heer Eddie Jharap. Doelstelling van Staatsolie is verhoging van de olieproductie van 12 000 naar 20 000 barrels per dag. Daarnaast moeten er nieuwe velden in productie worden gebracht en moet de capaciteit van de raffinaderij worden vergroot. Staatsolie streeft naar een versterking van de marktpositie.
De hoofdfuncties van Staatsolie zijn enerzijds institutioneel, d.w.z. bevordering van aardolieonderzoek en ontginning en een zo groot mogelijke opbrengst proberen te bereiken en anderzijds commercieel, d.w.z. de op bedrijfseconomische principes gebaseerde eigen exploratie en exploitatie van de aardolievoorkomens alsmede de verwerking en afzet van de daaruit voortkomende producten.
De uitgangspunten bij de commerciële functie zijn goed bestuur en sturing op rendement. Goed bestuur betekent ten eerste integriteit, eerlijkheid en oprechtheid ten opzichte van medewerkers, afnemers, leveranciers, aandeelhouders en de gemeenschap, ten tweede dat kwaliteit moet worden geleverd (klant is koning), ten derde dat er veel aandacht moet worden besteed aan de medewerkers (opleiding, vorming, ontplooiing, gezonde en veilige arbeidsomstandigheden), ten vierde dat er wordt gestreefd naar constante verbetering (ISO certificaties) en naar een beter rendement. Tenslotte is gemeenschapszin (principes van duurzame ontwikkeling en sociaal maatschappelijke bijdrage) belangrijk.
Bij de sturing op rendement wordt er naar gestreefd om te komen tot een meerjarige rendementsontwikkeling van rond de 15%.
De doelstellingen van de institutionele functie zijn de ontwikkeling van een organisatie infrastructuur, met behulp waarvan op optimale wijze inhoud kan worden gegeven aan de institutionele functie en het bevorderen van deelname van gekwalificeerde oliemaatschappijen in de ontwikkeling van het aardoliepotentieel onshore en offshore. Daarnaast moet in het kader van deelname door derden een optimaal economisch rendement ten behoeve van de staat worden veiliggesteld, alsmede de transfer van technologie en managementexpertise. Tenslotte moet toezicht worden uitgeoefend op de naleving van overeenkomsten voor deelname.
De delegatie heeft een kijkje genomen op een productieveld.
Op 7 maart heeft de delegatie gesproken met de Minister van Financiën, de heer Humphrey Hildenberg en de president van de Centrale Bank van Suriname, de heer André Telting. Voor de regering is het uitgangspunt: wat kan Suriname zelf opbrengen, zonder rekening te houden met donormiddelen. Nu is er een tekort, zodat begrotingssteun nodig is. Zonder begrotingssteun zal opnieuw naar het middel van de monetaire financiering moeten worden gegrepen en dat is zeer ongewenst. De minister toonde zich een voorstander van het plan om het restant van de verdragsmiddelen direct op een rekening bij de Centrale Bank van Suriname over te maken. Dat geld kan worden gebruikt voor begrotingssteun en voor het waarborgen van de monetaire stabiliteit.
Voor nieuwe particuliere investeringen is wetgeving nodig. Een voorstel daarvoor is in voorbereiding en zal het parlement spoedig bereiken. De behandelingsdatum is nog onzeker. De vertraging is mede veroorzaakt door competentiegeschillen tussen het ministerie van Financiën en het ministerie van Handel en Industrie. Deze geschillen zijn nu opgelost.
Voor een gezond begrotingsbeleid zijn criteria nodig à la de Nederlandse Zalmnorm. Nu beslist de minister van Financiën over de financiële ruimte. Er wordt naar gestreefd om normen te formuleren voor begrotingsbeleid. Zo moet de post algemeen onvoorzien in ieder geval verminderen en moet er een maximum tekortpercentage worden vastgelegd.
Er wordt goed samengewerkt met het IMF en de Wereldbank. De missie die onlangs Suriname heeft bezocht zal hopelijk veel nuttige adviezen opleveren. Met de Interamerican Development Bank zijn gesprekken gaande over de achterstand bij het aflossen van de schulden.
Er is een speciale commissie aan het werk die de Surinaamse schuldenpositie in kaart brengt. Waarschijnlijk wordt nog deze maand verslag uitgebracht. Rond de 55% van de schulden zijn korte termijn schulden. De garantiemiddelen leveren niet direct nieuw geld op. De vorige regering heeft versneld schulden afgelost door aankoop van buitenlandse valuta. Daardoor is de buitenlandse schuld afgenomen, maar de binnenlandse schuld explosief gestegen. Een nieuwe wet moet voorkomen dat het uit de hand loopt bij het aangaan van nieuwe leningen. Zorgvuldigheid en verantwoording dienen te zijn gewaarborgd. Er moeten geen schulden worden gemaakt in de consumptieve sfeer, zoals de vorige regering die wel heeft gemaakt. De controle op de goudwinning moet verbeteren, bijvoorbeeld d.m.v. belastingmaatregelen voorafgaand aan de winning. Er is overigens geen staatsbemoeienis bij de goudwinning.
De samenwerking tussen het Nederlandse en het Surinaamse ministerie van Financiën zou uitgebreid moeten worden van de inkomstenkant (belastingen) naar de uitgavenkant.
De delegatie is op het ministerie van Defensie ontvangen door de minister van Defensie, de heer Ronald Assen, die werd vergezeld door enkele legerofficieren. De belangrijkste taak van het Surinaamse leger is de verdediging van het grondgebied en de soevereiniteit van het land. Hierbij wordt ook de strijd tegen de grensoverschrijdende criminaliteit gerekend.
Daarnaast heeft het leger een taak bij de ontwikkeling van Suriname. Dit betreft bijvoorbeeld kustbescherming, de aanleg van wegen, het reguleren van bosbouw en goudwinning en rampenbestrijding. Het leger kan ook worden ingezet voor vredesoperaties in de regio.
Suriname zou graag met Nederland samenwerken op het gebied van training en opleiding van militairen en bij de nazorg van dienstplichtigen. Nu de dienstplicht is afgeschaft zou deze samenwerking gericht zijn op ex-militairen. Er wordt overigens niet overwogen de dienstplicht te reactiveren. De belangstelling voor het leger is groot genoeg en het leger wordt een steeds professionelere organisatie.
Er wordt overwogen om de militaire politie meer in te zetten ter assistentie van de civiele politie en de douane, bijvoorbeeld tegen de drugscriminaliteit. Of er wapensmokkel uit Nederland plaatsvindt is niet bekend, dit gebeurt wel vanuit de regio. De militaire politie kan niet op eigen gezag in actie komen. Er is altijd een verzoek van de civiele politie noodzakelijk.
De bilaterale samenwerking op militaire gebied met Brazilië, Frankrijk, Venezuela, China en de Verenigde Staten zal worden geïntensiveerd. Suriname zal ook worden betrokken bij de oprichting door Brazilië van een militair pact ter bescherming van het Amazonegebied.
De delegatie heeft gesproken met de minister Justitie, de heerSiegfried Gilds over onder meer de Decembermoorden 1982. Het onderzoek over Decembermoorden is ernstig vertraagd. In de jaren tachtig was het tijdens het militair regime niet mogelijk onderzoek te doen. Tijdens de regering Venetiaan I (1991–1996) werd wel onderzoek aangekondigd, maar tot concrete actie is het niet gekomen. Tijdens de regering Wijdenbosch werden geen initiatieven genomen. De regering Venetiaan II (sinds 2000) heeft de draad weer opgepakt en nu wordt er meer vaart gemaakt. De zaak is nu in handen van justitie.
Er wordt in dit verband ook gesproken om een Waarheidscommissie in te stellen die de precieze toedracht van de gebeurtenissen moet gaan onderzoeken. De minister verklaarde niet onwelwillend tegenover deze suggestie te staan. In het algemeen bestaat er vrees voor de invloed van het drugsgeld dat achter de verdachten zit. Suriname heeft een drugprobleem, onder meer doordat het binnenland niet onder controle is. Het probleem is diep in de (kleine) Surinaamse samenleving doorgedrongen. Voor de drugshandel staan grote (financiële) belangen op het spel. De strijd tegen de drugs zal volgens de minister met kracht moeten worden gevoerd. Het recht moet zijn beloop hebben. Voor die strijd zijn echter meer middelen nodig, bijvoorbeeld om de technische achterstand bij de politie weg te werken. De drugwereld is ongekend hard en heeft de mogelijkheden om zich van de modernste technieken te voorzien. De politie is daar nog niet voldoende tegen opgewassen.
Naast de drugsbestrijding voert het ministerie van justitie ook strijd tegen de corruptie. In dat verband wordt het justitiële apparaat doorgelicht en worden daar waar nodig correcties aangebracht in de personele bemanning. Deze operatie gaat langzaam, omdat shockeffecten moeten worden voorkomen.
Tenslotte vroeg de minister aandacht voor het probleem van de zogenaamde «bolletjesslikkers», die een zeer groot beslag leggen op de gevangeniscapaciteit in Suriname.
De delegatie heeft een bezoek gebracht aan het Academisch Ziekenhuis in Paramaribo. Zij werd daar ontvangen door de directeur, de heer Parmessar. Ook de minister van Volksgezondheid, de heer Mohamed Khudabux, was bij het gesprek aanwezig.
De volksgezondheid in Suriname wordt gekenmerkt door beperkte financiële middelen, waardoor er steeds prioriteiten moeten worden gesteld. De medische technologie groeit harder dan de economie. Eén van de prioriteiten is het Academisch Ziekenhuis. Van de jaren zestig had dit ziekenhuis in de Caribische regio een zeer goede naam. Vanaf de jaren tachtig nam de kwaliteit ernstig af. Dit werd veroorzaakt door de politieke en economische problemen in Suriname. In 1994 was 70% van de apparatuur kapot. Sindsdien is de situatie verbeterd, mede ook door steun vanuit Nederland. Er wordt nu bedrijfsmatig gewerkt en de arbeidsomstandigheden zijn verbeterd. Het ziekenhuis wordt op vergelijkbare wijze als een particulier ziekenhuis gefinancierd.
Het grootste probleem nu is de uittocht van medici en verpleegkundigen naar het buitenland, vooral Nederland, maar ook de Verenigde Staten en het Caribische gebied zijn populair. De arbeidsvoorwaarden zijn daar veel beter. Terugkeer vindt, afgezien van vakanties, nauwelijks plaats. Naast een dreigend tekort aan personeel is het moeilijk om personeel goed op te leiden. Zo is de toelating op de Nederlandse opleiding voor specialisten beperkt en heeft Suriname zelf ook slechts beperkte capaciteit.
Het vertrek van medici en verpleegkundigen naar het buitenland is waarschijnlijk moeilijk geheel in te dammen. Daarvoor zijn de verschillen te groot. Verhoging van de honoraria zal wel vermindering van het aantal tot gevolg hebben. Daarnaast moeten er meer mensen worden opgeleid. Dat zal de druk ook verminderen. Meer opleidingsmogelijkheden en hogere honoraria zijn dan ook prioriteiten. Daarnaast wil het ziekenhuis verder investeren in de infrastructuur (bijvoorbeeld het hoofdgebouw aanpassen en nieuwe apparatuur kopen). Tenslotte moet de vroegere regiofunctie in het Caribische gebied van het ziekenhuis opnieuw worden ontwikkeld.
In het gebouw van het NGO-Forum heeft de delegatie een discussie gevoerd met vertegenwoordigers van een groot aantal ngo's. Het ngo-veld in Suriname vertoont een grote diversiteit. Thematisch houden de ngo's zich bezig met een scala van onderwerpen, zoals sociaal-economische versterking, sociaal-maatschappelijke verbetering, onderwijs, milieu, mensenrechten, sport, religie, cultuur en politiek. Tot de doelgroepen behoren onder andere bejaarden, vrouwen, kinderen/jongeren, gehandicapten en bewoners van het binnenland. De activiteiten van de organisaties spelen zich af op verschillende schaalniveaus; dat van individuen/instellingen, van buurten/wijken en op nationaal niveau. De meeste organisaties zijn ontstaan uit de sociaal-economische en politieke situatie waarin Suriname zich na de onafhankelijkheid bevonden heeft en zich nu bevindt.
Suriname kent een hoge organisatiegraad. Er zijn naar schatting ongeveer 3000 ngo's. Veel van deze organisaties zijn een kort bestaan beschoren of functioneren niet naar behoren. Gebrek aan institutionele capaciteit en uitvoeringscapaciteit zijn hier debet aan. Maar er is ook een groot aantal goed lopende organisaties. De onderlinge samenwerking tussen de organisaties is redelijk goed. Het gaat daarbij meestal om inhoudelijke zaken: het uitwisselen van ervaringen en kennis of het gezamenlijk organiseren van activiteiten. Financiën zijn nauwelijks onderwerp van de onderlinge relaties. Uitzondering hierop is het NGO Fonds dat tot stand is gekomen door samenwerking tussen de Surinaamse en de Nederlandse regering en het NGO Forum. De samenwerking met de overheid is gebrekkig. De overheid is bang dat de ngo's op de stoel van de politiek willen gaan zitten.
Tijdens de discussie is een groot aantal onderwerpen aan de orde gekomen. Hierbij is vooral het aspect van bevordering van de zelfredzaamheid van de burger voorop gesteld. De burger moet mondig voor zijn belang kunnen opkomen en hiervoor moet zijn positie worden verbeterd, bijvoorbeeld door betere opleidingen. Hij moet in vrijheid van de aangeboden voorzieningen gebruik kunnen maken. Het creëren van een infrastructuur van liefdadigheid is ongewenst. Dat zorgt slechts voor afhankelijkheid.
Tijdens het bezoek van de delegatie uit de vaste commissie van Buitenlandse Zaken mede belast met aangelegenheden van de Ontwikkelingssamenwerking, aan Suriname van 4 tot en met 8 maart 2001 werden op openhartige wijze en in alle vrijheid vraagpunten aan de orde gesteld waarop de Voorzitter van De Nationale Assemblée, de President van de Republiek Suriname, de Vice-President alsook de Ministers van Financiën, Planning en Ontwikkelingssamenwerking, Buitenlandse Zaken, Justitie en Politie, Handel en Industrie, Defensie, Volksgezondheid en de President van de Centrale Bank van Suriname, tot genoegen hebben gereageerd.
Ook de ontmoetingen met maatschappelijke groeperingen, waaronder vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en van de vakbeweging zijn inzichtbevorderend geweest.
Met leden van De Nationale Assemblée en leden van de delegatie uit de Tweede Kamer vonden openhartige en indringende werkbesprekingen plaats over aspecten aangaande de ontwikkelingsrelatie Suriname en Nederland, zoals besloten in het Ontwikkelingsverdrag van 1975 en in het Raamverdrag van 1992. Daarnaast is aandacht besteed aan de toekomstige relatie tussen De Nationale Assemblée en de Tweede Kamer.
Concluderend werd tot uitdrukking gebracht het belang van herstel, verdieping en verbreding van de betrekkingen tussen de beide Staten, zulks in de geest van het Raamverdrag.
Evaluerend werd aangetekend dat door de ontwikkelingssamenwerking tussen de beide Staten niet geheel die resultaten zijn bereikt die bij het aangaan van de respectieve verdragen werden beoogd.
De voorkeur werd uitgesproken voor voortgezette inspanningen ter realisatie van de beoogde doelstellingen.
Met betrekking tot de recente gemeenschappelijke verklaring van de Ministers voor Ontwikkelingssamenwerking van de beide Staten ten aanzien van de ontwikkelingsrelatie werd het feit geaccentueerd dat er sprake is van «het met voorrang werken aan het scheppen van de voorwaarden voor toepassing van de sectorale benadering», zulks in het licht van de door de beide partijen gewenste modernisering van de ontwikkelingsrelatie.
Op dit punt zal een nadere toelichting door de respectieve Ministers aan de parlementen van de beide Staten ter zake meer inzicht verschaffen.
Een meer toekomstgerichte gedachtewisseling tussen de beide parlementen omtrent duurzame ontwikkeling zoals bedoeld in de respectieve verdragen met betrekking tot de ontwikkelingssamenwerking werd noodzakelijk bevonden.
Opvattingen met betrekking tot verdere diversificatie van donoren en het creëren van voorwaarden voor de aantrekking van het internationale kapitaal werden onderschreven.
Versterking van de democratie en de rechtsstaat en het verschaffen van rechtszekerheid werden als belangrijke voorwaarde scheppende factoren genoemd onder meer voor het geven van impulsen ter verdere verbetering van het investeringsklimaat voor lokale, regionale en internationale initiatieven.
Fundamenteel uitgangspunt voor beide delegaties blijft de gelijkwaardigheid van alle burgers ongeacht de verschillen in onder meer sexe, etniciteit en religie.
Ook het belang van gemeenschappelijke inspanningen via multilaterale organisaties zoals de Europese Unie, werd aan de orde gebracht.
De toekomstgerichte gedachtewisseling met betrekking tot financieel-economische, monetaire en sociaal-educatieve vraagstukken werd van betekenis geacht.
Met betrekking tot het rechtshulpverdrag werd het belang van een intensievere effectuering van dit instrument uitgesproken waardoor een betere functionering hiervan kan worden bevorderd.
Tijdens de besprekingen hebben de leden van de delegaties eveneens de Beu-wet en het visumbeleid aan de orde gesteld.
Vervolgens werd tot uitdrukking gebracht het belang van intensievere contacten tussen de volksvertegenwoordigingen van de beide Staten.
De besprekingen vonden plaats in een sfeer van openhartigheid voor elkaars opvattingen en in harmonie.
Paramaribo, 8 maart 2001
Voor de Commissie Coördinatie Parlementair Overleg Suriname-, Nederland uit De Nationale Assemblée,
R. Sardjoe
Voor de delegatie uit de vaste commissie van Buitenlandse Zaken uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal ,
M. de Boer
Aankomst van de delegatie in Paramaribo
Beleefdheidsbezoek aan de Voorzitter van de Nationale Assemblee, de heer Jagernath Lachmon
Gesprek met de president van de Republiek Suriname, de heer Ronald Venetiaan
Gesprek met de Vice-President van de Republiek Suriname, de heer Jules Ajodhia
Werkbespreking met vertegenwoordigers van de Nationale Assemblee
Bespreking met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven
Bespreking met vertegenwoordigers van de vakorganisaties
Gesprek met de Minister van Handel en Industrie, de heer Jack Tjon Tjin Joe
Gesprek met de Minister van Planning en Ontwikkelingssamenwerking, de heer Stanley Raghoebarsingh
Gesprek met de Minister van Buitenlandse Zaken, mevrouw Maria Levens
Tweede werkbespreking met vertegenwoordigers van de Nationale Assemblee
Gesprek met de Minister van Financiën, de heer Humphrey Hildenberg en de president van de Centrale Bank, de heer André Telting
Gesprek met de Minister van Defensie, de heer Ronald Assen
Gesprek met de Minister van Justitie en Politie, de heer Siegfried Gilds
Bezoek aan het Academisch Ziekenhuis
Ontmoeting met NGO's
Vaststelling gezamenlijke slotverklaring
Vertrek naar Nederland
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27803-1.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.