nr. 9
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING
EN MILIEUBEHEER
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 april 2003
Bij brief van 18 maart jl. (zie bijlage) deed de vaste commissie voor
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer het verzoek, aan te
geven wanneer de EU-richtlijn inzake de vaststelling van de basisnormen voor
bescherming van de gezondheid van de bevolking en werknemers tegen aan ioniserende
straling verbonden gevaren en de EU-richtlijn betreffende grenswaarden voor
benzeen en koolmonoxide in de lucht geïmplementeerd zullen zijn.
Met de inwerkingtreding van de Wet van 5 juli 2000 tot wijziging van de
Kernenergiewet en het Besluit stralingsbescherming (van kracht 1 maart 2002)
en de daarbij behorende ministeriële regelingen en het Besluit kerninstallaties,
splijtstoffen en ertsen (van kracht 1 oktober 2002) zijn de richtlijnen 96/29/Euratom
en 97/43/Euratom met betrekking tot ioniserende straling feitelijk geïmplementeerd.
Een uitzondering hierop vormen enkele specifieke bepalingen die op het
vervoer betrekking hebben. Daartoe wordt het Besluit vervoer splijtstoffen
ertsen en radioactieve stoffen aangepast. Dit besluit zal in de tweede helft
van dit jaar in werking treden.
Implementatie van richtlijn 2000/69 van het Europees Parlement en de Raad
van 16 november 2000 betreffende grenswaarden voor benzeen en koolmonoxide
in de lucht (Pb EGL 313), was voorzien middels wijziging van het Besluit luchtkwaliteit
(Stb. 2001, 269), waarmee richtlijn 1999/30/EG van de Raad van de Europese
Unie van 22 april 1999, betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide
en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht (PbEG L163) in de
Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd. In 2001 hebben 38 leden van
de toenmalige VVD-fractie, op grond van artikel 21.6, 6e lid van de Wet milieubeheer, verzocht de in het Besluit luchtkwaliteit geregelde materie in een
wet vast te leggen. Omdat ik betwijfel of implementatie van EU-regelgeving
bij wet een goede keuze is, heb ik mijn gedachten hieromtrent op 25 november
jl. aangegeven tijdens overleg met de vaste Commissie voor Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer over de notitie«Vaste waarden,
nieuwe vormen». Zoals afgesproken heb ik in aansluiting hierop in mijn
brief van 23 december 2002, Kamerstukken II 28 662, nr. 4) aangegeven
waarom implementatie van EU-regelgeving over luchtkwaliteit in Nederland bij
wet mij niet de aangewezen weg lijkt. In een gesprek met enkele leden van
uw Commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op
25 maart jl. heb ik dit standpunt nader toegelicht. Ik heb vernomen dat in
de procedurevergadering van de commissie op 26 maart jl. is besloten
aan het verzoek tot implementatie van de EU-richtlijnen bij Wet vast te houden.
Nu dit duidelijk is, zal ik dit besluit zo snel mogelijk uitvoeren. In het
wetsvoorstel zal ik de implementatie van de dochterrichtlijnen voor koolmonoxide
en benzeen en voor ozon meenemen.
Ik verwacht dat met het doorlopen van de wetgevingsprocedure nog circa
1,5 jaar gemoeid zal zijn. Naar verwachting kan de betreffende wet dan eind
2004 in werking treden. Ik maak daarbij graag gebruik van de opening die u
in uw brief van 31 oktober 2002 heeft geboden, het huidige Besluit luchtkwaliteit
in de tussentijd niet in te trekken.
Overigens heeft de Europese Commissie de inbreukprocedure voor richtlijn
2000/69 onlangs ingeleid.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
P. L. B. A. van Geel
BIJLAGE
Aan de staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer
Den Haag, 18 maart 2003
Namens de commissies voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer verzoek ik u aan te geven wanneer de
richtlijn inzake de vaststelling van de basisnormen voor bescherming van de
gezondheid van de bevolking en werknemers tegen aan ioniserende straling verbonden
gevaren zal zijn geïmplementeerd in verband met een mogelijke door de
Europese Commissie in te stellen inbreukprocedure.
Tevens verzoek ik u namens de commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer aan te geven wanneer de richtlijn inzake de grenswaarden
voor benzeen en koolmonoxide in de lucht, zal zijn geïmplementeerd in
verband met een mogelijke door de Europese Commissie in te stellen inbreukprocedure.
De griffier van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer,
Van der Leeden