27 793
Besluit houdende uitvoering van richtlijn 1999/30/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999, betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht (PbEG L 163) alsmede richtlijn 96/62/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (PbEG L 296) (Besluit luchtkwaliteit)

nr. 8
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 oktober 2002

Bij brief van 2 juli 2002, (Kamerstuk 27 793, nr. 7), bent u geïnformeerd over het voorleggen van het ontwerp Besluit houdende intrekking van het Besluit luchtkwaliteit voor advies aan de Raad van State.

Meer dan één vijfde deel van de Tweede Kamer heeft in 2001 op basis van artikel 21, vijfde lid van de Wet milieubeheer, de wens te kennen gegeven het Besluit luchtkwaliteit in te trekken en de inhoud daarvan bij wet te regelen. Om recht te doen aan de wens van de Kamer en tegelijkertijd te voldoen aan de verplichting tot implementatie van EU-regelgeving is het ontwerp intrekkingsbesluit in procedure gebracht en is tevens een ministeriële regeling opgesteld om het Besluit luchtkwaliteit tijdelijk te vervangen totdat de regeling bij wet een feit is. Inmiddels heb ik het advies ontvangen van de Raad van State. De Raad heeft bezwaar tegen het ontwerp besluit en adviseert de gemaakte keuze te heroverwegen. Ik beraad mij nog op dit advies. Graag zou ik met uw Kamer willen overleggen over de situatie die nu is ontstaan.

Daarbij zou ik de redenen voor het verzoek tot regeling bij wet in plaats van bij algemene maatregel van bestuur graag willen betrekken. Regeling bij wet heeft mijns inziens in dit geval geen extra waarde en doet de implementatie van EU-regelgeving in proceduretijd toenemen. Zoals ook door de Kamer is onderstreept, dient Nederland te voorzien in tijdige implementatie van EU-regelgeving. Dat geldt ook in gevallen als deze waarbij vraagtekens met betrekking tot de haalbaarheid van de betreffende normstelling van twee van de vier stoffen gezet kunnen worden. Intrekking van het Besluit luchtkwaliteit zonder dat tegelijkertijd vervangende regelgeving van kracht wordt, zal leiden tot ingebrekestelling door de Europese Commissie, aangezien de Nederlandse wetgeving op dat moment niet meer voorziet in regels ter implementatie van de eerste dochterrichtlijn luchtkwaliteit. Daarnaast wil ik wijzen op de implementatietermijn van de tweede EU-dochterrichtlijn luchtkwaliteit die in december 2002 verstrijkt en op die van de derde dochterrichtlijn die in september 2003 verstrijkt.

Gezien de randvoorwaarde dat aan de EU-verplichtingen moet worden voldaan, zie ik, ook gelet op het regelgevingsbeleid zoals uiteengezet in het strategisch akkoord, twee opties voor het vormgeven van regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit:

1e. het Besluit luchtkwaliteit wordt, wanneer de Kamer ondanks de genoemde bezwaren voorkeur houdt voor regeling bij wet in plaats van bij algemene maatregel van bestuur, niet op dit moment, maar in een later stadium ingetrokken. Het Besluit luchtkwaliteit wordt, om de tweede en derde dochterrichtlijn te implementeren, zo spoedig mogelijk gewijzigd en aangevuld om vervolgens vervangen te worden door een regeling van dezelfde strekking bij wet. Wanneer de wet van kracht wordt, wordt het Besluit luchtkwaliteit ingetrokken;

2e. het Besluit luchtkwaliteit wordt gewijzigd en aangevuld om de tweede en derde dochterrichtlijn te implementeren. Van regeling bij wet wordt afgezien. Ik acht het gewenst dat de Kamer een uitspraak doet over welke van deze twee opties gevolgd moet worden.

Het op dit moment intrekken van het Besluit luchtkwaliteit zonder dat tegelijk vervangende regelgeving in werking treedt, acht ik geen reële optie. Nederland zou in dat geval in het geheel geen wetgeving op het gebied van luchtkwaliteit kennen. Hiermee zou de basis wegvallen voor het luchtkwaliteitsbeleid van provincies en gemeenten. Bovendien kan Nederland door de Europese Commissie in gebreke gesteld worden wegens het niet implementeren van de eerste dochterrichtlijn luchtkwaliteit.

Mijn wens om te voldoen aan de Europeesrechtelijke verplichting tot implementatie van de EU-richtlijnen laat onverlet dat ik wijziging van de eerste dochterrichtlijn luchtkwaliteit dringend noodzakelijk acht. Door het vorige kabinet is reeds bij de Europese Commissie aangedrongen op spoedige evaluatie van de richtlijn. Hierbij is de wens aangegeven tot uitstel van de uiterste realisatiedatum van de normstelling voor stikstofdioxide naar 2015. In dat geval zal het nog te verwachten positieve effect van doorwerking van het Europese bestrijdingsbeleid in de periode tussen 2010 en 2015 de omvang van de problematiek, en dus ook de met oplossingen gemoeide kosten, aanzienlijk kunnen verkleinen. Ik zal met kracht in Europees verband verder werken aan het realiseren van een dergelijke wijziging.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P. L. B. A. van Geel

Naar boven