nr. 8
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING
EN MILIEUBEHEER
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 7 oktober 2002
Bij brief van 2 juli 2002, (Kamerstuk 27 793, nr. 7), bent u geïnformeerd
over het voorleggen van het ontwerp Besluit houdende intrekking van het Besluit
luchtkwaliteit voor advies aan de Raad van State.
Meer dan één vijfde deel van de Tweede Kamer heeft in 2001
op basis van artikel 21, vijfde lid van de Wet milieubeheer, de wens te kennen
gegeven het Besluit luchtkwaliteit in te trekken en de inhoud daarvan bij
wet te regelen. Om recht te doen aan de wens van de Kamer en tegelijkertijd
te voldoen aan de verplichting tot implementatie van EU-regelgeving is het
ontwerp intrekkingsbesluit in procedure gebracht en is tevens een ministeriële
regeling opgesteld om het Besluit luchtkwaliteit tijdelijk te vervangen totdat
de regeling bij wet een feit is. Inmiddels heb ik het advies ontvangen van
de Raad van State. De Raad heeft bezwaar tegen het ontwerp besluit en adviseert
de gemaakte keuze te heroverwegen. Ik beraad mij nog op dit advies. Graag
zou ik met uw Kamer willen overleggen over de situatie die nu is ontstaan.
Daarbij zou ik de redenen voor het verzoek tot regeling bij wet in plaats
van bij algemene maatregel van bestuur graag willen betrekken. Regeling bij
wet heeft mijns inziens in dit geval geen extra waarde en doet de implementatie
van EU-regelgeving in proceduretijd toenemen. Zoals ook door de Kamer is onderstreept,
dient Nederland te voorzien in tijdige implementatie van EU-regelgeving. Dat
geldt ook in gevallen als deze waarbij vraagtekens met betrekking tot de haalbaarheid
van de betreffende normstelling van twee van de vier stoffen gezet kunnen
worden. Intrekking van het Besluit luchtkwaliteit zonder dat tegelijkertijd
vervangende regelgeving van kracht wordt, zal leiden tot ingebrekestelling
door de Europese Commissie, aangezien de Nederlandse wetgeving op dat moment
niet meer voorziet in regels ter implementatie van de eerste dochterrichtlijn
luchtkwaliteit. Daarnaast wil ik wijzen op de implementatietermijn van de
tweede EU-dochterrichtlijn luchtkwaliteit die in december 2002 verstrijkt
en op die van de derde dochterrichtlijn die in september 2003 verstrijkt.
Gezien de randvoorwaarde dat aan de EU-verplichtingen moet worden voldaan,
zie ik, ook gelet op het regelgevingsbeleid zoals uiteengezet in het strategisch
akkoord, twee opties voor het vormgeven van regelgeving op het gebied van
luchtkwaliteit:
1e. het Besluit luchtkwaliteit wordt, wanneer de Kamer ondanks de genoemde
bezwaren voorkeur houdt voor regeling bij wet in plaats van bij algemene maatregel
van bestuur, niet op dit moment, maar in een later stadium ingetrokken. Het
Besluit luchtkwaliteit wordt, om de tweede en derde dochterrichtlijn te implementeren,
zo spoedig mogelijk gewijzigd en aangevuld om vervolgens vervangen te worden
door een regeling van dezelfde strekking bij wet. Wanneer de wet van kracht
wordt, wordt het Besluit luchtkwaliteit ingetrokken;
2e. het Besluit luchtkwaliteit wordt gewijzigd en aangevuld om de tweede
en derde dochterrichtlijn te implementeren. Van regeling bij wet wordt afgezien.
Ik acht het gewenst dat de Kamer een uitspraak doet over welke van deze twee
opties gevolgd moet worden.
Het op dit moment intrekken van het Besluit luchtkwaliteit zonder dat
tegelijk vervangende regelgeving in werking treedt, acht ik geen reële
optie. Nederland zou in dat geval in het geheel geen wetgeving op het gebied
van luchtkwaliteit kennen. Hiermee zou de basis wegvallen voor het luchtkwaliteitsbeleid
van provincies en gemeenten. Bovendien kan Nederland door de Europese Commissie
in gebreke gesteld worden wegens het niet implementeren van de eerste dochterrichtlijn
luchtkwaliteit.
Mijn wens om te voldoen aan de Europeesrechtelijke verplichting tot implementatie
van de EU-richtlijnen laat onverlet dat ik wijziging van de eerste dochterrichtlijn
luchtkwaliteit dringend noodzakelijk acht. Door het vorige kabinet is reeds
bij de Europese Commissie aangedrongen op spoedige evaluatie van de richtlijn.
Hierbij is de wens aangegeven tot uitstel van de uiterste realisatiedatum
van de normstelling voor stikstofdioxide naar 2015. In dat geval zal het nog
te verwachten positieve effect van doorwerking van het Europese bestrijdingsbeleid
in de periode tussen 2010 en 2015 de omvang van de problematiek, en dus ook
de met oplossingen gemoeide kosten, aanzienlijk kunnen verkleinen. Ik zal
met kracht in Europees verband verder werken aan het realiseren van een dergelijke
wijziging.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
P. L. B. A. van Geel