nr. 6
Brief van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 4 maart 2002
Ingevolge uw verzoek bij brief d.d. 27 juli 2001,1 bevestigd bij brief van 5 september 2001 (zie bijlage) en van
11 oktober 20012 zal ik binnenkort een algemene
maatregel van bestuur in procedure brengen tot intrekking van het Besluit
luchtkwaliteit. Het Besluit luchtkwaliteit zal – afhankelijk van de
snelheid waarmee de procedure doorlopen kan worden – naar verwachting
per 1 juni 2002 daadwerkelijk ingetrokken kunnen zijn.
Op het moment van intrekking van het huidige Besluit luchtkwaliteit zal
ik een ministeriële regeling van kracht doen worden ter implementatie
van de eerste en tweede dochterrichtlijn luchtkwaliteit. Daarmee wordt voorkomen
dat Nederland door de Europese Commissie in gebreke gesteld zal worden wegens
het niet implementeren van EU-regelgeving en wordt tevens voorkomen dat er
een lacune ontstaat in de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. De
ministeriële regeling zal, waar het de implementatie van de eerste dochterrichtlijn
betreft, dezelfde strekking hebben als het huidige Besluit luchtkwaliteit.
De ministeriële regeling is momenteel in voorbereiding.
Conform uw wens, aangegeven in brieven van 3 juli 2001, 27 juli
2001, 5 september 2001 en 11 oktober 2001, is tevens een wetsvoorstel
ter vervanging van het Besluit luchtkwaliteit in voorbereiding. Het wetsvoorstel
zal eveneens dezelfde strekking hebben als het huidige Besluit luchtkwaliteit
en de in voorbereiding zijnde ministeriële regeling. In dat wetsvoorstel
zal ook de implementatie van de tweede dochterrichtlijn worden opgenomen.
Aangezien het regelgeving betreft ter implementatie van EU-richtlijnen,
zal de op uw verzoek in gang gezette wetgevingsoperatie inhoudelijk niet leiden tot wijzigingen ten opzichte van het huidige Besluit luchtkwaliteit.
De wijzigingen hebben uitsluitend gevolgen voor het niveau van vaststelling
van de regelingen. De nu geldende algemene maatregel van bestuur wordt tijdelijk
vervangen door een regeling met een lagere status, een ministeriële regeling,
om uiteindelijk vervangen te worden door een regeling met een hogere status,
namelijk een wet.
Ik bevestig hierbij overigens het voornemen om de inhoud van de desbetreffende
EU-richtlijn spoedig aan de orde te stellen in het kader van de aangekondigde
evaluatie. Zoals ik u eerder heb doen weten zijn wij van mening dat heroverweging
wenselijk is.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J. P. Pronk
BIJLAGE
Den Haag, 5 september 2001
Aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu
de heer J. Pronk
Het Presidium heeft in zijn eerste vergadering na het reces met verbazing
kennis genomen van uw brief van 31 juli (intussen gepubliceerd als kamerstuk
27 793, nr. 4). Deze brief is kennelijk bedoeld als een reactie op de
brief van de waarnemend voorzitter van 27 juli (afgedrukt als bijlage bij
het vorige stuk) maar het Presidium constateert dat u niet reageert op het
betoog van de waarnemend Voorzitter.
In uw brief van 31 juli merkt u op dat het onverwijlde intrekken van het
besluit Luchtkwaliteit «uit Europees-rechtelijk oogpunt onjuist»
zou zijn en «strijdig met de intentie van artikel 21.6 vijfde lid van
de Wet Milieubeheer». De genoemde wetsbepaling laat echter de Regering
geen enkele ruimte tot dergelijke afwegingen op het moment dat het vereist
aantal leden van de Staten-Generaal vraagt om regeling bij de wet. De laatste
zin van de bepaling luidt immers zonder voorbehoud:
«In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig
mogelijk ingediend en wordt de Algemene Maatregel van Bestuur onverwijld ingetrokken».
Dat het zesde lid van artikel 21.6 aan de Staten-Generaal niet de bevoegdheid
geeft om in geval van ministeriële regeling alsnog een regeling bij de
wet te vragen is irrelevant nu het Kabinet gekozen heeft voor regeling bij
A.M.v.B.
Het Presidium verzoekt u dan ook wederom om te bevorderen dat de desbetreffende
A.M.v.B. «onverwijld» d.w.z. binnen enkele dagen wordt ingetrokken.
Dat daarmee de implementatietermijn voor de Europese richtlijn wordt overschreden
is te betreuren.
De Regering had dit risico eerder onder ogen moeten zien en ook kunnen
zien omdat al eerder was aangegeven dat een deel van de Kamer – voldoende
voor de toepasselijkheid van artikel 21.6 vijfde lid – om regeling bij
de wet zou vragen.
Desondanks hebt u pas op 7 juni jongstleden de voorgenomen A.M.v.B. aan
de Kamer toegezonden. Door dit zo laat te doen was het al onmogelijk om een
wetsvoorstel – als de Kamer daarom zou vragen – kunnen de implementatietermijn
behandeld te krijgen. Het Presidium gaat er overigens van uit dat een in te
dienen wetsvoorstel voortvarend door de beide Kamers zal worden behandeld.
Ter voorkoming van misverstand wijst het Presidium erop dat het met dit
verzoek geen uitspraak wil doen over de inhoud van de A.M.v.B. en evenmin
over de vraag of regeling bij de wet de voorkeur verdient boven regeling bij
A.M.v.B. Hierover kunnen de fracties in de Kamer elk een eigen oordeel hebben.
Voor het Presidium gaat het erom geen precedent te laten passeren waarbij
een wettelijke voorhangbepaling die een minderheid bepaalde bevoegdheden geeft
wordt ontkracht.
Met vriendelijke groet,
De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
Van Nieuwenhoven