nr. 3
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN
MILIEUBEHEER
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 juli 2001
Op grond van artikel 21.6, vijfde lid, van de Wet milieubeheer heeft een
38-tal leden van de Tweede Kamer op 2 juli jl. de wens te kennen gegeven het
Besluit luchtkwaliteit bij wet te willen regelen (kamerstukken II 2000/2001,
27 793, nr. 2).
Artikel 21.6, vijfde lid, van genoemde wet bepaalt dat in een dergelijk
geval zo spoedig mogelijk een daartoe strekkend voorstel van wet wordt ingediend
en de algemene maatregel van bestuur onverwijld wordt ingetrokken.
Het Besluit luchtkwaliteit dient ter implementatie van richtlijn 1999/30/EG
van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999, betreffende grenswaarden
voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en
lood in de lucht. De implementatiedatum is 19 juli 2001.
Gezien het feit dat Nederland als Lidstaat van de Europese Unie de verplichting
heeft een richtlijn tijdig in de nationale regelgeving om te zetten, kan de
bedoeling van artikel 21.6, vijfde lid, van de Wet milieubeheer niet zijn
dat een tijdige implementatie onmogelijk wordt gemaakt. Indien sprake is van
implementatieregelgeving is het wettelijk kader gelet op de Europeesrechtelijke
verplichtingen naar mijn mening dan ook als volgt.
Op grond van artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer worden
de concepten van algemene maatregelen van bestuur waarop artikel 21.6, vijfde
lid, van genoemde wet eveneens van toepassing is, voorgehangen bij de kamers
der Staten-Generaal. Op dat moment hebben de kamers de gelegenheid eventuele
wensen omtrent het voorstel kenbaar te maken. Indien een der kamers vervolgens
in de vier weken nadat de vastgestelde algemene maatregel van
bestuur aan de beide kamers is gezonden, aangeeft de inhoud van de algemene
maatregel van bestuur bij wet te willen regelen, dan betekent dit dat een
daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk zal worden voorbereid.
De betreffende algemene maatregel van bestuur treedt indien nodig gelet op
de Europeesrechtelijk verplichte implementatie wel in werking, maar wordt
ingetrokken op het moment dat over het voorstel van wet is besloten.
Artikel 21.6, vijfde lid, van de Wet milieubeheer staat dan ook niet in
de weg aan de inwerkingtreding van het Besluit luchtkwaliteit op 19 juli 2001.
Voorts zal ik een voorstel van wet voorbereiden. Als over het voorstel van
wet is besloten, wordt het Besluit luchtkwaliteit ingetrokken. Op deze wijze
voldoet Nederland aan de Europeesrechtelijke verplichtingen en wordt aan de
wens van de Tweede Kamer voldaan.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J. P. Pronk