nr. 309
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN
MILIEUBEHEER
Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 7 juni 2001
Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen
op 8 juni 2001. De wens dat het in de maatregel geregelde onderwerp bij de
wet wordt geregeld kan door of namens een van beide Kamers of door ten minste
vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer
te kennen worden gegeven uiterlijk op 6 juli 2001.Hierbij zend ik u op grond
van artikel 21.6, vijfde lid, van de Wet milieubeheer (Wm) een algemene maatregel
van bestuur. Het betreft het Besluit luchtkwaliteit ter uitvoering van richtlijn
nr. 1999/30/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999, betreffende
grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende
deeltjes en lood in de lucht (PbEG L 163) (verder te noemen: dochterrichtlijn)
alsmede richtlijn 96/62/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 september
1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (PbEG L 296)
(verder te noemen: kaderrichtlijn).1
In het vijfde lid van artikel 21.6 van de Wm is geregeld dat nadat het
Besluit luchtkwaliteit is vastgesteld, het wordt toegezonden aan de beide
kamers der Staten-Generaal. Spoedheidshalve (in verband met het naderend reces
van de Staten-Generaal) zend ik u het besluit voordat het in het Staatsblad
is geplaatst. De publicatie in het Staatsblad gebeurt in week 23 of 24.
Het besluit treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van
uitgifte van het Staatsblad, waarin het is geplaatst. Aangezien het besluit
is gebaseerd op artikel 5.1, eerste lid, van de Wm dient de inwerkingtreding
na het verstrijken van de vier weken te gebeuren bij koninklijk besluit, tenzij
binnen die termijn door of namens een der kamers der Staten-Generaal of door
ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers
de wens te kennen wordt gegeven dat het in de algemene maatregel van bestuur
geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe
strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend en wordt
de algemene maatregel van bestuur onverwijld ingetrokken.
Op grond van artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer is het
ontwerp-Besluit luchtkwaliteit al aan u overgelegd bij brief van 14 december,
kenmerk MJZ 200 001 49734. Nadien zijn slechts marginale wijzigingen
aangebracht.
Toelichting
In het Besluit luchtkwaliteit zijn regels betreffende grenswaarden voor
zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood
in de lucht opgenomen alsmede alarmdrempels voor de zwaveldioxide en stikstofdioxide.
Het Besluit luchtkwaliteit beoogt samen met de Meetregeling luchtkwaliteit
(een op het besluit gebaseerde ministeriële regeling) in het Nederlandse
recht uitvoering te geven aan de dochterrichtlijn en de daarmee samenhangende
onderdelen van de kaderrichtlijn. De dochterrichtlijn is de eerste richtlijn
die voortvloeit uit de kaderrichtlijn. In de kaderrichtlijn heeft de Europese
Unie de uitgangspunten voor het luchtkwaliteitsbeleid vastgelegd. Daarin zijn
grondbeginselen opgenomen van een gemeenschappelijke strategie voor het vaststellen
van grenswaarden voor de luchtkwaliteit ter bescherming van mens en milieu,
alsmede een programma waarin de Europese Unie zich ten doel stelt om voor
13 luchtverontreinigende stoffen voorstellen te formuleren voor grenswaarden
voor de buitenluchtkwaliteit. De kaderrichtlijn is in de Nederlandse wetgeving
geïmplementeerd door middel van de Wet van 26 maart 1998 tot wijziging
van de Wet milieubeheer en de Wet inzake de luchtverontreiniging (Stb. 1998,
221) en het Besluit uitvoering EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit (Stb. 1998,
271).
Een eensluidende brief heb ik gezonden aan de Voorzitter van de Eerste
Kamer der Staten-Generaal.
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J. P. Pronk