27 793
Besluit houdende uitvoering van richtlijn 1999/30/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999, betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht (PbEG L 163) alsmede richtlijn 96/62/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (PbEG L 296) (Besluit luchtkwaliteit)

nr. 309
nr. 1
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitters van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 7 juni 2001

Ter griffie van de Eerste en van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ontvangen op 8 juni 2001. De wens dat het in de maatregel geregelde onderwerp bij de wet wordt geregeld kan door of namens een van beide Kamers of door ten minste vijftien leden van de Eerste Kamer dan wel dertig leden van de Tweede Kamer te kennen worden gegeven uiterlijk op 6 juli 2001.Hierbij zend ik u op grond van artikel 21.6, vijfde lid, van de Wet milieubeheer (Wm) een algemene maatregel van bestuur. Het betreft het Besluit luchtkwaliteit ter uitvoering van richtlijn nr. 1999/30/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999, betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht (PbEG L 163) (verder te noemen: dochterrichtlijn) alsmede richtlijn 96/62/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (PbEG L 296) (verder te noemen: kaderrichtlijn).1

In het vijfde lid van artikel 21.6 van de Wm is geregeld dat nadat het Besluit luchtkwaliteit is vastgesteld, het wordt toegezonden aan de beide kamers der Staten-Generaal. Spoedheidshalve (in verband met het naderend reces van de Staten-Generaal) zend ik u het besluit voordat het in het Staatsblad is geplaatst. De publicatie in het Staatsblad gebeurt in week 23 of 24.

Het besluit treedt niet eerder in werking dan vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad, waarin het is geplaatst. Aangezien het besluit is gebaseerd op artikel 5.1, eerste lid, van de Wm dient de inwerkingtreding na het verstrijken van de vier weken te gebeuren bij koninklijk besluit, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers der Staten-Generaal of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in de algemene maatregel van bestuur geregelde onderwerp bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend en wordt de algemene maatregel van bestuur onverwijld ingetrokken.

Op grond van artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer is het ontwerp-Besluit luchtkwaliteit al aan u overgelegd bij brief van 14 december, kenmerk MJZ 200 001 49734. Nadien zijn slechts marginale wijzigingen aangebracht.

Toelichting

In het Besluit luchtkwaliteit zijn regels betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht opgenomen alsmede alarmdrempels voor de zwaveldioxide en stikstofdioxide.

Het Besluit luchtkwaliteit beoogt samen met de Meetregeling luchtkwaliteit (een op het besluit gebaseerde ministeriële regeling) in het Nederlandse recht uitvoering te geven aan de dochterrichtlijn en de daarmee samenhangende onderdelen van de kaderrichtlijn. De dochterrichtlijn is de eerste richtlijn die voortvloeit uit de kaderrichtlijn. In de kaderrichtlijn heeft de Europese Unie de uitgangspunten voor het luchtkwaliteitsbeleid vastgelegd. Daarin zijn grondbeginselen opgenomen van een gemeenschappelijke strategie voor het vaststellen van grenswaarden voor de luchtkwaliteit ter bescherming van mens en milieu, alsmede een programma waarin de Europese Unie zich ten doel stelt om voor 13 luchtverontreinigende stoffen voorstellen te formuleren voor grenswaarden voor de buitenluchtkwaliteit. De kaderrichtlijn is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd door middel van de Wet van  26 maart 1998 tot wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet inzake de luchtverontreiniging (Stb. 1998, 221) en het Besluit uitvoering EG-kaderrichtlijn luchtkwaliteit (Stb. 1998, 271).

Een eensluidende brief heb ik gezonden aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. P. Pronk


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven