Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2000-200127783 nr. 1-2

27 783
Wet op het onderwijstoezicht

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet op het onderwijstoezicht.

De memorie van toelichting, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage

5 juni 2001

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is regels vast te stellen met betrekking tot het toezicht op het onderwijs;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze wet wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en, voorzover het betreft het onderwijs op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

b. de inspectie: de Inspectie van het onderwijs en, voorzover het betreft het onderwijs op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving, de Inspectie van het landbouwonderwijs,

c. de inspecteur-generaal: de inspecteur-generaal van het onderwijs,

d. het hoofd inspectie: het hoofd van de Inspectie landbouwonderwijs,

e. onderwijswet:

– Leerplichtwet 1969,

– Wet op het primair onderwijs,

– Wet op de expertisecentra,

– Wet op het voortgezet onderwijs,

– Wet educatie en beroepsonderwijs,

– Wet op de erkende onderwijsinstellingen, of

– Experimentenwet onderwijs.

f. onderwijs: bij of krachtens een onderwijswet geregeld onderwijs, waaronder tenzij anders blijkt mede wordt begrepen de in de Wet educatie en beroepsonderwijs geregelde externe legitimering,

g. instelling: school, instelling, exameninstelling of agrarisch innovatie- en praktijkcentrum in de zin van een onderwijswet, daaronder begrepen een niet bekostigde instelling,

h. exameninstelling: instelling als bedoeld in artikel 1.6.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs,

i. externe legitimering: externe legitimering als bedoeld in art. 7.4.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs,

j. bestuur: bevoegd gezag in de zin van een onderwijswet, met dien verstande dat waar het de Leerplichtwet 1969 betreft hieronder wordt verstaan het hoofd van de school,

k. onderwijsdeelnemer: leerling of deelnemer in de zin van een onderwijswet,

l. ouders: met het gezag over het kind belaste ouders, hun geregistreerde partners, voogden en verzorgers,

m. maatregel: maatregel als bedoeld in de artikel 1c van de Leerplichtwet 1969, artikel 164a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 146a van de Wet op de expertisecentra, de artikelen 104a en 261a van de Wet op het voortgezet onderwijs en de artikelen 6.1.5a, 6.2.3a en 6.3.3a van de Wet educatie en beroepsonderwijs,

n. jaarwerkplan: document waarin de inspectie haar werkzaamheden voor het komende jaar neerlegt.

Artikel 2. De inspectie

1. Er is een Inspectie van het onderwijs, die onder Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen ressorteert. Aan het hoofd van de inspectie staat de inspecteur-generaal.

2. Er is een Inspectie van het landbouwonderwijs, die onder Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij ressorteert. Aan het hoofd van de inspectie staat het hoofd inspectie.

HOOFDSTUK 2. TAKEN EN BEVOEGDHEDEN BIJ HET TOEZICHT

Artikel 3. Taken

1. Het toezicht is opgedragen aan de inspectie.

2. Het toezicht omvat de volgende taken:

a. het beoordelen van de kwaliteit van het onderwijs op basis van het verrichten van onderzoek naar de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften en naar andere aspecten van kwaliteit,

b. het bij de uitoefening van de onder a bedoelde taak bevorderen van de kwaliteit van het onderwijs, onder meer door het voeren van overleg met het bestuur, het personeel van de instelling, en zo nodig, de besturen van gemeente en provincie,

c. het rapporteren over de ontwikkeling van het onderwijs, in het bijzonder over de kwaliteit daarvan,

d. het verrichten van andere bij of krachtens een wet aan de inspectie opgedragen taken.

Artikel 4. Uitgangspunten voor het toezicht

1. De inspectie oefent het toezicht uit met inachtneming van de vrijheid van onderwijs.

2. De inspectie oefent het toezicht uit op zodanige wijze dat instellingen niet meer worden belast dan voor een zorgvuldige uitoefening van het toezicht noodzakelijk is.

3. De uitoefening van het toezicht is er mede op gericht betrokkenen te informeren over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs.

Artikel 5. Uitoefening toezicht op beroepsopleidingen in overleg met andere ministeries

Bij de uitoefening van het toezicht op opleidingen, gericht op een beroep waarvoor bij of krachtens de wet vereisten zijn gesteld op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden en in voorkomende gevallen beroepshoudingen, waarover degene die de opleiding voltooit, met het oog op het beroepsmatig functioneren dient te beschikken, pleegt de inspectie overleg met door Onze Minister wie het aangaat, aangewezen ambtenaren.

Artikel 6. Vertrouwensinspecteurs

1. Bij de inspectie zijn vertrouwensinspecteurs werkzaam voor:

a. onderwijsdeelnemers die het slachtoffer zijn van seksueel misbruik of seksuele intimidatie, gepleegd door een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon of een onderwijsdeelnemer van de instelling,

b. ten behoeve van een instelling met taken belaste personen die het slachtoffer zijn van seksueel misbruik of seksuele intimidatie, gepleegd door een ten behoeve van de instelling met taken belast persoon of een onderwijsdeelnemer van de instelling, en

c. onderwijsdeelnemers, ten behoeve van een instelling met taken belaste personen, besturen, ouders, op instellingen ingestelde klachtencommissies en op instellingen aangestelde vertrouwenspersonen, die geconfronteerd worden met een geval van seksueel misbruik of seksuele intimidatie als bedoeld onder a of b.

2. Naast zijn taken, voortvloeiend uit artikel 3, heeft de vertrouwensinspecteur ten behoeve van de in het eerste lid genoemde personen en organen de volgende taken:

a. het fungeren als aanspreekpunt,

b. het adviseren over eventueel te nemen stappen,

c. het bijstaan bij het nemen van stappen gericht op het zoeken naar een oplossing, en

d. het desgevraagd begeleiden bij het indienen van een klacht of het doen van aangifte.

3. De vertrouwensinspecteur is, voor zover het betreft misdrijven als bedoeld in titel XIV van het Wetboek van Strafrecht jegens een onderwijsdeelnemer of een ten behoeve van een instelling met taken belast persoon, vrijgesteld van de verplichting tot het doen van aangifte als bedoeld in de artikelen 160, eerste lid, en 162, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

4. De vertrouwensinspecteur is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem in de uitoefening van zijn functie is toevertrouwd door een onderwijsdeelnemer, de ouders van een onderwijsdeelnemer of een ten behoeve van een instelling met taken belast persoon.

Artikel 7. Jaarwerkplan

1. De inspectie stelt jaarlijks uiterlijk in de eerste week van augustus een jaarwerkplan vast.

2. Onze Minister zendt het jaarwerkplan van de inspectie aan de Staten-Generaal.

Artikel 8. Rapportages van de inspectie

1. De inspectie rapporteert desgevraagd en uit eigen beweging aan Onze Minister over de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs en doet op grond daarvan voorstellen die zij in het belang van het onderwijs nodig acht.

2. De inspectie stelt jaarlijks uiterlijk in de eerste week van mei het verslag over de staat van het onderwijs, bedoeld in artikel 23, achtste lid, van de Grondwet vast. Onze Minister zendt het verslag, vergezeld van een reactie, namens de regering onverwijld aan de Staten-Generaal.

Artikel 9. Bevoegdheden

1. Bij de uitoefening van de taken van de inspectie zijn, voorzover deze niet het toezicht op de naleving van bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften betreffen, de artikelen 5:12 tot en met 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht van overeenkomstige toepassing.

2. De bevoegdheden, bedoeld in de artikelen genoemd in het eerste lid, worden uitgeoefend door daartoe door Onze Minister aangewezen personen.

3. Van een besluit als bedoeld in het tweede lid wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

HOOFDSTUK 3. UITOEFENING VAN HET TOEZICHT

Artikel 10. Periodiek kwaliteitsonderzoek

1. Ter uitvoering van de in artikel 3 bedoelde taken onderzoekt de inspectie regelmatig het onderwijs aan elke instelling onderscheidenlijk, indien het een exameninstelling betreft, de externe legitimering. Naar aanleiding van het onderzoek geeft de inspectie een oordeel over de kwaliteit van het onderwijs onderscheidenlijk de externe legitimering.

2. De inspectie verricht het onderzoek aan de hand van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften en, indien het betreft een instelling voor primair of voortgezet onderwijs, de aspecten van kwaliteit, bedoeld in de bijlage bij deze wet. Indien uit het onderzoek een redelijk vermoeden voortvloeit dat de kwaliteit tekortschiet, stelt zij nader onderzoek in, waarbij tevens de oorzaken van het tekortschieten worden onderzocht.

3. Indien de inspectie naar aanleiding van het onderzoek, bedoeld in het vorige lid, oordeelt dat de kwaliteit tekortschiet, verricht zij na een door haar aangegeven termijn onderzoek naar de kwaliteitsverbeteringen die de instelling heeft gerealiseerd.

4. De inspectie stelt het bestuur in kennis van de datum en het doel van een onderzoek, bedoeld in het tweede of derde lid. Kennisgeving geschiedt ten minste vier weken voor aanvang van een onderzoek.

5. Bij de uitvoering van een onderzoek, bedoeld in het tweede of derde lid, kan de inspectie onafhankelijke deskundigen betrekken.

Artikel 11. Aansluiting bij zelfevaluatie instelling

1. De inspectie gaat bij een onderzoek als bedoeld in artikel 10, tweede of derde lid, voorzover mogelijk uit van de uitkomsten van een evaluatie van de kwaliteit door of vanwege de instelling.

2. De uitkomsten van een evaluatie, bedoeld in het eerste lid, zijn richtinggevend voor het oordeel van de inspectie indien:

a. alle aspecten van kwaliteit die de inspectie bij haar oordeel betrekt, zoals neergelegd in een toezichtskader als bedoeld in artikel 12, daarin aan de orde komen,

b. de wijze van uitvoering en de hoedanigheid van de evaluatie voldoende betrouwbaar zijn, en

c. de kwaliteitsdoelen die de instelling zichzelf heeft gesteld, van voldoende niveau zijn.

3. Waar niet aan de in het tweede lid genoemde voorwaarden is voldaan, verricht de inspectie aanvullend onderzoek.

Artikel 12. Toezichtskader

1. De inspectie legt haar werkwijze voor een onderzoek als bedoeld in artikel 10, vast in een of meer toezichtskaders.

2. Alvorens een toezichtskader vast te stellen of te wijzigen voert de inspectie overleg met vertegenwoordigers van het onderwijsveld en andere betrokkenen. De inspectie streeft daarbij naar het bereiken van consensus.

3. Een toezichtskader wordt bekendgemaakt in het officiële publicatieblad van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Van deze bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 13. Informeren van Onze Minister

1. Indien de inspectie oordeelt dat de kwaliteit van het onderwijs onderscheidenlijk van de externe legitimering ernstig of langdurig tekortschiet, informeert zij Onze Minister en doet voorstellen over te treffen maatregelen.

2. De inspectie stelt het bestuur van de betreffende instelling in kennis van haar voorstellen aan Onze Minister.

Artikel 14. Incidenteel onderzoek

1. Naast het periodieke kwaliteitsonderzoek, bedoeld in artikel 10, kan de inspectie uit eigen beweging dan wel op aanwijzing van Onze Minister incidenteel onderzoek verrichten naar de kwaliteit van het onderwijs onderscheidenlijk, indien het een exameninstelling betreft, van de externe legitimering waaronder mede wordt verstaan naar de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschiften.

2. De artikelen 15 en 16 zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard of omvang van het onderzoek zich tegen openbare rapportage verzetten.

HOOFDSTUK 4. VASTSTELLING EN OPENBAARMAKING VAN INSPECTIERAPPORTEN

Artikel 15. Vaststelling van inspectierapporten

1. De inspectie legt haar oordeel naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 10, tweede of derde lid, vast in een inspectierapport.

2. Indien de inspectie oordeelt dat een bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschrift niet is nageleefd, vermeldt zij dit in het rapport.

3. Alvorens een rapport vast te stellen, stelt de inspectie het bestuur in de gelegenheid van het ontwerp-rapport kennis te nemen en daarover overleg te voeren.

4. Indien in het overleg geen overeenstemming is bereikt over door het bestuur gewenste wijzigingen van het ontwerp-rapport, wordt de zienswijze van het bestuur in een bijlage bij het inspectierapport opgenomen.

5. De inspectie zendt het inspectierapport na vaststelling daarvan onverwijld aan het bestuur.

Artikel 16. Openbaarmaking van inspectierapporten

1. De inspectie maakt een inspectierapport in de vijfde week na vaststelling daarvan openbaar.

2. Tevens verstrekt de inspectie een inspectierapport op verzoek. De inspectie kan een vergoeding van kosten vragen overeenkomstig een door haar vast te stellen tarief voor de afgifte van een inspectierapport.

3. De inspectie verstrekt een inspectierapport niet eerder dan nadat het op grond van het eerste lid openbaar is gemaakt.

HOOFDSTUK 5. KWALITEIT VAN DE UITOEFENING VAN HET TOEZICHT

Artikel 17. Verantwoorde toezichtsuitoefening

De inspectie draagt zorg voor een verantwoorde uitoefening van het toezicht.

Artikel 18. Klachtadviesprocedure en -commissie

1. Er is een klachtadviescommissie belast met de behandeling van en advisering over klachten over gedragingen van de inspectie. Op de behandeling van en advisering over klachten is de in afdeling 9.3 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

2. De klachtadviescommissie bestaat uit drie leden, die worden benoemd en ontslagen door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. De leden maken geen deel uit van en zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van de inspectie. De leden kiezen uit hun midden een voorzitter.

3. De voorzitter en leden zijn afzonderlijk of gezamenlijk deskundig op het gebied van onderwijs, in het bijzonder op het gebied van de vrijheid van richting en inrichting, toezicht en klachtbehandeling.

4. De klachtadviescommissie bepaalt haar eigen werkwijze.

Artikel 19. Raad van advies inzake de inspectie

1. Er is een Raad van advies inzake de inspectie die tot taak heeft de inspectie bij te staan in de waarborging van een zorgvuldige en professionele uitoefening van het toezicht. De raad adviseert de inspecteur-generaal onderscheidenlijk het hoofd inspectie gevraagd en ongevraagd over de kwaliteit van de uitoefening van het toezicht, in het bijzonder over de uitvoering van de artikelen 12 en 17.

2. De raad bestaat uit drie leden, die worden benoemd en ontslagen door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen na overleg met Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij. De benoeming geschiedt voor de tijd van ten hoogste vier jaar. De leden kiezen uit hun midden een voorzitter.

3. De voorzitter en leden zijn afzonderlijk of gezamenlijk deskundig op het gebied van onderwijs, kwaliteitszorg en toezicht.

4. De raad bepaalt zijn eigen werkwijze.

HOOFDSTUK 6. WIJZIGINGSBEPALINGEN

Artikel 20. Wijziging van de Leerplichtwet 1969

De Leerplichtwet 1969 wordt als volgt gewijzigd:

a. Aan artikel 1a wordt, onder plaatsing van de aanduiding «1.» voor de tekst, een lid toegevoegd, luidende:

2. Onze minister kan de aanwijzing intrekken indien niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 1, onderdeel b onder 4 of indien van misbruik van de verleende aanwijzing is gebleken. Tevens kan de aanwijzing door Onze minister worden ingetrokken indien het hoofd of het personeel van de school in strijd handelt met artikel 9 van de Wet op het onderwijstoezicht.

b. Na artikel 1b wordt een artikel 1c ingevoegd, luidende:

Artikel 1c. Maatregelen

1. Indien de kwaliteit van het onderwijs ernstig of langdurig tekortschiet, kan Onze minister op verzoek van het hoofd van een school of uit eigen beweging in overleg met het hoofd maatregelen treffen.

2. Onze Minister stelt nadere regels omtrent de toekenning van en verantwoording voor maatregelen, voorzover deze het verstrekken van financiële middelen betreffen.

Artikel 21. Wijziging van de Wet op het primair onderwijs

De Wet op het primair onderwijs wordt als volgt gewijzigd:

a. In artikel 1 wordt in de begripsomschrijving van inspectie of inspecteur de zinsnede «de inspectie, bedoeld in artikel 5» vervangen door: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht.

b. In artikel 4a, eerste lid, wordt «de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 5a» vervangen door: de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht.

c. De artikelen 5 en 5a vervallen.

d. Artikel 164 komt te luiden:

Artikel 164. Inhouding bekostiging

1. Indien het bevoegd gezag van een school in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens deze wet, kan Onze minister bepalen dat de bekostiging, voorschotten daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden dan wel opgeschort.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag of het personeel van een school in strijd handelt met artikel 9 van de Wet op het onderwijstoezicht.

3. Onze minister kent de bekostiging wederom toe, indien blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste of tweede lid is vervallen.

d. Na artikel 164 wordt een artikel 164a ingevoegd, luidende:

Artikel 164a. Maatregelen

1. Indien de kwaliteit van het onderwijs ernstig of langdurig tekortschiet, kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag van een school of uit eigen beweging in overleg met het bevoegd gezag maatregelen treffen.

2. Onze Minister stelt nadere regels omtrent de toekenning van en verantwoording voor maatregelen, voorzover deze het verstrekken van financiële middelen betreffen.

e. Artikel 176, tweede lid komt te luiden:

2. Het toezicht op het door een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid verzorgde onderwijs in allochtone levende talen is opgedragen aan de inspectie. De artikelen 3 en 9 van de Wet op het onderwijstoezicht zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22. Wijziging van de Wet op de expertisecentra

De Wet op de expertisecentra wordt als volgt gewijzigd:

a. In artikel 1 wordt in de begripsomschrijving van inspectie of inspecteur de zinsnede «de inspectie, bedoeld in artikel 5» vervangen door: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht.

b. In artikel 4a, eerste lid, wordt «de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 5a» vervangen door: de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht.

c. De artikelen 5 en 5a vervallen.

d. Artikel 146 komt te luiden:

Artikel 146. Inhouding bekostiging

1. Indien het bevoegd gezag van een school in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens deze wet, kan Onze minister bepalen dat de bekostiging, voorschotten daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden dan wel opgeschort.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag of het personeel van een school in strijd handelt met artikel 9 van de Wet op het onderwijstoezicht.

3. Onze minister kent de bekostiging wederom toe, indien blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste of tweede lid is vervallen.

e. Na artikel 146 wordt een artikel 146a ingevoegd, luidende:

Artikel 146a. Maatregelen

1. Indien de kwaliteit van het onderwijs ernstig of langdurig tekortschiet, kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag van een school of uit eigen beweging in overleg met het bevoegd gezag maatregelen treffen.

2. Onze Minister stelt nadere regels omtrent de toekenning van en verantwoording voor maatregelen, voorzover deze het verstrekken van financiële middelen betreffen.

f. Artikel 162, tweede lid komt te luiden:

2. Het toezicht op het door een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid verzorgde onderwijs in allochtone levende talen is opgedragen aan de inspectie. De artikelen 3 en 9 van de Wet op het onderwijstoezicht zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 23. Wijziging van de Wet op het voortgezet onderwijs

De Wet op het voortgezet onderwijs wordt als volgt gewijzigd:

a. In artikel 1 wordt in de begripsomschrijving van de inspectie of inspecteur de zinsnede «de inspectie, bedoeld in artikel 113 of artikel 114» vervangen door: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht.

b. In artikel 3, eerste lid, wordt «de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 115a» vervangen door: de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht.

c. Aan artikel 59 wordt een volzin toegevoegd, luidende: De aanwijzing kan door Onze minister tevens worden ingetrokken indien het schoolbestuur of het personeel van de school in strijd handelt met artikel 9 van de Wet op het onderwijstoezicht.

d. Artikel 104 komt te luiden:

Artikel 104. Inhouding bekostiging

1. Indien het bevoegd gezag van een school in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens dit deel, kan Onze minister bepalen dat de bekostiging, voorschotten daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden dan wel opgeschort.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag of het personeel van een school in strijd handelt met artikel 9 van de Wet op het onderwijstoezicht.

3. Onze minister kent de bekostiging wederom toe, indien blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste of tweede lid is vervallen.

e. Na artikel 104 wordt een artikel 104a ingevoegd, luidende:

Artikel 104a. Maatregelen

1. Indien de kwaliteit van het onderwijs ernstig of langdurig tekortschiet, kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag van een school of uit eigen beweging in overleg met het bevoegd gezag maatregelen treffen.

2. Onze Minister stelt nadere regels omtrent de toekenning van en verantwoording voor maatregelen, voorzover deze het verstrekken van financiële middelen betreffen.

f. Deel I Titel IV vervalt.

g. In artikel 124 wordt in de begripsomschrijving van inspectie of inspecteur de zinsnede «de inspectie, bedoeld in artikel 128» vervangen door: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht.

h. In artikel 127a, eerste lid, wordt «de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 128a» vervangen door: de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht.

i. De artikelen 128 en 128a vervallen.

j. Artikel 261 komt te luiden:

Artikel 261. Inhouding bekostiging

1. Indien het bevoegd gezag van een school in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens dit deel, kan Onze minister bepalen dat de bekostiging, voorschotten daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden dan wel opgeschort.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag of het personeel van een school in strijd handelt met artikel 9 van de Wet op het onderwijstoezicht.

3. Onze minister kent de bekostiging wederom toe, indien blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste of tweede lid is vervallen.

4. Afschrift van zijn beslissing zendt Onze minister aan gedeputeerde staten en, indien het een bijzondere school betreft, aan burgemeester en wethouders.

k. Na artikel 261 wordt een artikel 261a ingevoegd, luidende:

Artikel 261a Maatregelen

1. Indien de kwaliteit van het onderwijs ernstig of langdurig tekortschiet, kan Onze minister op verzoek van het bevoegd gezag van een school of uit eigen beweging in overleg met het bevoegd gezag maatregelen treffen.

2. Onze Minister stelt nadere regels omtrent de toekenning van en verantwoording voor maatregelen, voorzover deze het verstrekken van financiële middelen betreffen.

l. Artikel 277, tweede lid, komt te luiden:

2. Het toezicht op het door een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid verzorgde onderwijs in allochtone levende talen is opgedragen aan de inspectie. De artikelen 3 en 9 van de Wet op het onderwijstoezicht zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 24. Wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs

De Wet educatie en beroepsonderwijs wordt als volgt gewijzigd:

a. In artikel 1.1.1, onder s, wordt «de inspectie, bedoeld in artikel 5.1» vervangen door: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht.

b. Aan artikel 1.3.6, eerste lid, wordt een volzin toegevoegd luidende: De uitkomsten van de beoordeling zijn openbaar.

c. In artikel 1.3.8, eerste lid, wordt «de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 5.2a» vervangen door: de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht.

d. Hoofdstuk 5 vervalt.

e. Na artikel 6.1.5 wordt een artikel 6.1.5a ingevoegd, luidende:

Artikel 6.1.5a. Maatregelen

1. In de gevallen, bedoeld in artikel 6.1.4, eerste lid, onder a en b, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag of uit eigen beweging in overleg met het bevoegd gezag maatregelen treffen.

2. Onze Minister stelt nadere regels omtrent de toekenning van en verantwoording voor maatregelen, voorzover deze het verstrekken van financiële middelen betreffen.

f. In artikel 6.2.2, eerste lid, onderdeel a, vervalt in onderdeel a «of», wordt de punt aan het slot van onderdeel b vervangen door «, of» en wordt na onderdeel b een onderdeel opgenomen, luidende:

c. in strijd is gehandeld met artikel 9 van de Wet op het onderwijstoezicht.

g. Aan artikel 6.2.3 wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.2.2, eerste lid, onder c, geeft hij het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn van ten minste tien dagen waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven.

h. Na artikel 6.2.3 wordt een artikel 6.2.3a ingevoegd, luidende:

Artikel 6.2.3a. Maatregelen

1. In de gevallen, bedoeld in artikel 6.2.2, eerste lid, onder a en b, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag of uit eigen beweging in overleg met het bevoegd gezag maatregelen treffen.

2. Onze Minister stelt nadere regels omtrent de toekenning van en verantwoording voor maatregelen, voorzover deze het verstrekken van financiële middelen betreffen.

i. In artikel 6.3.2, eerste lid, onderdeel a, vervalt in onderdeel a «of», wordt de punt aan het slot van onderdeel b vervangen door «, of» en wordt na onderdeel b een onderdeel opgenomen, luidende:

c. in strijd is gehandeld met artikel 9 van de Wet op het onderwijstoezicht.

j. Aan artikel 6.3.3 wordt een lid toegevoegd, luidende:

3. Voordat Onze Minister een beschikking neemt op grond van artikel 6.3.2, eerste lid, onder c, geeft hij het bevoegd gezag een waarschuwing, onder bepaling van een termijn van ten minste tien dagen waarbinnen aan die waarschuwing gevolg moet zijn gegeven.

k. Na artikel 6.3.3 wordt een artikel 6.3.3a ingevoegd, luidende:

Artikel 6.3.3a. Maatregelen

1. In de gevallen, bedoeld in artikel 6.3.2, eerste lid, onder a en b, kan Onze Minister op verzoek van het bevoegd gezag of uit eigen beweging in overleg met het bevoegd gezag maatregelen treffen.

2. Onze Minister stelt nadere regels omtrent de toekenning van en verantwoording voor maatregelen, voorzover deze het verstrekken van financiële middelen betreffen.

l. Artikel 11.1 komt te luiden:

Artikel 11.1. Inhouding bekostiging

1. Indien het bevoegd gezag van een instelling, een agrarisch innovatie- en praktijkcentrum of een landelijk orgaan in strijd handelt met het bepaalde bij of krachtens deze wet, kan Onze Minister bepalen dat de rijksbijdrage, voorschotten daaronder begrepen, geheel of gedeeltelijk wordt ingehouden dan wel opgeschort.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien het bevoegd gezag of het personeel van een instelling in strijd handelt met artikel 9 van de Wet op het onderwijstoezicht.

3. Onze Minister kan de rijksbijdrage wederom toekennen, indien blijkt dat de reden voor de toepassing van het eerste of tweede lid is vervallen.

Artikel 25. Wijziging van de Wet op de erkende onderwijsinstellingen

De Wet op de erkende onderwijsinstellingen wordt als volgt gewijzigd:

a. In artikel 1, onder d, wordt de zinsnede «de inspectie, bedoeld in artikel 22» vervangen door: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht.

b. Titel V vervalt.

Artikel 26. Wijziging van de Wet op de studiefinanciering 2000

De Wet op de studiefinanciering 2000 wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 9.1 wordt de zinsnede «de inspectie van het onderwijs, bedoeld in hoofdstuk 5 van de WEB» vervangen door: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht.

Artikel 27. Wijziging van de Wet tegemoetkoming studiekosten

De Wet tegemoetkoming studiekosten wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 66 wordt de zinsnede «de inspectie van het onderwijs, bedoeld in titel IV van deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs, hoofdstuk 5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, titel V van de Wet op de erkende onderwijsinstellingen, artikel 5 van de Wet op de expertisecentra, dan wel artikel 128 van deel II van de Wet op het voortgezet onderwijs» vervangen door: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht.

HOOFDSTUK 6. SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 28. Evaluatie

Onze Minister zendt binnen vijf jaren na inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 29. Inwerkingtreding

Deze wet treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij is geplaatst.

Artikel 30. Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: Wet op het onderwijstoezicht.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

BIJLAGE BIJLAGE BIJ ARTIKEL 10, TWEEDE LID

Aspecten van kwaliteit voor primair en voortgezet onderwijs

De aspecten van kwaliteit voor het primair en voortgezet onderwijs zijn:

a. voor de opbrengsten van het onderwijs:

– de leerresultaten,

– de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen,

b. voor de inrichting van het onderwijsleerproces:

– het leerstofaanbod,

– de leertijd,

– het pedagogisch klimaat,

– het schoolklimaat,

– het didactisch handelen van de leraren,

– de leerlingenzorg,

– de inhoud, het niveau en de uitvoering van de toetsen, tests, opdrachten of examens.