27 775
Bepalingen met betrekking tot het toezicht op collectieve beheersorganisaties voor auteurs- en naburige rechten (Wet toezicht collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten)

nr. 4
VERSLAG

Vastgesteld 21 augustus 2001

De vaste commissie voor Justitie1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, brengt als volgt verslag uit van haar bevindingen. Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

Algemeen

Inleiding

De leden van de fractie van de PvdA hebben met instemming kennis genomen van het wetsvoorstel Bepalingen met betrekking tot het toezicht op collectieve beheersorganisaties voor auteurs- en naburige rechten. Zij zijn verheugd dat de regering eindelijk een wetsvoorstel waarin het centrale toezicht op de collectieve beheersorganisaties wordt geregeld naar de Kamer heeft gestuurd. Het rapport van de MDW-werkgroep «Toezicht en samenwerking bij incasso van auteursrechten», dat op hoofdlijnen met Kamerbrede instemming is begroet, dateert immers van april 1998. Wat is de reden geweest dat de regering zo lang heeft gewacht met het indienen van het wetsvoorstel bij de Kamer? Heeft dat te maken met de onderlinge samenwerking van de zogenaamde eigen-recht-organisaties? Hoe verloopt de onderlinge samenwerking tussen deze organisaties op dit moment? Welke afspraken zijn er inmiddels gemaakt? Worden deze afspraken ook nagekomen? Welke problemen doen zich voor, en op welke wijze worden deze opgelost?

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel. Zij plaatsen daarbij nog wel enige vragen en opmerkingen.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van dit wetsvoorstel. In het algemeen overleg van 7 oktober 1998 heeft de Kamer in beginsel groen licht gegeven voor de wetgevingsoperatie waarvan het resultaat nu aan de Kamer wordt voorgelegd. De leden van de CDA-fractie hebben ten aanzien van de gekozen constructie echter nog een aantal vragen, die later in het verslag aan de orde komen.

De leden van de CDA-fractie wijzen er op dat de BUMA een joint-venture (het International Music Joint Venture) heeft gesloten met een aantal buitenlandse muziekrechtenorganisaties. Hoe verhoudt zich de taak van het college van toezicht tot deze joint venture, en tot investeringsbeslissingen van BUMA met betrekking tot deze joint venture?

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel. Zij kunnen instemmen met de algemene strekking van het dit wetsontwerp tot uniformering en centralisatie van het toezicht op de vijf van overheidswege geschapen monopolies op het gebied van het beheer van auteursrechten en naburige rechten. Aan een niet meer te motiveren rechtsverscheidenheid wordt daarmee volgens deze leden een eind gemaakt. Deze leden hebben overigens wel kennis genomen van de bezwaren die er bij BUMA leven tegen onderbrenging onder voorgestelde centrale toezichtsinstantie. Met de regering zien deze leden echter geen reden om een onderscheid tussen de verschillende instanties te blijven maken. Graag zouden zij wel vernemen of er sprake zal zijn van een significante verzwaring van toezicht op BUMA en hoever het toezicht gaat. Kan een commissie van toezicht direct of indirect het tariefsbeleid beïnvloeden? En hoe groot is de kans dat binnen enige jaren de bodem onder artikel 30a wegvalt op grond van Europese ontwikkelingen?

De regering vermeldt in de memorie van toelichting dat «anderzijds met het wetsvoorstel is beoogd het vereiste van overheidsgoedkeuring van de repartitiereglementen te laten vallen». De leden van de D66-fractie hebben begrepen dat juist voor de aangesloten rechthebbenden de repartities van royalty's het belangrijkste element van het hele collectieve beheer van hun rechten is. Collectieve beheersorganisaties hebben een machtspositie naar buiten, naar de betalingsplichtigen, en zoals juist de Europese misbruikrechtspraak nog eens overduidelijk heeft gemaakt, ook een machtspositie naar binnen, tegenover hun eigen aangeslotenen. Waarom wordt de bestaande rechtsbescherming van rechthebbenden in het wetsvoorstel op dit cruciale punt verminderd?

Structuur van het toezicht

De leden van de VVD-fractie hebben begrip voor het voornemen om tot een uniforme regeling van het toezicht op rechtspersonen te komen die zijn belast met de inning en verdeling van vergoedingen op grond van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten. Aan de andere kant vragen zij de regering een toelichting op de verschillen die zich tussen de huidige toezichthoudende organen voordoen. Is dat historisch zo gegroeid of zijn de betreffende regelingen op maat toegesneden op de specifieke deelsectoren?

In hoeverre verwacht de regering dat op de middellange termijn de monopolistische posities van de organisaties, belast met inning en verdeling van vergoedingen, gehandhaafd blijven? Ligt het niet in de lijn dat deze monopolistische posities op grond van Europese regelgeving geslecht zullen worden? Er lijkt bovendien weinig op tegen om de rechthebbenden de keuze te bieden van welke organisatie men gebruik wil maken. Indien de regering deze verwachting van de trend deelt, is er dan nog wel voldoende reden voor het wetsvoorstel?

Deze leden verzoeken de regering tevens uiteen te zetten of, en zo ja in hoeverre, zich problemen hebben voorgedaan bij de huidige eigen-recht-organisaties. Indien dit niet het geval zou zijn, streeft de regering dan niet met het onderhavige wetsvoorstel de papieren schoonheid van harmonisatie na? Deze vraagstelling speelt ook met betrekking tot BUMA. De regering stelt dat in het belang van de overzichtelijkheid en de uniformiteit ook de BUMA onder de wet moet worden gebracht. Indien rechthebbenden en de regering het eens zijn over het feit dat genoemde organisatie naar wens functioneert, lijkt de argumentatie om ook de BUMA onder de nieuwe wet te brengen nogal mager. Deze leden verzoeken in dit verband een reactie van de regering.

MDW-rapport

De leden van de VVD-fractie hebben begrip voor het voornemen het toezicht van de repartitiereglementen niet meer in handen van de regering te houden. Heeft de regering ook overwogen om de goedkeuring over te laten aan de rechthebbenden zelf, althans enig orgaan waarin de rechthebbenden een doorslaggevende positie innemen?

Deze leden zijn geïnteresseerd te vernemen hoe de regering oordeelt over de huidige samenwerking tussen de BUMA en de SENA. Op welke punten is er nog reden tot verbetering?

In de memorie van toelichting wordt het MDW-rapport toezicht en samenwerking bij incasso van auteursrechten besproken, en wordt geconcludeerd dat het wetsvoorstel aansluit bij de conclusies uit dit rapport. De aanbeveling om het vereiste van goedkeuring van repartitiereglementen door de overheid te laten vervallen, stamt uit dit rapport.

Van verschillende zijden, ook uit de vaste commissies voor Justitie en voor Economische Zaken, is wel bepleit om het vereiste van goedkeuring van de repartitiereglementen niet geheel te laten vervallen. Hierbij werd erop gewezen dat het hier om aanzienlijke geldsommen gaat en dat goedkeuring van de repartitiereglementen de betalingsplichtigen zekerheden geeft dat de geïncasseerde gelden op een rechtvaardige manier onder de rechthebbenden worden verdeeld. De leden van de D66-fractie zouden erop willen wijzen dat daarenboven de betalingsgerechtigden daar nog veel meer belang bij hebben. Deze leden zien niet in waarom dit goedkeuringsvereiste zou moeten vervallen en zij dringen er op aan dat de repartitiereglementen opnieuw onder overheidstoezicht worden gebracht.

Het is deze leden overigens opgevallen dat het MDW-rapport enkele vreemde aanbevelingen lijkt te hebben bevat. Zo wordt in de richtlijn op artikel 3 meegedeeld dat de MDW-werkgroep had voorgesteld het vereiste los te laten dat de repartitiereglementen van organisaties door de overheid worden goedgekeurd. Het kabinet had dit voorstel overgenomen, maar de Tweede Kamer heeft dit verworpen. Deze lijn wordt nu terecht in dit wetsvoorstel gevolgd.

College van toezicht en Nederlandse Mededingingsautoriteit

Het college moet er op toezien dat de wettelijke taken van de collectieve beheersorganisaties naar behoren worden uitgevoerd. Uiteindelijk gaat het er om dat de rechthebbenden, zijnde de auteurs en uitvoerende kunstenaars, een behoorlijke vergoeding ontvangen voor het gebruik van hun werk. De stichting Reprorecht keert uit aan uitgevers, die gehouden zijn tenminste 50% van de reprovergoeding aan auteurs uit te keren, en aan de stichting Nieuwswaarde die na aftrek van kosten de vergoeding uitkeert aan auteurs. De stichtingen Thuiskopie en Leenrecht reparteren aan tal van organisaties van producenten, auteurs en uitvoerende kunstenaars die, uiteraard na aftrek van alle kosten, aan auteurs dienen uit te keren. De leden van de fractie van de PvdA zouden in dit verband bijna willen spreken van een repartitie-industrie. Zij zouden graag willen weten welk deel van elke gulden nu uiteindelijk bij auteurs terecht komt nu er zoveel organisaties zijn die allerhande nuttig werk doen voor de incasso en repartitie van de gelden, maar dit uiteraard steeds tegen aftrek van de gemaakte kosten doen. Deze leden zouden de regering willen vragen een overzicht te verschaffen van de organisaties aan wie de repro-, thuiskopie-, en leenrechtgelden worden uitgekeerd, in welke verhoudingen en op basis van welke gegevens dat gebeurt. Zijn er gevallen bekend van collectieve beheersorganisaties en – in verband met artikel 5, derde lid van het wetsvoorstel – organisaties die feitelijk zorgdragen voor de repartitie van de geïncasseerde gelden, die niet, of niet tijdig, alle bedragen die binnen zijn gekomen onder de individuele rechthebbenden hebben verdeeld? Om welke bedragen gaat het en wat is de reden geweest dat er niet is gereparteerd? Kan de regering vervolgens per collectieve beheersorganisatie een overzicht van de laatste vijf jaar verschaffen van het bedrag dat uiteindelijk (ten opzichte van de geïncasseerde gelden) daadwerkelijk bij auteurs terecht is gekomen? Wat betekent dit voor de individuele auteur? Welk percentage houdt hij over ten opzichte van het voor hem geïncasseerde bedrag?

De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering uiteen te zetten wat wordt verstaan onder het kwaliteitstoezicht naast het toezicht op de inning en verdeling.

De voorbereiding van het wetsvoorstel

De regering stelt zich op het standpunt dat het centraal toezichthoudende orgaan moet worden voorzien van een meer professioneel secretariaat. De leden van de fractie van de PvdA vragen of een meer professioneel secretariaat kan worden bereikt als er van wordt uitgegaan dat de tijdsbesteding slechts een dag per week mag bedragen. Zij vragen de regering nader toe te lichten hoe de professionaliteit van het secretariaat nader wordt ingevuld.

Het wetsvoorstel is tijdens de voorbereiding aangepast in die zin dat het vereiste van goedkeuring van bepaalde directiebesluiten is geschrapt. De leden van de fractie van de PvdA vragen de regering alsnog uit te leggen welke besluiten precies zijn geschrapt. Wat is de inhoud van deze directiebesluiten, wat is het beoogde doel en waarom zijn zij uiteindelijk geschrapt?

De leden van de VVD-fractie achten de vrees van de bestaande organisaties voor een zwaar administratief orgaan dat op grote afstand komt te staan van de organisaties zwaarwegend. Hoe denkt de regering realisatie van deze vrees te kunnen voorkomen?

De regering constateert dat alle beheersorganisaties kanttekeningen plaatsten bij de noodzaak van één college van toezicht. Houdt dat in dat de organisaties tegen de operatie waren, of onder voorwaarden akkoord? Kan de regering aangeven hoe zij thans, nu het wetsvoorstel er ligt, over de gekozen oplossing denken? De leden van de CDA-fractie verzoeken de regering concreter aan te geven waar de bezwaren van de organisaties zich op toegespitst hebben. Indien er nog bezwaren zijn, waar spitsen deze zich dan op toe?

Deze leden vragen de regering aan te geven of de huidige praktijk specifieke knelpunten kent, zo ja welke? Zijn er concrete klachten over het functioneren van het toezicht? Zo ja van wie, en waarop hebben de klachten betrekking?

Artikelsgewijs

Artikel 1

Het is de leden van de D66-fractie opgevallen dat het wetsvoorstel niets regelt over collectieve organisaties die auteurs- en naburige rechten beheren op contractuele basis. Wat verzet zich tegen een zodanige uitbreiding van de definitie van collectieve beheersorganisatie in artikel 1, dat ook collectieve organisaties die op contractuele basis beheren onder deze definitie vallen?

Artikel 2

Met betrekking tot artikel 2 lid 2 sub b vragen de leden van de VVD-fractie of deze vorm van toezicht niet te zeer toeziet op de interne bedrijfsvoering. Moet dat niet aan de beheersorganisaties zelf worden overgelaten?

In de memorie van toelichting staat naar aanleiding van het tweede lid onder c dat dit artikel het toezicht betreft op de vraag hoe een collectieve beheersorganisatie feitelijk uitvoering geeft aan de verdeling van de geïnde vergoedingen. Aan het eind wordt ook nog opgemerkt «dat er op zichzelf geen bezwaar tegen bestaat als beheersorganisaties een gedeelte van de geïncasseerde gelden bestemmen voor algemene sociaal-maatschappelijke of culturele doeleinden, zolang rechthebbenden daarmee akkoord zijn en voor zover internationale verplichtingen zich daartegen niet verzetten.» De leden van de D66-fractie willen de regering vragen of deze twee passages in verband gezien betekenen dat het toezicht ook betrekking zal gaan hebben op hoe collectieve beheersorganisaties ook feitelijk hun geld besteden aan dit soort sociaal-maatschappelijke en culturele doeleinden? Dat lijkt deze leden dan een belangrijk novum te worden en zij zouden hierover graag een beschouwing van de kant van de regering tegemoet zien.

Overigens geeft de toelichting op het wetsvoorstel volgens de leden van de D66-fractie geen blijk van bekendheid met de twijfels die steeds meer gehoord worden ten aanzien van de rechtvaardigheid van het overhevelen van de 10% van de geïnde royalty's – zeer aanzienlijke bedragen – aan mooie en soms minder mooie collectieve doeleinden. Deze leden verwijzen bij voorbeeld naar het artikel «De toekomst van auteursrechtenbureaus», in Informatierecht AMI 2000/8, 156 en de reactie hierop van H. Endlich, voormalig lid van de directie van BUMA/Stemra, in AMI 2001/2, 39. Zij wijzen op de volgende passage: «Toen de fondsen die deze gelden beheren (van de 10%-pot) in het leven werden geroepen – en dat is lang geleden (in de jaren 30) – bestond er waarschijnlijk wel een goede reden voor». Maar er kan steeds meer aan worden getwijfeld of die goede reden nog steeds van toepassing is. Deze leden zouden de regering om een nadere analyse op dit punt willen verzoeken en zouden ook graag wat meer inzicht krijgen in de bedragen waar het om gaat.

Het is de leden van de D66-fractie opgevallen dat niet is opgenomen de uiterst belangrijke regel dat de beheersorganisaties, en ook de hierbij aangesloten auteurs, verplicht zijn licenties te verlenen aan een ieder die aanbiedt de vastgestelde en openbaar gemaakte tarieven te betalen. Hiermee heeft het auteursrechtelijk verbodsrecht in feite plaats gemaakt voor een «vrijwillige dwanglicentie». Deze regel is wel eens in de rechtspraak afgeleid uit het monopoliekarakter van de beheersorganisatie, maar een toetsing door de Hoge Raad heeft nooit plaatsgevonden. De leden van de D66-fractie lijkt het onderhavige wetsvoorstel een goede gelegenheid om ter zake meer rechtszekerheid te scheppen en zou graag een reactie van de regering op dit punt tegemoet zien.

Artikel 3

Waaruit blijkt dat artikel 3 niet voor de BUMA van toepassing is, vragen de leden van de VVD-fractie de regering. Zij willen eveneens een nadere toelichting op de rol van de NMa, er is immers geen sprake van mededinging?

Artikel 3 geeft het onderscheid in het toezicht aan van de BUMA en de overige eigen-recht-organisaties. De leden van de CDA-fractie vragen de regering of deze opsomming in overleg met de collectieve beheersorganisaties tot stand is gekomen.

De leden van de CDA-fractie vragen de regering of ook in artikel 6 niet gedifferentieerd had moeten worden tussen de BUMA (een vereniging) en de overige collectieve beheersorganisaties, alle stichtingen. Is het college van toezicht bijvoorbeeld bevoegd een besluit van een ledenvergadering ongedaan te maken met het argument dat het de ledenbelangen naar het oordeel van het college schaadt?

De leden van de CDA-fractie vragen de regering aan te geven waaruit het toezicht van de NMa bestaat op organisaties die een wettelijk monopolie hebben. Is het theoretisch denkbaar dat gelijktijdig zowel de NMa als het college van toezicht bevoegd zijn om in te grijpen? Wie neemt in dat geval een beslissing?

Artikel 3 bevat een opsomming van besluiten van een collectieve beheersorganisatie, niet zijnde een vereniging, die slechts genomen worden na voorafgaande schriftelijke goedkeuring van het college van toezicht. De hier gecursiveerde woorden moeten blijkens de toelichting tot uiting brengen dat artikel 3 niet geldt voor BUMA, die een verenigingstructuur heeft in tegenstelling tot de overige beheersorganisaties die de stichtingsvorm hebben gekozen. De regering heeft er blijkbaar alle vertrouwen in dat de algemene ledenvergadering van BUMA alles even adequaat zal controleren als het college van toezicht. De leden van de D66-fractie plaatsen hier toch wel vraagtekens bij. Er zijn bij de in artikel 3 genoemde besluiten immers niet alleen onderwerpen betrokken die de verenigingsleden zelf betreffen, maar ook besluiten die betalingsplichtigen regarderen. Juist voor die laatste categorie is overheidstoezicht van het grootste belang. Deze leden zijn er vooralsnog niet van overtuigd dat er een uitzondering voor verenigingen moet worden gemaakt en zouden de passage niet zijnde een vereniging in artikel 3 willen schrappen.

Artikel 5

De leden van de fractie van de PvdA merken op dat teneinde het college in staat te stellen zijn toezichthoudende taken naar behoren te kunnen vervullen, het tijdig dient te worden geïnformeerd over belangrijke besluiten die de collectieve beheersorganisatie van plan is te nemen en die de uitoefening van de wettelijke taken beïnvloeden. Kan de regering voorbeelden noemen van belangrijke besluiten die hiermee zijn bedoeld? Vervolgens stelt de toelichting op artikel 5 met grote nadruk dat het gaat om een informatie- of meldingsplicht bij het college, niet een goedkeuringsvereiste. De leden van de fractie van de PvdA vragen of het college nog enige invloed kan uitoefenen indien een belangrijk besluit onterecht is genomen. Op welke wijze kan het college voorkomen dat een onterecht besluit zal worden genomen?

Het derde lid van artikel 5 bepaalt dat een collectieve beheersorganisatie verantwoordelijk blijft als zij taken waarop het toezicht zich richt, overdraagt aan derden of deze taken uitoefent in samenwerking met anderen. De leden van de fractie van de PvdA merken op dat deze bepaling de verantwoordelijkheid van de beheersorganisatie voor werkzaamheden die worden verricht door derden vestigt, maar dat daarmee niet is gezegd dat hiermee ook de aansprakelijkheid als een paal boven water staat. In het verleden heeft bijvoorbeeld de SENA een incassobureau ingeschakeld om te incasseren. Deze bleek gebruik te maken van verouderde gegevens, waardoor allerlei mensen met claims werden geconfronteerd die niets met het gebruik van muziek te maken hadden. Is met het derde lid van artikel 5 nu ook duidelijk dat de SENA in zo'n geval naast verantwoordelijk, ook volledig aansprakelijk is voor de gedragingen van het ingehuurde incassobureau en dat deze gedragingen ook onder het in deze wet geregelde toezicht vallen?

Mogelijk nog belangrijker is evenwel de delegatie die plaatsvindt aan de repartitie kant. Afgezien van BUMA en SENA keren de collectieve beheersorganisaties waar het toezicht in dit wetsvoorstel op ziet over het algemeen niet (rechtstreeks) uit aan de auteurs of uitvoerende kunstenaars waar het om gaat. Zij keren uit aan (organisaties van) producenten en uitgevers en aan organisaties van auteurs en uitvoerende kunstenaars. Daar is op zich zelf geen bezwaar tegen en het is vermoedelijk zelfs efficiënt, zij het dat de feitelijke individuele repartitietaak daarmee door de betreffende collectieve beheersorganisaties grotendeels wordt uitbesteed aan derden. Aangezien de feitelijke individuele repartitie rechtens een onderdeel is van de taak van de collectieve beheersorganisaties, waarvoor zij een wettelijk monopolie hebben, valt deze feitelijke individuele repartitie naar de overtuiging van de leden van de fractie van de PvdA nadrukkelijk onder het toezicht. Deze leden zouden de regering willen vragen ook hier expliciet aan te geven dat de collectieve beheersorganisaties voor wat betreft de repartitietaak volledig verantwoordelijk en aansprakelijk zijn voor gedragingen door derden die voor de repartitietaak zijn ingehuurd.

De BUMA heeft als enige collectieve beheersorganisatie geen wettelijk monopolie. Er zijn dus geen wettelijke belemmeringen voor concurrentie. Dat maakt de positie van de BUMA anders dan die van de andere organisaties. In de praktijk werkt de BUMA nauw met buitenlandse organisaties samen. De leden van de CDA-fractie vragen of het college van toezicht bindende aanwijzingen kan geven ten aanzien van de wijze van samenwerking met andere (buitenlandse) organisaties? Indien een organisatie krachtens artikel 5 eerste lid het college van toezicht vooraf schriftelijk informeert over een te nemen besluit, hoe lang moet deze organisatie dan wachten alvorens zeker te kunnen zijn dat het college geen bezwaar zal maken? Is er een termijn waarbinnen de toezichthouder een advies of een bindende bepaling op moet leggen naar aanleiding van een bepaalde beslissing? Mag een collectieve beheersorganisatie ook expliciet vragen om een oordeel van het college in de vorm van een verklaring van geen bezwaar naar aanleiding van een bepaald besluit?

Artikel 6

De leden van de VVD-fractie plaatsen grote vraagtekens bij de mogelijkheid voor het college van toezicht om bindende aanwijzingen te geven. Zij willen vernemen of thans die mogelijkheid ook bestaat. Waarvoor wordt deze bevoegdheid nodig geacht? Is hier geen sprake van verwarring van verantwoordelijkheden, met name in geval van de BUMA? Hoe past de wijziging in het kader van de verenigingsstructuur?

De leden van de CDA-fractie merken op dat het geven van bindende aanwijzingen een vergaande bevoegdheid is. Zij kunnen zich weliswaar voorstellen dat dit in bijzondere gevallen noodzakelijk kan zijn, maar in het wetsvoorstel is geen nadere clausulering aan de aanwijzingen gegeven, dan dat het de wettelijke taak of de bemiddeling als bedoeld in artikel 30a moet betreffen. Kan in beginsel een bindende aanwijzing worden gegeven in alle gevallen waarin naar het oordeel van de toezichthouder niet wordt voldaan aan de eisen in artikel 2 en 3? Naar de mening van deze leden is door de gekozen constructie de toezichthouder juridisch bevoegd de organisaties in vergaande mate te sturen. Zou niet preciezer moeten worden omschreven in welke gevallen bindende aanwijzingen mogen worden gegeven?

Is het college bevoegd om bij niet opvolging van een advies als bedoeld in het eerste lid, in tweede instantie een bindende aanwijzing, als bedoeld in het tweede lid, te geven?

Dient aan het geven van een bindende aanwijzing niet overleg vooraf te gaan? Waarom is dat niet wettelijk geregeld?

Kan de toezichthouder ook een algemene bindende aanwijzing aan alle organisaties geven of moet deze een concrete adressant betreffen? Welkerechtsmiddelen staan aan een collectieve beheersorganisatie open, wanneer deze het niet eens is met een aanwijzing?

Artikel 7

De leden van het college van toezicht worden door de minister van Justitie benoemd. Hoe komt een voordracht voor de vervulling van een vacature tot stand, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Worden de collectieve beheersorganisaties hierbij betrokken? Is het de bedoeling dat het college van toezicht tot een interne taakverdeling komt? Is het bijvoorbeeld denkbaar dat het college vijf leden krijgt, waarbij ieder lid belast is met onderhouden van de contacten met één bepaalde collectieve beheersorganisatie?

Het onderhavige artikel bevat in het eerste lid de regel dat het college van toezicht bestaat uit «drie of meer personen». De leden van de D66-fractie vragen zich met de Raad van State af, of het dan niet beter is meteen te bepalen dat het college voor de vijf organisaties uit minstens vijf personen bestaat.

Volgens het tweede lid kunnen de leden de taken onderling verdelen. Is het niet beter verdeling voor te schrijven en daarbij ook te bepalen dat de taken rouleren? Daarmee wordt volgens deze leden tenminste inhoud gegeven aan de wens die in de toelichting wordt geuit dat voorkomen wordt dat «een al te sterke en uitsluitende identificatie met (een) organisatie» optreedt.

Artikel 9

De leden van de CDA-fractie kunnen zich vinden in de bevoegdheden van de minister van Justitie in geval het college, dan wel een lid daarvan, zijn taken verwaarloost. Dit vereist echter dat de minister kennis krijgt van het functioneren van het college. Hoe komt de minister tot zijn oordeel? Met andere woorden, hoe controleert de minister de controleur? Krijgt hij inzage in de besluiten? Hoe kunnen leden van het college bezwaar maken tegen een besluit van de minister als bedoeld in artikel 9 derde lid?

Artikel 10

De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze het college bezwaar kan maken tegen een besluit als bedoeld in artikel 10.

Artikel 11

De wet voorziet in de benoeming van één secretaris. De regering gaat er van uit dat één functionaris gedurende één dag per week dit secretariaat uitoefent. Is dat wel haalbaar, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Alleen al de informatie die de vijf organisaties naar het college sturen lijkt een behoorlijk pak papier te kunnen vormen. Hoe is de ondersteuning van de huidige vijf toezichtsorganen geregeld?

Artikel 14

De leden van de VVD-fractie stemmen in met het voornemen om vertegenwoordigers van betalingsplichtigen tenminste eenmaal per jaar te horen. Hoe stelt de regering dit voor met betalingsplichtigen die niet zijn georganiseerd?

Artikel 16

De leden van de CDA-fractie vragen de regering nader in te gaan op de wijziging van artikel 30a, vijfde lid, van de Auteurswet 1912. Is het de bedoeling dat een nieuwe AMvB tot stand wordt gebracht? Zo ja, welke wijzigingen zullen hierin komen, ten opzichte van de bestaande AMvB op basis van het huidige artikel 30a, vijfde lid?

De voorzitter van de commissie,

Swildens-Rozendaal

De griffier voor dit verslag,

Stahlie


XNoot
1

Samenstelling Leden: Swildens-Rozendaal (PvdA), voorzitter Van de Camp (CDA), Biesheuvel (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Zijlstra (PvdA), Apostolou (PvdA), Middel (PvdA), Van Heemst (PvdA), Dittrich (D66), Rabbae (GroenLinks), Van Oven (PvdA), Kamp (VVD), ondervoorzitter Rouvoet (ChristenUnie), O.P.G. Vos (VVD), Passtoors (VVD), Van Wijmen (CDA), De Wit (SP), Ross-van Dorp (CDA), Niederer (VVD), Nicolaï (VVD), Halsema (GroenLinks), Weekers (VVD), Van der Staaij (SGP), Wijn (CDA) en Vacature (PvdA).

Plv. leden: Wagenaar (PvdA), Balkenende (CDA), Cörüz (CDA), Van Vliet (D66), Duijkers (PvdA), Kuijper (PvdA), Albayrak (PvdA), Barth (PvdA), Hoekema (D66), Karimi (GroenLinks), Santi (PvdA), ondervoorzitter Luchtenveld (VVD), Slob (ChristenUnie), Van den Doel (VVD), Rijpstra (VVD), Rietkerk (CDA), Marijnissen (SP), Buijs (CDA), Van Baalen (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Vacature (GroenLinks), De Vries (VVD), Van Walsem (D66), De Pater-van der Meer (CDA) en Arib (PvdA).

Naar boven