Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal2000-200127746 nr. 5

27 746
Wijziging van enkele belastingwetten (herstel van enige onjuistheden)

nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 20 juni 2001

I. ALGEMEEN

1. Inleiding

Allereerst wil ik de leden van de diverse fracties dank zeggen voor hun inbreng op het voorliggende wetsvoorstel.

De leden van de voornoemde fracties van VVD, CDA en D66 vragen in het bijzonder aandacht voor de twee aandachtspunten die de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (hierna: de Orde) in haar brief aan de Vaste Kamercommissie voor Financiën, d.d. 1 juni 2001 noemt. Daarnaast vragen de leden van de fractie van het CDA een reactie op de brief van Ernst & Young Belastingadviseurs van 1 juni aan uw commissie. Mijn reactie is verwerkt in de reactie op vragen van de drie fracties.

De leden van de CDA-fractie betreuren het dat ik in het nader rapport niet verder ingegaan ben op – zoals deze leden noemen – onvolkomenheden die iets minder technisch van aard zijn. Zij verwijzen hiertoe naar de ruime werking van artikel 5.3, derde lid, onderdeel a van de Wet inkomstenbelasting 2001 en het commentaar van de Orde op de surtax. Aan beide genoemde onderwerpen zal ik in de artikelsgewijze toelichting nader aandacht besteden. De leden van de CDA-fractie respecteren het feit dat ik thans op meer beleidsmatige aspecten niet inga. Wel zijn de leden van de CDA-fractie van mening dat gevoelens uit de samenleving thans nog te veel genegeerd worden.

Zoals ik ook in de memorie van toelichting en het nader rapport heb aangegeven, betreft het voorliggend wetsvoorstel slechts een herstel van technische omissies en onjuistheden in de betreffende wetten. Dit is dan ook naar mijn mening niet de plaats om te discussiëren over meer beleidsmatige kritiekpunten. Dat wil evenwel niet zeggen dat voor mij de opmerkingen van de Raad van State niet waardevol zouden zijn. Met de opmerking van de CDA-fractie dat gevoelens vanuit de samenleving thans nog te veel worden genegeerd ben ik het niet eens. Signalen uit de maatschappij worden door mij zeer serieus genomen. De meeste knelpunten zijn overigens tijdens de parlementaire behandeling uitvoerig aan de orde geweest. Daarnaast wordt voor diverse gesignaleerde knelpunten aan oplossingen gewerkt. Ik verwijs hiertoe bijvoorbeeld naar mijn brief aan uw commissie van 22 mei en ons overleg van 29 mei jongstleden.

2. Herstel van technische omissies

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat het voorliggend wetsvoorstel niet slechts maatregelen bevat die technisch van aard zijn. Zij noemen daarbij als voorbeelden de wijzigingen in de artikelen 2.5 («ter voorkoming van misverstanden»), 2.17 (bewerkstelligen van een gelijke behandeling) en 4.17 («om a-contrario redeneringen te voorkomen»). Daarnaast stellen de fracties van VVD, CDA en D66 dat er ook belastingverzwarende maatregelen in het wetsvoorstel opgenomen zijn. Op deze laatste opmerking van de drie fracties kom ik later terug.

De drie voorbeelden die de leden van de CDA-fractie noemen zijn naar mijn oordeel wel degelijk aanpassingen van technische omissies waarmee geen inhoudelijke wijziging van de regelingen is beoogd. Ter toelichting zal ik op de door de CDA-fractie genoemde voorbeelden ingaan.

Ter zake van artikel 2.5 merk ik het volgende op. Krachtens dit artikel kunnen buitenlands belastingplichtigen ervoor kiezen om voor toepassing van de Wet inkomstenbelasting 2001 de regels voor binnenlands belastingplichtigen toe te passen. Uit de huidige opzet van de wet blijkt al dat deze keuze niet geldt voor de zogenoemde emigratieheffingen. Om misverstanden te voorkomen was in het tweede lid reeds een aantal van deze emigratieheffingen benoemd. Gebleken is echter dat een aantal emigratieheffingen niet in het tweede lid opgenomen was. In voorliggend wetsvoorstel zijn drie emigratieheffingen volledigheidshalve alsnog aan het tweede lid toegevoegd. De regeling is hiermee niet inhoudelijk veranderd, slechts is een omissie gecorrigeerd. Dat deze correctie mede «ter voorkoming van misverstanden» is opgenomen doet aan haar karakter – anders dan de leden van de CDA-fractie suggereren – niets af.

Ter zake van artikel 2.17 merken de leden van de CDA-fractie op dat het doel is om «gelijke behandeling te bewerkstelligen». Deze opmerking maken deze leden inzake de wijziging van het eerste, vijfde en zesde lid. Met betrekking tot de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen was in de huidige wettekst geregeld dat deze alleen vrijelijk toe te rekenen zijn tussen de partners indien de belastingplichtige gedurende het gehele dezelfde partner heeft gehad. Bij partnerschap gedurende een deel van het jaar kan de belastingplichtige volgens het zesde lid alsnog kiezen behandeld te worden alsof hij het gehele jaar die partner heeft gehad. Ter zake van bestanddelen van de rendementsgrondslag is bij de huidige wettekst onduidelijk of het zesde lid ook van toepassing is. Met andere woorden kunnen belastingplichtigen die gedurende een deel van het jaar partner geweest zijn er samen voor kiezen om het gehele jaar als partner aangemerkt te worden en als gevolg daarvan de bestanddelen van de rendementsgrondslag vrijelijk onder elkaar te kunnen verdelen. Om aan deze onduidelijkheid een eind te maken is ervoor gekozen dat het zesde lid ook van toepassing is ter zake van de bestanddelen van de rendementsgrondslag.

Ter zake van artikel 4.17. merk ik het volgende op. In artikel 4.16, eerste lid, onderdeel f, is bepaald dat indien tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen of winstbewijzen worden ingebracht in het vermogen van een onderneming van de aanmerkelijkbelanghouder, zij geacht worden te zijn vervreemd. Tevens is sprake van een fictieve vervreemding indien de aandelen bij hem tot het resultaat van een werkzaamheid gaan behoren. Deze toevoeging vond plaats bij de eerste nota van wijziging op het wetsvoorstel Wet inkomstenbelasting 2001. In artikel 4.17 staat in welke gevallen er geen sprake is van een fictieve vervreemding. Uitzondering hierop is het geval dat de aandelen tot het ondernemingsvermogen gaan behoren. Beoogd is dat ook het gaan behoren van de aandelen tot een resultaat uit overige werkzaamheden daaronder valt. Abusievelijk is deze toevoeging echter niet in artikel 4.17 opgenomen. De artikelen 4.16 en 4.17 corresponderen daardoor niet geheel met elkaar. Met de voorgestelde aanpassing worden de artikelen 4.16 en 4.17, conform de bedoeling van de regeling, weer met elkaar in evenwicht gebracht.

3. Terugwerkende kracht

De leden van de fracties van de VVD, het CDA en D66 stellen een vraag over de terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2001 die aan artikel I, onderdelen A, D, L, M en N, artikel III, onderdeel C, en artikel IV wordt verleend.

Bij het verlenen van terugwerkende kracht aan deze bepalingen heb ik, het volgende overwogen. Artikel I, onderdeel A, is niet aan te merken als belastende bepaling omdat ook al uit de opzet van de Wet IB 2001 volgt dat het opteren voor de regels voor binnenlandse belastingplichtigen niet geldt indien zogenoemde emigratieheffingen van toepassing zijn. Aan deze bepaling kan dan ook terugwerkende kracht worden verleend. Artikel I, onderdeel D, dient ter verduidelijking en komt daarmee de rechtszekerheid ten goede. Er is, wat betreft het eerste tot en met derde lid (artikel 2.17, eerste en vijfde lid, van de Wet IB 2001), geen sprake van een belastende bepaling. Het verlenen van terugwerkende kracht aan het vierde lid (artikel 2.17, zesde lid nieuw, van de Wet IB 2001) is wat betreft de eventuele manipulaties, waarop in de memorie van toelichting wordt gedoeld, geen probleem omdat deze zich pas in de kalenderjaren 2002 en verder zouden kunnen voordoen. Alleen voor gehuwden die onder het overgangsrecht inzake de negatieve persoonsgebonden aftrek (hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel Ua, van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001) vallen, zou het vierde lid (artikel 2.17, zesde lid nieuw, van de Wet IB 2001) als belastend kunnen worden aangemerkt. Het verlenen van terugwerkende kracht aan dit lid is nodig om een onbedoeld en ongerechtvaardigd voordeel voor deze belastingplichtigen te voorkomen. Tevens is het verlenen van terugwerkende kracht aanvaardbaar omdat sprake is van een voor deze belastingplichtigen evidente omissie, waarvan de reparatie voorzienbaar was. Artikel I, onderdeel L, is niet aan te merken als een belastende bepaling. Van meet af aan is duidelijk geweest dat artikel 3.133, tweede lid, onderdeel g, van de Wet IB 2001 betrekking heeft op alle in artikel 3.126 van die wet genoemde verzekeraars. Het toekennen van terugwerkende kracht aan artikel I, onderdelen M en N, en artikel III, onderdeel C, is nodig om te voorkomen dat een ongewenste ongelijke behandeling ontstaat tussen enerzijds de belastingplichtigen die nog snel van de omissies gebruik maken en anderzijds de belastingplichtigen die dat niet kunnen of willen. Tevens is het verlenen van terugwerkende kracht aan deze bepalingen aanvaardbaar omdat sprake is van voor belastingplichtigen kenbare evidente omissies, waarvan de reparatie voorzienbaar was. Van artikel IV zou slechts de eerstvoorgestelde wijziging van artikel 4c, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de dividendbelasting 1965, als belastend kunnen worden aangemerkt. Omwille van een rechtvaardige belastingheffing is snel ingrijpen geboden omdat deze voor belastingplichtigen evidente omissie tot duidelijk onbedoelde gevolgen zou leiden. Immers het beoogde doel van de gefacilieerde inkoop, een «inkrimping» van het kapitaal, zou bij een kapitaalvergroting in het jaar van de inkoop zelf, voorafgaande aan de inkoop, niet worden bereikt. Ook de reparatie van deze omissie was voorzienbaar.

Bij het overwegen van het al dan niet verlenen van terugwerkende kracht aan de hiervoor genoemde bepalingen heb ik de notitie inzake terugwerkende kracht en eerbiedigende werking (Kamerstukken II 1996/97, 25 212, nr. 1) als richtsnoer genomen. Ook na heroverweging ben ik van mening dat, hoewel sommige bepalingen als belastend aan te merken zijn, het aanvaardbaar is dat aan de genoemde bepalingen terugwerkende kracht wordt verleend, temeer daar de Raad van State in zijn advies geen opmerkingen hieromtrent heeft gemaakt. Ten slotte merk ik op dat met het verlenen van terugwerkende kracht kan worden bereikt dat de belastingherziening 2001 met ingang van 1 januari 2001 een zo zuiver mogelijke start krijgt.

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel I, onderdeel C (artikel 2.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

De leden van de CDA-fractie merken op dat buitenlandse belastingplichtigen die voor de behandeling als binnenlands belastingplichtigen kiezen ook recht hebben op heffingskortingen. Naar aanleiding van de vraag of hierover overleg is gevoerd met de Vereniging van Europese grensarbeiders, zij er opgewezen dat een vertegenwoordiger van de Vereniging Europese grenslandbewoners deel heeft uitgemaakt van de Commissie grensarbeiders. Deze Commissie heeft onder meer in een deelrapportage van 23 augustus 2000 aandacht besteed aan de inkomensgevolgen die grensarbeiders ondervinden van de tariefmaatregelen in de Wet inkomstenbelasting 2001.

Van de zijde van de Duitse of de Belgische overheid hebben ons geen signalen bereikt dat zij minder gelukkig zouden zijn met de Nederlandse regeling voor de heffingskortingen.

De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat dit onderdeel budgettaire consequenties heeft. Zij vragen of ten gevolge van deze maatregel in de toekomst meer heffingskortingen verstrekt zullen worden.

De leden van de CDA-fractie willen weten of de mogelijkheid dat buitenlands belastingplichtigen er voor kunnen kiezen om aangemerkt te worden als binnenlands belastingplichtigen er toe leidt dat er in de toekomst meer heffingskortingen verstrekt zullen worden. Er zullen naar verwachting meer buitenlands belastingplichtigen opteren voor deze regeling dan voorheen het geval was onder de 90%-regeling. Hierdoor zullen er meer heffingkortingen worden verstrekt. De budgettaire consequenties zullen naar verwachting gering zijn.

De leden van de CDA-fractie zijn voorts benieuwd naar de wijze waarop de fiscus in het buitenland bekendheid gaat geven aan deze maatregel.

De Belastingdienst heeft onlangs aan alle buitenlandse belastingplichtigen een brief gestuurd waarin de nieuwe regeling op hoofdlijnen wordt uitgelegd. Daarbij is gewezen op de mogelijkheid om een brochure aan te vragen met een uitgebreidere toelichting. Meer algemeen besteedt de Belastingdienst via het zogeheten buitenlandloket op internet aandacht aan de keuzemogelijkheid voor binnenlandse belastingplicht. Dit buitenlandloket wordt aan het eind van het jaar uitgebreid met een rekenmodule op basis waarvan de belastingplichtige kan bepalen wat de fiscale gevolgen zijn van zijn keuze.

Artikel I, onderdeel J (artikel 3.116 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

De leden van de fractie van de VVD vragen of ik mij realiseer dat bij de verzekeraars nog veel polissen liggen te wachten die bedoeld zijn als kapitaalverzekeringen eigen woning en die nog aan de huidige wettelijke vereisten aangepast dienen te worden. Daarnaast merken deze leden op dat het ministerie nog niet gereageerd heeft op een tekstvoorstel voor deze polissen dat het Verbond van Verzekeraars op 21 augustus 2000 heeft voorgelegd. Gevraagd wordt om deze genoemde clausule goed te keuren.

Het is mij bekend dat er bij de verzekeraars nog een groot aantal polissen ligt die aanpassing behoeven. Het ministerie heeft het tekstvoorstel van de betreffende polisclausule niet kunnen accorderen omdat het niet voldoet aan de Wet inkomstenbelasting 2001 zoals die op dit moment feitelijk luidt. Voorts wordt er nu in het voor de clausule relevante artikel 3.116 een wijziging voorgesteld. Deze wijziging houdt in dat het niet meer noodzakelijk zal zijn om de adresgegevens of de kadastrale gegevens van de betreffende eigen woning in de polis op te nemen. Deze wijziging is overigens mede op verzoek van het Verbond van Verzekeraars (hierna: Verbond) door mij voorgesteld. Op de vraag van deze leden of ik bereid ben de door het Verbond voorgestelde clausule goed te keuren kan ik op dit tijdstip nog niet ingaan. Ik zal spoedig overleg met het Verbond starten omtrent de inhoud van de clausule.

In aanvulling op de hiervoor behandelde vraag van de leden van de VVD-fractie inzake het schrappen van de eis dat de adresgegevens van de eigen woning in de polis opgenomen moeten worden, vragen de leden van de CDA-fractie voor deze aanpassing ook aandacht. De leden van de CDA-fractie vragen om een reactie op een brief van Ernst & Young belastingadviseurs aan uw Kamer van 1 juni jongstleden. Deze leden vragen of de conclusie juist is dat door de voorgestelde wijziging veel kapitaalverzekeringen niet meer kunnen kwalificeren voor box III en daarmee voor de vrijstelling van hoofdstuk 2, onderdeel AN van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Voorts vragen deze leden of dit effect is beoogd en of er geen sprake is van het ten onrechte toepassen van terugwerkende kracht.

In artikel 3.116 is een aantal eisen opgenomen inzake de kapitaalverzekering eigen woning. Zo moet op grond van het tweede lid, onderdeel a, duidelijk zijn dat de uitkering uit de polis is bedoeld ter aflossing van schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning als bedoeld in artikel 3.111. Voorts dient de polis gekoppeld te zijn aan de eigen woning. Mede daarom was in het tweede lid, onderdeel e, opgenomen dat de eigen woning in de polis exact aangeduid wordt. Mede op verzoek van het Verbond heb ik voorgesteld deze bepaling aan te passen.

Naar aanleiding van mijn voorstel heeft Ernst & Young belastingadviseurs een brief aan uw Kamer gezonden. In deze brief wordt gesteld dat indien een kapitaalverzekering voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.116 de polis automatisch een kapitaalverzekering eigen woning wordt. Met andere woorden, een expliciet verzoek is hiertoe niet nodig. Deze conclusie is, naar mij thans is genleken, correct. Vervolgens wordt er in de brief van uitgegaan dat voor 14 september 1999 afgesloten polissen veelal niet aan de huidige voorwaarden zullen voldoen op grond van hetgeen thans in het tweede lid, onderdeel e, is bepaald, namelijk dat het adres of de kadastrale gegevens van de woning in de polis dienen te worden opgenomen. Doordat voorgesteld is deze eis te laten vervallen zouden deze polissen automatisch aan de voorwaarden van artikel 3.116 kunnen voldoen. Met name bevatten deze polissen veelal reeds – op last van de geldverstrekker – een bepaling dat de begunstigde de uitkering zal aanwenden ter aflossing van de schulden die zijn aangegaan ter verwerving van de eigen woning. Met andere woorden, door het niet meer eisen dat de adresgegevens van de woning in de polis moeten worden opgenomen, zouden deze polissen direct kwalificeren als kapitaalverzekeringen eigen woning en dus in box I belast worden. Door middel van het al dan niet opnemen in de polis van de adresgegevens van de eigen woning kon de belastingplichtige sturen of een polis in box I of box III belast zou gaan worden. Als gevolg van de voorgestelde wijziging van het tweede lid, onderdeel e, zou de verzekeringnemer dus geen keuzemogelijkheid meer hebben om de polis niet aan de eigen woning te koppelen (box I), maar in box III onder te brengen. Overigens zou dit niet alleen gelden voor op 14 september 1999 bestaande polissen, maar ook voor polissen die na 14 september 1999 zijn afgesloten. Deze laatste categorie polissen kan echter de vrijstelling (hoofdstuk 2, onderdeel AN van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001) in box III niet deelachtig worden.

De conclusie die Ernst & Young belastingadviseurs in haar brief weergeeft zou inderdaad uit de letterlijke wettekst getrokken kunnen worden. Deze werking is niet door mij beoogd. Om op dit punt echter geen onzekerheden te laten bestaan stel ik voor het tweede lid nader aan te passen. Ik verwijs hiertoe naar de nota van wijziging. Omdat ook na de wijziging zoals ik die in nota van wijziging zal opnemen op grond van het tweede lid aan de polissen een nieuwe clausule toegevoegd zal moeten worden om te kwalificeren als kapitaalverzekering eigen woning, heeft de belastingplichtige nog steeds een sturingsmechanisme in handen om een polis in box I of box III onder te brengen en zo de vrijstelling van hoofdstuk 2, onderdeel AN van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, deelachtig te kunnen worden. Met deze wijziging zal ook de door deze leden gevreesde lastenverzwaring met terugwerkende kracht niet optreden.

Artikel I, onderdeel Q (artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

Zowel de leden van de fractie van het CDA als de leden van de fractie van D66 gaan in op de voorgestelde wijziging van artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Met genoegen constateer ik dat de leden van de fractie van D66 het voorstel om heffings- en invorderingsrente niet in aanmerking te nemen bij het bepalen van de grondslag waarover de vermogensrendementsheffing wordt berekend steunen. Wel vragen deze leden in dat verband of zij uit de in het Nader rapport opgenomen reactie op de opmerking van de Raad van State dat artikel 5.3 een te ruime werking heeft, kunnen afleiden dat het kabinet voornemens is om op een later moment een wijziging voor te bereiden die er op neer zou komen dat de verplichting tot het betalen van successierecht toch van de rendementsgrondslag zou mogen worden afgetrokken. Ook de leden van de fractie van het CDA hebben in dit verband enkele vragen gesteld. Zo vragen deze leden of ik – nu ik in het Nader rapport niet inhoudelijk ben ingegaan op de opmerking van de Raad van State dat artikel 5.3 een te ruime werking zou hebben – voornemens ben in een andere context op dit commentaar te reageren. Daarnaast vragen deze leden of mijn in het Nader rapport opgenomen antwoord dat ik de opmerkingen van de Raad van State ter harte zal nemen, kan preciseren. Naar aanleiding van deze vragen merk ik het volgende op.

In artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 is (onder meer) geregeld dat bij het bepalen van de rendementsgrondslag geen rekening wordt gehouden met belastingaanslagen. Zoals in het artikelsgewijze deel van de memorie van toelichting is aangegeven, is het in het verlengde daarvan wenselijk om ook de heffingsrente, revisierente en invorderingsrente die op deze belastingaanslagen betrekking heeft, buiten beschouwing te laten. Doorslaggevende overweging bij het opnemen van deze bepaling in artikel 5.3 is geweest dat zonder een dergelijke maatregel het bepalen van de omvang van de rendementsgrondslag onnodig complex zou worden. Dit heeft te maken met het feit dat vanuit het oogpunt van uitvoering lastig zou zijn om op de peildata de precieze omvang van belastingvorderingen enerzijds en belastingschulden anderzijds, beide zowel in materiële, formele en latente zin, vast te stellen. Daar zou nog bijkomen dat ingeval rekening zou worden gehouden met een belastingvordering of een belastingschuld die betrekking heeft op de inkomstenbelasting zelf, in bepaalde gevallen twee elkaar wederzijds beïnvloedende grootheden zouden ontstaan (de nog te betalen of te ontvangen inkomstenbelasting die betrekking heeft op het kalenderjaar waarover de rendementsgrondslag wordt berekend, zou dan de omvang van de rendementsgrondslag beïnvloeden, hetgeen op zich weer zou leiden tot een iets hoger of lager bedrag aan te betalen of te ontvangen inkomstenbelasting over dat kalenderjaar, hetgeen dan weer zou doorwerken op de rendementsgrondslag, enzovoort). Dit laatste zou tot een vrijwel onoplosbaar probleem leiden. Tegen deze achtergrond bezien is er voor gekozen om belastingaanslagen buiten beschouwing te laten. Daarbij is gekozen voor een evenwicht in de benadering zodat deze voor bezittingen en voor schulden gelijk uitwerkt; bij het bepalen van de rendementsgrondslag worden zowel belastingvorderingen als belastingschulden genegeerd.

In het Nader rapport heb ik aangegeven dat het onderhavige wetsvoorstel vooral een technisch karakter heeft en dat ik het in verband daarmee niet nodig acht om op dit punt wijzigingen voor te stellen. Daarbij heb ik tevens kenbaar gemaakt dat ik de opmerkingen van de Raad van State omtrent de te ruime werkingssfeer van deze bepaling ter harte neem. Met deze laatste opmerking heb ik vooral tot uitdrukking willen brengen dat ik de argumentatie voor de invalshoek van de Raad van State begrijp. Ik heb daarmee echter niet bedoeld aan te geven, dit ten antwoord op de vraag van de leden van de fractie van D66, dat ik reeds concrete plannen heb om deze bepaling te wijzigen. Het zoveel mogelijk beperken van administratieve lasten en uitvoeringslasten voor zowel burgers als belastingdienst is voor mij een zwaarwegend punt. Vanuit dat perspectief bezien lijkt het mij thans niet opportuun om de reikwijdte van de bepalingen omtrent het negeren van belastingvorderingen en belastingschulden aan te passen. Ik voeg daar nog aan toe dat de uitwerking van de desbetreffende bepalingen op zichzelf bezien evenwichtig is; het negeren van belastingschulden kan nadelig zijn voor belastingplichtigen maar daar staat tegenover dat het negeren van belastingvorderingen voordelig kan zijn voor belastingplichtigen.

Artikel I, onderdeel R (artikel 5.16 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

De leden van de CDA-fractie vragen waarom de staatssecretaris de vrijstelling cultureel beleggen aanvankelijk uitwerkte in een Amvb en daarbij welbewust afweek van de figuur die al gekozen was voor de vrijstelling voor maatschappelijke beleggingen.

De vrijstelling cultureel beleggen is via gewijzigd amendement Giskes c.s. bij het Belastingplan 2001 gevoegd in de Wet inkomstenbelasting 2001 (kamerstukken II 2000/2001, 27 431, nr. 30). De indieners van het amendement hebben er voor gekozen de vrijstelling cultureel beleggen nader uit te werken in een Amvb. Hiermee werd vanwege vooral aanstondse eenvoud van het amendement afgeweken van de structuur zoals deze geldt voor de maatschappelijke beleggingen en de overige beleggingen in durfkapitaal. Van een welbewuste afwijking van mijn kant van de figuur die al gekozen was voor de vrijstellingen voor maatschappelijke beleggingen is geen sprake. Mede vanuit het oogpunt van eenduidige wetgeving verdient nu meer tijd beschikbaar is een meer gedetailleerde uitwerking van de vrijstelling sociaal-ethisch beleggen in de wet, overeenkomstig het advies van de Raad van State, de voorkeur.

De leden van de CDA-fractie vragen wanneer de nadere regelgeving inzake de culturele beleggingen wordt opgesteld. Voorts verzoeken deze leden en de leden van de D66-fractie de staatssecretaris de nadere regelgeving ter goedkeuring aan de Kamer voor te leggen.

In mijn brief van 25 april 2001 aan de voorzitter van de vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer heb ik medegedeeld dat ik direct na de zomer de Kamer zal informeren over de uitwerking van de ministeriële regeling culturele projecten, zodat de vrijstelling cultureel beleggen nog dit jaar geëffectueerd kan worden. Daarnaast zeg ik toe dat de nieuwe ministeriële regeling inzake culturele projecten vooraf aan de Kamer ter goedkeuring wordt voorgelegd.

De leden van de CDA-fractie vragen of de Nederlandse literatuur buiten het kader valt van de Nederlandse cultuur. Voorts vragen deze leden hoe de staatssecretaris staat tegenover culturele tentoonstellingen, die buiten de officiële musea gehouden worden. Met andere woorden, hoe denkt de staatssecretaris een objectieve lijn te kunnen trekken?

In overeenstemming met het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen is de vrijstelling cultureel beleggen omschreven als projecten die in het belang zijn van de Nederlandse podiumkunsten, de Nederlandse film of de Nederlandse musea. Voor deze formulering is gekozen om de reikwijdte van de regeling duidelijk te kunnen aangeven. De Nederlandse literatuur valt inderdaad buiten het bereik van de regeling. Overigens zal ook de Nederlandse film buiten het bereik van de regeling vallen omdat voor de Nederlandse film een aparte regeling wordt geïntroduceerd in de vorm van een filminvesteringsaftrek. Aanpassing van de vrijstelling cultureel beleggen op dit punt zal plaatsvinden in het wetgevingsproces van het wettelijke pakket aan maatregelen voor de film.

Een gedetailleerde uitwerking per onderdeel moet nog plaatsvinden in de ministeriële regeling cultuur projecten en zal gebeuren in overleg met het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. In die ministeriële regeling wordt aan de hand van objectieve maatstaven nauwkeurig omschreven wat onder podiumkunsten en musea in dit kader moet worden verstaan om te kunnen kwalificeren als cultureel project. Het is niet de bedoeling culturele tentoonstellingen die buiten het officiële museumbegrip vallen uit te sluiten als cultureel project. Het gaat dan om tentoonstellingen die aanmerking kunnen komen voor een subsidie op grond van de Wet Specifiek Cultuurbeleid en/of culturele tentoonstellingen die worden gesubsidieerd door fondsen die ressorteren onder de Wet Specifiek Cultuurbeleid.

De leden van de CDA-fractie vragen naar de voortgang van de ministeriële regeling omtrent de vrijstelling inzake sociaal-ethische beleggingen.

Inmiddels heeft met het oog op een raamwerk reeds enige malen constructief overleg plaatsgevonden met het ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking over de regeling sociaal-ethische projecten. Afgesproken is dat dit raamwerk voor de regeling sociaal-ethische projecten als basis kan dienen voor een verdere uitwerking van de regeling. Onze inspanningen zijn er daarbij op gericht om in het vierde kwartaal tot een afronding te komen. Ik zal over de planning ter zake – zoals ik tijdens het overleg van 29 mei jl. heb toegezegd – terugkomen bij het Belastingplan 2002.

Artikel I, onderdeel X (artikel 8.7 van de Wet inkomstenbelasting 2001)

De leden van de CDA-fractie stellen een vraag over de toepassing van artikel 8.7 Wet IB 2001. In de Veegwet II is dit artikel aangepast voor de heffingskortingen voor maatschappelijke beleggingen en beleggingen in durfkapitaal. Door toepassing van de artikelen 8.3 tot en met 8.6 Wet IB 2001 hadden belastingplichtigen die geen recht hadden op AOW minder geldelijk voordeel van de heffingskortingen dan belastingplichtigen die wel verzekerd waren.

De leden van de CDA-fractie betreuren het ten zeerste dat belastingplichtigen die niet verzekerd zijn voor de AOW wél en belastingplichtigen die niet verzekerd zijn voor de ANW en AWBZ, niet gecompenseerd worden voor dit geldelijke nadeel. Verder merken zij op dat het argument dat het gaat om een relatief gering aantal belastingplichtigen, geen hout snijdt In de Memorie van Toelichting is opgemerkt dat het aantal belastingplichtigen waarbij het genoemde nadeel zich zou voordoen relatief gering is. Verder is aangegeven dat bij het aanpassen van het systeem van heffingskortingen in die zin dat voor alle heffingskortingen geldt dat die worden aangepast indien een belastingplichtige voor een van de volksverzekeringen niet verzekerd is, het systeem ingewikkelder zou worden.

Het genoemde nadeel doet zich voor in gevallen van belastingplichtigen die niet verzekerd zijn voor de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Nabestaandenwet en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Voor die volksverzekeringen geldt dat de kring van verzekerden bestaat uit de ingezetenen en de niet-ingezetenen die ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting zijn onderworpen. Praktisch komt het er op neer dat alle Nederlanders verzekerd zijn. Echter, slechts bij de AOW is een leeftijdsgrens opgenomen. Vanaf het bereiken van de 65-jarige leeftijd zijn belastingplichtigen niet meer verzekerd, waardoor een groot aantal belastingplichtigen niet meer verzekerd is. Bij de ANW en de AWBZ is geen leeftijdgrens opgenomen waardoor slechts een heel beperkt aantal belastingplichtigen niet verzekerd is, zeker in vergelijking met het aantal belastingplichtigen dat niet verzekerd is voor de AOW. Daarbij komt dat die belastingplichtigen recht moeten hebben op een heffingskortingen voor maatschappelijk beleggingen en beleggingen in durfkapitaal.

Ondanks de geringe aantallen belastingplichtigen die nog nadeel ondervinden na aanpassing van artikel 8.7 zou overwogen kunnen worden het systeem in die zin aan te passen dat in het algemeen het niet verzekerd zijn voor de volksverzekeringen geen invloed heeft op de heffingskortingen voor maatschappelijke beleggingen en beleggingen in durfkapitaal. Een dergelijke aanpassing zou echter het systeem van de heffingskortingen ingewikkelder maken. Daarbij komt dat artikel 8.7 op eenvoudige wijze zodanig kan worden aangepast dat voor de grootste groep belastingplichtigen die het genoemde nadeel ondervonden, het nadeel kan worden weggenomen.

Derhalve is, uit oogpunt van wetgevingsefficiëntie en in samenhang met het uiterst geringe aantal belastingplichtigen die na aanpassing van artikel 8.7 nog nadeel ondervinden, ervoor gekozen om in artikel 8.7 slechts voor de belastingplichtigen die niet verzekerd zijn voor de AOW een tegemoetkomende aanpassing op te nemen. Voorts heeft een dergelijke brede aanpassing een principieel karakter, hetgeen het bereik van deze Veegwet te buiten gaat. Volstaan is met de reeds aan de Kamer toegezegde aanpassing. Op deze problematiek zal in het brede kader van de fiscale verkenningen nog worden teruggekomen.

Artikel II, onderdeel E (artikel 31 van de Wet Loonbelasting 1964)

De leden van de fractie van het CDA voorzien problemen indien aan werknemers opties op aandelen in een buitenlandse moeder worden verstrekt. De buitenlandse moeder is geen inhoudingsplichtige.

Deze problemen voorzie ik niet. Ingevolge artikel 31, achtste lid Wet LB in combinatie met artikel 10a, zesde lid, Wet LB geldt de vrijstelling voor spaarloon in de vorm van aandelenoptierechten ook indien deze aandelenoptierechten het recht geven om een of meer aandelen in een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap te verwerven. Een moedermaatschappij met een belang van ten minste een derde gedeelte in de inhoudingsplichtige is ingevolge artikel 10a, zevende lid Wet LB aan te merken als een met de inhoudingsplichtige verbonden lichaam. Dit geldt ook voor een buitenlandse moedermaatschappij. De vrijstelling is derhalve ook op deze situaties van toepassing.

De leden van de fractie van het CDA vragen voorts waarom de budgettaire dekking voor de verhoging van de vrijstelling voor spaarloon indien het spaarloon wordt genoten in de vorm van aandelen in de inhoudingsplichtige of in een met hem verbonden vennootschap, in de vorm van het vervallen van het nihiltarief voor dergelijk spaarloon nog niet is geregeld.

Als budgettaire dekking voor de verruiming van de spaarloonregeling ingeval gespaard wordt in de vorm van aandelen in de inhoudingsplichtige of een met hem verbonden vennootschap zou het nihiltarief voor dergelijk spaarloon vervallen en worden vervangen door een tarief van 15%. Het vervallen van dit nihiltarief was nog niet volledig geregeld. De uitzondering die was opgenomen in artikel 31, derde lid, onderdeel c, onder ten eerste was wel al ongedaan gemaakt. Hierbij is echter over het hoofd gezien dat ook de specifieke bepaling van onderdeel d van het derde lid diende te vervallen. Dit is thans bij het onderhavige wetsvoorstel wel gebeurd in artikel II, onderdeel E (artikel 31 Wet op de loonbelasting 1964).

Artikel III, onderdeel G (Hoofdstuk 2, artikel IV, onderdeel B van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001)

De leden van de VVD-fractie stellen, met verwijzing naar de brief van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, een aantal vragen over de wijziging in artikel IV, onderdeel b van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001. Dit artikel betreft een overgangsmaatregel op grond waarvan additionele heffing van vennootschapsbelasting kan plaatsvinden over excessieve uitdelingen van winst.

Bij de beantwoording van de vragen wil ik voorop stellen dat het wetsvoorstel slechts een tweetal kleine wijzigingen bevat. Het betreft hier het herstellen van onevenwichtigheden in het artikel. De wijzigingen worden mede voorgesteld naar aanleiding van wensen die door het bedrijfsleven op deze punten zijn geuit.

De doelstelling en werking van de regeling alsmede de daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten staan in het onderhavige wetsvoorstel niet ter discussie en blijven ongewijzigd. In zijn algemeenheid geldt hiervoor hetgeen reeds is opgemerkt in de parlementaire stukken bij de behandeling van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001.

Ik kan mij niet vinden in de stelling in de brief van de Orde dat de heffing van de surtax onredelijk is te noemen, omdat deze zou worden geheven in gevallen waarin geen sprake is van claimverlies, onder andere omdat niet voldoende rekening zou worden gehouden met de kwaliteit van de aandeelhouders.

Onder het voormalige stelsel van heffing over inkomsten uit vermogen (Wet op de inkomstenbelasting 1964) rustte op de niet uitgedeelde winstreserves van een vennootschap een latente inkomstenbelastingclaim tot een maximaal tarief van 60%, voorzover in de vennootschap werd geparticipeerd door particuliere aandeelhouders. Met de inwerkingtreding van de Wet inkomstenbelasting 2001 zou deze claim per 1 januari 2001 ineens verloren gaan. De additionele heffing van vennootschapsbelasting is een overgangsregeling die niet tot doel heeft die claim alsnog te realiseren, maar bedoeld is om te voorkomen dat de winstreserves die onder het oude stelsel zijn opgebouwd niet ineens ongelimiteerd mogen worden uitgekeerd. De additionele uitkeringen die een vennootschap wenst te doen ten opzichte van zijn normale uitdelingsbeleid, dienen de eerste vijf jaren gematigd te zijn. Men heeft de mogelijkheid tot het doen van uitdelingen van winstreserves tot twee maal de gebruikelijke hoogte dan wel tot het bedrag van de commerciële jaarwinst van het voorafgaande boekjaar.

Het voorgaande betekent dat de heffing slechts in zeer bijzondere omstandigheden zal optreden, namelijk als een vennootschap overgaat tot uitdeling van winstreserves boven de in de regeling gestelde limieten. In dat geval wordt de heffing bovendien alleen opgelegd voorzover er aandeelhouders in de vennootschap participeren met een belang van minder dan 5%. Binnen concernverband zal men in zijn algemeenheid dus niet met de heffing worden geconfronteerd. Van de regeling zal dan ook met name een preventief effect uitgaan. In het commentaar van de Orde blijft dit aspect onderbelicht.

Dat er goede redenen zijn voor de regeling, blijkt overigens inmiddels uit de opbrengsten dividendbelasting over het eerste kwartaal van dit jaar, die aanzienlijk meer bedragen dan het jaar daarvoor over dezelfde periode. Dit vormt een indicatie dat van de inwerkingtreding van het nieuwe regime inderdaad een impuls is uitgegaan voor het doen van extra winstuitdelingen. Door de regeling worden deze extra uitdelingen binnen de perken gehouden.

Ten slotte merkt de Orde op dat de in het wetsvoorstel opgenomen tegemoetkoming voor nieuw uitgegeven aandelen niet vergaand genoeg is, in het geval dat nieuwe aandelen worden uitgegeven aan een nieuwe aandeelhouder die daarmee een belang verwerft van meer dan 5 percent, omdat in die situatie geen sprake is van claimverlies.

In die situatie treedt er een gedeeltelijke verschuiving op van het belang bij de winstreserves van «oude» aandeelhouders naar «nieuwe» aandeelhouders. Voorzover de «oude» aandeelhouders een belang hebben van minder dan 5 percent, treedt er dan een verschuiving op van de winstreserves van «niet-kwalificerende aandeelhouders» (in de zin van het vierde lid) naar «wel-kwalificerende aandeelhouders». In die situatie zal de evenredige vermindering ten aanzien van de aandelen die worden gehouden door de nieuwe aandeelhouders pas van toepassing zijn nadat zij deze aandelen gedurende een periode van ten minste 3 jaar hebben gehouden.

De Staatssecretaris van Financiën,

W. J. Bos