nr. 6
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 september 2002
Graag bied ik u hierbij de informatie aan die ik toezegde tijdens het
plenair debat d.d. 25 september jl. inzake de ACS-EU Partnerschapsovereenkomst
van Cotonou.
De verdeelsleutel van de bijdragen die EU-lidstaten leveren aan het 9e
Europees Ontwikkelingsfonds is als volgt:
| | Miljoen € | in procenten |
|---|
| Frankrijk | 3 353,40 | 24,30 |
| Duitsland | 3 223,68 | 23,36 |
| VK | 1 751,22 | 12,69 |
| Italië | 1 730,52 | 12,54 |
| Spanje | 805,22 | 5,84 |
| Nederland | 720,36 | 5,22 |
| België | 540,96 | 3,92 |
| Zweden | 376,74 | 2,73 |
| Oostenrijk | 365,70 | 2,65 |
| Denemarken | 295,32 | 2,14 |
| Finland | 204,24 | 1,48 |
| Griekenland | 172,50 | 1,25 |
| Portugal | 133,86 | 0,97 |
| Ierland | 85,56 | 0,62 |
| Luxemburg | 40,02 | 0,29 |
| Totaal | 13 800,00 | 100% |
De Nederlandse bijdrage is als volgt tot stand gekomen.
Een Nederlandse bijdrage van 5,22% aan het 9e EOF is gebaseerd op de verdeelsleutel
zoals die bij vorige EOF's van toepassing is geweest. Deze verdeelsleutel
is ontstaan aan het eind van de jaren tachtig t.b.v. het 7e EOF en gecorrigeerd
voor toetreding van Zweden, Finland en Oostenrijk voor het 8e EOF. De Nederlandse
inzet tijdens de onderhandelingen over de verdeelsleutel voor het 9e EOF was
4,5%, omdat dit de Nederlandse BNP-sleutel binnen de EU was op dat moment.
De onderhandelingen over het 9e EOF raakten in een impasse; uiteindelijk
werd besloten de bestaande sleutel te handhaven. Momenteel is de Nederlandse
BNP-sleutel (inclusief VK compensatie) overigens gestegen tot 5,2%, waardoor
het destijds gebruikte argument tot verlaging van de Nederlandse bijdrage
nu niet meer van toepassing is.
De looptijd van het Intern Akkoord, waarin de bijdrage per Lidstaat vastgesteld
is, bedraagt vijf jaar. De goedkeuringsstukken m.b.t. het Intern Akkoord zullen
Uw Kamer op korte termijn worden toegestuurd.
Ten aanzien van de vraag betreffende de sanctiemogelijkheid bij het migratieartikel
(artikel 13) uit de ACS-EU Partnerschapsovereenkomst van Cotonou, geldt het
volgende:
Artikel 13 valt wat terug- en overnamebepalingen betreft uiteen in twee
delen.
Ten eerste is er een wederzijdse verplichting tussen ACS- en EU-landen
dat zij hun onderdanen die illegaal verblijven op het grondgebied van de andere
partij zullen terugnemen. Deze bepaling heeft een directe werking, en is op
dit moment al van toepassing, op grond van voorlopige inwerkingtreding van
het verdrag. Het instemmen met terugname is overigens een (her)bevestiging
van een internationaal – (gewoonterechtelijke) – verplichting.
Ten tweede komen de partijen overeen dat, op verzoek van één
van hen, onderhandelingen zullen starten over bilaterale verdragen waarin
specifieke details van terug- en overname kunnen worden vastgelegd. Bij overname
gaat het dan om onderdanen van derde landen en statenlozen.
Het zal niet nodig zijn met alle ACS-landen een terug- en overnameverdrag
te sluiten. Uit veel landen is helemaal geen sprake van toestroom van derdelanders
en statenlozen. Daarnaast verloopt de samenwerking op dit terrein in een aantal
gevallen al goed zonder verdrag.
Ten aanzien van het niet nakomen van verplichtingen voortvloeiend uit
de bepalingen van de Partnerschapsovereenkomst geldt in het algemeen, dat
dergelijke gevallen kunnen worden voorgelegd aan de EU-ACS Raad van Ministers.
Dit orgaan kan een geschil door middel van een bindend besluit beslechten
(zie artikel 98 van de Overeenkomst). In het uiterste geval kunnen de Europese
Gemeenschap en haar lidstaten – alsook de ACS-landen – gebruik
maken van de opzeggingsclausule van de Overeenkomst (artikel 99). Dit mechanisme
geldt ook voor de bepalingen inzake de terug- en overname van personen.
De Overeenkomst (getekend in juni 2000) bevat geen specifiek sanctiemechanisme
t.b.v. het niet naleven van de bepalingen inzake terug- en overname. De verdragen
die de EU tot nu toe met derde landen heeft gesloten, bevatten geen van alle
een dergelijk mechanisme. Het is een onderwerp dat pas zeer recent in Europees
kader aan de orde is geweest en tot veel discussie heeft geleid. Tijdens de
Europese Raad van Sevilla (21/22 juni 2002) werd voor het eerst over de relatie
tussen terug- en overnameclausules en mogelijke sancties gesproken. De Europese
Raad concludeerde het volgende:
«De Europese Raad onderstreept dat het belangrijk is om ervoor te
zorgen dat de landen van oorsprong en doorreis meewerken aan het gezamenlijk
beheer en de gezamenlijke controle van de buitengrenzen, en aan overname.
Onder die overname door derde landen valt ook de overname van hun eigen onderdanen
die illegaal in een lidstaat verblijven, alsmede, onder dezelfde voorwaarden,
de overname van onderdanen van derde landen waarvan kan worden vastgesteld
dat zij het betrokken land als doorreisland hebben gebruikt. De
samenwerking moet op korte en middellange termijn tot resultaten leiden. De
Unie is bereid de nodige technische en financiële bijstand te verlenen
om dit te verwezenlijken, waartoe de Europese Gemeenschap dan in het kader
van de financiële vooruitzichten de nodige middelen toegewezen moet krijgen.
De Europese Raad is van mening dat de betrekkingen met de derde landen
die niet meewerken aan de bestrijding van de illegale immigratie systematisch
moeten worden geëvalueerd. Met die evaluatie zal in de betrekkingen tussen
de Europese Unie en haar lidstaten en de betrokken landen op alle dienstige
gebieden rekening worden gehouden. Onvoldoende medewerking van een land kan
het verdiepen van de betrekkingen tussen het land in kwestie en de Unie bemoeilijken.
Als de bestaande communautaire regelingen niets hebben opgeleverd, kan
de Raad met eenparigheid van stemmen constateren dat een derde land ten onrechte
te weinig medewerking heeft verleend bij het gemeenschappelijk beheer van
de migratiestromen. In dat geval kan de Raad, overeenkomstig de bepalingen
van de verdragen, in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid
en op andere beleidsterreinen van de Europese Unie maatregelen of standpunten
vaststellen, met inachtneming van de door de Unie aangegane verbintenissen
en zonder dat de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking daarbij in
het gedrang komen.»
In het Strategisch Akkoord uit de regering haar wens en voornemen om ook
bilaterale afspraken te maken inzake terug- en overname. De regering is van
oordeel dat niet-ratificatie van de Partnerschapsovereenkomst van Cotonou
zal leiden tot een ernstig verstoorde relatie, zowel met de Commissie en de
andere EU-lidstaten als met de ACS-landen. Deze laatste groep, waaronder 40
Minst Ontwikkelde Landen, heeft overigens zelf het verdrag al met het vereiste
quotum van 2/3 geratificeerd.
In een dergelijke atmosfeer acht de regering het zeer moeilijk om nog
tot individuele afspraken met ACS-landen te komen op het gebied van terug-
en overname.
Ik hoop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.
De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,
A. M. A. van Ardenne-van der Hoeven