Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2000-200127659 nr. 1-2

27 659
Herziening van het stelsel van overheidsbemoeienis met het aanbod van zorginstellingen (Wet exploitatie zorginstellingen)

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet houdende herziening van het stelsel van overheidsbemoeienis met het aanbod van zorginstellingen (Wet exploitatie zorginstellingen).

De memorie van toelichting, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage

29 maart 2001

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het ter bevordering van de overgang van een centraal aanbodgestuurd naar een decentraal vraag-gericht zorgstelsel wenselijk is de regels inzake het exploiteren van zorg-instellingen en inzake de overheidsbemoeienis met de bouwprocedure te herzien;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK I. ALGEMENE BEPALING

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

b. College bouw: het College bouw zorginstellingen, genoemd in artikel 18;

c. College sanering: het College sanering zorginstellingen, genoemd in artikel 31;

d. College zorgverzekeringen: het College voor zorgverzekeringen, genoemd in artikel 1a van de Ziekenfondswet;

e. Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten: het fonds genoemd in artikel 38 van de Wet financiering volksverzekeringen;

f. instelling: een rechtspersoon die een exploitatietoestemming heeft als bedoeld in artikel 4, eerste, tweede of derde lid;

g. exploitatie van een instelling: het in bedrijf hebben van een instelling;

h. zelfstandig behandelcentrum: een organisatorisch verband dat niet deel uitmaakt van of fungeert ten behoeve van een ziekenhuis en dat strekt tot de verlening van medisch-specialistische zorg.

2. Bij algemene maatregel van bestuur kan met betrekking tot daarbij aan te wijzen categorieën van instellingen worden bepaald dat delen van deze wet op die instellingen of een deel daarvan niet van toepassing zijn.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kan met betrekking tot daarbij aan te wijzen categorieën van instellingen worden bepaald dat zij, al dan niet onder voorwaarden of beperkingen, voor de toepassing van artikel 4, eerste of tweede lid, worden aangemerkt als in het bezit van een toestem-ming tot exploitatie.

HOOFDSTUK II. BELEIDSKADER EN REGIOVISIE

Artikel 2

1. Onze Minister legt, gelet op de ontwikkelingen in de gezondheidszorg en gezien de visies, bedoeld in artikel 3, vóór 1 januari van ieder even jaar zijn visie op een doelmatig, evenwichtig en voor eenieder toegankelijk stelsel van gezondheidszorg, vast in een beleidskader. Dit beleidskader bevat tevens het financieel kader dat beschikbaar is voor de kosten, voort-vloeiend uit toestemmingen die Onze Minister verleent op grond van artikel 6.

2. In het beleidskader stelt Onze Minister voorts de criteria vast voor het bepalen van de prioriteit van aanvragen om een toestemming als bedoeld in artikel 4, eerste, tweede en derde lid. Wat betreft de toestemming die wordt verleend op grond van artikel 6, hebben deze criteria in ieder geval betrekking op de aard van de zorg, de spreiding en de doelmatigheid van de instellingen alsmede op de bouwkundige en functionele staat.

3. Onze Minister zendt een afschrift van het beleidskader aan beide kamers der Staten-Generaal, aan het College zorgverzekeringen, aan de provinciale besturen en aan de gemeentebesturen van Amsterdam, 's-Gravenhage, Rotterdam en Utrecht.

4. Onze Minister maakt jaarlijks het financieel kader bekend dat beschik-baar is voor de kosten, voortvloeiende uit de toestemmingen die het College zorgverzekeringen verleent op grond van artikel 8.

Artikel 3

1. Mede gezien het beleidskader, bedoeld in artikel 2, eerste lid, stellen het provinciaal bestuur, onderscheidenlijk het gemeentebestuur van Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht, de patiënten- en consumentenorganisaties, de zorgaanbieders, de ziektekostenverzekeraars en partijen die naar het oordeel van het provinciaal bestuur onderscheidenlijk gemeentebestuur in de regio betrokken zijn bij de zorgverlening in brede zin een regiovisie op met betrekking tot een doelmatig, evenwichtig en voor eenieder toegankelijk stelsel van gezondheidszorg.

2. Het provinciaal bestuur onderscheidenlijk het gemeentebestuur, bedoeld in het eerste lid, is verantwoordelijk voor de totstandkoming van de regiovisie. Het regelt het overleg over de totstandkoming van de regiovisie, waarbij het in ieder geval regelt op welke wijze de regiovisie tot stand komt indien partijen niet tot overeenstemming komen.

3. Het provinciaal bestuur onderscheidenlijk gemeentebestuur zendt een afschrift van de regiovisie aan Onze Minister, vergezeld van de afzonderlijke visies van partijen voor zover deze afwijken van de regiovisie.

HOOFDSTUK III. EXPLOITATIETOESTEMMING EN BOUWPROCE-DURE

Artikel 4

1. Een rechtspersoon die zorg verleent waarop ingevolge artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of artikel 8 van de Ziekenfondswet aanspraak bestaat, moet daarvoor een exploitatietoestemming hebben van het College zorgverzekeringen.

2. Een ziekenhuis of een zelfstandig behandelcentrum, dat zorg verleent als omschreven bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of de Ziekenfondswet, maar waarop geen aanspraak bestaat ingevolge die wetten, moet daarvoor een exploitatietoestemming hebben van het College zorgverzekeringen.

3. In afwijking van het eerste lid is toestemming van Onze Minister vereist indien ten behoeve van het verlenen van de in dat lid bedoelde zorg door een rechtspersoon, behorende tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, een bij die maatregel aangewezen vorm van bouw plaatsvindt.

4. Een toestemming als bedoeld in het eerste en derde lid kan uitsluitend worden verleend aan een rechtspersoon zonder winstoogmerk.

Artikel 5

Bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld:

a. de wijze waarop een aanvraag om een toestemming bij Onze Minister onderscheidenlijk het College zorgverzekeringen wordt ingediend;

b. welke gegevens bij de aanvraag worden overgelegd;

c. met betrekking tot aanvragen als bedoeld in artikel 6: de termijn waarbinnen na de in artikel 2, eerste lid, bedoelde bekendmaking een toestemming moet zijn aangevraagd met het oog op het toepassen van de prioriteitscriteria, bedoeld in artikel 2, tweede lid.

Artikel 6

1. Op aanvragen om toestemming als bedoeld in artikel 4, derde lid, beslist Onze Minister vóór 1 januari van ieder even jaar. Hij stelt de uitvoeringsorganen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Ziekenfondswet, gezamenlijk in de gelegenheid hun zienswijze kenbaar te maken.

2. Onze Minister wint over een aanvraag om een toestemming het advies in van het College bouw. Het College bouw beziet de aanvraag onder meer in het licht van de eisen, bedoeld in artikel 9.

3. Onze Minister verleent zijn toestemming indien:

a. de exploitatie past in het beleidskader, bedoeld in artikel 2, eerste lid;

b. na toepassing van de prioriteitscriteria, bedoeld in artikel 2, tweede lid, het verlenen van toestemming niet zou leiden tot overschrijding van het financieel kader dat blijkens artikel 2, eerste lid, daarvoor beschikbaar is; en

c. de instelling voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen omtrent de bestuursstructuur, alsmede omtrent waarborgen voor een ordelijke en controleerbare bedrijfsvoering.

4. Van de verleende toestemmingen doet Onze Minister mededeling in de Staatscourant.

Artikel 7

Indien het verlenen van toestemming niet mogelijk is op grond van artikel 6, derde lid, onderdeel b, houdt Onze Minister op verzoek van de aanvrager van de toestemming de beslissing op diens aanvraag aan tot de eerstvolgende keer dat op grond van artikel 6 over aanvragen moet worden beslist.

Artikel 8

1. Het College zorgverzekeringen verleent zijn toestemming, bedoeld in artikel 4, eerste of tweede lid, indien:

a. de exploitatie past in het beleidskader, bedoeld in artikel 2, eerste lid;

b. na toepassing van de prioriteitscriteria, bedoeld in artikel 2, tweede lid, het verlenen van toestemming niet zou leiden tot overschrijding van het financieel kader, bedoeld in artikel 2, vierde lid; en

c. de instelling voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen omtrent de bestuursstructuur, alsmede omtrent waarborgen voor een ordelijke en controleerbare bedrijfsvoering.

2. Van de verleende toestemmingen doet het College zorgverzekeringen mededeling in de Staatscourant.

Artikel 9

1. Het College bouw stelt prestatie-eisen vast die bij bouw in acht moeten worden genomen. De eisen behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

2. Onze Minister weigert goedkeuring indien de prestatie-eisen niet passen in een doelmatig, voor eenieder toegankelijk en evenwichtig stelsel van gezondheidszorg.

3. Het besluit omtrent goedkeuring wordt binnen acht weken na verzending bekendgemaakt. Het nemen van een besluit omtrent goedkeuring kan eenmaal voor ten hoogste vier weken worden verdaagd.

4. Indien binnen de in het vierde lid genoemde termijn geen besluit tot goedkeuring of verdaging, dan wel binnen de termijn waarvoor het besluit is verdaagd, geen besluit omtrent goedkeuring is genomen, wordt een besluit tot goedkeuring geacht te zijn genomen.

5. De prestatie-eisen liggen voor een ieder bij het College bouw ter inzage. Het College bouw doet van de goedkeuring en de terinzagelegging mededeling in de Staatscourant en in één of meer dag- of nieuwsbladen die landelijk worden verspreid.

Artikel 10

1. Voor bouw waarop artikel 4, derde lid van toepassing is, is een vergunning vereist van het College bouw.

2. Het College bouw verleent de vergunning voor zover de beoogde bouw:

a. overeenkomt met hetgeen waarvoor de toestemming, bedoeld in artikel 6, is verleend; en

b. voldoet aan de prestatie-eisen.

3. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke gegevens ten behoeve van de beslissing van het College bouw moeten worden ingediend.

4. Het College bouw kan in bijzondere gevallen aan de vergunning voorschriften verbinden met het oog op een goed verloop van de bouw.

Artikel 11

Voor de eindverantwoording van bouw waarvoor Onze Minister op grond van artikel 6 toestemming heeft verleend, is goedkeuring vereist van het College bouw. Het College bouw toetst daarbij aan hetgeen waarvoor het vergunning heeft verleend, dan wel, indien een vergunning niet was vereist, aan hetgeen waarvoor Onze Minister toestemming heeft verleend. Het College bouw zendt van zijn beschikkingen die betrekking hebben op academische ziekenhuizen als bedoeld in artikel 1.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, een afschrift aan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

HOOFDSTUK IV. EXPLOITATIE

Artikel 12

1. Een instelling voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 6, derde lid, onder c, onderscheidenlijk artikel 8, eerste lid, onder c. Het College zorgverzekeringen onderscheidenlijk Onze Minister kan aan een toestemming als bedoeld in artikel 4, eerste of tweede onderscheidenlijk derde lid, andere voorschriften verbinden. De voorschriften kunnen worden gewijzigd of ingetrokken en nieuwe voorschriften kunnen worden gesteld.

2. Het College zorgverzekeringen onderscheidenlijk Onze Minister kan de toestemming intrekken indien niet wordt voldaan aan de voorschriften.

Artikel 13

1. Onze Minister onderscheidenlijk het College zorgverzekeringen kan op grond van het beleidskader, bedoeld in artikel 2:

a. een toestemming onder beperkingen verlenen;

b. aan een verleende toestemming alsnog beperkingen stellen;

c. beperkingen wijzigen of intrekken;

d. een toestemming intrekken.

2. Alvorens over te gaan tot een maatregel als bedoeld in het eerste lid, onder b of d, stelt Onze Minister onderscheidenlijk het College zorgverzekeringen de uitvoeringsorganen, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Ziekenfondswet, waarmee de instelling een overeenkomst heeft gesloten, het bestuur van de gemeente waarin de instelling zich bevindt, en het bestuur en medewerkers van de betrokken instelling de gelegenheid om binnen een door Onze Minister onderscheidenlijk het College zorgverzekeringen te bepalen termijn hun opmerkingen omtrent dit voornemen aan hen kenbaar te maken.

3. Onze Minister onderscheidenlijk het College zorgverzekeringen doet van een beslissing tot beperking of intrekking van een toestemming op grond van het eerste lid, onder b of d, mededeling in de Staatscourant en zendt een afschrift van deze beschikking aan het College sanering.

Artikel 14

Het bestuur van een instelling, behorende tot een bij algemene maat-regel van bestuur aangewezen categorie, stelt overeenkomstig door Onze Minister, voor zoveel nodig in overeenstemming met Onze Ministers die het mede aangaat, te stellen regelen de begroting, de balans en de resultatenrekening alsmede de daarbij behorende toelichting met betrekking tot de instelling vast en legt volledige afschriften daarvan ter inzage voor een ieder ter plaatse, door Onze Minister te bepalen.

Artikel 15

Het bestuur van een instelling, behorende tot een bij algemene maat-regel van bestuur aangewezen categorie, verstrekt aan Onze Minister of aan een bij die maatregel aangewezen bestuursorgaan de bij of krachtens die maatregel omschreven documentatiegegevens betreffende de exploitatie van de instelling.

HOOFDSTUK V. SANERING

Artikel 16

1. Het bestuur van een instelling wendt zich tot het College sanering binnen zes weken na bekendmaking van een beslissing tot:

a. beperking of intrekking van een toestemming op grond van artikel 13, eerste lid, onder b of d;

b. beëindiging van de uitvoering van bijzondere medische verrichtingen of beëindiging van het gebruik van apparatuur op grond van artikel 6, vijfde lid, van de Wet op bijzondere medische verrichtingen.

2. Het College sanering stelt de financiële gevolgen van sanering vast ter zake van een beslissing als bedoeld in het eerste lid, alsmede ter uitvoering van een beslissing als bedoeld in artikel 17.

3. De in het tweede lid bedoelde vaststelling kan inhouden dat het College sanering subsidie verstrekt ter voorziening in de financiële gevolgen van de sanering.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:

a. hetgeen onder financiële gevolgen van sanering moet worden verstaan;

b. de hoogte, de opbouw en wijze van berekening van de subsidie;

c. de aanvraag van de subsidie en de besluitvorming daarover;

d. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;

e. de verplichtingen van de subsidie-ontvanger;

f. de vaststelling van de subsidie;

g. de betaling en terugvordering van de subsidie en het verlenen van voorschotten.

5. In de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde lid, kan worden bepaald dat het College sanering nadere regels stelt over daarbij aangewezen onderwerpen. De door het College sanering gestelde regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.

6. Een beschikking tot subsidievaststelling wordt niet genomen dan nadat het College zorgverzekeringen hieromtrent is gehoord.

7. De betaling van de subsidie of het voorschot geschiedt door het College zorgverzekeringen ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten. Onze Minister kan hieromtrent nadere regelen stellen.

8. Indien het College sanering vaststelt dat de financiële gevolgen van de sanering een positief saldo voor de betrokken instelling inhouden, kan het College sanering bepalen dat het saldo wordt gestort in het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde lid, kunnen hieromtrent regels worden gesteld.

9. Van besluiten als bedoeld in het tweede lid doet het College sanering mededeling aan Onze Minister.

10. Onze Minister doet jaarlijks verslag aan de Staten-Generaal omtrent de door het College sanering ingevolge het tweede lid genomen besluiten.

11. Het College sanering is tevens belast met het toezicht op de sanering. Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het vierde lid, kunnen hieromtrent regels worden gesteld.

Artikel 17

1. Het bestuur van een instelling, met uitzondering van een academisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, dat voornemens is om gebouwen of terreinen, of delen daarvan, blijvend niet meer voor de instelling te gebruiken, doet hiervan onverwijld mededeling aan het College sanering.

2. Het College sanering beslist binnen acht weken na ontvangst van de mededeling of het bestuur van de instelling de gebouwen of terreinen kan verhuren, vervreemden of aan enig beperkt recht kan onderwerpen zonder zijn goedkeuring. Bij de goedkeuring kan het College sanering bepalen dat bij verkoop een meeropbrengst ten opzichte van de boek-waarde wordt gestort in het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten.

3. Een rechtshandeling die is verricht in strijd met dit artikel, is vernie-tigbaar. De vernietigbaarheid kan worden ingeroepen door het College sanering.

HOOFDSTUK VI. ZELFSTANDIGE BESTUURSORGANEN

Paragraaf 1. College bouw zorginstellingen

Artikel 18

1. Er is een College bouw zorginstellingen, dat rechtspersoonlijkheid bezit. Het College bouw is gevestigd in een door Onze Minister te bepalen plaats.

2. Het College bouw is belast met de taken die hem bij of krachtens de wet zijn opgedragen.

3. Het College bouw wordt in en buiten rechte vertegenwoordigd door de voorzitter.

Artikel 19

1. Het College bouw bestaat uit een oneven aantal van ten hoogste negen leden, onder wie de voorzitter.

2. Onze Minister benoemt, schorst en ontslaat de voorzitter en de overige leden. Benoeming vindt op persoonlijke titel plaats op grond van de deskundigheid die nodig is voor de uitoefening van de taken van het College bouw alsmede op grond van maatschappelijke kennis en ervaring. Van een besluit tot benoeming, schorsing of ontslag wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

3. Bij ministeriële regeling kunnen functies of werkzaamheden worden aangewezen, die niet verenigbaar zijn met het lidmaatschap van het College bouw.

4. Bij de samenstelling van het College bouw wordt gestreefd naar evenredige deelneming van vrouwen en personen behorende tot etnische of culturele minderheidsgroepen.

5. De leden worden benoemd voor ten hoogste vier jaar. Herbenoeming kan twee maal en telkens voor ten hoogste vier jaar plaatsvinden.

6. Het lidmaatschap eindigt tussentijds door overlijden, ontslag op eigen verzoek of ontslag om zwaarwichtige redenen door Onze Minister.

7. Bij ministeriële regeling worden de vergoeding van reisen verblijfkosten en verdere vergoedingen aan leden van het College bouw en leden van commissies vastgesteld en kunnen nadere regels over hun rechtspositie worden vastgesteld.

Artikel 20

1. Het College bouw stelt een bestuursreglement vast. Daarin worden in ieder geval regels gesteld omtrent de wijze waarop besluiten worden voorbereid, genomen en uitgevoerd.

2. In het bestuursreglement kan het College bouw voorzien in de instelling van commissies, in welk geval in het bestuursreglement tevens regels worden gesteld omtrent de samenstelling en taken van de ingestelde commissie. In commissies kunnen ook personen deelnemen die geen lid van het College bouw zijn.

3. Vergaderingen van het College bouw en van zijn commissies zijn openbaar, behoudens voor zover in het bestuursreglement anders is bepaald.

4. Het bestuursreglement behoeft de goedkeuring van Onze Minister. De goedkeuring kan worden onthouden indien het doelmatig en doeltreffend functioneren van het College bouw onvoldoende wordt gewaarborgd.

Artikel 21

1. Het College bouw benoemt, schorst en ontslaat het personeel.

2. Het College bouw stelt met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van het personeel regels vast.

Artikel 22

Het College bouw zendt jaarlijks voor 1 oktober aan Onze Minister een werkprogramma voor het volgende kalenderjaar. Het werkprogramma behoeft de instemming van Onze Minister. Onze Minister zendt het werkprogramma aan beide kamers der Staten-Generaal. Het College stelt het werkprogramma algemeen verkrijgbaar.

Artikel 23

Het College bouw zendt jaarlijks voor 1 oktober aan Onze Minister een begroting van zijn beheerskosten voor het volgende kalenderjaar, alsmede een meerjarenraming. De begroting en de meerjarenraming behoeven de instemming van Onze Minister.

Artikel 24

1. Het College bouw stelt jaarlijks een verslag op van de werkzaamheden, het gevoerde beleid in het algemeen en de doelmatigheid en doeltreffendheid van zijn werkwijze in het bijzonder, alsmede gegevens omtrent de uitvoering van het werkprogramma in het afgelopen kalenderjaar.

2. Het College bouw zendt het verslag voor 1 juli van het jaar volgend op het verslagjaar aan Onze Minister.

3. Onze Minister zendt het verslag aan beide kamers der Staten-Generaal. Het College bouw stelt het verslag algemeen verkrijgbaar.

Artikel 25

1. Het College bouw brengt jaarlijks voor 1 juli aan Onze Minister een financieel verslag over zijn beheerskosten over het afgelopen kalenderjaar uit, dat vergezeld gaat van een verklaring omtrent de getrouwheid en de rechtmatigheid van de ontvangsten en de uitgaven, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede van een rapport van de accountant over de ordelijkheid en controleerbaarheid van het gevoerde financiële beheer.

2. Het financieel verslag behoeft de instemming van Onze Minister. Onze Minister zendt het financieel verslag aan beide kamers der Staten-Generaal. Het College bouw stelt het financieel verslag algemeen verkrijgbaar.

Artikel 26

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de inrich-ting van de begroting, het financieel verslag en aandachtspunten voor de accountantscontrole.

Artikel 27

De beheerskosten van het College bouw komen tot ten hoogste het in de begroting aangegeven bedrag ten laste van het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten. Op grond van de begroting worden maandelijks uit het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten voorschotten verleend.

Artikel 28

Onze Minister kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot de werkwijze en de uitoefening van de taken van het College bouw.

Artikel 29

1. Een besluit van het College bouw kan bij koninklijk besluit worden vernietigd.

2. Van een besluit tot vernietiging wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 30

1. Het College bouw:

a. rapporteert desgevraagd aan Onze Minister omtrent de uitvoerbaar-heid en doelmatigheid van voorgenomen beleid met betrekking tot instellingen;

b. geeft aan Onze Minister inlichtingen met betrekking tot de bouwkundige en functionele staat van de instellingen;

c. geeft aan Onze Minister desgevraagd advies over beslissingen op aanvragen om toestemming als bedoeld in artikel 6;

d. geeft voorlichting omtrent het beleid op het terrein van de bouw van instellingen.

2. Het College bouw signaleert gevraagd en ongevraagd aan Onze Minister feitelijke ontwikkelingen op het terrein van de infrastructuur van de gezondheidszorg.

Paragraaf 2. College sanering zorginstellingen

Artikel 31

1. Er is een College sanering zorginstellingen, dat rechtspersoonlijkheid bezit. Het College sanering is gevestigd in een door Onze Minister te bepalen plaats.

2. Het College sanering is belast met de taken die hem bij of krachtens de wet zijn opgedragen.

3. De artikelen 18, derde lid, en 19 tot en met 29 zijn ten aanzien van het College sanering van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 3. Inlichtingen

Artikel 32

Het College bouw en het College sanering verstrekken desgevraagd aan elkaar, aan het College zorgverzekeringen, aan het College van toezicht op de zorgverzekeringen, bedoeld in de Ziekenfondswet en aan het College tarieven gezondheidszorg, bedoeld in de Wet tarieven gezondheidszorg, de voor de uitoefening van hun taak benodigde inlichtingen. De genoemde colleges kunnen inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de invulling van hun taak redelijkerwijs nodig is.

Artikel 33

Het College bouw en het College sanering verstrekken desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen en gegevens. Zij verlenen aan door Onze Minister aangewezen personen toegang tot en inzage in alle gegevens die Onze Minister nodig acht voor de uitoefening van zijn taak.

HOOFDSTUK VII. TOEZICHT

Artikel 34

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de ambtenaren van het Staatstoezicht op de volksgezondheid alsmede de bij besluit van Onze Minister aangewezen personen.

Artikel 35

De in artikel 34 bedoelde personen beschikken niet over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:18 en 5:19 van de Algemene wet bestuursrecht.

HOOFDSTUK VIII. SANCTIES

Artikel 36

Het College zorgverzekeringen onderscheidenlijk Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens artikel 12 aan een toestemming verbonden voorschriften. Onze Minister heeft die bevoegdheid bovendien ter handhaving van de artike-len 14 en 15. Het College bouw is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 10 en 11. Het College sanering is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 16, eerste en achtste lid, en 17, eerste en tweede lid.

HOOFDSTUK IX. RECHTSBESCHERMING

Artikel 37

Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

HOOFDSTUK X. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 38

De Ziekenfondswet wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 1, eerste lid, onder e, komt te luiden:

e. instelling: een instelling in de zin van de Wet exploitatie zorginstellingen.

B

De artikelen 8a tot en met 8i vervallen.

C

In artikel 44, tiende lid, vervalt: als bedoeld in artikel 8a.

D

Artikel 47, tweede lid, komt te luiden:

2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het eerste lid niet geldt voor de bij die maatregel aangewezen categorieën van instellingen.

Artikel 39

De Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel 1, eerste lid, onder f, komt te luiden:

f. instelling: een instelling in de zin van de Wet exploitatie zorginstellingen.

B

De artikelen 8 tot en met 8h vervallen.

C

Artikel 45, vierde lid, komt te luiden:

4. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het eerste lid niet geldt voor de bij die maatregel aangewezen categorieën van instellingen.

Artikel 40

1. Een toelating, verleend krachtens artikel 8a van de Ziekenfondswet of artikel 8 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, zoals die artikelen luidden tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, wordt gelijk-gesteld met een toestemming als bedoeld in artikel 4, eerste lid.

2. Een aanvraag om een toelating, waarop op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet nog niet is beslist, wordt gelijkgesteld met een aanvraag om een toestemming als bedoeld in artikel 4, eerste lid.

Artikel 41

De Wet ziekenhuisvoorzieningen wordt ingetrokken.

Artikel 42

Een vergunning, verleend op grond van artikel 6 van de Wet ziekenhuisvoorzieningen, zoals die wet luidde tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, wordt gelijkgesteld met een toestemming als bedoeld in artikel 4. De aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen gelden als voorschriften en beperkingen op grond van de artikelen 12 onderscheidenlijk 13.

Artikel 43

1. Bouw waarvoor vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een verklaring is afgegeven als bedoeld in artikel 7 van de Wet ziekenhuisvoorzieningen, zoals die wet luidde tot bedoeld tijdstip, bij welke verkla-ring op grond van artikel 10, vijfde lid, van die wet is bepaald dat een aanvraag om goedkeuring van stukken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b of c, van die wet of om een vergunning als bedoeld in artikel 6 van die wet, binnen een daarbij aangegeven termijn niet in behandeling wordt genomen, welke termijn op bovenbedoeld tijdstip nog niet is verstreken, wordt gelijkgesteld met bouw waarvoor een aanvraag om een toestemming als bedoeld in artikel 4, derde lid, van deze wet is ingediend. Het bepaalde krachtens artikel 6, derde lid, onder a, is op die aanvraag niet van toepassing.

2. Een verklaring ter zake van bouw als bedoeld in artikel 7 van de Wet ziekenhuisvoorzieningen, zoals die wet luidde tot het tijdstip van inwer-kingtreding van deze wet, waarbij niet een bepaling is opgenomen als bedoeld in het eerste lid of waarbij de daarbedoelde termijn reeds is ver-streken, en die nog niet is gevolgd door een vergunning als bedoeld in artikel 6 van die wet, wordt gelijkgesteld met een toestemming als bedoeld in artikel 4, derde lid, van deze wet. De artikelen 10 en 11 zijn van overeenkomstige toepassing.

3. Een aanvraag om een verklaring, waarop op het tijdstip van inwer-kingtreding van deze wet nog niet is beslist, wordt gelijkgesteld met een aanvraag om een toestemming als bedoeld in artikel 4, derde lid.

Artikel 44

Na de inwerkingtreding van deze wet berusten de regels, vastgesteld krachtens de artikelen 2a, zevende lid,18b, tweede lid, 22 en 23 van de Wet ziekenhuisvoorzieningen, zoals die wet tot die inwerkingtreding luidde, achtereenvolgens op de artikelen 19, zevende lid, 16, vierde lid, 15 en 14 van deze wet.

Artikel 45

Afwikkeling van de maatregelen, bedoeld in artikel 18a, eerste lid, van de Wet ziekenhuisvoorzieningen, zoals dat lid luidde tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, met inbegrip van daartegen ingesteld beroep, vindt plaats met inachtneming van de daarop betrekking heb-bende bepalingen van die wet zoals die luidden tot bedoeld tijdstip.

Artikel 46

Het College bouw ziekenhuisvoorzieningen, bedoeld in artikel 2 van de Wet ziekenhuisvoorzieningen, zoals die wet luidde tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, wordt als rechtspersoon gehandhaafd en is het College bouw zorginstellingen.

Artikel 47

Het College sanering ziekenhuisvoorzieningen, bedoeld in artikel 2m van de Wet ziekenhuisvoorzieningen, zoals die wet luidde tot het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, wordt als rechtspersoon gehandhaafd en is het College sanering zorginstellingen.

Artikel 48

Artikel 12a van de Wet ambulancevervoer wordt gewijzigd als volgt:

A

De aanhef komt te luiden:

Het College sanering zorginstellingen, bedoeld in de Wet exploitatie zorginstellingen, kan subsidie verstrekken ter voorziening in de financiële gevolgen van:.

B

De laatste volzin van het artikel komt te luiden: De artikelen 16, eerste en vierde tot en met achtste lid, en 36, laatste volzin, van de Wet exploitatie zorginstellingen zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 49

Artikel 1, eerste lid, onder b, 2°, van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen komt te luiden:

2°. een instelling als bedoeld in de Ziekenfondswet of de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

Artikel 50

De Tijdelijke Verstrekkingenwet maatschappelijke dienstverlening wordt ingetrokken.

Artikel 51

Artikel 53 van de Woningwet wordt gewijzigd als volgt:

A

Het eerste lid komt te luiden:

1. In afwijking van artikel 46, eerste lid, houden burgemeester en wet-houders de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning even-eens aan, indien er geen grond is om de vergunning te weigeren en voor het gebouw een aanvraag is ingediend om een toestemming als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Wet exploitatie zorginstellingen.

B

Het tweede lid komt te luiden:

2. De in het eerste lid bedoelde aanhouding eindigt, indien Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het betrokken bouw-project een toestemming heeft verleend als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Wet exploitatie zorginstellingen.

Artikel 52

Artikel 2, eerste lid, onderdeel s, van de Ambtenarenwet komt te luiden:

s. De voorzitter en de leden van het College bouw zorginstellingen en van het College sanering zorginstellingen, bedoeld in de Wet exploitatie zorginstellingen, en het personeel van die colleges.

Artikel 53

In artikel 1, onder 4°, van de Wet op de economische delicten vervalt de zinsnede met betrekking tot de Wet ziekenhuisvoorzieningen.

Artikel 54

De vaststelling van de algemene maatregelen van bestuur, bedoeld in artikel 1, tweede en derde, het beleidskader en het daarin opgenomen financieel kader, bedoeld in artikel 2, eerste lid, het geven van beschikkingen door Onze Minister als bedoeld in de artikelen 6, 12 en 13, alsmede de goedkeuring van de prestatie-eisen, bedoeld in artikel 9, een en ander voor zover zij betrekking hebben op academische ziekenhuizen als be-doeld in artikel 1.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, vinden plaats in overeenstemming met Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

Artikel 55

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig in afwijking van deze wet, tijdelijke voorzieningen worden getroffen voor het geval het College bouw of het College sanering zijn uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt.

Artikel 56

1. Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

2. Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet en vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van het College bouw en het College sanering.

Artikel 57

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 58

Deze wet wordt aangehaald als: Wet exploitatie zorginstellingen.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,