Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2000-200127648 nr. 4

27 648
Wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Douanewet en enige andere wetten, alsmede intrekking van de Tariefcommissiewet (vervanging van beroep bij de Tariefcommissie door beroep bij de douanekamer van het gerechtshof te Amsterdam en de instelling van beroep in cassatie in douanezaken)

nr. 4
VERSLAG

Vastgesteld 1 mei 2001

De vaste commissie voor Justitie1, belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, brengt als volgt verslag uit van haar bevindingen. Onder het voorbehoud dat de regering de gestelde vragen tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De leden van de PVDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggend wetsvoorstel. Zij kunnen zich met de inhoud daarvan verenigen.

Wel betreuren deze leden het dat de besluitvorming inzake de 3e fase van de herziening van de rechterlijke organisatie nog steeds niet in zijn geheel zijn beslag kan krijgen.

Immers wordt nu opnieuw – na de opheffing van het College van beroep voor de Studiefinanciering – vooruitgelopen op de totale bezinning op de vormgeving van het hoger beroep en de cassatie inzake bestuursrechtelijke geschillen. Inmiddels is toch ook de (vanuit verdragsrechtelijk oogpunt gezien) onhoudbare toestand inzake het niet beschikbaar zijn van een beroepsinstantie inzake belastingzaken waarbij een zware bestuurlijke boete wordt opgelegd voldoende gebleken. Het is duidelijk dat althans de helft van de Tweede Kamer vindt dat die situatie op gespannen voet staat met het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten. Waarom zou – nu toch op de besluitvorming inzake de derde fase vooruit wordt gelopen – niet van de gelegenheid gebruik kunnen worden gemaakt meteen (toch noodzakelijke) rechtspraak in 2 feitelijke instanties inzake belastingzaken te introduceren?

Wanneer precies is nu de indiening van de discussienota over de derde fase – waar door de Tweede Kamer al sedert april 1999 om wordt gevraagd – te verwachten?

De leden van de PVDA-fractie zouden er de voorkeur aan geven wanneer de besluitvorming over het onderhavige wetsontwerp zou kunnen plaatsvinden wanneer er gelegenheid geweest is over die discussienota over de derde fase diepgaand met de regering van gedachten te wisselen.

In het onderhavige wetsontwerp wordt concreet op de besluitvorming inzake de derde fase vooruitgelopen. Immers nu wordt de behandeling van (naar zijn aard) bestuursrechtelijke zaken overgebracht van een gespecialiseerd college naar een gerechtshof waarbij ook verdere concentratie van rechtsgang bij het Hof in Amsterdam plaatsvindt. Bovendien wordt voor dit soort zaken beroep in cassatie geïntroduceerd. Klopt de waarneming van deze leden dat beide wijzigingen feitelijk niet onomkeerbaar zijn?

Waarom zou het standpunt van de regering dat «het voor de ontwikkeling en de eenheid van het belastingrecht en het belastingprocesrecht en uit een oogpunt van een eenvoudige en doorzichtige inrichting van onze bestuursrechtspraak van belang is dat de mogelijkheid wordt geopend om tegen uitspraken van de douanekamer beroep in cassatie in te stellen» (bladzijde 3 van de memorie van toelichting) niet evenzeer gelden voor andere bestuursrechtelijke zaken? Is daarmee niet in feite het besluit tot algehele invoering van het beroep in cassatie voor bestuursrechtelijke zaken genomen?

Nu de rechtspraak in douanezaken wordt ondergebracht bij het gerechtshof te Amsterdam terwijl naar dat gerechtshof ook een andere categorie douanezaken vanuit de andere gerechtshoven wordt ondergebracht rijst opnieuw de vraag naar de optimale schaal van een beroepsinstantie. Hoe groot zal het gerechtshof in Amsterdam na de wetswijziging worden? Wordt niet een schaalgrootte bereikt in verband waarmee het bereiken van rechtseenheid tussen de verschillende sectoren van het Hof als illusoir moet worden beschouwd?

De regering neemt – in de afweging wel of niet cassatie – «langere procedures in douanezaken, extra kosten en een extra werkbelasting voor de Hoge Raad en het parket bij de Hoge Raad» – voor lief. De leden van de PVDA-fractie kunnen dat standpunt volgen. Maar waarom blijft die werkbelasting tot een drietal gerechtsauditeurs bij de Hoge Raad beperkt? Moet niet ook de Belastingkamer worden uitgebreid? En hoe is mogelijk dat het parket bij de Hoge Raad in het geheel geen gevolgen van de wetswijziging zal ondervinden?

Stelt de regering geen prijs op kwalitatief behoorlijke conclusies van het Parket?

Kan worden aangegeven welke extra kosten daarmee gemoeid zijn en hoe die zullen worden gedekt, zo vragen deze leden.

Is voor de toekomst voldoende verzekerd dat de specialistische kennis die nu door lekenrechters wordt ingebracht behouden blijft, nu het immers niet vanzelf spreekt dat de raadsheren van het gerechtshof die in de toekomst met deze vorm van rechtspraak worden belast, niet noodzakelijkerwijze over dezelfde specialistische kennis beschikken?

De leden van de VVD-fractie hebben kennis genomen van het wetsvoorstel strekkende tot intrekking van de Tariefcommissiewet. Zij stemmen in met het voornemen van de regering om de tariefcommissie en het college van beroep Studiefinanciering niet langer zelfstandig te laten voortbestaan. De instelling van een aparte douanekamer lijkt een logische oplossing. Met betrekking tot het ondersteunend personeel van de tariefcommissie hebben zij vernomen dat betrokkenen zoveel mogelijk in gelijke functies bij het Amsterdamse gerechtshof zullen worden herplaatst. Zij verzoeken om een uitleg van het criterium «voor zo ver mogelijk». Indien de werkzaamheden van de tariefcommissie door de douanekamer zullen worden voortgezet zal dat waarschijnlijk betekenen dat het bestaande werknemersbestand inzetbaar blijft. Wat gebeurt er met de ondersteunende personeelsleden die niet bij het gerechtshof kunnen worden herplaatst?

De voorzitter van de commissie,

Swildens-Rozendaal

De griffier voor dit verslag,

Bregman


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Swildens-Rozendaal (PvdA), voorzitter, Van de Camp (CDA), Biesheuvel (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Zijlstra (PvdA), Apostolou (PvdA), Middel (PvdA), Van Heemst (PvdA), Dittrich (D66), Rabbae (GroenLinks), Van Oven (PvdA), Kamp (VVD), ondervoorzitter, Rouvoet (ChristenUnie), O.P.G. Vos (VVD), Passtoors (VVD), Van Wijmen (CDA), De Wit (SP), Ross-van Dorp (CDA), Niederer (VVD), Nicolaï (VVD), Halsema (GroenLinks), Weekers (VVD), Van der Staaij (SGP), Wijn (CDA) vacature PVDA.

Plv. leden: Wagenaar (PvdA), Balkenende (CDA), Verhagen (CDA), Van Vliet (D66), Duijkers (PvdA), Kuijper (PvdA), Albayrak (PvdA), Barth (PvdA), Hoekema (D66), Karimi (GroenLinks), Santi (PvdA), Luchtenveld (VVD), Slob (ChristenUnie), Van den Doel (VVD), Rijpstra (VVD), Rietkerk (CDA), Marijnissen (SP), Buijs (CDA), Van Baalen (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), De Vries (VVD), Van Walsem (D66), De Pater-van der Meer (CDA), Arib (PvdA).