27 646
Nationaal en Internationaal stoffenbeleid

nr. 12
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 23 juni 2003

Op 22 mei jl. verzocht de vaste Commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer om nadere toelichting en onderbouwing van mijn antwoord d.d. 8 mei 2003 (vrom030274) (zie bijlage). De vaste Commissie vroeg om een overzicht van de locaties waar de broomhoudende brandvertrager FR-720 wordt toegepast en daarop heb ik bericht dat ik niet over informatie beschik waaruit blijkt of, en zo ja waar deze stof thans in Nederland wordt toegepast. Bovendien heb ik gesteld dat de door de Commissie gevraagde informatie, in geval daar onderzoek naar zou worden gedaan, bijzonder moeilijk te achterhalen is. Ter toelichting kan het volgende worden gesteld.

Om te beginnen wordt FR-720 thans in Nederland niet geproduceerd. Als gevolg van het niet verlengen van de verbodsmaatregel voor FR-720 is voor zowel de stof als producten waarin de stof is toegepast de handel en import inmiddels wel weer toegestaan. Er bestaat bovendien geen verplichting om toepassing of import van deze stof te melden.

FR-720 kan in beginsel worden toegepast als brandvertrager in een uitgebreid scala van kunststof producten en electrische apparatuur. Om nu te achterhalen waar de stof in Nederland wordt toegepast zou moeten worden nagegaan of, en zo ja, in welke omvang deze stof in Nederland wordt geïmporteerd. Daarvoor zouden alle importstromen van chemicaliën moeten worden onderzocht. Daarnaast zou moeten worden nagegaan of, en zo ja, in welke omvang kunststof basismateriaal (grondstoffen en halffabrikaten) waaraan FR-720 is toegevoegd, in Nederland wordt vervaardigd of geïmporteerd ten behoeve van de toepassing ervan in eindproducten. Daarvoor zouden alle productie- en importstromen van kunststof grondstoffen en haffabrikaten moeten worden onderzocht.

Op basis van die onderzoeksgegevens zouden vervolgens de geïdentificeerde producenten en importeurs moeten worden benaderd teneinde de bestemmingen van de geïmporteerde stoffen en producten te achterhalen en de namen en adressen van afnemers te verkrijgen.

Vervolgens zou bij de betreffende afnemers moeten worden nagegaan of zij handelaren zijn of eindgebruikers en zou moeten worden vastgesteld op welke locaties en voor welke toepassingen FR-720 of kunststof basismateriaal waaraan FR-720 is toegevoegd, wordt toegepast.

Teneinde een betrouwbaar beeld te krijgen van de toepassingen van FR-720 zou tenslotte een inventarisatie moeten worden gemaakt van alle Wm-vergunningen die in Nederland zijn verleend aan kunststof producerende of verwerkende bedrijven of bedrijven die electrische apparatuur vervaardigen. Die vergunningen zouden vervolgens moeten worden onderzocht op de vraag of erin melding wordt gemaakt van de toepassing van de stof FR-720. Voor zover in dergelijke bedrijven kunststof basismateriaal wordt toegepast waaraan FR-720 is toegevoegd, valt echter uit de vergunningen niet af te leiden of aan dat basismateriaal FR-720 is toegevoegd zodat ook dit onderzoek uit de aard der zaak niet een volledig en betrouwbaar beeld zal opleveren.

Daar komt voorts nog bij dat een onderzoek naar de locaties in Nederland waar FR-720 wordt toegepast, per definitie geen handhavingsonderzoek is zodat ik uit dien hoofde geen bevoegdheid heb bedrijfsadministraties in te zien. Voor een dergelijk onderzoek ben ik derhalve geheel en al afhankelijk van de medewerking van bedrijven en overheids- of semi-overheidsinstanties zoals douanediensten, vergunningverleners, kamers van koophandel etc. en dat bemoeilijkt het onderzoek.

De uitvoering van een onderzoek naar locaties waar FR-720 wordt toegepast vergt, afhankelijk van de gewenste volledigheid en betrouwbaarheid, een daarmee rechtevenredige inspanning in middelen, tijd en menskracht. Uiteraard is het onderzoek uitvoerbaar, met inachtneming van genoemde beperkingen. De vraag is evenwel of het doel dat met een dergelijk onderzoek zou zijn gediend, een adequate rechtvaardiging is voor de capaciteit en de middelen die ermee gemoeid zijn. Zulks dient bovendien mede in het licht van de huidige taakstellingen en bezuinigingen te worden beoordeeld.

Indien een dergelijk onderzoek niettemin nodig wordt geacht voor het achterhalen van de door u gewenste gegevens zal het door mij moeten worden uitbesteed. Thans is een dergelijk onderzoek niet voorzien in de werkprogramma's van mijn departement en zijn daarvoor evenmin de benodigde middelen op mijn begroting opgenomen.

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

P. L. B. A. van Geel

BIJLAGE

Aan de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Den Haag, 22 mei 2003

In uw brief aan de kamer van 8 mei 2003 (VROM 03-274) reageert u op het verzoek van de commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 11 april 2003 om een overzicht te sturen van locaties waar de broomhoudende vlamvertrager FR-720 wordt toegepast. In uw brief geeft u in een kort antwoord aan dat dit niet mogelijk is en slechts zeer moeilijk te achterhalen zou zijn. namens de commissie VROM wil ik u verzoeken om uw reactie nader toe te lichten en dit te onderbouwen in een brief aan de Kamer.

De griffier van de commissie,

Van der Leeden

Naar boven