Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2001-2002
Kamerstuk 27632 nr. 5

Gepubliceerd op 1 oktober 2001
Toon volledige inhoudsopgave

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken in dossier



27 632
Voorstel van wet van het lid Dittrich tot wijziging van enige bepalingen van het Wetboek van Strafvordering (invoering van spreekrecht voor slachtoffers en nabestaanden)

nr. 5
MEMORIE VAN TOELICHTING ZOALS GEWIJZIGD NAAR AANLEIDING VAN HET ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE

1. Inleiding

In 1926 werd het huidige Wetboek van Strafvordering ingevoerd. Het was gebaseerd op het Wetboek van Strafvordering uit 1838. Na 1926 heeft een aantal ingrijpende wijzigingen van het wetboek plaatsgehad, waaronder de inwerkingtreding van de wet bijzondere opsporingsbevoegdheden in het jaar 2000. Toch is de grondstructuur van het wetboek nog steeds dezelfde. In die grondstructuur speelt het slachtoffer een marginale rol. Het slachtoffer is weliswaar vaak de initiator van het strafrechtelijk onderzoek door de aangifte die hij bij de politie van een jegens hem gepleegd strafbaar feit kan doen, maar nadat het strafrechtelijk onderzoek van start is gegaan, verdwijnt het slachtoffer uit beeld, tenzij zijn verklaring als getuige nodig is. Die verklaring dient dan om de waarheid van de toedracht van het gebeurde te achterhalen.

Tijdens het strafproces staat de vraag centraal of de verdachte het hem ten laste gelegde strafbare feit heeft begaan en zo ja, welke straf passend is. In het Wetboek van Stafvordering staan allerlei bevoegdheden opgesomd van de officier van justitie, die een inbreuk maken op de rechten, die een verdachte als burger heeft. Ook de rechten van de verdachte staan omschreven. Deze rechten en bevoegdheden staan in het teken van de waarheidsvinding. In het strafproces kunnen ook getuigen optreden en deskundigen. Hun inlichtingen staan eveneens ten dienste van de waarheidsvinding. De door hen aangedragen inlichtingen vormen een onderdeel van het materiaal op grond waarvan de rechter zijn uitspraak kan baseren.

Nadat in de jaren zeventig aanpassingen aan het Wetboek van Strafvordering plaatsvonden, die ten doel hadden de positie van de verdachte tegenover het Openbaar Ministerie te verstevigen, is de discussie over de marginale positie van het slachtoffer in het strafprocesrecht op gang gekomen. Dat heeft in enkele wijzigingen geresulteerd, die toezien op de positie van het slachtoffer.

Zo kan het slachtoffer zich sedert de invoering van de Wet Terwee (1993/1995) voegen in het strafproces als beledigde partij en een onbegrensde vordering tot vergoeding van materiele schade tegen de verdachte indienen. Het slachtoffer heeft het recht zich in rechte te laten bijstaan en wordt zelf niet beëdigd, wanneer hij het woord voert.

Naast de Wet Terwee heeft ook de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven de positie van het slachtoffer veranderd. Ook in de houding van politie en openbaar ministerie jegens slachtoffers is veel veranderd. Zo zijn de zogenaamde richtlijnen van De Beaufort van 1986 in 1999 gewijzigd in Aanwijzingen tot bejegening van slachtoffers van zedendelicten en is op 1 augustus 1999 een Aanwijzing Slachtofferzorg van het college van procureurs-generaal in werking getreden.

Ondergetekende heeft het initiatiefwetsvoorstel voorgelegd aan de Raad van State en tevens aan de Nederlandse Vereniging van Rechtspraak en de Nederlandse Orde van Advocaten. Met het commentaar van deze adviesorganen is rekening gehouden. In de toelichting wordt op diverse plaatsen ingegaan op hun advisering.

2. Internationale ontwikkelingen

Niet alleen in Nederland, maar ook op internationaal niveau is er meer aandacht voor de positie van het slachtoffer gekomen. In de jaren tachtig zijn de slachtofferrechten tot ontwikkeling gekomen. Hierbij verwijst ondergetekende met name naar de aanbevelingen van de Raad van Europa en de Verenigde Naties.

De aanbeveling van de Verenigde Naties luidt voor zover van belang:

«The responsiveness of judicial and administrative processes to the needs of victims should be facilitated by (...)

b. Allowing the views and concerns of victims to be presented and considered at appropriate stages of the proceedings where their personal interests are affected, without prejudice to the accused and consistent with the relevant national criminal justice system.»

(resolution 40/34, aanvaard door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in 1985, onderdeel 6b)

In de Statement of Victim's Rights in the Process of Criminal Justice, opgesteld door de European Forum of Victim Services, is als een van de slachtofferrechten opgenomen het recht om aan de autoriteiten, die binnen de strafrechtelijke procedure beslissingen nemen ten aanzien van de verdachte, informatie te verschaffen. Het statement heeft het karakter van een aanbeveling. Over de aard van de informatie en over de doeleinden van de informatieverschaffing staat in het statement het volgende:

«Victims frequently feel that they have information which is ignored by the authorities because it does not form part of the specific evidence needed to prove the case. In all jurisdictions, victims should be able to provide information in their own words directly to the police and prosecution services who are responsibe for decisions. The information may include the extent of the financial, physical or emotional damage caused by the crime, the existance or otherwise of any prior or continuing relationship with the offender, and any fears for personal safety or intimidation from the offender. Victims shuold be free to include any information they wish, although they should recognise that the information will be disclosed to the defendant and can be challenged if necessary.»

De Raad van State adviseerde meer aandacht te besteden aan de Europeesrechtelijke aspecten van de status van het slachtoffer in de strafprocedure, in het licht van de uitvoering van de bepalingen van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 15 maart 2001 (2001/220/JBZ, Publicatieblad nr. L 082 van 22/3/2001, pag. 0001–0004)

In de considerans van het Kaderbesluit wordt onder punt 8 het volgende overwogen:

«Er is een onderlinge aanpassing nodig van de voorschriften en praktijken met betrekking tot de status en de voornaamste rechten van het slachtoffer, met bijzondere aandacht voor het recht van het slachtoffer met respect te worden bejegend, te spreken en geïnformeerd te worden, te begrijpen en begrepen te worden, en beschermd te worden in de verschillende fasen van de procedure»

De Raad van de Europese Unie heeft in het aangenomen Kaderbesluit art. 3 vastgesteld, dat luidt:

«Elke lidstaat waarborgt het slachtoffer de mogelijkheid om tijdens de procedure gehoord te worden en bewijselementen aan te dragen. Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het slachtoffer slechts voorzover noodzakelijk ten behoeve van de strafprocedure wordt ondervraagd door de autoriteiten.»

Alle lidstaten moeten uiterlijk 22 maart 2002 aan dit artikel uit het Kaderbesluit voldoen. Het betreft hier minimumnormen.

Ondergetekende acht het van belang dat de wetgeving in de verschillende Europese landen, die het procesrecht regelen, op elkaar wordt afgestemd, al zal het mogelijk moeten blijven voor nationale staten om een eigen invulling aan hun procesrecht te blijven geven. Een Europese volledige harmonisatie zal nog lang duren, gelet op de onderling soms erg van elkaar afwijkende rechtsstelsels en organen die met rechtshandhaving belast zijn. De realisatie van het voorgestelde slachtofferspreekrecht past binnen de Europese ontwikkelingen om meer aandacht aan de status van het slachtoffer in de strafprocedure te geven.

Er is vergelijkend onderzoek gedaan naar de positie van slachtoffers in het strafproces van 22 lidstaten van de Raad van Europa. De uitkomsten van dit onderzoek zijn gepubliceerd in «Justitiële verkenningen, jaargang 27 nr. 3, 2001», pagina's 43 tot en met 57. Eén van de uitkomsten van het onderzoek is dat het Nederlandse slachtofferbeleid positief afsteekt bij dat van andere Europese landen. Binnen Europa loopt Nederland voorop in het streven om slachtoffergerichte activiteiten te integreren in de dagelijkse werkzaamheden van politie en justitie. In navolging van België kunnen slachtoffers sinds kort in Nederland in gerechtsgebouwen op één centraal punt terecht met vragen over de stand van het onderzoek, schadevergoeding en de gang van zaken tijdens een proces.

Wanneer in Nederland het slachtoffer of diens nabestaanden spreekrecht krijgen, dan is dat geen unieke positie. Ook de ons omringende landen in Europa hebben hen een spreekrecht toegekend, al zijn die regelingen onderling verschillend. In Duitsland, Portugal, Zweden en Turkije mag het slachtoffer de rol van secondant van de officier van justitie vervullen. Hij verklaart het openbaar ministerie te steunen in diens requisitoir en wordt als zodanig als eisende procespartij erkend. De verantwoordelijkheid van de vervolging blijft evenwel bij het openbaar ministerie rusten. Het slachtoffer heeft in die landen het recht ter zitting te verschijnen, vragen te stellen, bewijs aan te dragen, een verklaring af te leggen en een schadeclaim in te dienen. Als gevolg van het feit dat het slachtoffer als procespartij is erkend, krijgt hij van rechtswege informatie over belangrijke procesrechtelijke beslissingen.

Ook Frankrijk, België, en Groot-Brittanië hebben vormen van spreekrecht voor slachtoffers in hun procesrecht geregeld, maar veel beperkter dan de eerstgenoemde groep landen.

In Ierland is een spreekrecht in 1993 ingevoerd voor slachtoffers van zeden- en overige geweldszaken. Het slachtoffer heeft daarbij het recht om persoonlijk zijn verhaal te komen doen, als hij dat wil. De verklaring mag hij ook schriftelijk overleggen. De verklaring van het slachtoffer werken, zo is de ervaring in Ierland, lang niet altijd ten nadele van de verdachte. De onderzoekers hebben verslagen gezien, waarin slachtoffers meedeelden lichamelijk en/of geestelijk goed hersteld te zijn na het misdrijf. Aangezien de Ierse wet voorschrijft dat de rechter bij het bepalen van de straf rekening moet houden met de gevolgen van het misdrijf voor het slachtoffer kan dit leiden tot een minder hoge straf voor de dader.

Daarnaast kennen Nieuw-Zeeland en sommige staten in de Verenigde Staten aan slachtoffers een spreekrecht toe. Daar kan het evenwel om een verklaring gaan, waarin het slachtoffer zich mag uitspreken over de zijns inziens meest wenselijke straf, die aan de verdachte moet worden opgelegd, de zogenaamde victim's statement of opinion.

Ondergetekende heeft voor een veel minder vergaande variant gekozen dan de meeste bovengenoemde landen. De gekozen variant sluit aan bij de ontwikkelingen in het Nederlandse strafproces. Invoering van een spreekrecht, zoals voorgesteld, is niet in strijd met de bepalingen van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie.

3. Initiatiefwetsvoorstel

Tijdens de begrotingsbehandeling op 2 en 3 november 1999 verzocht ondergetekende de minister van justitie een spreekrecht voor slachtoffers of hun nabestaanden in het Wetboek van Strafvordering op te nemen. De minister liet weten daar niet voor te voelen, maar kondigde wel een notitie aan over de positie van het slachtoffer. In deze notitie van 26 juni 2000 wijst de minister op experimenten die het openbaar ministerie heeft gestart met het opstellen van een schriftelijke slachtofferverklaring in ernstige strafzaken, waarin een politieopsporingsteam functioneert. Deze verklaring wordt opgesteld door een politiefunctionaris uit dat team. Kort voor de zitting neemt hij contact op met het slachtoffer of diens nabestaanden om de slachtofferverklaring schriftelijk vast te leggen. Het proces-verbaal daarvan wordt in het zittingsdossier gevoegd, zodat de rechter daar kennis van kan nemen. Voor het opmaken van de slachtofferverklaring komen ernstige gewelds- en zedenzaken in aanmerking, maar ook strafzaken, op grond van art. 6 Wegenverkeerswet 1994 gevoerd (dood of zwaar lichamelijk letsel door schuld in het verkeer). De verklaring wordt opgesteld aan de hand van een protocol en een checklist van onderwerpen, waarbij het lichamelijke letsel, de emotionele schade, de relatie tot de dader, de materiele schade en de procesopstelling aan de orde kunnen komen. Bij ernstige misdrijven kan de behandelend officier met het slachtoffer of de nabestaanden een gesprek voeren voorafgaand aan de zitting en soms daarna. De schriftelijke slachtofferverklaring vervangt dit soort gesprekken niet, maar is een aanvulling erop.

In de praktijk blijkt dat slachtoffers en nabestaanden (juridische) bijstand kunnen krijgen bij het opstellen van hun verklaring. Voor het opstellen van een slachtofferverklaring en deze een rol te laten spelen door middel van een proces-verbaal behoeft de wet niet gewijzigd te worden. De door de minister geëntameerde experimenten zijn niet contra legem.

Alhoewel ondergetekende de door de minister van Justitie beschreven experimenten rond de schriftelijke slachtofferverklaring een stap in de goede richting vindt en een voorstander is van de (juridische) bijstand, die slachtoffers en nabestaanden kunnen krijgen, komt de notitie niet tegemoet aan het verzoek om een spreekrecht voor slachtoffers of nabestaanden in de wet op te nemen.

Daarom ziet ondergetekende zich genoodzaakt het onderhavige initiatiefwetsvoorstel in te dienen.

4. Waarom een spreekrecht?

Ondergetekende onderkent het belang van een goed contact tussen het slachtoffer en de politie cq. het openbaar ministerie voor, tijdens en soms ook na afloop van het strafproces tegen de verdachte. Naarmate dit contact met het slachtoffer beter is geweest, zal hij erop vertrouwen dat de officier van justitie tijdens de terechtzitting op een juiste wijze rekening zal houden met zijn belangen. Wanneer een schriftelijke slachtofferverklaring formeel bij de processtukken is gevoegd en ook door de rechter in zijn beoordeling van de zaak wordt betrokken, is het aannemelijk dat het slachtoffer zich serieus genomen zal voelen en veelal weinig behoefte zal hebben zelf ter zitting het woord te voeren.

a. De mondelinge verklaring van het slachtoffer of diens nabestaande is kan bijdragen aan het begin van herstel van de emotionele schade, die bij het slachtoffer of diens nabestaanden is aangericht. In het openbaar een verklaring afleggen kan sommige van hen helpen de gevolgen van het misdrijf geheel of gedeeltelijk te verwerken. Ouders van een vermoord kind hebben bijvoorbeeld aangegeven dat zij het belangrijk vinden in het openbaar over hun kind te spreken en over hoe hun leven na het misdrijf is veranderd. Door te verschijnen op de openbare terechtzitting en het woord te mogen voeren voelen zij zich serieus genomen. Zij ervaren het spreekrecht als een erkenning van de situatie, waarin zij onvrijwillig als gevolg van het misdrijf terecht zijn gekomen, wanneer zij de rechter en de andere procesdeelnemers kunnen informeren over de gevolgen van het misdrijf in hun leven. In de praktijk hebben sommige rechters slachtoffers en nabestaanden aan het woord hebben gelaten. In die gevallen, die ondergetekende kent, is dat naar tevredenheid van degenen, die spreekrecht kregen, verlopen.

Er zullen sporadisch strafzaken zijn, waarin de aanwezigheid van het slachtoffer en diens afgelegde verklaring ter zitting zodanige reacties van de verdachte en/of diens advocaat oproepen, dat er mogelijkerwijze eerder sprake zal zijn van een toename van dan een herstel van de emotionele schade, die door het misdrijf aan het slachtoffer is berokkend. Dergelijke reacties zijn nooit helemaal uit te sluiten. Het gebeurt nu al in de rechtszaal dat bijvoorbeeld in een verkrachtingszaak, het slachtoffer eveneens als getuige is opgeroepen om over de toedracht van het misdrijf informatie te verstrekken en dat die ondervraging op een voor het slachtoffer pijnlijke wijze plaatsvindt. In de praktijk worden dergelijke slachtoffers goed voorbereid op wat hen tijdens de zitting te wachten kan staan.

Slachtoffers, die spreekrecht gevraagd hebben, kunnen begeleid worden door een advocaat of door een medewerker van Slachtofferhulp. Ook de officier van justitie kan in een voorgesprek het slachtoffer op het risico van escalatie wijzen. Het is uiteindelijk aan het slachtoffer om zelf te kiezen voor een mondelinge verklaring op de zitting. Tijdens de zitting houdt de voorzitter de orde goed in de gaten en kan hij beletten dat de verdachte of diens raadsman bepaalde opmerkingen maakt.

Uiteraard moeten de verwachtingen over het begin van herstel van emotionele schade niet te hoog gespannen zijn. Elk slachtoffer zal verschillend reageren op de uitoefening van het spreekrecht. Een adequate voorlichting is zeer gewenst.

b. Tijdens de terechtzitting zijn alle relevante procesdeelnemers aanwezig. De verdachte en diens advocaat, de officier van justitie, eventuele getuigen en deskundigen alsmede de rechter. Wanneer het slachtoffer of een van diens nabestaanden gebruik maakt van het voorgestelde recht om ter terechtzitting te spreken, dan kan de rechter direct zien en horen, hoe het met het slachtoffer of diens nabestaanden gaat. Die informatie kan met alle informatie, die over de verdachte en over de toedracht van het ten laste gelegde misdrijf bekend wordt, door de rechter in zijn beoordeling worden betrokken. De verklaring van het slachtoffer krijgt daardoor de plaats, die het toekomt, te weten onderdeel te worden van alle informatie, waarover de rechter beschikt, alvorens het vonnis te vellen.

Door het slachtoffer spreekrecht te geven, wordt hij als deelnemer aan het strafproces serieus genomen, hetgeen één van de doelstellingen is van het Kaderbesluit van de Europese Unie.

c. Niet alleen de rechter, maar ook de verdachte kan rechtstreeks van het slachtoffer of diens nabestaande horen wat het gepleegde misdrijf in hun leven betekend heeft. Zodoende komen de gevolgen van het misdrijf dat hem ten laste is gelegd in beeld en draagt dit er wellicht toe bij dat de verdachte gaat beseffen wat hij heeft gedaan. Dit besef kan helpen bij het voorkomen van recidive. Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad van State wijst ondergetekende er nadrukkelijk op dat misdrijven onderling van elkaar verschillen evenals verdachten en dat lang niet altijd alle vier de doelstellingen in de praktijk zullen worden gehaald. Staan verdachten in het kader van de georganiseerde criminaliteit terecht, waarbij uit puur winstoogmerk met koele kansberekening misdrijven zijn gepleegd, dan zal een mondelinge verklaring van een slachtoffer wellicht geen indruk maken op de verdachte. Toch moeten ook binnen deze categorie niet alle verdachten over één kam worden geschoren. Zo kan het voorkomen dat wanneer een lid van een criminele organisatie terechtstaat, die zich heeft schuldig gemaakt aan woninginbraken, de mondelinge verklaring van het slachtoffer het besef kan doen ontstaan dat de buit aan het slachtoffer toebehoort, dat het slachtoffer aan zijn eigendommen gehecht is om invoelbare redenen en dat de inbreuk op het ongestoord woongenot diepe littekens kan nalaten. Het gepleegde misdrijf treedt door de mondelinge verklaring van het slachtoffer als het ware uit de anonimiteit.

d. Bovendien kan het spreekrecht de zichtbaarheid van het slachtoffer vergroten en wellicht daardoor eveneens in het algemeen preventief werken. Opgemerkt wordt hier naar aanleiding van het commentaar van de Raad van State dat de wetgever geen invloed heeft op de mate, waarin de media over een strafzaak publiceren. Nederland kent persvrijheid. Het is aan de media om te beoordelen of en zo ja, in welke mate zij aan een bepaalde strafzaak en het verhandelde ter zitting, aandacht willen besteden.

Op het eerste gezicht lijkt de generaal preventieve werking meer tot zijn recht te komen naar mate er meer over de strafzaak en de gevolgen van het misdrijf voor het slachtoffer is gepubliceerd. Toch moet hierbij een kanttekening worden geplaatst. Ook in zaken, die de media niet halen, kan de verklaring van het slachtoffer indruk maken op de familieleden van de verdachte, wanneer zij aanwezig zijn, of op het aanwezige publiek op de publieke tribune. Het besef dat «aan de andere kant van het misdrijf» een mens van vlees en bloed getroffen is door de gevolgen ervan, kan tot gevolg hebben dat een veroordeelde minder snel recidiveert.

5. Praktijk

In de rechtspraktijk wordt er verschillend gereageerd op nabestaanden, die de rechter verzoeken tijdens de terechtzitting het woord te voeren. Rechters onderkennen soms het belang om de nabestaanden aan het woord te laten. Toch wordt het spreken aan nabestaanden soms geweigerd. Zo is blijkens berichten in de media aan de vader van Froukje Schuitmaker, die in Gorinchem in discotheek Bacchus werd doodgeschoten, door het Gerechtshof te Den Haag geweigerd het woord te voeren. Als reden gaf de voorzitter van de strafkamer op dat de wet aan nabestaanden geen spreekrecht toekent.

«Het is niet relevant wat wij persoonlijk vinden. We moeten ons houden aan de wet.»

Daarentegen koos de voorzitter van de strafkamer van de Amsterdamse rechtbank er in 1997 voor om de ouders van Joes Kloppenburg, die in Amsterdam op straat werd gedood, wel aan het woord te laten, ook al onderkende de rechter dat het spreekrecht niet in de wet geregeld is. Ook de Rotterdamse rechtbank heeft de ouders van Nienke Kleiss, die in het Beatrixpark in Schiedam werd vermoord, in 2001 op de terechtzitting aan het woord gelaten. Zij mochten zich uitspreken over de gevolgen, die de dood van hun dochtertje op hun leven heeft gehad.

In het blad van het Openbaar Ministerie «Opportuun» van januari 2001, nummer 5, is een debat georganiseerd tussen een slachtofferofficier, een officier van justitie, een vice-president van een rechtbank en een stafmedewerker van Slachtofferhulp Nederland over het spreekrecht van slachtoffers. Mr S. van Dissel, vice-president van de strafsector van de rechtbank te Rotterdam verklaart daarin:

«Ik heb het al meerdere malen meegemaakt, in spraakmakende zaken, waarin sprake was van, ik zal maar zeggen, zinloos geweld. Toen is ook afgesproken dat slachtoffers tien minuten spreekrecht kregen, voor wat dan ook. Dat is niet geregeld, maar het is ook niet verboden.»

De officier van justitie te Leeuwarden, mr. W. ten Kate:

«Dan ben je wel afhankelijk van de rechtbank.»

van Dissel: «Ik zou er heel blij mee zijn als het wel geregeld was... Ik schat in dat al mijn collega's er in principe hetzelfde over denken: die vinden het heel goed dat er een spreekrecht komt. Moet kunnen, organiseer het maar...»

Het initiatiefwetsvoorstel regelt het spreekrecht en sluit aan bij die rechters, die er in de praktijk voor kiezen slachtoffers of nabestaanden aan het woord te laten.

In sommige situaties zal de uitoefening van het spreekrecht door het slachtoffer een negatieve invloed kunnen uitoefenen op de beheersbaarheid en de voortgang van de strafzitting, ook al hebben rechters, die nu al een spreekrecht verlenen, daar geen melding van gemaakt. Toch is dit risico, hoe klein ook, aanwezig. Ook onder de huidige wet kan de orde op de zitting worden verstoord, wanneer het slachtoffer het woord voert in de formele positie van getuige of benadeelde partij. Er zijn gevallen bekend dat een slachtoffer ingevolge de Wet Terwee een schadeclaim heeft ingediend, waarbij er een heftige discussie met de verdachte of diens advocaat ontstaat over het waarheidsgehalte en de reikwijdte van de claim. Op zichzelf is dit geen reden om slachtoffers in de toekomst geen schadeclaims meer te laten indienen, maar het is wel een reden voor rechters om alert te zijn en de leiding van de zitting niet uit handen te geven. Ondergetekende heeft het wetsvoorstel voorgelegd aan de rechters en officieren van justitie, die verenigd zijn in de NVVR teneinde hun opvatting terzake te vernemen. Het gevoelen van de rechterlijke macht over het initiatiefwetsvoorstel is daardoor bekend. In zijn advies van 7 mei 2001 heeft de NVVR laten weten zich te kunnen vinden in de in het wetsvoorstel uitgesproken wens om het slachtoffer of diens nabestaande als zodanig een plaats in het strafproces te geven en diens participatie niet te laten afhangen van de betrokken rechter. De NVVR:

«Uniformering waar het gaat om de toekenning van het spreekrecht acht zij zinvol.»

Rechters in Nederland zijn professionals, die ruime ervaring hebben met het handhaven van de orde op de zitting. Ondergetekende verwacht niet dat de wettelijke invoering van het spreekrecht dat nu al her en der in de praktijk wordt toegestaan, tot een significant verschil gaat leiden in de beheersbaarheid en voortgang van het strafproces ter zitting.

6. Verklaring over de gevolgen, die het misdrijf teweeg heeft gebracht

Het initiatiefwetsvoorstel regelt een spreekrecht, geen spreekplicht. Slachtoffers of hun nabestaanden kunnen er vrijelijk voor kiezen er al dan niet gebruik van te maken.

Voorgesteld wordt dat het slachtoffer of diens nabestaanden het recht krijgt op de openbare terechtzitting te kennen te geven welke gevolgen het ten laste gelegde feit bij hem te weeg heeft gebracht. In de engelstalige rechtspraktijk wordt dit een «victim's statement of impact» genoemd. Het is dus uitdrukkelijk niet de bedoeling dat aan het slachtoffer of diens nabestaanden een mogelijkheid wordt geboden zijn visie op de verdachte of de toe te kennen straf te geven. Het spreekrecht mag niet gebruikt worden om daarover meningen te verkondigen, in de engelstalige rechtspraktijk «victim's statement of opinion» genoemd. Het slachtoffer zou zich bij een dergelijke verklaring kunnen ontpoppen als een schaduw officier van justitie, hetgeen ongewenst voorkomt. In sommige Europese landen, zoals Duitsland, heeft het slachtoffer het recht op te treden als secondant van de officier van justitie. Ondergetekende acht een dergelijke procespositie niet passen in het Nederlandse rechtssysteem. Het initiatiefwetsvoorstel gaat dan ook minder ver en sluit aan bij de praktijk, die sommige rechters in Nederland hanteren.

Teneinde het slachtoffer of de nabestaanden geen verkeerde voorstelling van zaken te laten krijgen, is het van belang dat hij of zij goed geïnformeerd wordt over de reikwijdte van het spreekrecht. Daarvoor is een goed contact met politie en/of openbaar ministerie van belang. Op veel parketten zijn slachtoffer coördinatoren aangesteld, die het contact met het slachtoffer of diens nabestaanden verzorgen. Het ligt voor de hand, dat zij of de behandelend officier van justitie het slachtoffer informeren. Een correcte informatievoorziening, de NVVR wijst hier ook op, is tevens van belang om het risico van secundaire victimisatie te beperken. Hiermee wordt bedoeld dat een slachtoffer de nadelen van het jegens hem gepleegde misdrijf dient te verwerken, en niet nog eens daarbovenop beschadigd mag raken als gevolg van een slechte behandeling tijdens het strafproces. Er moet in de praktijk duidelijke voorlichting over het spreekrecht aan het publiek verschaft worden. In specifieke situaties is het aan de politie, het openbaar ministerie en Slachtofferhulp om op de omstandigheden van het geval toegesneden informatie te verschaffen. Ondergetekende kan zich voorstellen dat de minister van justitie bij aanvaarding van het wetsvoorstel het publiek in brede zin voorlicht over de beperkte reikwijdte van het spreekrecht.

7. Oproeping door officier van justitie

Het slachtoffer of de nabestaanden, die van het spreekrecht gebruik willen maken, dienen dit schriftelijk aan de officier van justitie bekend te maken. De officier van justitie draagt dan zorg voor de oproeping. De gewone regels van het wetboek van strafvordering zijn op de oproeping van toepassing.

8. De kring van degenen, die van het spreekrecht gebruik mogen maken

Het slachtoffer is de eerst aangewezene om van het spreekrecht gebruik te maken.

Volgens het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie is een slachtoffer:

«De natuurlijke persoon die als direct gevolg van het handelen of nalaten dat in strijd is met de strafwetgeving van een lidstaat schade, met inbegrip van lichamelijk of geestelijk letsel, geestelijke pijn en economische schade, heeft geleden.» Is het slachtoffer overleden, dan komt aan de nabestaanden dat recht toe. Het wetsvoorstel maakt in zoverre een keuze dat allereerst de echtgenoot of de geregistreerde partner van het slachtoffer in aanmerking komt als nabestaande het woord te voeren. Is er geen echtgenoot of geregistreerde partner of wenst deze om hem of haar moverende redenen niet van het spreekrecht gebruikt te maken, dan komen de onder b. van art 336 lid 2 genoemde nabestaanden in principe voor het spreekrecht in aanmerking.

Het komt gewenst voor de kring van gerechtigde nabestaanden te beperken. Tot de nabestaanden rekent het wetsvoorstel ook de bloedverwanten in de rechte lijn tot en met de eerste graad. Dit zijn de ouders van het slachtoffer of de kinderen. Ook een minderjarige kan mondeling een verklaring afleggen. Gekozen is voor de gekozen leeftijdsgrens van twaalf jaar, zoals die in het familierecht sinds jaar en dag gebruikelijk is. Is niemand van hen in staat van het spreekrecht gebruik te maken, dan wordt het spreekrecht toegekend aan bloedverwanten in de zijlijn tot en met de tweede graad. Dit zijn de broers of zusters van het slachtoffer.

In de opzet van het wetsvoorstel is de kring beperkt gehouden. Dat betekent dat, wanneer het slachtoffer aangeeft te willen spreken, niet daarnaast ook nog eens de echtgenoot of familieleden van het slachtoffer het woord kunnen voeren. Indien het slachtoffer fysiek niet in staat is van het spreekrecht gebruik te maken, kan hij niet een vertegenwoordiger aanwijzen. Het gaat om de vertolking van de eigen ervaringen. Wel kan het slachtoffer dan een schriftelijke verklaring opstellen die bij de processtukken wordt gevoegd. Willen de nabestaanden van het spreekrecht gebruik maken, dan is één van hen daartoe gerechtigd. Ondergetekende acht het niet wenselijk dat meerdere personen van het spreekrecht gebruik maken. Onderling zullen de gerechtigden uit een bepaalde categorie moeten uitmaken, wie van hen het woord wil voeren. Bij onenigheid daarover tussen bijvoorbeeld de vader en het kind van het slachtoffer is het geraden dat de officier van justitie probeert om door middel van overleg de nabestaanden tot een eensluidende keuze te laten komen. Lukt dat niet, dan dient de zittingsrechter te bepalen wie van de nabestaanden het woord mag voeren.

Er is overigens geen bezwaar tegen dat er schriftelijke verklaringen van meerdere nabestaanden in het strafdossier worden opgenomen.

9. Eigenstandige positie van het slachtoffer

Naar aanleiding van de adviezen van de Raad van State, de NVVR en de NOVA heeft ondergetekende ervoor gekozen het slachtoffer of de nabestaande, die van het spreekrecht gebruik maakt, een eigenstandige wettelijke positie te geven en niet de formele positie van getuige. De adviesorganen hebben ondergetekende overtuigd dat wanneer het slachtoffer formeel als getuige optreedt en als getuige beëdigd zou worden, het slachtoffer tevens blootgesteld wordt aan het ondervragingsrecht van het openbaar ministerie en de verdediging, hetgeen mogelijk nadelige consequenties voor het slachtoffer zou hebben. Ook art. 3 van het eerdergenoemde Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie draagt de lidstaten op de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat het slachtoffer slechts voorzover noodzakelijk ten behoeve van de strafprocedure wordt ondervraagd door de autoriteiten.

Art. 6 van het EVRM, dat voorschrijft dat de verdachte een eerlijk proces moet krijgen, noopt niet tot een beëdiging van het slachtoffer als getuige, wanneer het slachtoffer of de nabestaande spreekt over de gevolgen die het misdrijf in zijn leven teweeg heeft gebracht. De adviesorganen bepleiten een aparte regeling. Ondergetekende heeft die adviezen ter harte genomen en in de voorgestelde artikelen 302 en 303 die aparte positie geregeld, waarin geen ondervragingsrecht voor de rechter, het openbaar ministerie en de verdediging is opgenomen. Art. 292, waarin het ondervragingsrecht is geregeld, ziet alleen toe op de beëdigde getuige en niet op het slachtoffer dat ingevolge het wetsvoorstel van zijn spreekrecht gebruik maakt. Met de onderhavige regeling wordt aan het bezwaar van de Raad van State, de NVVR en de NOVA tegemoet gekomen.

10. Bij welke misdrijven?

Naar aanleiding van de adviezen van de Raad van State en de NVVR heeft ondergetekende een beperking aangebracht in de misdrijven, waarbij het slachtoffer en de nabestaande van het spreekrecht gebruik kunnen maken. In het voorstel is als hoofdregel opgenomen dat spreekrecht uitgeoefend kan worden bij misdrijven, die met een straf van maximaal 8 jaar zijn bedreigd. Zou het bij die hoofdregel blijven, dan vallen een aantal misdrijven buiten de boot, waarbij ondergetekende van mening is dat het spreekrecht ook van toepassing hoort te zijn. Daarom is in het voorgestelde art. 302 lid 2 een aantal artikelen specifiek opgenomen, die met een geringere straf dan 8 jaar zijn bedreigd, maar waarbij het slachtoffer toch van zijn spreekrecht gebruik kan maken. Als voorbeeld wordt hier art. 6 Wegenverkeerswet 1994 vermeld. In deze bepaling wordt strafbaar gesteld de gedraging in het verkeer, waarbij het aan iemands schuld te wijten is dat een ander wordt gedood of zwaar lichamelijk letsel oploopt, waarvoor volgens art. 175 van die wet een maximale gevangenisstraf van drie jaar geldt. In het artikelsgewijze commentaar gaat ondergetekende op de andere artikelen in.

Doorslaggevend voor de mogelijke uitoefening van het spreekrecht is van welk misdrijf of misdrijven het openbaar ministerie de verdachte beschuldigt, zoals in de dagvaarding aan de verdachte tot uitdrukking is gebracht. Daarbij ligt het voor de hand dat gelet op de ernst van de misdrijven waarvoor van het spreekrecht gebruik gemaakt kan worden, de verdachte voor de meervoudige strafkamer gedagvaard zal worden. Toch kan het voorkomen dat de verdachte voor de politierechter of voor de kinderrechter terecht moet staan, ook al zijn deze rechters begrensd in het opleggen van lengte van de vrijheidsstraf. Voor de uitoefening van het spreekrecht maakt dat niet uit, mits in de tenlastelegging één van de misdrijven, zoals bedoeld in art. 302 lid 2 aan de verdachte verweten wordt.

11. Afzonderlijke ruimten

De voorzitter van de strafkamer kan maatregelen nemen dat het slachtoffer of de nabestaande, die het woord zal voeren op de terechtzitting, naar een afzonderlijke ruimte wordt geleid in afwachting van zijn verschijnen in de rechtszaal. Het kan ongewenst zijn dat verdachte en slachtoffer in hetzelfde vertrek plaatsnemen, voordat de terechtzitting een aanvang neemt. Ondergetekende verwijst naar art. 8 lid 3 van eerder genoemd Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie, waarin lidstaten worden opgedragen zo nodig de gerechtsgebouwen geleidelijk uit te rusten met afzonderlijke wachtkamers voor slachtoffers. Uiterlijk 22 maart 2002 moet aan deze regeling van het Kaderbesluit zijn voldaan.

12. Wachten op evaluatie van de experimenten met de schriftelijke slachtofferverklaring?

De experimenten met de schriftelijke slachtofferverklaring, waarover onder 3 van de Toelichting melding is gemaakt, zijn van start gegaan onder vigeur van de huidige wetgeving. Conclusies na afloop van de experimenten zullen het beleid ten aanzien van schriftelijke slachtofferverklaringen wellicht wijzigen zonder dat dit tot wettelijke aanpassingen hoeft te leiden.

In tegenstelling tot de schriftelijke slachtofferverklaring behoeft het spreekrecht van het slachtoffer of de nabestaande een wettelijke inbedding, wanneer het slachtoffer enkel wil verklaren omtrent de gevolgen, die het misdrijf in zijn leven teweeg heeft gebracht. De mondelinge manifestatie van het slachtoffer of de nabestaande op de openbare terechtzitting is een stap verder dan wat de experimenten, die thans gehouden worden, beogen. Daarom hoeft niet gewacht te worden op de evaluatie van die experimenten.

Overigens verwacht ondergetekende wel dat naar mate de schriftelijke slachtofferverklaring voldoet, er bij de betreffende slachtoffers of nabestaanden, die zich schriftelijk hebben geuit, minder behoefte zal bestaan aan een mondelinge verklaring. Bovendien wijst ondergetekende op het advies van de NVVR dat uniformering van het spreekrecht zinvol acht. De NVVR verwijst in haar advies naar het eerste interim-rapport van het onderzoeksproject Strafvordering 2001, waarin gepleit wordt voor invoering van een beperkt spreekrecht zonder dat de lopende experimenten m.b.t. de schriftelijke slachtofferverklaring behoeven te worden afgewacht.

13. Werklastverzwaring

Het is niet uit te sluiten dat het verlenen van spreekrecht een verzwaring betekent van de werklast van openbaar ministerie en de rechter. In de voorfase zal dit met name komen door extra tijdsbeslag bij het opmaken van het proces-verbaal van de slachtofferverklaring en nadat dat proces-verbaal aan de processtukken is toegevoegd voor alle procesdeelnemers in extra leestijd.

Als gevolg van dit wetsvoorstel zal de rechter extra tijd moeten uittrekken voor de behandeling van de strafzaak ter terechtzitting, wanneer het slachtoffer of een van de nabestaanden ervoor kiest om gebruik te maken van het spreekrecht. Per zaak kan dat verschillen. Het is niet aan te geven, hoe groot dit extra beslag op de zittingstijd zal zijn, omdat niet vaststaat of er veelvuldig van het spreekrecht gebruik gemaakt zal worden. Het is aan het slachtoffer om te bepalen of hij er gebruik van wil maken. Uit het rechtsvergelijkend onderzoek blijkt dat in Ierland het spreekrecht op de zitting niet veel wordt benut. Indien de Ierse ervaring op de Nederlandse situatie wordt getransponeerd, zal er in de praktijk geen sprake zijn van een significante werklastverzwaring.

14. Evaluatie

Het komt ondergetekende verstandig voor het spreekrecht te evalueren drie jaar nadat het wetsvoorstel in werking is getreden.

ARTIKELSGEWIJZE COMMENTAAR

ARTIKEL I

A

Artikel 260

De officier had in dit artikel al de bevoegdheid toebedeeld gekregen om getuigen, deskundigen en tolken schriftelijk ter terechtzitting te doen oproepen. Na het woord «getuigen» wordt in het wetsvoorstel het slachtoffer of diens nabestaanden geïntroduceerd. Voortaan geldt de bevoegdheid van de officier dus ook deze categorie personen.

In het nieuwe lid 2 wordt geregeld dat het slachtoffer of één van zijn nabestaanden schriftelijk aan de officier van justitie het verzoek moet doen ter terechtzitting te worden gehoord. Aan de officier van justitie komt geen afwegingsvrijheid toe. Hij dient aan het verzoek gehoor te geven en roept de verzoeker op.

Door de gebruikte formulering «het slachtoffer of een van zijn nabestaanden» wordt aangegeven dat ofwel het slachtoffer ofwel een iemand uit de kring van nabestaanden het spreekrecht toekomt.

B

Artikel 288a

De rechter, in geval van de meervoudige strafkamer, de voorzitter, bepaalt in welke volgorde hij de verschenen personen zal horen. Hiervoor heeft de ondervraging van de verdachte reeds plaatsgehad. Aannemelijk is dat meestal daarna eerst de getuigen en de deskundigen zullen worden gehoord en dat hierna het slachtoffer of de nabestaande in de gelegenheid wordt gesteld te spreken.

C

Artikel 302

In het eerste lid wordt expliciet omschreven dat het spreekrecht een beperkte reikwijdte heeft. Het slachtoffer of diens nabestaande kan op de zitting een verklaring afleggen omtrent de gevolgen die het tenlastegelegde misdrijf bij hem teweeg heeft gebracht. Zou het slachtoffer of diens nabestaande zich tijdens het spreken gaan uitlaten over welke straf hij wenselijk acht voor de verdachte, dan treedt hij buiten het wettelijke spreekrecht. Verwacht mag worden dat de voorzitter van de strafkamer dan zal ingrijpen en het slachtoffer of diens nabestaande zal manen zich te beperken tot hetgeen de wetgever heeft geregeld.

Uit de formulering blijkt dat slechts één persoon mag spreken. Het is of het slachtoffer of één van diens nabestaanden. Om de voortgang van de zitting niet te zeer te belasten is voor deze beperking gekozen.

In het tweede lid wordt bepaald in welke gevallen het spreekrecht uitgeoefend kan worden.

De hoofdregel is dat bij alle misdrijven, die met een gevangenisstraf van acht jaar worden bedreigd de mogelijkheid van het spreekrecht geldt. Daarnaast wordt een aantal wetsartikelen specifiek genoemd, waarop een geringere strafmaat staat, maar waarbij ondergetekende verwacht dat er wel behoefte is aan het spreekrecht.

Art. 240b verwijst naar het kinderporno-artikel, waarbij de minderjarige als slachtoffer ter zitting desgewenst het woord zou kunnen voeren.

Is art. 247, art. 248a, art. 248b, art 249 of art. 250 tenlastegelegd, dan zou degene, met wie ontucht is gepleegd, van het spreekrecht gebruik kunnen maken.

Is art. 250a tenlastegelegd, dan kan degene, die slachtoffer van mensenhandel is geworden, van het spreekrecht gebruik maken.

Degene, die bedreigd is in de zin van art. 285 kan van het spreekrecht gebruik maken evenals degene, die belaagd is in de zin van art. 285b. Ondergetekende heeft bij de mishandelingsartikelen 300 en 301 de keuze gemaakt het slachtoffer of diens nabestaande de mogelijkheid van het spreekrecht toe te kennen, indien het feit zwaar lichamelijk letsel of de dood ten gevolge heeft gehad.

Ook bij art. 306, deelneming aan een aanval of vechterij, waarbij lichamelijk letsel of de dood als gevolg optreedt, kan het spreekrecht worden uitgeoefend.

Bij de artikelen 307 en 308 gaat het om dood door schuld of lichamelijk letsel door schuld. Ook hier zal het slachtoffer of diens nabestaande van het spreekrecht desgewenst gebruik kunnen maken. Ook degene, die het slachtoffer van afdreiging is geworden in de zin van art. 318, zal van het spreekrecht gebruik kunnen maken.

Tot slot wordt specifiek art. 6 van de Wegenverkeerswet 1994 genoemd, zoals onder 10 van de Toelichting al is weergegeven.

Artikel 303

Het eerste lid draagt de rechtbank op degene, die van het spreekrecht gebruik wenst te maken en door de officier van justitie is opgeroepen, te horen.

Het tweede lid geeft de rechtbank de mogelijkheid om het slachtoffer of diens nabestaande, die na oproeping niet verschenen is, op een nader te bepalen tijdstip op de terechtzitting te laten verschijnen. Komt het slachtoffer of diens nabestaande dan weer niet opdagen, dan kan de rechtbank van het horen afzien teneinde de voortgang van het strafproces niet onredelijk te vertragen.

D

Artikel 336

In het eerste lid wordt bepaald dat het slachtoffer of diens nabestaande, die mondeling ter terechtzitting een verklaring wil afleggen, zulks schriftelijk aan de officier moet meedelen.

In het tweede lid is een beperking van de kring van nabestaanden aangebracht. Daarbij heeft ondergetekende een volgorde aangebracht in die zin dat allereerst één van de personen, onder a vermeld, voor het spreekrecht in aanmerking komt, d.w.z. de echtgenoot of de geregistreerde partner. Was het slachtoffer niet gehuwd of had hij geen geregistreerd partnerschap gesloten, dan komt één van de personen onder b in aanmerking. Allereerst moet gekeken worden in de kring van bloedverwanten in de rechte lijn tot en met de eerste graad, d.w.z. de ouders of de kinderen. Uit deze kring mag één van hen mondeling ter zitting een verklaring afleggen.

Bij ontstentenis van één van deze personen, komt één bloedverwant in de zijlijn tot en met de tweede graad in aanmerking, d.w.z. een broer of een zuster van het slachtoffer.

Ingevolge de aangebrachte beperkingen kan een goede vriend, een kleinkind of een grootouder dus geen gebruik maken van het spreekrecht. In sommige situaties zullen er meerdere personen van het spreekrecht gebruik willen maken, bijvoorbeeld de kinderen van het slachtoffer. Onderling zullen zij tot overeenstemming moeten komen wie van hen mondeling een verklaring zal afleggen De anderen zullen dat schriftelijk kunnen doen. Komen zij onderling niet tot overeenstemming, dan ligt het voor de hand dat de officier van justitie bemiddelt, alvorens hij de oproeping de deur uit doet.

In het derde lid wordt het spreekrecht voor minderjarigen geregeld. Deze regeling is analoog aan de regeling voor minderjarigen in het familierecht, waar de grens gelegd is bij twaalf jaar, maar waar de rechter soms wel eens een persoon jonger dan twaalf jaar hoort.

Artikel 337

Dit artikel regelt dat het slachtoffer zich op de terechtzitting kan doen bijstaan. Hierbij kan aan een advocaat gedacht worden, maar ook aan een medewerker van Slachtofferhulp of een vertrouwenspersoon van het slachtoffer. Het slachtoffer of diens nabestaande kan een tolk meenemen, indien hij de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is.

E

Artikel 413

In het nieuwe derde lid wordt geregeld dat, indien een slachtoffer of diens nabestaande in eerste aanleg van het spreekrecht gebruik heeft gemaakt, de advocaat-generaal hem automatisch schriftelijk mededeling doet van de behandeling van de zaak in hoger beroep.

F

Artikel 414

In het nieuwe derde lid wordt bepaald dat indien een slachtoffer of diens nabestaande geen gebruik heeft gemakt van het spreekrecht in eerste aanleg, hij alsnog schriftelijk zijn voornemen daartoe aan de advocaat-generaal of het gerechtshof kenbaar kan maken. Soms kan het voorkomen dat pas geruime tijd na het misdrijf, nadat de zaak in eerste aanleg reeds is afgedaan, bij het slachtoffer of diens nabestaande behoefte ontstaat om mondeling ter zitting een verklaring af te leggen.

Op grond van art. 415 zijn de bepalingen met betrekking tot de uitoefening van het spreekrecht in eerste aanleg van toepassing op de behandeling in hoger beroep.

ARTIKEL II

Het wetsvoorstel zal op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking treden. Het heeft directe werking. In alle daarvoor in aanmerking komende aanhangige strafzaken, waarvan de terechtzitting nog niet geweest is, kan het spreekrecht worden geëffectueerd.

Dittrich


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl