Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 27628 nr. 2 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum brief |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 27628 nr. 2 |
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 mei 2001
Op 7 maart 2001 heb ik u geïnformeerd over het voornemen van het kabinet om te komen tot een regeling registratieplicht risicosituaties gevaarlijke stoffen (Tweede Kamer, vergaderjaar 2000–2001, 27 628 nr. 1). Daarbij heb ik aangegeven u, in afwachting van het beschikbaar komen van overzichten van risicosituaties op grond van een in te richten centraal register, op korte termijn te willen informeren over een lijst van risicovolle inrichtingen die direct na de ramp in Enschede is samengesteld, en recent zo veel mogelijk geactualiseerd.
Het toegezegde eerste overzicht van risicovolle inrichtingen is thans beschikbaar1, en kan ook via Internet worden geraadpleegd2. Dit overzicht is nog niet volledig. In deze brief wordt nader uiteengezet op welke gronden inrichtingen als mogelijk risicovol worden aangemerkt, en om welk type activiteiten het gaat. In bijlage 1 bij deze brief is een overzicht gegeven van gebiedsgerichte en categoriegerichte risico-inventarisaties die in de afgelopen jaren – met name vooral door provincies en regionale brandweren – zijn uitgevoerd.1
Als eerste stap in het opzetten van een register van risicosituaties gevaarlijke stoffen is een overzicht gemaakt van risicovolle bedrijven op basis van deze thans beschikbare – gebiedsgerichte – overzichten, met name voor de provincies Groningen, Flevoland, Overijssel, Gelderland en Noord-Holland. Van deze provincies waren voldoende actuele gegevens beschikbaar in een vorm die geschikt was om deze in het overzicht op te nemen. De gehanteerde criteria voor opname van een risicobron in de per provincie gemaakte overzichten zijn niet altijd uniform, noch zijn de gegevens volledig in overeenstemming met wat in het kader van de registratieplicht in de toekomst zal worden bijgehouden. De overzichten moeten daarom als een eerste beeld van de risicosituatie worden gezien. De overzichten zijn ook niet allemaal op hetzelfde tijdstip opgesteld en hebben dus per regio (deels) een verschillende actualiteit. De inhoud van elk overzicht geldt voor de peildatum die bij de betreffende inventarisatie is aangegeven.
In het overzicht zijn nog geen risicovolle transportroutes opgenomen. In het definitieve risicoregister zullen deze wel opgenomen worden. De overzichten geven ondanks afwijkende criteria ten opzichte van het verder op te zetten register, waardevolle informatie gericht op het identificeren van risicosituaties.
De provinciale en regionale overzichten waarnaar verwezen wordt, zijn opgesteld in opdracht van de betreffende provincies en regio's zelf. De verschillen in uitvoering van inventarisaties per gebied, kunnen bijvoorbeeld liggen in selectiecriteria voor het al dan niet opnemen van typen bedrijven of van individuele bedrijven. Daarnaast zijn er verschillen in volledigheid. Zo zijn in sommige provincies de bedrijven waarvoor gemeenten bevoegd gezag zijn niet in de inventarisaties opgenomen, in andere provincies wel. Met het invoeren van de wettelijke registratieplicht van risicosituaties gevaarlijke stoffen zullen deze verschillen geheel of grotendeels verdwijnen.
In de notitie bij mijn bovengenoemde brief (Tweede Kamer, vergaderjaar 2000–2001, 27 628 nr. 1) heb ik aangegeven dat ten behoeve van het inrichten en operationeel maken van een centraal register van risicosituaties ook een nul-inventarisatie van risico-situaties zal worden uitgevoerd, om te zorgen dat het register bij het in werking treden van de regeling registratieplicht een zo goed mogelijk overzicht van alle risicosituaties omvat. De overzichten die nu worden opgesteld en bijgehouden zullen mede als basis daarvoor dienen. Daarbij zal in het voorbereidingstraject voor de uitvoering van de regeling, ook in afstemming met de provincies en regio's die deze overzichten hebben samengesteld, worden nagegaan hoe – voor zover praktisch inpasbaar – kan worden aangesloten bij de reeds bestaande uitvoeringspraktijk.
Categorieën risico-veroorzakende activiteiten
De risico veroorzakende activiteiten in Nederland zijn te verdelen over verschillende categorieën inrichtingen waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, en daarnaast gaat het om transportrisico's. Een indeling van typen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen aanwezig kunnen zijn is genoemd in het kader van de aangekondigde registratieplicht. Naast gevaarlijke stoffen die in verband met giftigheid, brandbaarheid of explosiegevaar risico's kunnen veroorzaken, gaat het om radioactieve stoffen (bij overigens een beperkt aantal bedrijven). In deze brief wordt nader toegelicht waar het met betrekking tot de risico's van deze typen inrichtingen om gaat.
Voor vrijwel alle genoemde categorieën inrichtingen en voor transport van gevaarlijke stoffen wordt gebruik gemaakt van de risicobenadering, zij het dat voor munitiedepots en voor de opslag van explosieven en vuurwerk geen risicobenadering (– kans en effect –) wordt toegepast, maar bronbeleid in combinatie met effectgerichte afstanden voor de ruimtelijke ordening. Voor vuurwerk is onlangs een nieuw wetsvoorstel gepubliceerd (concept Besluit vuurwerkinrichtingen) waarin alle elementen in de keten van import, transport, opslag, assemblage en toepassing (= afsteken) van vuurwerk integraal in diverse wetten zijn geregeld.
Bedrijven worden als risicovol beschouwd als ze buiten het terrein een plaatsgebonden risico (= kans op overlijden) veroorzaken, dat hoger is dan 10–6 per jaar. Naast de formele aanwijzing op grond van de Europese Seveso II richtlijn, worden bedrijven op grond van dit uitgangspunt geïdentificeerd. Daarnaast kunnen bedrijven als risicovol worden aangemerkt, als er buiten de inrichting dodelijke slachtoffers kunnen vallen door een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen binnen de inrichting. Op grond van het externe veiligheidsbeleid wordt verwacht dat het bevoegd gezag voor risicovolle bedrijven, naast de normen voor het plaatsgebonden risico, ook rekening houdt met de normen voor het groepsrisico, zoals is aangegeven in de Handreiking Externe Veiligheid voor inrichtingen (uitgebracht door IPO en VNG, juni 1996). Daarbij worden de effecten van een mogelijk ongeval op bewoners en werknemers in de omgeving onderzocht tot op grote afstand van de inrichting (tot kilometers toe). Van die gegevens over het groepsrisico maakt het bevoegd gezag ook gebruik bij de rampenbestrijding.
Bij het rijk bestaat nog geen totaal overzicht van de ligging van al die gevaarlijke bedrijven. Dat totaaloverzicht wordt nu wel opgebouwd op grond van gegevens die door provincies, gemeenten en regionale brandweren worden aangeleverd om daarmee te komen tot een register van risicosituaties. Dat register zal uiteindelijk de vorm krijgen van een interactief te raadplegen gegevensbestand via Internet, en heeft thans nog de vorm van een tekstbestand (– lijst van risicobedrijven –) dat via Internet kan worden geraadpleegd. In het voorbereidingstraject van de registratieplicht risicosituaties met betrekking tot gevaarlijke stoffen zal op deze gegevens een verdere evaluatie worden uitgevoerd en zullen ontbrekende risicogegevens worden toegevoegd.
Ook bij het transport van gevaarlijke stoffen doen zich risico's voor. In het tot nu toe opgestelde overzicht zijn deze transportrisico's nog niet opgenomen. In deze brief wordt een algemene toelichting op deze problematiek van transportrisico's gegeven, alsmede een indicatie van het type knelpunten dat zich hierbij voordoet. De risicosituaties vanwege transport zullen wel in de registratieplicht worden betrokken.
Voor de Seveso-bedrijven, dat wil zeggen bedrijven die onder het Besluit risico's zware ongevallen 1999 vallen is specifiek geregeld dat de Minister van VROM, in zijn hoedanigheid van coördinerend minister voor de uitvoering van de Seveso-richtlijn, regulier wordt geïnformeerd. Deze informatie wordt thans in een centrale database bijgehouden door het RIVM en jaarlijks mede namens de meest betrokken departementen (SZW en BZK) gerapporteerd aan de Europese Commissie. Van deze Seveso-bedrijven is dus de ligging precies bekend, alsmede andere gegevens, zoals toegestane en gemiddeld aanwezige hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Een deel van deze bedrijven (rond 120) is verplicht een veiligheidsrapport in te dienen bij het bevoegd gezag (soms de gemeente, meestal de provincie). Deze rapporten zijn openbaar nadat beoordeling door het bevoegd gezag heeft plaatsgevonden.
Sinds 1997 is de Seveso-richtlijn aangescherpt en sinds juli 1999 is deze herziene Seveso-richtlijn in Nederlandse wetgeving omgezet. De informatieverplichtingen in de Seveso II richtlijn zijn geregeld in het Besluit risico's zware ongevallen 1999 (Brzo 99). Het Brzo 99 regelt, dat bedrijven die de drempelwaarden voor gevaarlijke stoffen van het Besluit overschrijden, een Kennisgeving moeten indienen bij het bevoegd gezag. In de Kennisgeving is naast de administratieve gegevens (adres etc.) vermeld welke gevaarlijke stoffen in de inrichting aanwezig (mogen) zijn en hoeveel. Van deze Kennisgeving krijgt de Minister van VROM (via het bevoegd gezag) een afschrift. De termijn waarop Kennisgevingen voor bestaande bedrijven moesten worden ingediend, liep tot 19 juli 2000.
In een deel van deze bedrijven (d.w.z. inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer) zijn zodanig grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig, dat ze krachtens het Brzo 99 verplicht zijn om een Veiligheidsrapport in te dienen. Op grond van de ingediende Kennisgevingen is mij bekend hoeveel (en welke) bedrijven onder het Brzo 1999 vallen, en welke daarvan een veiligheidsrapport moeten indienen.
Voor een deel van de bedrijven moest dit rapport op 3 februari 2001 worden ingediend bij het bevoegd gezag Wet milieubeheer, voor een deel van de bedrijven geldt voor de verplichting om dat rapport in te dienen een termijn die loopt tot 3 februari 2002. De bedrijven die voor 3 februari 2001 een Veiligheidsrapport moesten indienen hebben dat voor het overgrote deel gedaan. Momenteel loopt bij het bevoegd gezag in afstemming met de Arbeidsinspectie en de betrokken brandweer, de toetsingsprocedure van deze veiligheidsrapporten. Nadat de aanvaardbaarheid van risico's is getoetst, zullen de veiligheidsrapporten met het oordeel van overheidswege, ter inzage worden gelegd.
In hoeverre alle bedrijven die op grond van het Besluit risico's zware ongevallen 1999 zijn aangewezen, hebben voldaan aan de verplichting om een Kennisgeving in te dienen, is nog niet onderzocht, zij het dat door provincies is aangegeven dat bedrijven waarvoor de provincie als bevoegd gezag optreedt, voor het merendeel aan de kennisgevingsverplichting hebben voldaan.
Opgemerkt moet worden dat de Seveso-richtlijn een aantal inrichtingen uitsluit, die ook in het Brzo 99 zijn uitgesloten, namelijk: inrichtingen in gebruik bij de krijgsmacht; inrichtingen voor zover daarvoor een vergunning is vereist of algemene voorschriften gelden krachtens de Kernenergiewet, inrichtingen waarop de Mijnwet 1903 van toepassing is, inrichtingen waarop de Mijnwet continentaal plat van toepassing is, inrichtingen voor het op of in de bodem brengen van afvalstoffen om ze daar te laten, inrichtingen die geheel of nagenoeg geheel zijn bestemd voor de opslag in verband met vervoer van gevaarlijke stoffen, al dan niet in combinatie met andere stoffen en producten, spoorwegemplacementen, voor zover zij geen onderdeel zijn van een inrichting waarop dit besluit van toepassing is.
Voor wat betreft de in voorgaande opsomming laatstgenoemde twee categorieën van inrichtingen geldt dat deze wel grote risico's kunnen veroorzaken (met name emplacementen in binnensteden). Voor deze activiteiten is daarom ook een AMvB (Algemene Maatregel van Bestuur) in voorbereiding (– zie verder bij vervoersinrichtingen).
De LPG-tankstations vormen de grootste groep, namelijk rond 2200 inrichtingen. Er is geen complete lijst van deze inrichtingen bekend. Wel wordt er momenteel in opdracht van VROM door TNO naar de risico's van deze bedrijven gekeken en in dat kader is bij TNO een uitgebreide lijst beschikbaar waarop 1500 van de 2200 tankstations zijn vermeld. Het gaat om een update van inzichten met betrekking tot deze tankstations. Van deze tankstations is in het overzicht de ligging bekend, maar niet de kenmerken van de gebouwde omgeving. Er is wel indicatief nagegaan of het tankstation binnen of buiten de bebouwde kom ligt. De tankstations van deze groep van 1500, die binnen de bebouwde kom of aan de rand van de bebouwde kom liggen, zijn vermeld in het overzicht. Het gaat om iets meer dan 1000 tankstations. Op grond van statistische extrapolatie zou men moeten concluderen, dat er in totaal ongeveer 1500 LPG-tankstations binnen de bebouwde kom of aan de rand van de bebouwde kom liggen. De effectafstand (overlijden) bij een LPG-tankstation ligt rond de 300 meter, voor het minst waarschijnlijk geachte ongeval (d.w.z. een zeer lage kans). Voor nieuwe woningbouw wordt nu op grond van een in de LPG Integraal Nota toelaatbaar geacht risico van 10–6 per jaar, een afstand van 80 meter aangehouden. Voor kantoren (etc.) en bestaande woningen geldt nu een afstand van 20 meter.
Opslagen van chemicaliën en bestrijdingsmiddelen
Veel bedrijven hebben gevaarlijke stoffen in opslag. Het gaat dan om (verpakte) chemicaliën en om bestrijdingsmiddelen. Bedrijven hebben voor de opslag van die gevaarlijke (grond-)stoffen en/of producten opslagloodsen en -terreinen ingericht. Afhankelijk van de aard en de hoeveelheid van de stoffen kunnen die opslagen gevaar opleveren voor de omgeving. Dit aantal is geschat op tussen 500 en 1000 inrichtingen in Nederland. Op basis van de risico-analyse methodiek CPR-15 bedrijven en nader onderzoek aan een beperkt aantal inrichtingen schat men het aantal bedrijven dat een plaatsgebonden risico kent van 10–6 in de woonomgeving op circa 14. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen of deze grove schatting een goede benadering is van de werkelijke situatie. De effectafstanden die bij deze inrichtingen zijn vastgesteld liggen rond 900 meter voor grote opslagen met weinig veiligheidsvoorzieningen, en rond 300 meter bij een hoog niveau van veiligheidsvoorzieningen. Afhankelijk van de aard en omvang van de opslag en van de getroffen veiligheidsvoorzieningen, kan de aan te houden veiligheidsafstand liggen tussen 20 meter en meer dan 430 meter.
Ammoniak is een giftig gas. Het wordt onder meer gebruikt als koelmiddel in koelinstallaties bij koel- en vrieshuizen, veilinghallen, brouwerijen, schaatsbanen en in vistrawlers. Er bestaat geen betrouwbaar landelijk bestand van (ligging, inhoud en type van) dergelijke koelinstallaties. Ammoniak wordt met name in relatief grote installaties toegepast. Een recente studie1 geeft als indicatie dat er in Nederland circa 1500 relatief grote2 koelinstallaties werken met ammoniak. De gemiddelde vulinhoud van deze installaties is 2200 kg ammoniak. Er zijn inmiddels systemen voorhanden waarin bij gelijkblijvende koelcapaciteit de hoeveelheid ammoniak aanmerkelijk is teruggebracht. Daarnaast zal (lit 1) ammoniak als koelmiddel deels worden vervangen door andere koudemiddelen of andere wijzen van koudeopwekking. Naar schatting zullen in 2010 nog in de grootte-orde van 800 relatief grote koelinstallaties met ammoniak zijn gevuld. Op grond van eerdere schattingen3 zou bij ca. 17 % van de relatief grote4 installaties sprake (kunnen) zijn van aanwezigheid van gevoelige bestemmingen binnen de contour voor plaatsgebonden risico 10–6. Die situatie zou zich dus bij rond 200 ammoniakkoelinstallaties in Nederland kunnen voordoen. Validatie zal nog moeten duidelijk maken of deze schattingen juist zijn. Ter illustratie zij nog vermeld dat in de provincie Zuid Holland in 19985 28 koelinstallaties aanwezig waren met een vulinhoud van meer dan 1000 kg.
| De grootste zijn: | ||
| Heineken | Zoeterwoude | 60 000 kg |
| Schaatscentrum de Uithof | Den Haag | 12 000 kg |
| Bloemenveiling Holland | Naaldwijk | 10 000 kg |
| Van den Bergh en Jurgens | Rotterdam | 9 000 kg |
| Koelhuis Waalhaven Zuid | Rotterdam | 8 000 kg |
| Brouwerij | Rotterdam | 7 000 kg |
Van de ammoniakkoelinstallaties is nog geen compleet landelijk overzicht beschikbaar. Een landelijke inventarisatie hervan zal plaatsvinden in het voorbereidingstraject voor de aangekondigde registratieplicht. Een probleem dat zich daarbij overigens voordoet is dat gegevens vrij snel verouderen doordat veel bedrijven relatief gemakkelijk de omschakeling kunnen maken naar een ander, niet giftig koelmedium. Bij deze installaties zijn risicobeperkende bronmaatregelen in veel gevallen goed mogelijk.
Vervoersinrichtingen zijn in de Seveso richtlijn uitgesloten en worden in verband daarmee ook in het Besluit risico's zware ongevallen 1999 uitgezonderd. Dat is aanleiding om de informatievoorziening over deze risico's te regelen. De overwegingen bij de Seveso-richtlijn bieden ook expliciet de ruimte aan nationale overheden om dat te doen. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur in voorbereiding die de informatievoorziening over risico's voor werknemers en mens en milieu in de omgeving regelt op een wijze die vergelijkbaar is met de wijze waarop dit in het Besluit risico's zware ongevallen voor Seveso-inrichtingen is gedaan, maar wel rekening houdt met de specifieke eigenschappen van deze bedrijfstak. De meest betrokken ministeries bij deze AMvB zijn BZK, SZW, V&W en VROM. Ook hiervoor vervult VROM de coördinerende rol. Ten aanzien van de omvang van de risico's van deze zogeheten vervoersinrichtingen is het volgende bekend.
In Nederland zijn circa 80 emplacementen waar vervoershandelingen met wagons met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Hiervan zijn 24 emplacementen relevant vanwege risico's. Van die 24 emplacementen zijn er 14 emplacementen waar een knelpunt bestaat of ontstaat als gevolg van (de ontwikkeling in) het vervoer in combinatie met de (ontwikkeling van de) omgeving:
• Amersfoort
• Arnhem-Berg
• Arnhem-goederen
• Delfzijl
• Deventer
• Hengelo
• Maastricht
• Roosendaal
• Rotterdam IJsselmonde
• Sas van Gent
• Sittard
• Venlo
• Roermond
• Almelo
In het PAGE-project is deze problematiek in beeld gebracht. Op grond hiervan is thans een vervolgtraject in gang (follow-up PAGE). Op emplacementen is de aanwezigheid van wagons met LPG meestal maatgevend voor de effectafstand (meer dan 1% kans op overlijden bij een ongeval waarbij de inhoud explodeert). Deze effectafstand is 300 meter. Er zijn tussen de 2 en 5 emplacementen waar ook na het treffen van PAGE-maatregelen een blijvende overschrijding zal zijn van de oriënterende waarde voor het groepsrisico.
Voor stuwadoorsbedrijven gaat het om circa 5 bedrijven die relevant zijn vanwege de risico's. Van één stuwadoor is met zekerheid bekend dat het bedrijf volgens het aangegeven criterium als risicovol moet worden aangemerkt (ECT). Voor andere stuwadoors moet dit nog worden nagegaan. Overigens krijgen ook de stuwadoors die niet een extern plaatsgebonden risico boven 10–6 per jaar veroorzaken, toch aandacht vanwege arbeidsveiligheid, de voorbereiding op de rampenbestrijding, en vanwege mogelijke risico's voor verontreiniging van het oppervlaktewater.
Uit een studie van naar de risico's van intermodale overslagcentra is gebleken dat er bij geen enkel bedrijf sprake is van overschrijding van de risiconormen (SAVE, november 1997).
Opslag en assemblage van vuurwerk
Er is een inventarisatie gemaakt van bedrijven waar opslag van vuurwerk plaatsvindt. Deze lijst heb ik u bij brief van 27 juli 2000 aangeboden (– zoals ook genoemd in: Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 27 157 nr. 9).
Inrichtingen onder de Kernenergiewet
In Nederland zijn 7 inrichtingen vergunningplichtig op grond van artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet. Het gaat om de Kerncentrale Dodewaard, de Kerncentrale Borssele, de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA) te Borsele, de Nuclear Research and consultancy Group (NRG) en het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO), beiden op de onderzoekslocatie Petten, het Interfacultair Reactor Instituut (IRI) te Delft en Urenco Nederland (UNL) te Almelo. Ook deze inrichtingen worden in het register van risicosituaties opgenomen.
Civiel gebruik van explosieven
Tenslotte is in dit overzicht opgenomen waar en op welke wijze voor civiele doeleinden gebruik wordt gemaakt van explosieven. Het gaat dan om mijnbouw gerelateerde activiteiten en het gebruik van explosieven bij sloopwerkzaamheden.
Een beperkt aantal bedrijven maakt bij de olie en gaswinning gebruik van explosieven. Het gaat om inrichtingen die vallen onder de Mijnwet. Staatstoezicht op de Mijnen ziet daarbij toe op het gebruik maar niet op de opslag. Voor de opslag van deze stoffen is de gemeente veelal de vergunningverlener. De Wet explosieven voor civiel gebruik is van toepassing is slechts van toepassing op de overbrenging en op voorkomen van illegaal gebruik. Ook in de mergelwinning (Limburg) wordt van explosieven gebruik gemaakt. Het gaat om drie mergelgroeven zoals in de tabel 1 aangegeven. De afstand van deze groeven tot de dichtsbijzijnde woning bedraagt honderden meters.
Tabel 1. Opslag van explosieven t.b.v. de Mergelwinning
| bedrijf/locatie | toegelaten volgens Wm vergunning |
|---|---|
| ENCI | 6000 kg springstoffen 4000 el. ontstekers 5000 patronen |
| 't ROOTH | 2500 kg springstoffen 500 el. ontstekers 4500 kg springstoffen 6000 el. ontstekers |
| CURFS | 2000 kg springstoffen 2000 el. ontstekers |
Opslag van explosieven en munitie in defensie-inrichtingen
Er zijn 53 Defensie-inrichtingen zoals genoemd in bijlage II van het Inrichtingen en vergunningenbesluit Milieubeheer waar opslag van munitie (– c.q. explosieven –) plaatsvindt. De minister van VROM is bevoegd gezag voor de vergunningverlening voor deze inrichtingen. Onlangs is het rapport gereedgekomen van een recente inventarisatie van deze inrichtingen. Over deze inventarisatie is de Tweede Kamer per brief vrijwel gelijktijdig met dit overzicht geïnformeerd (zie «Inventarisatie veiligheid munitieopslagen Defensie»).
Andere gevaarlijke activiteiten
Vanwege het feit dat niet overal aardgas voor verwarming beschikbaar is, zijn er in Nederland nog ongeveer 20 000 tot 30 000 propaantanks in gebruik. Veel van deze tanks liggen in landelijk gebied (woningen, boerderijen, kassen). Het gaat dan met name om tanks met een inhoud tot 5000 liter, die vielen onder het Besluit opslag propaan. Deze tanks worden in het vervolg geregeld met het Besluit voorzieningen en installaties Wet milieubeheer, hoewel het formeel geen inrichtingen zijn. Dit besluit regelt propaantanks tot een grootte van 13 000 liter. Voor grotere tanks is er geen specifieke regeling, maar moeten de eisen via een Wm vergunning worden vastgelegd. De afstandseisen (veiligheids-afstanden) volgen uit het Handboek Vergunningen Wm, en zijn afkomstig van de Nota LPG Integraal. Er is van deze duizenden installaties geen overzicht van adressen beschikbaar. Bij gemeenten moeten deze gegevens wel aanwezig zijn waar het gaat om installaties waarvoor een vergunning is verleend en die dus als een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer worden opgevat. Waar het gaat om particulier gebruik voor verwarmingsdoeleinden van veelal alleenstaande woningen die onderling vaak een afstand hebben van tientallen meters, gelden geen specifieke afstandseisen voor gebruik van LPG, propaan of butaan. Door een ongunstige ligging, wanneer bijv. een propaantank is gelegen nabij een plaats waar zich vaker of gedurende langere tijd veel mensen ophouden – bijvoorbeeld een naast een propaantank gelegen camping – is wel extra aandacht gewenst om de kans op een ernstig ongeval te beperken, bijvoorbeeld door interpen (ondergronds brengen) van de opstagtank, door aanrijbeveiliging, etc. Dergelijke situaties kunnen door de gemeente aan de risiconormen te worden getoetst, en dienen ten minste bij de gemeente bekend te zijn. Aanbevolen wordt om ook deze (bijzondere) situaties op te nemen in het risico register.
Hiervoor is aangegeven dat het leidend criterium (– zij het niet het enige criterium –) voor het opnemen van risico-informatie over inrichtingen waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is, dat het plaatsgebonden risico van de inrichting hoger is dan 10–6 per jaar op de grens van de inrichting. Er kunnen bedrijven zijn die in de categorie opsomming hiervoornog niet opgenomen zijn, maar waarbij dit criterium toch wordt overschreden. Het gaat qua risico's om een «restgroep» van bedrijven, waarvoor de risico's nog moeten worden vastgesteld. Dit wordt verder uitgewerkt in het voorbereidingstraject voor het opstellen van de registratieplicht. Ook de AVR plichtige bedrijven worden in dat traject meegenomen.
Transport van gevaarlijke stoffen
Het transport van gevaarlijke stoffen is voor het grootste deel onlosmakelijk verbonden aan de productie, de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij transport gaat het om het vervoer over de weg, water, rail en door buisleidingen. Voor wat betreft transport met alle modaliteiten van gevaarlijke stoffen bestaat er bij het ministerie van V&W en de provincies, veel inzicht in de risico's. De vraag is of gemeenten, waar het gaat om gemeentelijke wegen, dat eveneens hebben en of gemeenten voldoende op de hoogte zijn van de risico's die het vervoer van gevaarlijke stoffen op rijks- en provinciale wegen (lokaal) veroorzaakt.
Belangrijke aandachtspunten met betrekking tot risiconiveaus van het doorgaande vervoer vormen de Westerschelde wegens normoverschrijdingen, stationslocaties wegens druk vanuit de ruimtelijke ordening en het vervoer van ammoniak per schip over het Amsterdam-Rijnkanaal. Ten aanzien van het vervoer van chloor is overleg gaande om het transport tot een minimum te beperken. Bij spoorvervoer en het wegtransport vraagt vooral LPG en de bevoorrading daarvan voor 2200 autotankstations aandacht als voornaamste risicobron.
Voortgang registratie van risicosituaties gevaarlijke stoffen
Met het overzicht van risicovolle inrichtingen waarover ik u met deze brief informeer, is een stap gezet om te komen tot een volledige registratie van risicovolle inrichtingen en transportroutes. Het register in de huidige vorm zal in de komende periode tot aan het in werking treden van een wettelijke registratieplicht van risicosituaties, regelmatig worden uitgebreid en aangevuld. Deze aanvullingen zullen eveneens op Internet beschikbaar zijn via de VROM-website (www.minvrom.nl).
Op de VROM website (www.minvrom.nl) vermeld onder de aanduiding «registratie van risicosituaties».
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27628-2.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.