Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 27625 nr. P |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 27625 nr. P |
Vastgesteld 14 september 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over de lopende herziening van de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Grondwaterrichtlijn en de Richtlijn prioritaire stoffen. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
• De uitgaande brief van 24 maart 2026.
• De antwoordbrief van 9 september 2026.
De griffier van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Dragstra
BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT / VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING
Aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat
Den Haag, 24 maart 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft met belangstelling kennisgenomen van de Europese mededeling COM(2026)39.2 Deze mededeling betreft de lopende herziening van de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Grondwaterrichtlijn en de Richtlijn prioritaire stoffen.
De leden van de fracties van de BBB, het CDA en de PvdD, en het lid van de fractie-Visseren-Hamakers hebben naar aanleiding hiervan een aantal vragen te stellen aan de regering. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA sluiten zich bij de door de fracties van het CDA, de PvdD en de fractie-Visseren-Hamakers gestelde vragen aan.
Vragen en opmerkingen van leden van de fractie van de BBB
De leden van de fractie van de BBB constateren dat Nederland als benedenstrooms land in sterke mate afhankelijk is van water dat via de Rijn, Maas en andere internationale stroomgebieden ons land binnenkomt. Deze leden achten het onwenselijk dat Nederlandse ondernemers of overheden worden geconfronteerd met strengere nationale normen dan die welke gelden in omringende landen. De leden van de fractie van de BBB zien een bevestiging van het beginsel van een gelijk speelveld als essentieel voor de bescherming van Nederlandse plattelandsregio’s en ondernemers en deze leden leggen de regering de volgende vragen voor.
Gelijk normenkader
1. Kan de regering bevestigen dat Nederland bij de implementatie van de herziening van de Kaderrichtlijn Water3 geen strengere nationale normen zal vaststellen dan de normen die in de ons omringende landen – zoals Duitsland en België – worden gehanteerd?
2. Indien de regering voornemens is om strengere normen te hanteren, kan zij dan motiveren waarom wordt afgeweken van het beginsel van een gelijk speelveld binnen hetzelfde internationale stroomgebied?
3. Is de regering bereid als uitgangspunt te hanteren dat normen in grensoverschrijdende stroomgebieden minimaal worden afgestemd met bovenstroomse landen?
Binnenkomend water en verantwoordelijkheid
4. Is de regering bekend met het feit dat de rivier de Dinkel in het grensgebied met Nederland in Duitsland voldoet aan de waterkwaliteitsnormen, Nederland instroomt en daar als vervuild wordt beschouwd, vervolgens terug slingert naar Duitsland en daar weer als schoon wordt gezien?
5. Op welke wijze wordt voorkomen dat Nederland aanvullende maatregelen moet nemen om water te zuiveren dat bij binnenkomst voldoet aan de Europese normen maar niet aan eventuele strengere nationale ambities?
6. Deelt de regering de opvatting van de leden van de fractie van de BBB inhoudende dat het onwenselijk is dat Nederlandse agrarische ondernemers worden aangesproken op waterkwaliteit die grotendeels wordt beïnvloed door buitenlandse lozingen? Hoe en wanneer gaat de regering stappen ondernemen om bovenstroomse landen aan te spreken op lozingen die in Nederland verboden zijn?
7. Welke mogelijkheden ziet de regering om via de Internationale Maascommissie (IMC) te komen tot daadwerkelijke normharmonisatie?
Economische en juridische gevolgen
8. Kan de regering uitsluiten dat nationale koppen op Europese regelgeving zullen leiden tot strengere vergunningverlening in Nederland dan in aangrenzende regio’s over de grens?
9. Welke gevolgen heeft het hanteren van strengere normen voor:
a. de concurrentiepositie van Nederlandse landbouwbedrijven;
b. het vestigingsklimaat in de grensregio’s en
c. de waterbeheerlasten voor de inwoners van plattelandsgebieden?
10. Acht de regering het risico aanwezig dat strengere nationale normen leiden tot verplaatsing van economische activiteiten naar buurlanden? Wat doet de regering om dit te voorkomen? Graag ontvangen de leden van de fractie van de BBB hierop een toelichting van de regering.
PFAS en nieuwe stoffen
11. Is de regering bereid om bij de implementatie van de nieuwe PFAS-normen uitsluitend de op Europees niveau vastgestelde normen toe te passen en geen aanvullende nationale grenswaarden te introduceren?
12. Wordt bij toekomstige toevoegingen aan de stoffenlijst het uitgangspunt gehanteerd dat Nederland geen vooruitlopende nationale aanscherpingen zal invoeren zonder Europese harmonisatie?
13. Op welke wijze gaat de regering om met aanvullende regelgeving van decentrale overheden?
Beleidsmatige borging
14. Is de regering bereid om expliciet vast te leggen dat bij de omzetting van de Kaderrichtlijn Water geen nationale koppen worden toegevoegd?
15. Kan de regering toezeggen dat deze Kamer vooraf wordt geïnformeerd indien wordt overwogen om van dit uitgangspunt af te wijken?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA
De leden van de fractie van het CDA constateren na lezing van de aan de orde zijnde mededeling dat de herziening van de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn4 en de Richtlijn prioritaire stoffen5 een gedeeltelijke verzwaring zal zijn van de huidige regelgeving. Om deze reden vragen deze leden of de regering kan aangeven hoe uitvoerbaar de herziene maatregelen zijn en op welke wijze zij van plan is om deze te implementeren. Kan de regering deze leden daarbij schetsen wat de gevolgen zullen zijn voor medeoverheden als provincies, waterschappen en gemeenten binnen hun taken voor kwalitatief en kwantitatief waterbeheer?
Kan de regering daarbij aangeven of er voldoende (financiële) middelen beschikbaar zijn om uitvoering te geven aan de voorgenomen herzieningen van voornoemde richtlijnen?
De leden van de fractie van het CDA vragen de regering daarnaast op welke wijze de voornemens voor de herziening van genoemde richtlijnen zich verhouden tot de aanpak voor stikstofreductie in Nederland. Op welke manier is de regering van plan hier integraliteit aan te brengen in de uitvoering van de doelen van de Vogel6- en Habitatrichtlijn7 met de hierboven genoemde richtlijnen op het gebied van water?
Daarnaast vragen de leden van de fractie van het CDA de regering op welke wijze de bij de aan de orde zijnde mededeling aangekondigde herzieningen zich verhouden tot de overige ruimtelijke wetgeving in Nederland, zoals de Nota Ruimte en de inspanningen van de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof (TLNS). Op welke wijze gaat de regering de herziening van de richtlijnen meenemen in dit ruimtelijk beleid en wie kunnen deze leden aanspreken op de integraliteit van de doelen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdD
De leden van de fractie van de PvdD hebben naar aanleiding van het voorliggende Europees voorstel de volgende vragen te stellen over de herziene Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn en de Richtlijn prioritaire stoffen.
Deze leden wijzen erop dat in de gewijzigde Kaderrichtlijn Water voor het eerst normen zijn toegevoegd voor PFAS. Voor deze chemische stoffen worden ruimere overgangstermijnen en uitgestelde deadlines – tot 2039 of zelfs 2045 – toegestaan.
1. Kan de regering aangeven hoeveel procent van de door de Kaderrichtlijn Water aangewezen Nederlandse wateren nu wel en niet voldoen aan deze normen?
2. Is de regering bekend met het rapport van de Europese Commissie over de kosten van PFAS-vervuiling, waaruit blijkt dat Nederland – na België – binnen de Europese Unie de meeste PFAS-vervuilde locaties kent?8 Kan de regering reageren op de conclusie dat de kosten van PFAS-vervuiling kunnen oplopen tot honderden miljarden euro’s wanneer PFAS niet wordt verboden?
3. Op welke wijze rechtvaardigt de regering dat de lidstaten pas rond 2039 – en mogelijk zelfs in 2045 – aan PFAS-normen moeten voldoen, terwijl deze forever chemicals niet afbreken in het milieu en schadelijk zijn voor de natuur en de volksgezondheid?
4. Is de regering het met de leden van de fractie van de PvdD eens dat deze ruime termijnen neerkomen op het loslaten van de oorspronkelijke doelstelling van de Kaderrichtlijn Water om uiterlijk in 2027 te voldoen aan de eisen voor schoon en gezond water? Zo nee, waarom niet?
5. Welke concrete maatregelen neemt de regering om de uitstoot van PFAS drastisch te beperken?
6. Is de regering bereid om op nationaal en/of Europees niveau te werken aan een verbod op PFAS? Zo ja, op welke wijze en termijn? Zo nee, waarom niet?
Vragen en opmerkingen van het lid van de fractie-Visseren-Hamakers
Het lid van de fractie-Visseren-Hamakers leest op pagina 2 van de aan de orde zijnde mededeling dat schadelijke stoffen atrazine en trichloorbenzeen in Richtlijn 2008/105/EG9 worden overgeplaatst van bijlage I (stoffen die aanleiding geven tot bezorgdheid in de EU) naar bijlage II (verontreinigde stoffen die aanleiding geven tot bezorgdheid op nationaal niveau). Genoemd lid is benieuwd wat deze overplaatsing voor concrete gevolgen heeft op nationaal en Europees niveau. Genoemd lid vraagt de regering of het juist is dat de regels voor de uitstoot worden versoepeld. Graag ontvangt dit lid een reflectie hierop van de regering.
Het lid van de fractie-Visseren-Hamakers constateert dat op pagina 2 van de aan de orde zijnde mededeling verder slechts één gevolg van de overplaatsing van bijlage I naar II wordt beschreven, te weten: «bijgevolg behoeven zij alleen te worden gemonitord en nageleefd in lidstaten waar de stoffen nog steeds aanleiding geven tot bezorgdheid.»
Genoemd lid vraagt de regering wat deze «bezorgdheid» precies inhoudt. Wanneer moet een land wel «monitoren» en «regels naleven» en wanneer niet?
Erkent de regering dat deze overplaatsing een risico vormt voor het doen toenemen van de hoeveelheid atrazine en trichloorbenzeen in Europese wateren? Zo ja, welke maatregelen treft de regering op nationaal en Europees niveau om deze risico’s te beperken? Zo nee, waarom niet?
Het lid van de fractie-Visseren-Hamakers vraagt de regering of zij bekend is met het rapport «Focus op industriële lozingen» van de Algemene Rekenkamer van 4 maart 202610 waarin de ontwikkeling van de concentratie van vijftien (zeer) schadelijke industriële stoffen in het Nederlandse oppervlaktewater is onderzocht.
Het rapport laat zien dat op 37 meetpunten tussen 2012 en 2024 achteruitgang heeft plaatsgevonden in de concentratie trichloorbenzeen in Nederlandse wateren. De concentratie trichloorbenzeen is dus op 37 meetpunten verhoogd.
Kan de regering een reflectie bieden op deze zorgelijke ontwikkeling? Wat is de oorzaak van de verhoging trichloorbenzeen tussen 2012 en 2024 in Nederlandse wateren?
Welke maatregelen neemt de regering om schadelijke industriële stoffen zoals trichloorbenzeen om op nationaal en Europees niveau terug te dringen?
Het lid van de fractie-Visseren-Hamakers leest in het rapport van de Algemene Rekenkamer verder het volgende:
«De Minister I&W is verantwoordelijk voor het afgeven van vergunningen voor industriële lozingen op rijkswateren en het toezicht op de naleving daarvan. (...) In dit onderzoek zien we echter dat de Minister weinig zicht heeft op wat door welke bedrijven wordt geloosd. Rijkswaterstaat heeft geen centraal datasysteem waarin de bedrijven, vergunningen, de hoeveelheid stoffen die bedrijven mogen lozen en de feitelijke lozingen worden bijgehouden. Hierdoor is het niet mogelijk een landelijk beeld te krijgen van welke bedrijven wat lozen op rijkswateren, en of dat onder de vergunningen is toegestaan.»
Erkent de regering dat het van belang is inzichtelijk te maken welke bedrijven hoeveel industriële lozingen op rijkswateren doen, zodat handhaving en controle hierop kunnen worden aangepast en zodat het behalen van Europese doelen op het gebied van waterkwaliteit haalbaar(der) worden? Is de regering bereid zich in te zetten om deze data inzichtelijk te maken? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Het lid van de fractie-Visseren-Hamakers leest op pagina 3 van de aan de orde zijnde mededeling over de wijziging van de Kaderrichtlijn verder het volgende:
«Daarnaast hebben de medewetgevers overeenstemming bereikt over de opname – met een dynamische aanpassingsclausule – van een minder strenge kwaliteitsnorm voor een som van 20 PFAS, die is afgestemd op de waarde die de drinkwaterrichtlijn voorschrijft.»
Welke kwaliteitsnorm werd gehanteerd en over welke nieuwe kwaliteitsnorm is door de medewetgevers overeenstemming bereikt? Betekent aanpassing van de kwaliteitsnorm dat de concentratie van deze 20 soorten PFAS kan verhogen in Nederlands en Europees drinkwater? Zo ja, wat is de reflectie van de regering op deze ontwikkeling?
Het lid van de fractie-Visseren-Hamakers leest tot slot op pagina 5 van de aan de orde zijnde mededeling over de wijziging van de Kaderrichtlijn:
«[De medewetgevers] kwamen ook overeen twee nieuwe uitzonderingen op het beginsel van niet-achteruitgang in te voeren: de ene om de procedures te vereenvoudigen teneinde vergunningen te verlenen voor nieuwe projecten die slechts een tijdelijke achteruitgang veroorzaken, en de andere om nieuwe projecten of activiteiten toe te staan, zelfs als deze de chemische toestand zouden verslechteren, op voorwaarde dat deze achteruitgang het gevolg zou zijn van een loutere verplaatsing van verontreinigende stoffen van het ene waterlichaam naar het andere, zonder netto toename van de verontreiniging en op voorwaarde dat het ontvangende waterlichaam zich reeds in een minder dan goede chemische toestand bevindt.»
Erkent de regering dat door het toevoegen van deze uitzonderingen meer chemisch afval in Europese wateren terecht kan komen? Erkent de regering dat dit niet wenselijk is, gezien het feit dat tijdens de tussenmeting in 2022 nog maar 40% van de Europese wateren voldeed aan de Europese Kaderrichtlijn Water?
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ziet met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangt deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.
De voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, R. Lievense
BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 september 2026
Hierbij stuur ik u de antwoorden op de vragen van de fracties van de BBB, het CDA en de PvdD, en het lid van de fractie Visseren-Hamakers naar aanleiding van de Europese mededeling COM(2026)39.
Vragen en opmerkingen van de fractie van de BBB
1. Kan de regering bevestigen dat Nederland bij de implementatie van de herziening van de Kaderrichtlijn Water11 geen strengere nationale normen zal vaststellen dan de normen die in de ons omringende landen – zoals Duitsland en België – worden gehanteerd?
Recent zijn de Kaderrichtlijn water (KRW), de Richtlijn prioritaire stoffen (RPS) en de Grondwaterrichtlijn herzien en daarmee is de lijst met Europees genormeerde KRW-stoffen geactualiseerd. Daarbij wordt een aantal nieuwe stoffen toegevoegd aan de lijst, een aantal bestaande stoffen van de lijst verwijderd en de hoogte van een aantal bestaande normen aangepast. Bij de implementatie van de herziening van de richtlijnen neemt Nederland deze Europese normen één-op-één over in nationale regelgeving om een gelijk speelveld te creëren en nationale koppen te voorkomen.
2. Indien de regering voornemens is om strengere normen te hanteren, kan zij dan motiveren waarom wordt afgeweken van het beginsel van een gelijk speelveld binnen hetzelfde internationale stroomgebied?
Dit is niet aan de orde. De verwachting is juist dat de implementatie van de herziene richtlijnen kan bijdragen aan een gelijk speelveld binnen Europa. Zie het antwoord op vraag 1 en 3.
3. Is de regering bereid als uitgangspunt te hanteren dat normen in grensoverschrijdende stroomgebieden minimaal worden afgestemd met bovenstroomse landen?
De herziene richtlijnen bieden kansen voor Nederland om tot meer overeenstemming te komen over normen van stoffen met onze buurlanden. De Europese Commissie gaat voor de nationaal genormeerde stoffen bekijken waar er geharmoniseerde normen afgeleid kunnen worden. Momenteel bestaan er nog verschillen tussen Nederland en de buurlanden in de stoffen die nationaal zijn aangemerkt. Daarnaast kunnen de normen voor dezelfde stoffen per land verschillen. Zie ook het onderzoek dat hier eerder naar gedaan is in opdracht van het Ministerie van IenW (bijlage). Nederland zal daarom eerst bij de Europese Commissie aandacht vragen voor de bestaande verschillen en de mogelijkheden voor verdere harmonisatie, met het oog op een gelijk speelveld binnen de Europese Unie.
4. Is de regering bekend met het feit dat de rivier de Dinkel in het grensgebied met Nederland in Duitsland voldoet aan de waterkwaliteitsnormen, Nederland instroomt en daar als vervuild wordt beschouwd, vervolgens terug slingert naar Duitsland en daar weer als schoon wordt gezien?
Ja, dit is ook aan de orde gekomen in het wetgevingsoverleg in de Tweede Kamer van 2 februari jl. Daar is aan het lid Heutink toegezegd om de Tweede Kamer binnen zes maanden nader te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de Dinkel12. Onderstaande informatie is naar aanleiding van die toezegging aan de Tweede Kamer gezonden en deel ik gezien de gestelde vraag ook met u.
De Dinkel is een kleine rivier die ontspringt in Noordrijn-Westfalen in Duitsland en bij Losser Nederland binnenstroomt. Vervolgens verlaat deze rivier Nederland weer boven Ootmarsum om in Nedersaksen in de Vechte en uiteindelijk in de Overijsselse Vecht uit te monden. De beoordeling van nutriënten in Nederland verschilt met die van Duitsland. Echter, het is niet zo dat de beoordeling in Duitsland minder streng is. De normen zijn vergelijkbaar en op onderdelen in Duitsland strenger:
– De normen voor fosfor zijn in Duitsland strenger.
– De normen voor ammoniumstikstof zijn in Duitsland aanzienlijk strenger.
– De normen voor totaal stikstof zijn met Nedersaksen vergelijkbaar. Voor Noordrijn-Westfalen is dat ook het geval voor de Rijn. Nederland dringt er in bilateraal overleg met Noordrijn-Westfalen op aan dezelfde normen als Nedersaksen toe te passen voor alle grensoverschrijdende wateren.
De Dinkel voldoet ook aan Duitse zijde momenteel niet aan alle normen voor nutriënten. Waterschap Vechtstromen is de beheerder van de Dinkel en geeft op zijn website een overzicht van verschillen in de beoordeling van nutriënten13. Waterschap Vechtstromen is ook de beheerder van enkele andere grensoverschrijdende beken en rivieren. In een deel van deze beken is de waterkwaliteit op de grens nog niet voldoende. Om afwenteling te voorkomen en – waar dit toch aan de orde is – tegen te gaan zijn waterbeheerders met elkaar in overleg. Zo is in 2024 het traject van «Joint Fact Finding» gestart met de buurlanden. Dit verloopt in constructieve sfeer, maar betreft tot nog toe vooral het op een rij krijgen van alle informatie. Een vervolgstap die de waterbeheerders momenteel zetten, is het bespreken met de buurlanden of en hoe afwenteling voorkomen kan worden. Dat betekent dat we de buurlanden vragen ervoor te zorgen dat het water op de grens voldoet aan de Nederlandse kwaliteitseisen. Voor Nederland is dat essentieel om de waterkwaliteit zowel in het binnenland als in de Noordzee veilig te kunnen stellen. Daar waar de doelen (mede) door belasting uit het buitenland niet worden behaald, doen we beroep op een uitzondering in de stroomgebiedbeheerplannen 2028–2033 en we lichten de Europese Commissie in met het verzenden van de definitieve plannen eind 2027.
In een aantal gevallen zal ook het buurland geen handelingsperspectief hebben, zoals bijvoorbeeld voor enkele stoffen die via atmosferische depositie in het water terecht komen. In dat geval zullen we dat samen met de buurlanden aan de Europese Commissie rapporteren en vragen om een oplossing.
5. Op welke wijze wordt voorkomen dat Nederland aanvullende maatregelen moet nemen om water te zuiveren dat bij binnenkomst voldoet aan de Europese normen maar niet aan eventuele strengere nationale ambities?
De nationale normen worden afgeleid en vastgesteld binnen de Europese kaders voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Deze normen hebben betrekking op stoffen die niet overal in Europa een probleem vormen, maar wel lokaal of regionaal problematisch zijn, bijvoorbeeld in gebieden waar deze stoffen worden geloosd. Bij het, als uitvoering van de Europese verplichtingen, bepalen van maatregelen wordt daarom rekening gehouden met zowel stoffen waarvoor Europese normen gelden als stoffen waarvoor nationale normen zijn vastgesteld. Het hanteren van nationale normen betekent dan ook niet dat Nederland strengere ambities nastreeft dan op Europees niveau is afgesproken, maar dat invulling wordt gegeven aan de Europese verplichting om ook waterkwaliteits-problemen aan te pakken die zich in Nederland voordoen, maar die niet overal in Europa spelen.
6. Deelt de regering de opvatting van de leden van de fractie van de BBB inhoudende dat het onwenselijk is dat Nederlandse agrarische ondernemers worden aangesproken op waterkwaliteit die grotendeels wordt beïnvloed door buitenlandse lozingen? Hoe en wanneer gaat de regering stappen ondernemen om bovenstroomse landen aan te spreken op lozingen die in Nederland verboden zijn?
Nederlandse agrariërs worden niet aangesproken op belasting vanuit het buitenland. Agrarische ondernemers worden aangesproken op eigen lozingen en niet die van een andere partij. Wanneer er sprake is van lozingen op het oppervlaktewater zal de lozer aan de Europese en de Nederlandse wetgeving moeten voldoen en is hierdoor meldingsplichtig of vergunningsplichtig onder de Omgevingswet. Dit betekent dat de lozer zelf er alles aan moet doen om het lozen van verontreinigende stoffen in het milieu te voorkomen.
7. Welke mogelijkheden ziet de regering om via de Internationale Maascommissie (IMC) te komen tot daadwerkelijke normharmonisatie?
De inzet van Nederland is om binnen de riviercommissies te komen tot gezamenlijke lijsten met stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen. In de Maascommissies is al gestart met de analyse om te komen tot deze lijst, zodat de lidstaten deze aan de Europese Commissie kunnen sturen zodat de Europese Commissie kan bezien of voor deze stoffen Europese normen af geleid kunnen worden.
8. Kan de regering uitsluiten dat nationale koppen op Europese regelgeving zullen leiden tot strengere vergunningverlening in Nederland dan in aangrenzende regio’s over de grens?
Bij de implementatie van de geactualiseerde stoffenlijst die recent op EU-niveau is vastgesteld neemt Nederland deze Europese normen één-op-één over in nationale regelgeving. In enkele gevallen zijn, conform de eisen van de KRW, aanvullende nationale maatregelen noodzakelijk omdat specifieke kenmerken van ons watersysteem dat noodzakelijk maken om te voldoen aan Europese verplichtingen of ter bescherming van de volksgezondheid en het milieu.
Deze maatregelen kunnen dus afwijkend zijn van de maatregelen die gesteld worden in omringende landen, echter deze verplichting komt voor uit de KRW en er is dan dus geen sprake van een nationale kop.
9. Welke gevolgen heeft het hanteren van strengere normen voor:
a. de concurrentiepositie van Nederlandse landbouwbedrijven;
b. het vestigingsklimaat in de grensregio’s en
c. de waterbeheerlasten voor de inwoners van plattelandsgebieden?
Nederland is zich bewust van deze mogelijke effecten. Daarom stelt Nederland geen strengere eisen dan zoals die voortvloeien uit de normsystematiek van de KRW.
10. Acht de regering het risico aanwezig dat strengere nationale normen leiden tot verplaatsing van economische activiteiten naar buurlanden? Wat doet de regering om dit te voorkomen?
Het is niet uitgesloten dat verschillen in nationale normstelling tussen landen invloed kan hebben op vestigingskeuzes van bedrijven. Tegelijkertijd zijn dergelijke keuzes afhankelijk van een breder palet aan factoren, waaronder infrastructuur, arbeidsmarkt, energieprijzen en de kwaliteit van de leefomgeving.
De regering zet zich daarom in voor een zo gelijk mogelijk speelveld binnen de EU. Verdere Europese harmonisatie van normen kan bijdragen aan het verkleinen van verschillen tussen lidstaten en daarmee van mogelijke concurrentie effecten als gevolg van uiteenlopende nationale normstelling.
11. Is de regering bereid om bij de implementatie van de nieuwe PFAS-normen uitsluitend de op Europees niveau vastgestelde normen toe te passen en geen aanvullende nationale grenswaarden te introduceren?
De inzet van deze regering is om nationale koppen op Europese regelgeving te voorkomen, tenzij specifieke Nederlandse omstandigheden daartoe noodzaken, zoals de bescherming van drinkwaterbronnen.
12. Wordt bij toekomstige toevoegingen aan de stoffenlijst het uitgangspunt gehanteerd dat Nederland geen vooruitlopende nationale aanscherpingen zal invoeren zonder Europese harmonisatie?
Bij de implementatie van de geactualiseerde stoffenlijst neemt Nederland deze Europese normen één-op-één over in nationale regelgeving. Er is dus geen sprake van vooruitlopende nationale aanscherpingen. Er kan niet vooruitgelopen worden op eventuele toekomstige actualisaties. Zie ook het antwoord bij vraag 1 en 8.
13. Op welke wijze gaat de regering om met aanvullende regelgeving van decentrale overheden?
Decentrale overheden kunnen gebruik maken van hun bevoegdheden, binnen de ruimte die de regelgeving daarvoor biedt.
14. Is de regering bereid om expliciet vast te leggen dat bij de omzetting van de Kaderrichtlijn water geen nationale koppen worden toegevoegd?
Het uitgangspunt is sinds de implementatie van de KRW in 2000 om bij omzetting van Europese verplichtingen geen nationale koppen toe te voegen. Zie ook het antwoord op vraag 8.
15. Kan de regering toezeggen dat deze Kamer vooraf wordt geïnformeerd indien wordt overwogen om van dit uitgangspunt af te wijken?
Ja. Zie ook het antwoord op vragen 8 en 14.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA
1. Hoe uitvoerbaar zijn de maatregelen uit de herziening van de Kaderrichtlijn water, de Grondwaterrichtlijn en de Richtlijn prioritaire stoffen en op welke wijze is de regering van plan om deze te implementeren? Kan de regering deze leden daarbij schetsen wat de gevolgen zullen zijn voor medeoverheden als provincies, waterschappen en gemeenten binnen hun taken voor kwalitatief en kwantitatief waterbeheer?
In de herziene richtlijnen worden 25 nieuwe prioritaire stoffen vastgesteld en een aantal normen van al bestaande prioritaire stoffen gewijzigd en is er een tweetal nieuwe uitzonderingen op het verbod op achteruitgang van de toestand. Deze normen moeten door de medeoverheden worden toegepast bij (herziening van de) vergunningen en uitvoeringswerkzaamheden. De richtlijn wordt beleidsarm geïmplementeerd en zoveel mogelijk één op één omgezet. De gevolgen voor de medeoverheden worden nog nader in beeld gebracht zoals gebruikelijk bij wetgeving.
2. Kan de regering daarbij aangeven of er voldoende (financiële) middelen beschikbaar zijn om uitvoering te geven aan de voorgenomen herzieningen van voornoemde richtlijnen?
Het is nog niet duidelijk welke financiële middelen daarvoor nodig zijn. Dit wordt nog in beeld gebracht.
3. De leden van de fractie van het CDA vragen de regering daarnaast op welke wijze de voornemens voor de herziening van genoemde richtlijnen zich verhouden tot de aanpak voor stikstofreductie in Nederland. Op welke manier is de regering van plan hier integraliteit aan te brengen in de uitvoering van de doelen van de Vogel14- en Habitatrichtlijn15 met de hierboven genoemde richtlijnen op het gebied van water?
De Tweede Kamer is eind maart geïnformeerd over de samenhangende aanpak Landbouw, Natuur en Stikstof16. Daarbij is benoemd dat onvoldoende maatregelen voor de KRW een risico kunnen vormen voor de vergunningverlening. Net als de stikstofdepositie is ook de hoeveelheid en kwaliteit van het water een drukfactor voor de natuur. Daarom wordt naar een integrale aanpak gestreefd.
4. Daarnaast vragen de leden van de fractie van het CDA de regering op welke wijze de bij de aan de orde zijnde mededeling aangekondigde herzieningen zich verhouden tot de overige ruimtelijke wetgeving in Nederland, zoals de Nota Ruimte en de inspanningen van de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof (TLNS). Op welke wijze gaat de regering de herziening van de richtlijnen meenemen in dit ruimtelijk beleid en wie kunnen deze leden aanspreken op de integraliteit van de doelen?
De Europese richtlijnen zijn onderdeel van het kader waarin de ontwerp-Nota Ruimte is opgesteld. De beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden zijn in de Nota Ruimte opgenomen als gebieden met een opgave voor de waterkwaliteit. Voor de relatie met de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3 van deze leden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PvdD
1. De PvdD wijst erop dat in de gewijzigde Kaderrichtlijn water voor het eerst normen zijn toegevoegd voor PFAS. Voor deze chemische stoffen worden ruimere overgangstermijnen en uitgestelde deadlines – tot 2039 of zelfs 2045 – toegestaan. Kan de regering aangeven hoeveel procent van de door de Kaderrichtlijn water aangewezen Nederlandse wateren nu wel en niet voldoen aan deze normen?
Vóór deze herziening bevatte de KRW alleen voor PFOS een norm en in de herziening is dit uitgebreid tot een somnorm voor 25 PFAS (inclusief PFOS). Op dit moment wordt gewerkt aan de implementatie van deze richtlijn inclusief de nieuwe normen voor PFAS in de Nederlandse wetgeving. Ook wordt de huidige monitoring van de KRW-gereguleerde stoffen uitgebreid met deze nieuwe somnorm van PFAS. Deze wijzigingen moeten uiterlijk in december 2027 geïmplementeerd zijn. Op basis van de huidige gegevens is nog niet bekend welke wateren wel en niet voldoen.
2. Is de regering bekend met het rapport van de Europese Commissie over de kosten van PFAS-vervuiling, waaruit blijkt dat Nederland – na België – binnen de Europese Unie de meeste PFAS-vervuilde locaties kent?17 Kan de regering reageren op de conclusie dat de kosten van PFAS-vervuiling kunnen oplopen tot honderden miljarden euro’s wanneer PFAS niet wordt verboden?
Ja, dit rapport is bekend. Daarin wordt voor PFAS onder andere een schatting gegeven van de kosten voor het verlies aan gezondheid door blootstelling van mensen aan PFAS en de kosten voor het schoonmaken van bodem en drinkwater in verschillende scenario’s. De hoogste kosten treden op bij ongewijzigd beleid. Juist daarom heeft Nederland al in 2020 het initiatief genomen voor een brede Europese restrictie: een voorstel om in Europa de productie, import, in de handel brengen en gebruik van alle PFAS zo veel mogelijk te verbieden.
3. Op welke wijze rechtvaardigt de regering dat de lidstaten pas rond 2039 – en mogelijk zelfs in 2045 – aan PFAS-normen moeten voldoen, terwijl deze forever chemicals niet afbreken in het milieu en schadelijk zijn voor de natuur en de volksgezondheid?
Bij het stellen van deze jaartallen in de KRW, voor het moment waarop een waterlichaam aan de PFAS-norm moet voldoen, is rekening gehouden met de haalbaarheid voor deze nieuw toegevoegde stoffen. Immers, zelfs wanneer alle uitstoot van PFAS morgen zou stoppen, blijven deze stoffen nog jarenlang in de leefomgeving vanwege de historische belasting die diffuus in het watersysteem aanwezig is en vanwege de persistentie van PFAS.
Dat betekent overigens niet dat er tot die tijd niets hoeft te gebeuren: zo wordt nu al bij de vergunningverlening voor oppervlaktewater getoetst aan PFAS en andere zorgwekkende stoffen en worden er nationale indicatieve normen gehanteerd om lozingen te reguleren. Bovendien bepaalt de KRW dat er geen achteruitgang van de toestand mag plaatsvinden; deze bepaling geldt ook al in de periode vóór 2039.
Daarnaast zet Nederland zich actief in voor een brede Europese restrictie op het gebruik en op de markt brengen van producten met PFAS.
4. Is de regering het met de leden van de fractie van de PvdD eens dat deze ruime termijnen neerkomen op het loslaten van de oorspronkelijke doelstelling van de Kaderrichtlijn water om uiterlijk in 2027 te voldoen aan de eisen voor schoon en gezond water? Zo nee, waarom niet?
Nee, met de herziening van de KRW, de Grondwaterrichtlijn en de RPS komen er normen voor nieuwe verontreinigende stoffen en daarmee voor veel meer verontreinigende stoffen dan nu het geval is. Omdat deze normen al per direct gevolgen hebben voor bijvoorbeeld de vergunningverlening, leidt dit tot een verbetering van de waterkwaliteit.
5. Welke concrete maatregelen neemt de regering om de uitstoot van PFAS drastisch te beperken?
Het aanpakken van PFAS is een prioriteit van het kabinet. Het Rijk hanteert daarvoor een aanpak via vier hoofdlijnen:
1. Een zo breed mogelijk Europees PFAS-verbod. Nederland is één van de initiatiefnemers voor een voorstel voor een Europees verbod op het gebruik en op de markt brengen van (producten met) PFAS. Als bedrijven geen PFAS meer gebruiken in hun producten, zal de vervuiling op termijn afnemen.
2. Het stimuleren van de transitie naar alternatieven voor PFAS. Dit wordt onder meer ingevuld via het actieprogramma PFAS. Dit programma, gestart in 2021 als samenwerking tussen het Ministerie van IenW, het bedrijfsleven en kennisinstellingen, richt zich op het vergroten van bewustwording en het stimuleren van veilige en duurzame alternatieven.
3. Er moet zo weinig mogelijk aan PFAS in het milieu terechtkomen. PFAS-stoffen behoren tot de categorie zeer zorgwekkende stoffen en daarvoor geldt een minimalisatieverplichting. Bedrijven zijn voor deze stoffen verplicht om hun PFAS-emissies te minimaliseren. Hiervoor stellen zij eens per 5 jaar zogeheten vermijdings- en reductieplannen op. Dit is aanvullend op de vergunning die zij nodig hebben voor het lozen van schadelijke stoffen. Vergunningen worden pas afgegeven als er wordt voldaan aan gebruik van de beste beschikbare technieken (BBT-toets) en een toets aan de oppervlaktewaternormen (immissietoets).18 Daarnaast onderzoekt de regering op verzoek van de Tweede Kamer de mogelijkheden van een gedeeltelijk PFAS-lozingsverbod.19
4. Waar PFAS al in ons leefmilieu aanwezig is, is het zaak om verspreiding te voorkomen. Daarvoor helpen we gemeenten en provincies om de meest vervuilde plekken aan te pakken. Ook werkt het RIVM in opdracht van het Rijk aan een meerjarig onderzoeksprogramma om de blootstelling aan PFAS te verminderen.
6. Is de regering bereid om op nationaal en/of Europees niveau te werken aan een verbod op PFAS? Zo ja, op welke wijze en termijn? Zo nee, waarom niet?
Er wordt al actief gewerkt aan een verbod op PFAS. Daarbij zet het kabinet vol in op de Europese route. Nederland heeft, als koploper in Europa, samen met vier andere lidstaten in 2020 het initiatief genomen voor een voorstel voor een Europees verbod op het gebruik en op de markt brengen van (producten met) PFAS. In januari 2023 is dit voorstel ingediend bij het betreffende EU-agentschap (ECHA) en op 26 maart jl. zijn de opinies van ECHA over risico (definitief) en sociaaleconomische aspecten (concept, ter inspraak) gepubliceerd. Eind dit jaar zullen beide opinies aan de Europese Commissie worden gestuurd, die vervolgens een voorstel ter discussie en besluitvorming zal voorleggen aan de lidstaten.
Zoals ook benoemd in het coalitieakkoord, wordt nog nader gekeken naar de mogelijkheden van een nationaal gedeeltelijk PFAS-lozingsverbod.
Vragen en opmerkingen van het lid van de fractie-Visseren-Hamakers
1. Kan de regering aangeven wat de concrete gevolgen zijn, op nationaal en Europees niveau, van het overplaatsen van de stoffen atrazine en trichloorbenzeen in Richtlijn 2008/105/EG van bijlage I (stoffen die aanleiding geven tot bezorgdheid in de EU) naar bijlage II (verontreinigende stoffen die aanleiding geven tot bezorgdheid op nationaal niveau)? Kan de regering daarbij tevens aangeven of het juist is dat de regels voor de uitstoot van deze stoffen worden versoepeld en hierop reflecteren?
Het verplaatsen van atrazine en trichloorbenzeen van bijlage I naar bijlage II van Richtlijn 2008/105/EG betekent dat deze stoffen niet langer als prioritaire stoffen op EU-niveau worden gereguleerd, maar als stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen worden gezien die met name op nationaal niveau aandacht vragen. Concreet houdt dit in dat lidstaten moeten bepalen of deze stoffen nog relevant zijn voor hun stroomgebied en zelf verantwoordelijk zijn voor monitoring en eventuele maatregelen binnen hun nationale waterbeleid. Dit betekent echter niet automatisch dat regels voor uitstoot worden versoepeld. De geharmoniseerde normen zoals opgenomen in bijlage II van de richtlijn blijven van kracht. Lidstaten blijven ook verplicht om een goede chemische toestand te bereiken en te behouden en kunnen, indien nodig, nationale normen en maatregelen vaststellen die gelijkwaardig of strenger zijn. De genoemde stoffen overschrijden in Nederland de normen niet meer.
2. Kan de regering toelichten wat onder «aanleiding tot bezorgdheid» wordt verstaan bij de overplaatsing van stoffen van bijlage I naar bijlage II van Richtlijn 2008/105/EG?
Met «aanleiding tot bezorgdheid» in de context van Richtlijn 2008/105/EG wordt bedoeld dat een stof risico’s kan opleveren voor het aquatisch milieu of de volksgezondheid. Bij plaatsing op bijlage I gaat het om stoffen waarvoor deze risico’s op EU-niveau significant en wijdverspreid zijn, waardoor uniforme Europese normen en maatregelen gerechtvaardigd zijn.
Bij plaatsing op bijlage II betreft het stoffen waarvoor de bezorgdheid meer regionaal of nationaal van aard is, of waarvoor de risico’s niet (meer) in alle lidstaten in dezelfde mate spelen. In dat geval ligt de verantwoordelijkheid primair bij lidstaten om, waar nodig, monitoring en maatregelen te treffen binnen het nationale waterbeleid.
3. Wanneer dient een lidstaat deze stoffen te monitoren en de regels na te leven, en wanneer niet?
Voor stoffen op bijlage I van Richtlijn 2008/105/EG geldt dat lidstaten deze verplicht moeten monitoren en moeten voldoen aan de EU-brede milieukwaliteitsnormen. Voor stoffen op bijlage II geldt dat lidstaten deze moeten monitoren en reguleren indien en voor zover zij nationaal een risico vormen voor het behalen van de doelen van de KRW. Dit wordt bepaald via de stroomgebiedbeheerplannen en risicoanalyses. Indien uit deze analyses blijkt dat een stof geen relevant risico (meer) vormt, is monitoring en opname in het stroomgebiedbeheerplan niet verplicht.
4. Erkent de regering dat deze overplaatsing een risico vormt voor het doen toenemen van de hoeveelheid atrazine en trichloorbenzeen in Europese wateren? Zo ja, welke maatregelen treft de regering op nationaal en Europees niveau om deze risico’s te beperken? Zo nee, waarom niet?
Nee. De overplaatsing van atrazine en trichloorbenzeen van bijlage I naar bijlage II van Richtlijn 2008/105/EG betekent niet dat deze stoffen niet langer worden gereguleerd maar dat lidstaten zelf moeten beoordelen of monitoring en maatregelen nog nodig zijn binnen hun stroomgebied. Zie ook het antwoord op de eerste vraag van het lid Visseren-Hamakers.
5. Is de regering bekend met het rapport «Focus op industriële lozingen» van de Algemene Rekenkamer van 4 maart 2026 waarin de ontwikkeling van de concentratie van vijftien (zeer) schadelijke industriële stoffen in het Nederlandse oppervlaktewater is onderzocht?
Ja.
6. Kan de regering een reflectie bieden op de ontwikkeling dat op 37 meetpunten tussen 2012 en 2024 de concentratie trichloorbenzeen in Nederlandse wateren is verhoogd? Wat is de oorzaak van de verhoging van trichloorbenzeen tussen 2012 en 2024 in Nederlandse wateren? Welke maatregelen neemt de regering om schadelijke industriële stoffen zoals trichloorbenzeen op nationaal en Europees niveau terug te dringen?
Er zijn 37 locaties voor de trichloorbenzenen die zijn beoordeeld als «achteruitgang» door de Algemene Rekenkamer. Er komen maar sporadisch waarnemingen boven de rapportagegrens van 0,01 microgram per liter (ug/L) voor in de dataset. De norm ligt veel hoger, op 0,4 ug/L. Al geruime tijd, sinds meetjaar 2017, zijn er geen individuele waarnemingen boven 0,4 ug/L meer voorgekomen. De Algemene Rekenkamer heeft een regressieanalyse uitgevoerd. Dan zou er inderdaad geconcludeerd kunnen worden dat er sprake is van achteruitgang. Rijkswaterstaat heeft een trendanalyse uitgevoerd, op basis van vrachten en concentraties (het rapport is nog niet gepubliceerd, maar dat zal op korte termijn plaatsvinden). De conclusie hierin is dat er geen significante trend wordt geconstateerd voor de trichloorbenzenen, omdat de meeste waarnemingen onder de rapportagegrens uitkomen. Zoals eerder aangegeven ligt de rapportagegrens een factor 40 lager dan de norm.
7. Erkent de regering dat het van belang is inzichtelijk te maken welke bedrijven hoeveel industriële lozingen op rijkswateren doen, zodat handhaving en controle hierop kunnen worden aangepast en zodat het behalen van Europese doelen op het gebied van waterkwaliteit haalbaar(der) worden? Is de regering bereid zich in te zetten om deze data inzichtelijk te maken? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
De benodigde gegevens zijn beschikbaar bij de bevoegde gezagen. Zij hebben inzicht in de verleende vergunningen en de toegestane lozingen door bedrijven op rijkswateren. Daarmee kan toezicht, controle en handhaving effectief plaatsvinden en kan worden gestuurd op het behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW).
De inzet is om de informatievoorziening verder te verbeteren en gegevens waar mogelijk beter te ontsluiten. Een landelijk integraal en publiek toegankelijk overzicht is op dit moment nog niet beschikbaar. De wenselijkheid en realiseerbaarheid hiervan worden momenteel bezien, met oog voor uitvoerbaarheid, proportionaliteit en administratieve lasten. Dit vraagt een zorgvuldige uitwerking die stapsgewijs verder zal worden ontwikkeld.
8. N.a.v. p. 3 van de wijziging van de Kaderrichtlijn, waar de volgende passage staat: «Daarnaast hebben de medewetgevers overeenstemming bereikt over de opname – met een dynamische aanpassingsclausule – van een minder strenge kwaliteitsnorm voor een som van 20 PFAS, die is afgestemd op de waarde die de drinkwaterrichtlijn voorschrijft.», de volgende vraag. Welke kwaliteitsnorm werd gehanteerd en over welke nieuwe kwaliteitsnorm is door de medewetgevers overeenstemming bereikt? Betekent aanpassing van de kwaliteitsnorm dat de concentratie van deze 20 soorten PFAS kan verhogen in Nederlands en Europees drinkwater? Zo ja, wat is de reflectie van de regering op deze ontwikkeling?
Op dit moment hebben we geen kwaliteitsnorm voor PFAS in grondwater. Dat er nu wel een somnorm voor PFAS komt, is dus strenger dan voorheen. In het oorspronkelijk voorstel van de Commissie werd dezelfde norm (0,0044 μg/l voor 25 PFAS (inclusief PFOS) voor grondwater en oppervlaktewater voorgesteld.
De Europese onderhandelingen hebben geresulteerd in een minder streng compromis waarbij de kwaliteitsnorm voor grondwater in lijn is gebracht met de norm uit de Drinkwaterrichtlijn, namelijk 0,1 μg/l voor de som van 20 PFAS. Hierop aanvullend is voor grondwater de somnorm van 0,0044 μg/l toegevoegd voor de vier meest schadelijke PFAS. De norm die nu gehanteerd wordt, gaat dus verder dan de eisen vanuit de Drinkwaterrichtlijn.
Verder is in de Grondwaterrichtlijn opgenomen dat wanneer de kwaliteitsnorm voor PFAS in de Drinkwaterrichtlijn wijzigt, deze doorwerkt in de Grondwaterrichtlijn. PFAS is een wijdverspreid probleem, ook in Nederland. De kwaliteitsnormen voor PFAS (oppervlaktewater, grondwater en drinkwater) zijn nodig voor de minimalisatie van emissies van deze stoffen. De nieuwe strengere normen voor grondwater dragen bij aan het verlagen van de concentraties van PFAS in drinkwater.
9. Erkent de regering dat door het toevoegen van nieuwe uitzonderingen op het beginsel van niet-achteruitgang meer chemisch afval in Europese wateren terecht kan komen?
10. Erkent de regering dat dit niet wenselijk is, gezien het feit dat tijdens de tussenmeting in 2022 nog maar 40% van de Europese wateren voldeed aan de Europese Kaderrichtlijn Water?
Het dumpen van chemisch afval valt niet binnen deze uitzonderingen. Het gaat hier om een uitzondering voor activiteiten waarbij sprake is van tijdelijke achteruitgang van de toestand en een uitzondering voor verplaatsingen van (alleen) baggerspecie en water in oppervlaktewater. Er zijn strikte voorwaarden aan deze nieuwe uitzonderingen verbonden ter bescherming van de waterkwaliteit.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans
Samenstelling:
Van Aelst-Den Uijl (SP), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Croll (D66), Crone (PRO), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Holterhues (ChristenUnie), Janssen-van Helvoort (PRO), Jaspers (BBB), Kanis (D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Klip-Martin (VVD), Kluit (PRO), Van Langen-Visbeek (BBB), Lievense (BBB) (voorzitter), Van der Linden (VVD), Martens (PRO), Van Meenen (D66), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Rietkerk (CDA) (ondervoorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Steenkamp (CDA), Thijssen (PRO), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 6, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie over het standpunt van de Raad over de vaststelling van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, Richtlijn 2006/118/EG betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand en Richtlijn 2008/105/EG inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid.
Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid.
Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand.
Richtlijn 2013/39/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 12 augustus 2013 tot wijziging van de richtlijnen 2000/60/EG en 2008/105/EG met betrekking tot prioriteitsstoffen op het gebied van waterbeleid Tekst met betrekking tot de EEA.
Richtlijn 2009/147 EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand.
Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
European Commission: Directorate-General for Environment, WSP, Ricardo and Trinomics, The cost of PFAS pollution for our society – Final report, Publications Office of the European Union, 2026, https://data.Europa.eu/doi/10.2779/9590509.
Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG.
Raadpleegbaar via: https://www.rekenkamer.nl/documenten/2026/03/04/focus-op-industriele-lozingen.
Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid.
Richtlijn 2009/147 EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand.
Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
European Commission: Directorate-General for Environment, WSP, Ricardo and Trinomics, The cost of PFAS pollution for our society – Final report, Publications Office of the European Union, 2026, https://data.europa.eu/doi/10.2779/9590509
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27625-P.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.