27 625
Waterbeleid

nr. 79
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VERKEER EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 december 2006

Met deze brief informeer ik u over de voortgang van de verkenning Waterveiligheid 21e eeuw (WV21)1, die ik mede naar aanleiding van de resultaten uit de studie Veiligheid Nederland in Kaart begin 2006 ben gestart. De verkenning richt zich op de vraag of het huidige beschermingsbeleid tegen grootschalige overstromingen nog volstaat. Ik heb de Tweede Kamer eind 2005 over dit initiatief geïnformeerd (Kamerstuk 2005–2006, 27 625, nr. 57). Deze brief is te zien als een tussenstap naar een beleidsnota Waterveiligheid die naar verwachting eind 2008 gereed zal zijn, waarin een verdere uitwerking van het beleid wordt gepresenteerd.

Onlangs bent u geïnformeerd over het Kabinetsstandpunt Rampenbeheersing Overstromingen (Kamerstuk 2006–2007, 27 625, nr. 77). Inhoudelijk is dit standpunt verbonden met de beleidsontwikkeling in het kader van Waterveiligheid 21e eeuw. Gezien de ervaren tekortkomingen in de voorbereiding op overstromingsrampen, heeft het kabinet ervoor gekozen om verbeteringen in de organisatorische voorbereiding op overstromingsrampen door te voeren en de uitkomsten van de verkenning niet af te wachten. Het kabinet heeft er daarnaast voor gekozen om besluitvorming over de mogelijke inzet van fysieke maatregelen in het kader van rampenbeheersing, waaronder compartimentering en noodoverloop, onderdeel te laten zijn van de integrale beleidsontwikkeling in het kader van de beleidsnota Waterveiligheid.

Ik leg u in deze brief de bevindingen voor die tot op heden uit de verkenning volgen en presenteer u de drieledige agenda voor de beleidsnota Waterveiligheid:

1) Actualisatie van het preventiebeleid.

Gericht op het beperken van de kans op vóórkomen van overstromingen, heb ik hierbij een toepassing van de wettelijke systematiek voor ogen, die de recente inzichten in kansen op en gevolgen van overstromingen beter benut en meer ruimte biedt voor toekomstvast, robuust ontwerpen.

2) Vergroten van de aandacht voor het beperken van gevolgen van overstromingen.

Ik denk hierbij aan het nemen van fysieke maatregelen om de mogelijke schade van eventuele overstromingen te beperken en het beter betrekken van waterveiligheid bij ruimtelijke beslissingen. In het Kabinetsstandpunt Rampenbeheersing Overstromingen is de ambitie geformuleerd om binnen twee jaar de organisatorische voorbereiding op een overstroming op orde te hebben.

3) Vergroten van het waterveiligheidsbewustzijn.

Maatschappelijk bewustzijn zie ik als een voorwaarde om a) het gesprek over handelingsperspectief van burgers, bedrijven en bestuurders aan te gaan (bevorderen van zelfredzaamheid), en b) maatschappelijk begrip te creëren voor ingrijpende maatregelen om te werken aan de waterveiligheid.

Aanleiding voor de verkenning WV21

De basis voor het huidige Nederlandse beschermingsbeleid tegen overstromingen is in de jaren ’50 van de vorige eeuw door de Deltacommissie gelegd. Ons land is sinds die tijd veranderd. De economische waarde achter de dijken, maar ook het aantal bewoners van laaggelegen gebieden, is de afgelopen decennia aanzienlijk toegenomen. In onze delta leven vandaag de dag 9 miljoen Nederlanders beneden NAP. In dit gebied wordt 65% van het Bruto Nationaal Product verdiend. De ruimtelijke inrichting van ons land zal zich ook in de toekomst blijven ontwikkelen. Verder laten alle klimaatscenario’s van het KNMI voor de komende decennia een stijging zien van zowel de zeespiegel als de rivierafvoeren1.

De conclusie is helder: zowel de dreiging als de mogelijke gevolgen van overstromingen nemen toe. Een grootschalige overstroming kan in dit laaggelegen gebied én in het rivierengebied grote schade aanrichten en zal onze maatschappij voor langere tijd ontwrichten. Wat dit kan betekenen is wederom duidelijk geworden na de overstromingen in New Orleans en Oost-Europa. Het is een permanente opgave voor ons land om hier in de toekomst goed tegen beschermd te blijven.

De maatschappelijke urgentie van dit onderwerp werd recentelijk onderstreept door adviezen die uitgebracht zijn door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (Klimaatstrategie – tussen ambitie en realisme) en de Adviescommissie Water (Veiligheid tegen overstromen)

De Adviescommissie Water ondersteunt nadrukkelijk mijn voornemen om het waterveiligheidsbeleid te actualiseren. Zij vraagt daarbij aandacht te besteden aan de financiering van de korte en lange termijn, risicocommunicatie, organisatorische maatregelen en de inbedding van waterveiligheid in ruimtelijke ordeningsprocessen.

Relatie met bestaande waterveiligheidsinitiatieven

De waterkeringen worden periodiek getoetst op hun sterkte, onderhouden en waar nodig versterkt. De in 1996 vastgestelde Wet op Waterkering biedt hiervoor de grondslag. Op 19 september 2006 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de resultaten van de tweede toetsing van de primaire waterkeringen (Kamerstuk 2006–2007, 18 106, nr. 177). Uit de toetsing komt naar voren dat bijna een kwart van deze keringen niet voldoet. Voor de 89 maatregelen die volgens de tweede toetsing om een investering van rijkszijde vragen is 1,6 miljard euro noodzakelijk.

De urgentie van de reeds lopende projecten zoals de PKB Ruimte voor de Rivier, de Maaswerken, de aanpak van de Zwakke Schakels langs de kust en ook het Hoogwaterbeschermingsprogramma staat in de verkenning WV21 niet ter discussie.

Tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap in 2004 is een Europees actieprogramma voor hoogwaterbescherming ontwikkeld. Een tekstvoorstel voor een hieruit volgende hoogwaterrichtlijn is inmiddels aanvaard door de lidstaten en wordt nog behandeld door het Europees Parlement. Het doel van deze richtlijn is om overstromingsrisico’s in kaart te brengen en te beheersen, waarbij de lidstaten zelf de doelstellingen definiëren. De richtlijn wordt naar verwachting volgend jaar van kracht.

Gezien onze geografische ligging is grensoverschrijdende samenwerking voor Nederland van groot belang. Nederland is dan ook intensief betrokken bij de totstandkoming en implementatie van het actieprogramma en de richtlijn.

In de voorziene beleidsnota Waterveiligheid wordt vanzelfsprekend aandacht besteed aan de implementatie van deze hoogwaterrichtlijn in relatie tot het Nederlandse beschermingsbeleid tegen overstromingen.

De verkenning WV21 heeft geen betrekking op wateroverlast als gevolg van hevige regenval. De aanpak van dit probleem vindt plaats in het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water. Verder gaat de discussie niet over zogenoemde buitendijkse gebieden zoals uiterwaarden. Voor deze gebieden is recent de Beleidslijn Grote Rivieren vastgesteld en wordt gewerkt aan beleidslijnen voor meren, delta’s en kust.

De dialoog over waterveiligheid

Het afgelopen jaar is er in het kader van de verkenning een intensieve dialoog gevoerd over de inzet op en afwegingen rondom waterveiligheid. Er hebben expertbijeen-komsten plaatsgevonden en zijn er in de regio gesprekken gevoerd met bestuurders en belangenbehartigers uit de zogenoemde dijkringgebieden1.

Ook is er gesproken met leden van diverse adviesorganen2, overheden en koepelorganisaties3. Deze partijen worden ook actief betrokken in het traject op weg naar de beleidsnota 2008. Voor een compleet overzicht van de conclusies op basis van de eerste fase van de dialoog verwijs ik naar bijgevoegde rapportage: «Waterveiligheid 21e eeuw – aandachtspunten uit de verkenning WV21 (synthese)» (bijlage 1).

De verkenning heeft veel inzichten opgeleverd en energie losgemaakt. Uit de dialoog volgt een breed gedeeld gevoel, dat verbetering van het huidige waterveiligheidsbeleid op onderdelen gewenst is. De opvattingen van de betrokkenen zijn echter niet op alle punten even eenduidig als ik had verwacht: verbreding en verdieping is nodig. Ik wil de dialoog over waterveiligheid de komende tijd dan ook voortzetten.

Tijdens de dialoog is veelvuldig gesproken over het concept van de veiligheidsketen. Dit concept helpt de discussie over inzet op het terrein van waterveiligheid te structureren en te relateren aan andere veiligheidsterreinen. De veiligheidsketen bestaat uit vijf schakels: proactie, preventie, preparatie, respons en nazorg.

Voorbeelden van proactieve maatregelen zijn het beschermen van vitale infrastructuur en aangepaste bouwvormen op kwetsbare locaties. Voorbeelden van preventie zijn waterkeringbeheer, dijkversterkingen, dijkverhogingen en sturing van een overstroming door aanleg of instandhouding van waterkeringen. Early-warning systemen, monitoringssystemen van waterstanden, planvorming, oefeningen, risicokaarten, stormvloedswaarschuwings- en hoogwaterberichtgeving en evacuaties zijn voorbeelden van preparatieve maatregelen. In de responsfase vindt alarmering, besluitvorming en coördinatie, inzet van fysieke maatregelen, informatievoorziening, communicatie en geneeskundige hulpverlening plaats. Tot de nazorgfase behoren tot slot schadeafwikkeling (verzekeringen), fysiek herstel, verantwoording, evaluatie en psychosociale nazorg plaats.

De risicobenadering als uitgangspunt

Een maatschappelijk verantwoord waterveiligheidsbeleid redeneert in mijn ogen vanuit een risicobenadering. Hierbij definieer ik risico als kans maal gevolg. Het huidige beleid is vooral gericht op het beperken van de kans op overstromingen. Het denken vanuit een risicobenadering betekent dat we, zoals in andere beleidsdomeinen reeds gebruikelijk is, meer oog moeten hebben voor de mogelijkheden om de omvang van de gevolgen van overstromingen te beperken. Met het inzicht in deze gevolgen kunnen we enerzijds bezien of de huidige beschermingsniveaus nog passend zijn bij de te beschermen waarden (preventie). Anderzijds is het belangrijk om te verkennen welke aanvullende gebiedsgerichte maatregelen ter beperking van gevolgen van overstromingen (proactie, preparatie en respons) ingezet kunnen worden.

Een risicobenadering betekent ook het onderkennen van het feit dat het tot nul reduceren van risico’s nooit mogelijk zal zijn, ondanks alle inspanningen die we daar voor doen. De inzet van het kabinet op rampenbeheersing bij overstromingen volgt hieruit. Ook de discussie over de wenselijkheid dan wel mogelijkheid van het verzekeren tegen overstromingen raakt hieraan. Onder leiding van het ministerie van Financiën en in overleg met het ministerie van BZK en private partijen wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om de gevolgen van een overstroming te verzekeren.

Redenerend vanuit deze risicobenadering is het duidelijk dat de bescherming tegen overstromingen niet enkel een verantwoordelijkheid van de (rijks)overheid kan zijn. Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen, maar ook burgers en bedrijven horen een bijdrage te leveren aan het beperken van overstromingsrisico’s. Uit de verkenning blijkt dat dit standpunt zeker nog niet door iedereen onderschreven wordt.

Gezien de ligging van ons land is het voortzetten en waar mogelijk intensiveren van internationale samenwerking belangrijk. Het water houdt zich nu eenmaal niet aan landsgrenzen. Het gaat hierbij om zowel samenwerking in Europees verband, als ook de directe grensoverschrijdende samenwerking met onze buurlanden.

Agenda voor de beleidsnota Waterveiligheid

De bevindingen uit de verkenning bieden de basis voor de agenda voor het toekomstige beleid. De komende jaren zullen we moeten bezien hoe we vanuit een landelijk maar ook regionaal perspectief tot een totaalpakket kunnen komen om een maatschappelijk verantwoorde bescherming tegen overstromingen te realiseren.

Onderstaande uitwerking volgt dan ook de drie aandachtsvelden zoals die uit de verkenning naar voren zijn gekomen. Het betreft hier:

1) Actualisatie van preventiebeleid (beperken van de káns op overstromingen),

2) Vergroten van de aandacht voor het beperken van gevolgen van overstromingen,

3) Vergroten van bewustzijn bij burgers, bedrijven en bestuurders.

Om deze velden te concretiseren benoem ik ten eerste wát er nu reeds – en op welke wijze – is geregeld. Vervolgens licht ik de bevindingen uit de verkenning toe en schets ik mijn ambitie. Afsluitend licht ik de stappen toe die ik logisch acht om hier te komen.

Ad 1) Actualisatie van het preventiebeleid

Hoe is het nu geregeld?

Preventieve maatregelen (waterkeringen) zijn gericht op het beperken van de kans van vóórkomen van overstromingen en vormen van oudsher de kern van ons beleid. De primaire waterkeringen zijn de belangrijkste keringen die ons land beschermen tegen overstromingen vanuit de Noordzee, de grote rivieren en het IJssel- en Markermeer. Sinds 1996 kennen we de Wet op de waterkering, waarin de vijfjaarlijkse toetsing van de kwaliteit van de (primaire) waterkeringen is vastgelegd. Deze worden gezien als een APK-keuring waarbij gekeken wordt of de waterkeringen nog voldoen aan de wettelijke normen die zijn vastgelegd in de Wet op de waterkering. Zo weten we waar zwakke plekken in de keringen zitten waar maatregelen noodzakelijk zijn.

De Wet op de waterkering richt zich op het waarborgen van de staat van de primaire waterkeringen. Deze wet schrijft nu een normering voor op basis van overschrijdingskansen. Deze normen zijn afgeleid van waterstanden die de kering veilig moet kunnen keren. Het hanteren van een ander type norm – bijvoorbeeld eenoverstromingskans – is op basis van de huidige wet mogelijk. Dit dient dan te gebeuren bij Algemene Maatregel van Bestuur. Het gaat hier om toetsnormen. Voor wat betreft het ontwerp van de waterkeringen zijn in de wet geen normen opgenomen.

Welke bevindingen volgen uit de dialoog?

Uit de verkenning komt naar voren dat de bestaande weten regelgeving als mechanisme goed functioneert, maar dat er behoefte is aan verbetering. Zo bestaat bij de deelnemers aan de dialoog de wens om: 1) de nieuwe technische inzichten in bijvoorbeeld faalmechanismen te vertalen in het type norm, 2) het veranderde schadepotentieel van overstromingen te vertalen in aanpassing van de hoogte van de normering, en 3) in de huidige systematiek van ontwerp en toetsing meer rekening te houden met de toekomstige ontwikkelingen (zoals verandering van het klimaat).

Wat is de ambitie?

Wat ik voor ogen heb is een toepassing van de uit de Wet op de waterkering volgende systematiek die de recente inzichten in kansen op en gevolgen van overstromingen beter benut en meer ruimte biedt voor toekomstvast, robuust ontwerpen. Daarbij zal ook worden gekeken naar de lange termijn financiering van waterveiligheid.

Dit houdt onder andere in dat ik de actuele (technische) kennis en inzichten met betrekking tot het bezwijken van waterkeringen (ondere andere over faalmechanismen) optimaal wil benutten. De overstap naar een type normering op basis van overstromingskansen lijkt perspectief te bieden.

Deze normering dient verder qua hoogte aan te sluiten bij de actuele te beschermen waarden. De hoogte van de normen zal periodiek geëvalueerd moeten worden.

Een nauwkeuriger inzicht in de specifieke gevolgen van overstromingen kan in mijn ogen de basis bieden om meer ruimte voor normdifferentiatie te creëren.

Wat gaan we hiervoor doen?

Vooralsnog zal de landelijke toetsing volgens het huidige wettelijk systeem worden voortgezet. Voor een overgang naar een aangepaste toepassing van de wettelijke systematiek is aanvullend onderzoek essentieel. Inzichten uit het project Veiligheid Nederland in Kaart, die naar verwachting in 2008 beschikbaar komen, zijn hierbij van belang. In dit studieproject worden de kansen op en gevolgen van overstromingen landsdekkend in beeld gebracht. Het is niet vanzelfsprekend dat aanpassing van de wet uiteindelijk nodig zal zijn. De geschikte (juridische) vorm zal nog moeten worden bezien. Vooralsnog blijven we uitgaan van de huidige wettelijke normering op basis van overschrijdingskansen en onderliggende ontwerp- en toetsvoorschriften.

Om ontbrekende kennis te vergaren wordt de komende periode door mijn ministerie onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden voor aanpassing van de systematiek. Daarnaast wordt via talrijke wegen beschikbare kennis vergaard uit onderzoeken die door anderen dan wel samen met anderen worden uitgevoerd. Het vervolg van de studie Veiligheid Nederland in Kaart is hier een voorbeeld van. Met een aantal van de ideeën die voortkomen uit onderzoek, wil ik de mogelijkheid creëren om deze in de praktijk te toetsen. Het is de bedoeling hiermee meer zicht te krijgen op de toepasbaarheid en haalbaarheid van dergelijke ideeën.

Met het oog op de discussie over de lange termijn financiering van waterveiligheid is reeds een separaat onderzoek gestart. De resultaten hiervan worden benut in de beleidsnota Waterveiligheid 2008.

Ad 2) Vergroten van de aandacht voor het beperken van overstromingsschade

Werken aan veiligheid betekent meer dan het op orde krijgen en houden van de primaire waterkeringen. Dit betekent ook acceptatie van het feit dat risico’s nooit tot nul gereduceerd kunnen worden. Het nadenken over een «what if»-scenario staat in het waterveiligheidsbeleid nog in de kinderschoenen. Dit valt des te meer op wanneer de parallel met andere veiligheidsterreinen wordt getrokken. Hier is van oudsher meer aandacht voor de maatschappelijke ontwrichting ten gevolge van een mogelijke ramp.

Welke bevindingen volgen uit de dialoog?

Er wordt door de deelnemers aan de dialoog een verbreding van het beschermingsbeleid tegen overstromingen bepleit, met meer aandacht voor het effectief omgaan met de gevolgen van overstromingen. Uit de verkenning komen ter invulling hiervan twee thema’s naar voren.

a) Ten eerste dient in ruimtelijke afwegingen nadrukkelijker rekening te worden gehouden met overstromingsrisico’s. Hierbij is onder andere gesproken over het belang van water als ordenend principe. De indruk bestaat dat hier op lange termijn winst valt te behalen. In de terminologie van de veiligheidsketen betreft het hier inzet op hoofdzakelijk de schakel proactie.

b) Ten tweede gaat het om het verbeteren van de voorbereiding op een mogelijke overstroming. Het gevoel dat we hierop onvoldoende voorbereid zijn wordt door de deelnemers aan de dialoog breed gedeeld. Onderzoek1 onderschrijft dit. Dit betreft de ketenschakels preparatie en respons.

Ad a) Water en ruimtelijke afwegingen (proactie)

Hoe is het nu geregeld?

In de Nota Ruimte wordt gesproken over «meebewegen met en anticiperen op water». Water wordt hierin beschouwd als één van de structurerende principes voor bestemming, inrichting en gebruik van ruimte. Bij een eventuele overstroming bepaalt de ruimtelijke structuur en constructie van gebouwen mede de ernst van de schade of het verlies aan levens. Naast het bieden van meer «ruimte voor water» biedt de watertoets een procesinstrument om aspecten van het waterbeheer mee te laten wegen in ruimtelijke afwegingen. De huidige opzet en toepassing van de watertoets is met name gericht op het belang van het voorkomen van wateroverlast; waterveiligheid speelt daarbij nauwelijks een rol van betekenis.

Wat is de ambitie?

We moeten onder ogen gaan zien dat het onverhoopt altijd fout kan gaan en de urgentie hiervan onderkennen. Keuzen ten aanzien van de ruimtelijke inrichting die mede gebaseerd zijn op waterveiligheid en fysieke maatregelen die gericht zijn op het beperken van de eventuele schade en slachtoffers zijn daarbij nodig. Zeker op de lange termijn valt hier, door de koppeling aan uiteenlopende ruimtelijke processen, winst te halen.

In concrete zin denk ik hierbij aan twee invalshoeken:

– het beter betrekken van waterveiligheid bij ruimtelijke beslissingen en het mogelijk stellen van randvoorwaarden aan de inrichting van gebieden of bouwen op locaties met een groot overstromingsrisico.

– het nemen van fysieke maatregelen om de schade van mogelijke overstromingen te beperken, vooral gericht op het beter beschermen van vitale infrastructuur.

Ten eerste betreft het de toekomstig te nemen ruimtelijke beslissingen. De watertoets biedt reeds mogelijkheden om waterbelangen te waarborgen bij de inrichting van gebieden. Ik wil de inzet van dit instrument dan ook blijven stimuleren en waterveiligheid een plek laten krijgen in de watertoets.

Waar mogelijk wil ik dat al eerder in het regionale besluitvormingsproces rondom ruimtelijke afwegingen door de betrokken partijen waterrisico’s in beeld gebracht worden.

Vanuit een gebiedsgerichte benadering die hiervoor nodig is, is het van belang ons niet te beperken tot de primaire keringen, maar ook de samenhang met het regionale systeem te bezien. Ik verwacht dat meer aandacht voor waterveiligheid in deze context een impuls zal geven aan innovatieve maatregelen en bouwvormen om duurzaam met risico’s van het water om te gaan.

Ten tweede gaat het om het mogelijk nemen van gerichte fysieke maatregelen om de mogelijke schade te beperken, gericht op het beheersen (geleiden en vertragen) van de overstromingen en gericht op het beter beschermen van vitale infrastructuur. Belangrijk doel hiervan is het beperken van de maatschappelijke ontwrichting en de mogelijkheden vergroten om ons land draaiende te kunnen houden ten tijde van een overstromingsramp (ten behoeve van evacuatie en hulpverlening).

Ook het beter beschermen van kwetsbare objecten als energiecentrales, maar ook ziekenhuizen, draagt bij aan het verder beperken van de maatschappelijke ontwrichting.

Bij het nemen van fysieke maatregelen moet in mijn ogen ook aansluiting worden gezocht bij ontwikkelingen op andere terreinen. Zo kunnen grondlichamen voor het wegen- en railnet wellicht in de toekomst ook gebruikt worden als waterkering of compartimenteringsdijk.

Wat gaan we hiervoor doen?

Ik zie het als de taak en verantwoordelijkheid van alle overheden betrokken bij het ruimtelijk beleid om vroegtijdig de mogelijke gevolgen van overstromingen te verkennen. De omvang van de risico’s dient van invloed te zijn op keuzes aangaande locatie- en inrichtingsvraagstukken. Het is belangrijk dat we elkaar hierop bij de te maken bestuurlijke afwegingen aanspreken.

De mogelijkheden van compartimenteren ga ik landsdekkend onderzoeken. Zoals aangekondigd in het Kabinetsstandpunt Rampenbeheersing Overstromingen zal ik dit doen in nauw overleg met de ministers van VROM en BZK en met mijn regionale partners.

In hoeverre randvoorwaarden aan de inrichting van gebieden of bouwen op locaties met een groot overstromingsrisico wenselijk dan wel nodig zijn zal eveneens worden onderzocht.

Ad b) Voorbereiding en respons bij overstromingen (rampenbestrijding)

Hoe is het nu geregeld?

De verantwoordelijkheid voor de voorbereiding op rampen ligt in Nederland bij het decentraal algemeen bestuur. Dit ligt vast in de WRZO1. Deze wet schrijft onder andere een aantal planfiguren voor en bepaalt de samenwerkingsrelaties. Bovendien zijn ook waterschappen en waterstaatsdirecties verplicht calamiteitenplannen op te stellen (Waterstaatswet 1900).

Het nationale beleid voor de «preparatie» en «respons» is vastgelegd in het Beleidsplan Crisisbeheersing 2004–2007. Dit beleidsplan introduceert een nieuwe bestuurlijke samenwerkingsvorm tussen de diverse decentrale hulpdiensten: de veiligheidsregio’s. De hiervoor vereiste reorganisaties zijn thans vergevorderd; binnenkort volgt ook wettelijke verankering. Een en ander is ook van toepassing op het ramptype «overstroming». De samenloop van de geschetste ontwikkelingen en het grootschalige karakter van overstromingen zorgt ervoor dat de voorbereiding op overstromingen op het ogenblik een bestuurlijk complexe aangelegenheid is. In de praktijk blijken er aanzienlijke variaties in benaderingswijzen te bestaan tussen overheden en ook tussen gebieden. Al met al blijken planvorming, aansturing en capaciteiten voor de voorbereiding op een overstroming nog niet op orde2.

Wat is de ambitie?

De ambitie van de minister van BZK en mijzelf is om binnen twee jaar de organisatorische voorbereiding op een overstroming op orde te hebben. Dit geldt voor de planvorming, de aansturingsrelaties als ook voor de capaciteiten. Dit vraagt een gerichte impuls op de gebieden risicocommunicatie, kennis & expertise, planvorming & oefenen en grensoverschrijdende samenwerking.

Wat gaan we hiervoor doen?

Het onlangs verschenen Kabinetsstandpunt Rampenbeheersing Overstromingen geeft vorm aan de vereiste impuls door het opstellen van een verbeterprogramma voor de periode 2007–2008. Voor de regie op het verbeterprogramma hebben de minister van BZK en ik een bestuurlijke Task Force Management Overstromingen ingesteld.

Vanuit mijn ministerie zal deze Task Force worden ondersteund. De bijdrage aan het verbeterprogramma zal bestaan uit:

– het ter beschikking stellen van basisgegevens (bijvoorbeeld voor risicokaarten), kennis (van overstromingskansen en gevolgen), rekenmodellen (evacuatie) en overstromingsscenario’s,

– het participeren in planvorming op zowel centraal als decentraal niveau,

– het vormgeven van onderzoek en planvorming met buitenlandse partners.

Ad 3) Vergroten van bewustzijn bij burgers, bedrijven en bestuurders

Hoe is het nu geregeld?

Het in het algemeen hoge vertrouwen in de kwaliteit van waterkeringen houdt het bestuurlijk urgentiebesef gering. Dit leidt tot beperkte communicatie over overstromingsrisico’s naar burgers en bedrijven. De WRZO geeft aan dat gemeenten eerst verantwoordelijk zijn voor de communicatie over risico’s, met een regierol voor provincies voor gemeenteoverstijgende aspecten. Het opstellen van risicokaarten voor een groot aantal ramptypen verloopt via deze aanpak (www.risicokaart.nl). Het eerder genoemde Beleidsplan Crisisbeheersing onderkende een toenemend belang van gerichte communicatie over risico’s. Mede hiertoe is sinds 2005 een Expertisecentrum Risico- en Crisiscommunicatie (ERC) in bedrijf, dat decentrale communicatie ondersteunt en centrale communicatie over rampen coördineert. De recent gestarte Denk-Vooruit-Campagne is hiervan een goed voorbeeld.

Welke bevindingen volgen uit de dialoog?

Het lage bewustzijn van overstromingsrisico’s bij bestuurders, burgers en bedrijven is door de deelnemers aan de dialoog nadrukkelijk geagendeerd. Waterveiligheid staat als «issue» bij de meeste bestuurders, maar ook bedrijven en burgers nog onvoldoende op het netvlies. Voor bestuurders vormen overstromingsrisico’s dan ook nog geen vanzelfsprekend onderdeel van afwegingen.

Daarnaast blijkt het draagvlak voor ingrijpende maatregelen vaak gering, zowel bij bestuurders als burgers. Een voorwaarde om dit te creëren is een voldoende hoog bewustzijn over de urgentie van het onderwerp. Deelnemers aan de dialoog bepleiten dat het verspreiden van kennis over: 1) de ontwikkelingen en daarmee dreigingen die op termijn op ons afkomen, evenals 2) een visie op het handelingsperspectief van burgers en bedrijven, dit bewustzijn kan bevorderen.

Wat is de ambitie?

Ik vind het van belang dat het waterveiligheidsbewustzijn bij burgers, bedrijven en bestuurders vergroot wordt. Ik zie dit als een voorwaarde om begrip te creëren voor ingrijpende maatregelen en om het gesprek over het handelingsperspectief (wat zij zélf kunnen doen om de gevolgen van overstromingen te beperken) van met name burgers en bedrijven aan te kunnen gaan. Het handelingperspectief van bestuurders is met name gericht op het actief betrekken van beschikbare kennis over overstromingsrisico’s in de besluitvorming aangaande ruimtelijke afwegingen.

Wat gaan we hiervoor doen?

Samen met BZK, UvW, IPO en VNG wil ik de communicatie over risico’s verder stimuleren. Ik sluit hierbij in eerste instantie aan bij de activiteiten die op de voorgaande pagina in het kader van rampenbestrijding zijn toegelicht. Met name de ontwikkelingen op het gebied van risicokaarten kunnen hieraan bijdragen.

Daarnaast ben ik met de partners in het Nationaal Bestuursakkoord Water (VROM, LNV, UvW, IPO en VNG) overeengekomen om de bewustzijnscampagne «Nederland leeft met Water» de komende jaren voort te zetten en thematisch te verbreden. Het accent in deze campagne lag tot nu toe op maatregelen tegen wateroverlast. In de vervolgfase worden naast waterkwaliteit ook waterveiligheid en het omgaan met watergebonden risico’s als thema toegevoegd. Bovendien zal de campagne een sterkere regionale doorvertaling en inbreng krijgen.

Waar mogelijk dan wel nodig treed ik in overleg met gemeenten en provincies, om te bezien op welke wijze ik hen kan faciliteren bij hun inspanningen. Ook door het continueren van de dialoog in het kader van deze verkenning Waterveiligheid 21e eeuw hoop ik het thema waterveiligheid op meer plekken onder de aandacht te brengen.

Slotwoord

Het voortzetten van deze verkenning is naar mijn overtuiging van groot belang. Tot op heden heeft de verkenning veel inzichten opgeleverd. Deze hebben geleid tot de gepresenteerde agenda waterveiligheid. Ik pleit ervoor de komende periode de aangekondigde stappen te gaan zetten.

Er zijn tegelijkertijd relevante vragen onbeantwoord gebleven. Onderzoek, dialoog en het experimenteren met innovatieve maatregelen zijn essentieel om deze vragen te beantwoorden. Ik wil met deze brief de aftrap doen om de komende periode voortvarend en in samenwerking met betrokken partijen aan de slag te gaan. Hierbij heb ik voor ogen om in 2008 tot een maatschappelijk verantwoord en door mijn partners gedragen verdere uitwerking van het toekomstig waterveiligheidsbeleid te komen.

De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

M. H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

In het kader van het omgaan met klimaatontwikkelingen is onder leiding van de minister van VROM inmiddels het Adaptatieprogramma Ruimte en Klimaat gestart. In dit programma biedt het waterveiligheidsbeleid een belangrijke drager voor een klimaatbestendige inrichting van Nederland. De herijking van het waterveiligheidsbeleid wordt de komende jaren in samenhang met dit actieprogramma uitgewerkt.

XNoot
1

Een dijkringgebied is een gebied dat omsloten wordt door primaire waterkeringen (zoals dijken en duinen).

XNoot
2

Overlegorgaan Water en Noordzee (OWN), Commissie van Advies inzake de Waterstaatswetgeving (CAW), Expertise Netwerk Waterkeren (ENW), Advies Commissie Water (ACW).

XNoot
3

Vereniging Nederlandse Riviergemeenten (VNR), Unie van Waterschappen (UvW), Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), Inter Provinciaal Overleg (IPO) en de ministeries van VROM, Financiën, BZK, EZ en LNV.

XNoot
1

Volgend uit het onderzoeksprogramma Rampenbeheersingsstrategie Overstromingen Rijn en Maas.

XNoot
1

WRZO staat voor Wet Rampen en Zware Ongevallen.

XNoot
2

Bevinding volgend uit het onderzoek Rampenbeheersingsstrategie Overstromingen Rijn en Maas.

Naar boven