27 625 Waterbeleid

Nr. 742 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 juni 2026

Nederland is de economisch sterkste delta van de wereld. In deze delta is voldoende, schoon en gezond water essentieel voor mens en natuur: voor gebruik als drinkwater, voor onze landbouw en industrie, onze recreatie en als leefgebied voor dieren en planten. Dit is de basis voor onze welvaart en ook alle investeringen die de overheid doet. Het kabinet heeft daarom in het coalitieakkoord de ambitie opgenomen om de waterkwaliteit structureel te verbeteren. Hier zit wel spanning, waarbij het kabinet zich inzet om onze concurrentiepositie en ons investeringsklimaat niet te verslechteren.

De kwaliteit van ons oppervlaktewater en grondwater blijft een urgente opgave. Nederland moet uiterlijk in 2027 voldoen aan de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Daarom werken we samen met provincies, waterschappen en andere partners aan een samenhangende aanpak om de belasting van water door nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen en andere verontreinigende stoffen terug te dringen. Ook verbeteren we de inrichting van onze wateren, versterken we het toezicht op lozingen en verbeteren we de monitoring van de waterkwaliteit.

Ik zie dat de inspanningen en resultaten sinds de start van het KRW-impulsprogramma in 2023 fors zijn toegenomen. We voldoen nu aan ruim 83% van de doelen van de KRW. Dit percentage zal richting 2027 toenemen, maar – ook met de extra inspanningen – niet op 100% uitkomen. Naar verwachting zal geen enkele lidstaat in 2027 alle KRW-doelen behaald hebben. Daar waar nodig, mogelijk en verstandig maken we daarom gebruik van de legitieme uitzonderingen die de KRW biedt. Door volop in te blijven zetten op verbeteren van de waterkwaliteit proberen we ook de risico's op Europese bezwaren en bij nationale rechtszaken zoveel als mogelijk te beperken. Hiermee verwachten we in 2027 nagenoeg geheel te voldoen aan de voorwaarden van de KRW.

In de afgelopen periode zijn mooie resultaten geboekt. Een selectie daaruit:

  • – Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) heeft samen met de ministeries van Landbouw, Visserij, Voedselveiligheid en Natuur (LVVN) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en met de Sportvisunie, Unie van Waterschappen en de Europese brancheorganisatie voor sportvishandelaren de samenwerkingsovereenkomst Sportvisserij Loodvrij 2026–2029 ondertekend1.

  • – De provincie Gelderland is het programma «Indirecte lozingen» gestart2 en werkt samen met gemeenten, omgevingsdiensten, waterschappen en Rijkswaterstaat in een 5-jarig traject aan schoner water in beken en rivieren.

  • – In de Overijsselse Vecht is een nieuwe vispassage opengesteld3. Door de nieuwe vispassage kunnen meer vissoorten langs de stuw zwemmen. Een belangrijke stap voor de natuur in en rond de Vecht.

  • – Onderzoeksinstelling KWR en IenW zijn een grootschalig project gestart over innovatieve monitoring van waterkwaliteit bij twintig rioolwater-zuiveringsinstallaties (rwzi’s)4. De uitkomsten leveren kennis op voor waterkwaliteitsbeheer, beleid en implementatie van Europese regelgeving.

  • – In de Maasregio is een Maasbrede methodiek ontwikkeld om meer grip te krijgen op indirecte lozingen. Daarbij zijn pilots uitgevoerd, waaronder in de gemeente Heusden5.

  • – Op 2 maart 2026 heeft IenW een bestuurlijk symposium «waterkwaliteit: oplossingen in de keten» georganiseerd. Bij dit symposium zijn ruim 50 bestuurders met elkaar in gesprek gegaan over de afvalwaterketen en toezicht en handhaving bij glastuinbouw. De slotverklaring van dit symposium is bij deze brief gevoegd (bijlage 2).

Samenhang met andere onderwerpen

Voor het beperken van agrarische emissies van nutriënten werk ik samen met de Minister van LVVN aan het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn. De Minister van LVVN heeft de Kamer op 22 mei jl. geïnformeerd over de voortgang en planning hiervan6. In het coalitieakkoord is de ambitie vastgelegd om met de plantaardige sectoren een nationaal, bindend convenant te sluiten, om het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen fors terug te dringen. Voor de inzet en voortgang op dit dossier verwijs ik naar de brieven van de Staatssecretaris van LVVN7.

In de beleidsbrief van IenW van 24 april 20268 is aangegeven dat Nederland bij de herziening van de KRW inzet op vereenvoudiging. Doel is een ambitieuze en realistische richtlijn die ruimte biedt om samen met waterpartners concrete plannen uit te voeren en zo de risico’s van watervervuiling te verkleinen. Voor de invulling hiervan verwijs ik naar de Kamerbrief die de Kamer op 1 juni heeft ontvangen9.

In de nu voorliggende brief wordt ingegaan op een aantal openstaande moties en toezeggingen uit het commissiedebat Water van 24 september 2025 en het wetgevingsoverleg Water van 2 februari 202610, waaronder de toezegging om een brief over de KRW te sturen11, zoals ook bevestigd in het wetgevingsoverleg voorjaarsnota van 18 mei jl.12. Deze brief bouwt voort op de brief over de voortgang rond de KRW van 18 juli 202513.

Voortgang uitvoering stroomgebiedbeheerplannen 2022–2027

Het landelijk dashboard KRW rapporteert over de voortgangsstatus van maatregelen en de verwachting ten aanzien van volledige uitvoering eind 2027. In juni 2026 heeft het Bestuurlijk Overleg Water het landelijke dashboard met de stand tot 1 januari 2026 vastgesteld. Het dashboard is bijgevoegd bij deze brief (bijlage 3).

Mijn ambtsvoorganger heeft eind 2025 en begin 2026 een tweede ronde formele voortgangsgesprekken gevoerd met alle individuele gedeputeerden over de voortgang van de KRW in hun regio. Deze gesprekken over de KRW zorgen voor bestuurlijke scherpte, een groter gevoel van eigenaarschap en versnelling van maatregelen. Er is met de provincies gesproken over de voortgang van de uitvoering van de maatregelen uit de derde ronde stroomgebiedbeheerplannen (SGBP3, 2022–2027). Daarbij is waardering uitgesproken voor de inzet van provincies en andere regionale partners bij de uitvoering van de KRW. Partijen zetten zich in om de uitvoering te versnellen, bijvoorbeeld via regionale impulsprogramma’s. Tegelijkertijd is gesignaleerd dat vertragingen kunnen ontstaan door onder meer grondverwerving, beperkte personele capaciteit, juridische procedures en lange uitvoeringstermijnen.

Daarnaast is gesproken over uitdagingen rond indirecte lozingen, gewasbeschermingsmiddelen, PFAS en nutriënten, waarbij het belang van goede samenwerking tussen overheden, omgevingsdiensten, bedrijfsleven en kennispartners breed wordt onderschreven. Provincies vervullen hierin een belangrijke regionale regierol en zetten samen met waterschappen en gemeenten stappen om de uitvoering verder te versterken.

Voorbereiding stroomgebiedbeheerplannen 2028–2033

In januari 2026 is het definitieve werkprogramma voor de stroomgebiedbeheer-plannen 2028–2033 gepubliceerd14. Waterbeheerders zijn nu hard bezig om de benodigde gegevens aan te leveren, zoals actualisatie van de doelen, motivering van uitzonderingen (de verantwoording, zie toelichting verderop in deze brief), de voorbereiding van het maatregelenpakket voor 2028–2033 en gesprekken met de buurlanden en in riviercommissies. In het Informatiehuis Water zijn hierover afspraken gemaakt over wat wanneer aangeleverd moet worden15.

In het bestuurlijk overleg KRW van 28 mei jl. hebben alle betrokken overheden aangegeven dat ze op schema liggen om de ontwerpstroomgebiedbeheerplannen tijdig af te ronden. Ook Rijkswaterstaat is vol op stoom voor de rijkswateren. Ik verwacht dat het kabinet eind dit jaar de ontwerpstroomgebiedbeheerplannen volgens planning vast kan stellen en ze daarna ter inzage kan leggen.

Chemische stoffen

Nederland heeft ca. 125 chemische stoffen waarvoor onder de KRW een norm geldt. Voor bijna tweederde van deze stoffen voldoen we aan de gestelde norm. Ruim veertig KRW-genormeerde stoffen vormen landelijk of regionaal nog een probleem16. De stoffen die het vaakst niet aan de norm voldoen zijn polybroomdifenylethers (PBDE’s oftewel brandvertragers), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's), gewasbeschermingsmiddelen, biociden en diverse metalen.

Voor de aanpak van deze probleemstoffen is vanuit het KRW-impulsprogramma een uitvoeringsplan chemische stoffen opgesteld. De uitvoering van het plan is een belangrijk onderdeel van de met het KRW-impulsprogramma ingezette eindsprint tot eind 2027. De betrokken partners hebben goede stappen gezet met de uitvoering van het uitvoeringsplan. Ook na 2027 zal een deel van de maatregelen om inzet vragen. Dit geldt bijvoorbeeld voor het verder versterken van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) en het KRW-proof maken van de afvalwaterketen.

In bijlage 1 van deze brief wordt nader ingegaan op de voortgang van het uitvoeringsplan chemische stoffen. Zoals toegezegd aan de Tweede Kamer17 is gezamenlijk met het bestuurlijk overleg KRW een landelijk dashboard ingericht voor indirecte lozingen. Het is een dashboard op hoofdlijnen en kwalitatief van aard. Het dashboard is een separate bijlage bij deze brief (bijlage 4).

Beekdalenaanpak en grondwaterbeschermingsgebieden

Voor de beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden liggen nog stevige opgaven vanuit de landbouw op gebied van nutriënten en gewasbeschermings-middelen. Aan de Kamer is toegezegd18 dat u geïnformeerd wordt hoe dit na het wegvallen van het Nationaal Programma Landelijk Gebied ingevuld wordt. Het coalitieakkoord heeft hier extra ambitie op gezet die vorm krijgt via de Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof. Op 27 maart heeft de Kamer de aanpak ontvangen van de Minister van LVVN19. Tot en met 2035 wordt 1,25 miljard euro vrijgemaakt voor het bieden van incidentele compensatie in de meest kwetsbare water-gebieden, zoals beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden, waar het agrarische grondgebruik wordt geëxtensiveerd ten behoeve van de doelen van de KRW.

Er liggen inmiddels diverse analyses die richting geven bij welke concrete beekdalen de meeste nutriëntenwinst te boeken is, zoals bijvoorbeeld een doorrekening door Deltares van de effecten van maatregelen in brede bufferzones langs beekdalen, maatregelen die als doel hebben om de doelen van de KRW voor nutriënten te halen20. Ook voor grondwaterbeschermingsgebieden is op basis van verschillende onderzoeken duidelijk waar de opgaven liggen voor nutriënten en bestrijdingsmiddelen. Dit wordt ook meegenomen in het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn dat zich richt op de nutriënten opgaven in de volle breedte van Nederland. De concrete uitwerking, samen met de regionale overheden, zal via de trajecten van de taskforce en het 8eactieprogramma Nitraatrichtlijn met de Kamer gedeeld worden.

Verankering in regelgeving, inclusief voortgang inbreukprocedure

Verdere verankering van afspraken in de regelgeving, om zo beter aan de KRW-verplichtingen te kunnen voldoen, is belangrijk, zoals ook de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) in 2023 adviseerde.21 Deze verbeterde verankering in wetgeving is in volle gang. Ook zijn we bezig met verankering van een uniform toetsingskader waterkwaliteit in rijks- en regionale wateren. Hieronder wordt dit nader toegelicht.

Inbreukprocedure

Op 25 juli 2024 is de Europese Commissie een inbreukprocedure gestart tegen Nederland voor het gedeeltelijk niet correct implementeren van de KRW. De Commissie is van mening dat Nederland de KRW niet correct heeft geïmplementeerd omdat onder meer het periodiek actualiseren van vergunningen voor wateronttrekkingsactiviteiten onvoldoende in de Nederlandse wetgeving is geregeld.

Ter opvolging hiervan zijn wijzigingen in voorbereiding van de Nederlandse wet- en regelgeving. Onlangs is een ontwerpwetsvoorstel in consultatie gegaan dat strekt tot wijziging van de Omgevingswet.22 Hierin wordt onder meer voorgesteld om – naast de al bestaande verplichting voor omgevingsvergunningen voor lozingsactiviteiten – ook bij omgevingsvergunningen voor wateronttrekkingsactiviteiten regelmatig te bezien of de voorschriften daarvan nog toereikend zijn met het oog op de milieukwaliteit. Na verwerking van de zienswijzen en raadpleging van de Afdeling advisering van de Raad van State zal het wetsvoorstel aan de Kamer worden gezonden.

De nadere uitwerking van deze wetswijziging (zoals de termijn voor het «bezien») alsook de overige wijzigingen ter opvolging van de inbreukprocedure zullen hun beslag krijgen in een algemene maatregel van bestuur (AMvB). In deze AMvB wordt ook een uniforme meldplicht voor bepaalde wateronttrekkingsactiviteiten opgenomen. Bij de implementatie zal naast het voldoen aan de vereisten van de KRW, ook oog zijn voor het investeringsklimaat in Nederland.

Ter uitvoering van de motie van het lid Kostić23 is in opdracht van het Ministerie van IenW door het Expertisenetwerk zoetwater en droogte een onderzoek uitgevoerd naar de vraag of de voorgenomen grens voor de meldplicht passend is om alle relevante onttrekkingen in kaart te brengen en of daarmee voldoende rekening wordt gehouden met cumulatieve effecten van vele kleine onttrekkingen. De uitkomsten van dit onderzoek worden verwerkt in de AMvB die naar verwachting rond de zomer in consultatie zal gaan. Na verwerking van de zienswijzen hierop zal de AMvB bij de Kamer worden voorgehangen. Daarbij ontvangt u dan ook het, naar aanleiding van de motie van het lid Kostić verrichte onderzoek.

Verankering uniform toetsingskader in regelgeving

Om aan de KRW te kunnen voldoen moeten vergunningen verleend worden die passen binnen de KRW-doelstellingen. Verschillende waterbeheerders hebben toetsingskaders ontwikkeld om deze beoordeling te vergemakkelijken. Zowel bevoegde gezagen als het bedrijfsleven vragen om landelijke uniformiteit van de wijze van toetsing aan de KRW. Vanuit het KRW-impulsprogramma wordt daarom gewerkt aan het uiterlijk per 2027 wettelijk vastleggen van een uniform toetsingskader voor de verplichte toets aan de KRW-doelen bij meldings- en vergunningplichtige activiteiten. Dit uniforme toetsingskader bouwt voort op het eerder in opdracht van STOWA en enkele waterschappen ontwikkelde toetsingskader.24 Hiertoe is een interbestuurlijk traject gestart door het Ministerie van IenW en de Unie van Waterschappen.

Verantwoording 2027

De KRW verplicht om een goede toestand te bereiken en dit geldt juridisch als een resultaatsverplichting. Dat betekent dat de enige legitieme redenen om een KRW-doel niet te halen, te vinden zijn in een aantal expliciete bepalingen van de richtlijn: de «uitzonderingsmogelijkheden». Voor elke stof of elk kwaliteitselement dat op 22 december 2027 in een waterlichaam niet voldoet aan het KRW-doel, moet dus beoordeeld worden of een uitzonderingsmogelijkheid kan worden ingeroepen. Is dat mogelijk, dan wordt aan de KRW voldaan, ook al is het KRW-doel niet gehaald. Net als in de afgelopen planperioden wordt ook in deze planperiode in Nederland gebruik gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheden. Dit is in lijn met de motie van de leden Van der Plas en Heutink die oproept om maximaal gebruik te maken van de uitzonderingsgronden bij het realiseren van de doelen van de KRW.25

Om de waterbeheerders te ondersteunen bij het succesvol inroepen van de uitzonderingsmogelijkheden worden door het KRW-impulsprogramma verschillende producten ontwikkeld. Dit betreft handreikingen, een koepelnotitie en standaardmotiveringen. Hiermee kunnen waterbeheerders aan de slag bij het voorbereiden van de motivering van de uitzonderingsmogelijkheden. Bovendien is een helpdesk beschikbaar en wordt na het invullen van de uitzonderingen door de waterbeheerders steekproefsgewijs de kwaliteit daarvan in het stroomgebiedbeheerplan geborgd. Alle benodigde informatie wordt gepubliceerd op www.iplo.nl.26

Grensoverschrijdende problematiek Dinkel

De doelen van de KRW worden deels door de Europese Unie vastgesteld en deels door de afzonderlijke lidstaten. Wanneer een lidstaat zelf doelen vaststelt, moet dat gebeuren binnen de strakke kaders van de KRW. Binnen die kaders bepaalt elk land zijn ecologische doelstellingen. Dit wordt in Europees verband afgestemd zodat een vergelijkbaar watertype overal in Europa op een vergelijkbare manier wordt beoordeeld. Dit traject wordt intercalibratie genoemd. Doelen voor een aantal stoffen, waaronder nutriënten zijn er op gericht de ecologische doelstellingen te kunnen realiseren. De lidstaten stellen deze normen zelf vast, maar zijn daarbij gehouden aan de kaders van de richtlijn. Desondanks kunnen er tussen de lidstaten verschillen ontstaan in de beoordeling.

In het wetgevingsoverleg van 2 februari jl. is aan het lid Heutink toegezegd om de Kamer binnen zes maanden nader te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de Dinkel27.

De Dinkel is een kleine rivier die ontspringt in Noordrijn-Westfalen in Duitsland en bij Losser Nederland binnenstroomt. Vervolgens verlaat deze rivier Nederland weer boven Ootmarsum om in Nedersaksen in de Vechte en uiteindelijk in de Overijsselse Vecht uit te monden. De beoordeling van nutriënten in Nederland verschilt met die van Duitsland. Echter, het is niet zo dat de beoordeling in Duitsland minder streng is. De normen zijn vergelijkbaar en op onderdelen in Duitsland strenger:

  • – De normen voor fosfor zijn in Duitsland strenger.

  • – De normen voor ammoniumstikstof zijn in Duitsland aanzienlijk strenger.

  • – De normen voor totaal stikstof zijn met Nedersaksen vergelijkbaar. Voor Noordrijn-Westfalen is dat ook het geval voor de Rijn. Nederland dringt er in bilateraal overleg met Noordrijn-Westfalen op aan dezelfde normen als Nedersaksen toe te passen voor alle grensoverschrijdende wateren.

De Dinkel voldoet ook aan Duitse zijde momenteel niet aan alle normen voor nutriënten.

Waterschap Vechtstromen is de beheerder van de Dinkel en geeft op zijn website een overzicht van verschillen in de beoordeling van nutriënten28. Waterschap Vechtstromen is ook de beheerder van enkele andere grensoverschrijdende beken en rivieren. In een deel van deze beken is de waterkwaliteit op de grens nog niet voldoende. Om afwenteling te voorkomen en – waar dit toch aan de orde is – tegen te gaan zijn waterbeheerders met elkaar in overleg. Zo is in 2024 het traject van «Joint Fact Finding» gestart met de buurlanden. Dit verloopt in constructieve sfeer, maar betreft tot nog toe vooral het op een rij krijgen van alle informatie. Een vervolgstap die de waterbeheerders momenteel zetten, is het bespreken met de buurlanden of en hoe afwenteling voorkomen kan worden. Dat betekent dat we de buurlanden vragen ervoor te zorgen dat het water op de grens voldoet aan de Nederlandse kwaliteitseisen. Voor Nederland is dat essentieel om de waterkwaliteit zowel in het binnenland als in de Noordzee veilig te kunnen stellen. Daar waar de doelen (mede) door belasting uit het buitenland niet worden behaald, doen we beroep op een uitzondering in de stroomgebiedbeheerplannen 2028–2033 en we lichten de Europese Commissie in met het verzenden van de definitieve plannen eind 2027.

In een aantal gevallen zal ook het buurland geen handelingsperspectief hebben, zoals bijvoorbeeld voor enkele stoffen die via atmosferische depositie in het water terecht komen. In dat geval zullen we dat samen met de buurlanden aan de Europese Commissie rapporteren en vragen om een oplossing.

Tot slot

Waterkwaliteit is van ons allemaal. De grote inzet van alle partijen om de waterkwaliteit te verbeteren is zeer te waarderen en is ook nodig om risico's op Europese bezwaren en bij nationale rechtszaken te beperken. Ook al halen we niet tijdig alle KRW-doelen, we kunnen waarschijnlijk wel aan de voorwaarden van de KRW voldoen. De voorbereiding op de verantwoording is daarom in volle gang. Waterkwaliteit blijft een grote inzet vragen van ons allemaal, ook ná 2027. Alleen dan kunnen we overtuigend verantwoorden dat we voldoen aan de voorwaarden van de KRW.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans

BIJLAGE 1 Voortgang uitvoeringsplan chemische stoffen

De aanvullende inzet op deze chemische stoffen is vanuit het KRW-impulsprogramma uitgewerkt tot een uitvoeringsplan met een pakket van 15 maatregelen. De maatregelen zijn schematisch weergegeven in onderstaande figuur. Begin 2025 is in het Bestuurlijk Overleg KRW29 door alle partners commitment uitgesproken om zich volop in te zetten voor de uitvoering van het plan. Deze bijlage beschrijft de voortgang van de uitvoering van de maatregelen.

Figuur 1: overzicht aanvullende maatregelen en inzet op chemische stoffen

Figuur 1: overzicht aanvullende maatregelen en inzet op chemische stoffen

Aanvullende maatregelen: monitoring en bronanalyse

Maatregel 1, 2 en 3

De waterschappen en Rijkswaterstaat hebben verbeteringen doorgevoerd in de monitoring van chemische stoffen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het gebruiken van verbeterde analysemethoden of het meewegen van metingen in biota (levende organismen zoals vissen en schelpdieren) bij de toestandsbepaling. Hierdoor krijgen de waterbeheerders een beter beeld van waar nog normoverschrijdingen zijn. De verbeteringen hebben ertoe geleid dat bij de toestandsbepaling 2025 het aantal «niet toetsbare» doelen met ca. 1.000 is afgenomen ten opzichte van de toestandsbepaling 2024. Een aantal stoffen blijft – ook met verbeterde methoden – zeer moeilijk meetbaar. Het gaat hierbij met name om werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen, biociden en diergeneesmiddelen, zoals deltamethrin, lambda-cyhalothrin en cypermethrin. Ook onderzoekt IenW samen met het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vewin de mogelijkheden om een landelijke meetronde in het bovenste grondwater uit te voeren, om zo sneller verontreiniging van grondwater te kunnen opsporen en aanpakken.

Deltares heeft in opdracht van IenW aanvullend onderzoek uitgevoerd naar regionale verschillen in natuurlijke achtergrondconcentraties van metalen30. Voor een aantal metalen blijken de natuurlijke achtergrondconcentraties hoger te zijn dan tot nu toe is meegewogen in het toestandsoordeel. In de ontwerpstroomgebiedbeheerplannen 2028–2033 zal bij de toestandsbepaling voor metalen rekening worden gehouden met deze regionale variatie in achtergrondconcentraties. De verwachting is dat hierdoor het aantal normoverschrijdingen voor metalen fors zal afnemen.

Voor de regionale variatie in natuurlijke achtergrondconcentraties van ammonium is een vergelijkbaar onderzoek gestart. Bij de toestandsoordelen voor de definitieve stroomgebiedbeheerplannen 2028–2033 zal hiermee rekening worden gehouden.

Voor een zestal stoffen is landelijk een bronanalyse uitgevoerd31. Ook worden verspreid over het land diverse regionale bronanalyses uitgevoerd als onderdeel van de ontwikkeling van een aanpak om grip te krijgen op indirecte lozingen. Bij maatregelen 13 tot en 15 wordt hier verder op ingegaan. Rijkswaterstaat voert gesprekken met de waterschappen om de regionale oorzaken voor normoverschrijdingen in de rijkswateren te achterhalen en aan te pakken.

Aanvullende maatregelen: gewasbeschermingsmiddelen, biociden en diergeneesmiddelen

In het coalitieakkoord is de ambitie vastgelegd om met de plantaardige sectoren een nationaal, bindend convenant te sluiten, om het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen fors terug te dringen. De Staatssecretaris van LVVN heeft op 17 april jl. de Kamer geïnformeerd over het proces om te komen tot dit convenant32. Ook is de Kamer in aanloop naar het debat over gewasbeschermingsmiddelen van 11 juni 2026 per brief geïnformeerd33 over de voortgang van dit dossier. Voor een groot deel van onderstaande maatregelen 4 tot en met 10 van het uitvoeringsplan chemische stoffen, wordt verwezen naar deze Kamerbrieven.

Toelating (maatregel 4 en 5)

IenW en LVVN werken aan een nieuwe methodiek om de toelating van gewasbeschermingsmiddelen af te stemmen op 11 KRW-genormeerde stoffen die de normen structureel overschrijden. Wageningen Research (WR) en Deltares werken aan een wetenschappelijk model dat beschrijft hoe toelatingen moeten worden beoordeeld aan de KRW-normen in KRW-waterlichamen. Het interim- model is opgeleverd en wordt in 2026 verder ontwikkeld tot de definitieve beoordelingsmethodiek. Naar verwachting kan het Ctgb vanaf begin 2027 starten met de herbeoordelingen op basis van 11 KRW-genormeerde stoffen.

Daarnaast is het van belang dat in de toekomst de normstelling van toelatingscriteria en KRW- milieukwaliteitsnormen voor in ieder geval de EU geharmoniseerde prioritaire stoffen op elkaar worden afgestemd. Dat zorgt voor een gelijk speelveld tussen EU-lidstaten. De Europese Commissie is begin dit jaar ambtelijk geïnformeerd over deze Nederlandse wens.

Toezicht en handhaving (maatregel 6 en 7)

Ook vanuit toezicht en handhaving wordt bijgedragen aan het doelbereik KRW. Op verschillende manieren wordt gewerkt om de beperkt beschikbare capaciteit zo goed mogelijk in te zetten. IenW spreekt regelmatig met de betrokken organisaties die een rol hebben in toezicht en handhaving zoals de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), Unie van Waterschappen en Omgevingsdienst NL. De ILT en de NVWA hebben de krachten gebundeld en een programma «samen voor schoner water» uitgewerkt om te werken aan de verbetering van de waterkwaliteit. Als onderdeel van het programma is het Drentsche Aa-gebied geselecteerd als pilotgebied34.

Ook stimuleert IenW een snellere terugkoppeling van monitoringsresultaten zodat adequaat, en nog tijdens een groeiseizoen, een relatie kan worden gelegd tussen het handelen van agrariërs en loonwerkers en vastgestelde normoverschrijdingen. Hiermee kan gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tijdig worden aangepast en het toezicht daarop gerichter worden ingezet. Ook helpt het voorkomen dat het aanzien van de sector als geheel wordt bezoedeld door laakbaar handelen van een individu. In opdracht van IenW is een handreiking voor gebiedsgerichte terugkoppeling35 opgesteld. De handreiking is in 2025 in diverse pilotprojecten toegepast en de leerervaringen zijn tussen de projecten uitgewisseld.

Bijvoorbeeld in de glastuinbouw werken waterschappen samen met Glastuinbouw Nederland met een gebiedsgerichte aanpak. Bij deze aanpak gaan telers met elkaar op zoek naar de oorzaken van waterkwaliteitsproblemen. Zij spreken elkaar aan wanneer knelpunten worden geconstateerd en zorgen ervoor dat deze worden verholpen. Gedurende het proces meten de telers zelf de kwaliteit van de watergangen in hun gebied om het effect van de maatregelen te kunnen monitoren. Ook waterschappen brengen vooraf en achteraf de waterkwaliteit in kaart. In de eerste gebieden zijn op deze manier positieve resultaten behaald. In bijvoorbeeld hoogheemraadschap Delfland wordt vaker en gerichter gecontroleerd en zijn overtredingen strenger aangepakt36. In het bestuurlijk symposium «waterkwaliteit: oplossingen in de keten» van 2 maart 2026 hebben diverse bestuurders gesproken over de rol van toezicht en handhaving in de glastuinbouw en de rol van strafrecht hierbij. In bijlage 2 van deze brief is de slotverklaring van dit bestuurlijk symposium opgenomen.

Toepassing en gebruik (maatregel 8, 9 en 10)

Voor de voortgang van het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming 2030 en de relatie met het te sluiten convenant gewasbescherming, wordt de Kamer geïnformeerd door de Staatssecretaris van LVVN.

Onder de vlag van het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) wordt gewerkt aan maatregelen voor voldoende en schoon water, zoals maatregelen om emissies van gewasbeschermingsmiddelen naar het water te beperken. Financiering vanuit IenW speelt een cruciale rol. De DAW-impulsregeling heeft, inclusief 50% cofinanciering, geleid tot 42 miljoen aan projecten op het gebied van waterkwaliteit, waterkwantiteit en duurzaam bodembeheer.37 De projecten zijn t/m 2027 in uitvoering. Aanvullend levert IenW gedeeltelijk de financiering voor het Platform Duurzame Glastuinbouw (PDG), waarin de overheden en de glastuinbouwsector samenwerken om duurzaam te opereren en emissies van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen vanuit kassen te beperken. Advisering van glastuinbouwbedrijven door watercoaches, gericht op het verbeteren van de waterkwaliteit, is verder uitgebreid, met financiering vanuit verschillende overheden, zoals bijvoorbeeld de DAW impulsregeling van IenW.

Biociden en gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw

Het Ministerie van IenW is verantwoordelijk voor biociden en voor gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw. De Staatssecretaris van IenW zal de Kamer rond de zomer informeren over de voortgang op het biocidendossier en over het impulsprogramma chemische stoffen.

Aanvullende maatregelen: metalen, PAK’s en industriechemicaliën

Stoffenbeleid en algemene regels (maatregel 11 en 12)

Er is een eerste inventarisatie gedaan van de activiteiten uit het Bal (Besluit activiteiten leefomgeving) en in hoeverre de algemene regels KRW-proof zijn. Besloten is om eerst meer inzicht te verkrijgen vanuit de initiatieven rondom indirecte lozingen (zie ook het dashboard indirecte lozingen in bijlage 4) en de afvalwaterketen KRW-proof (maatregel 15), alvorens te starten met het bezien en herzien van algemene regels. Ook zal in het kader van de opvolging van de inbreukprocedure invulling worden gegeven aan het bezien van algemene regels.

Vergunningverlening, toezicht en handhaving (maatregel 13 en 14)

Lozingsvergunningen aan bedrijven worden vergund door Rijkswaterstaat, provincies, waterschappen en gemeenten (via Omgevingsdiensten). De overheden bezien momenteel de KRW-relevante vergunningen en herzien deze waar nodig. Voorbeelden zijn IPPC-bedrijven38, de voedingsmiddelenindustrie, stortplaatsen en wasplaatsen op boerenerven die direct op het water lozen. Bij zowel de vergunningverlening, als toezicht en handhaving is de beschikbaarheid van de benodigde kennis en kunde een aandachtspunt.

De Minister van IenW heeft in het Commissiedebat Water van 2 februari jl. toegezegd39 om in te gaan op wat geleerd is van het actualiseren van lozingsvergunningen door Rijkswaterstaat. Ook heeft de Staatssecretaris van IenW in het Commissiedebat Externe Veiligheid van 10 juni jl. toegezegd ervaringen te delen die zijn opgedaan met het actualiseren van bestaande vergunningen40.

In reactie hierop kan worden aangegeven dat Rijkswaterstaat met prioriteit werkt aan het bezien en herzien van KRW relevante lozingsvergunningen. Het bezien en herzien van vergunningen is arbeidsintensief en vraagt om zeer specialistische kennis. Zoals eerder in de verzamelbrief voor het Wetgevingsoverleg Water van 27 januari 202641 is gemeld, is extra capaciteit ingezet met als doel om uiterlijk eind 2027 alle relevante vergunningen te hebben geactualiseerd. Ook wordt gewerkt aan de inzet van innovatieve middelen, zoals kunstmatige intelligentie (AI), die ondersteunend kunnen zijn en de doorlooptijd van specifieke taken kunnen verkorten.

De ingezette aanpak laat zien dat in de voortgang een stijgende lijn zit en dat we op koers zijn de deadline van eind 2027 te halen. Per maart 2026 was het beeld hiervan als volgt: van de 211 IPPC-vergunningen zijn er inmiddels 195 bezien. Van die 195 zijn er tot nu toe 91 als zijnde actueel beoordeeld danwel herzien. In geen geval was het bij het herzien noodzakelijk om direct in te grijpen, door bijvoorbeeld de lozingsvergunning in te trekken.

Het tempo van het bezien en herzien hangt mede af van de snelheid waarmee bedrijven de benodigde gegevens aanleveren. Rijkswaterstaat bekijkt de mogelijkheden om deze gegevens sneller te verkrijgen. Daarnaast benutten bedrijven het bezien van de vergunning ook vaak als moment om een wijziging van hun lozingsactiviteiten aan te vragen. Dit leidt doorgaans tot een langere doorlooptijd. Hiermee kan Rijkswaterstaat in de toekomst meer rekening houden in de planning.

Ook andere bevoegd gezagen actualiseren hun vergunningen. Dit is een continu proces waarbij ook nieuwe kennis moet worden betrokken. Ervaringen hierover worden uitgewisseld via de verschillende (bestuurlijk) overleggen over water, bodem en de KRW en de signalen die hieruit voortkomen worden gebruikt om handreikingen voor bevoegd gezagen en bedrijven aan te passen en verfijnen. Concrete resultaten hiervan zijn onder meer de handreiking «PFAS als zzs»42 en de lopende doorlichting van het Handboek Immissietoets43.

Als onderdeel van het «actieprogramma chemische stoffen bedrijven» zetten VNO-NCW en MKB-Nederland zich in om de relevantie van de KRW onder de bedrijven te vergroten. In april is via www.ondernemen.nl/krw een communicatiecampagne over de KRW voor bedrijven gestart. Naast een self assessment voor directe lozingen, is eind 2025 ook een self assessment voor indirecte lozingen gelanceerd. Hiermee kunnen ook de kleinere bedrijven zelf hun bedrijfsactiviteiten checken op mogelijke strijdigheden met de KRW. Vergunningverleners en toezichthouders hebben dan sneller de benodigde informatie beschikbaar.

Afvalwaterketen KRW-proof (maatregel 15)

De afvalwaterketen heeft een essentiële rol bij het halen van de waterkwaliteitsdoelstellingen van de KRW. De Unie van Waterschappen en het Ministerie van IenW hebben daarom een aanpak ontwikkeld om de afvalwaterketen KRW-proof te maken.

De aanpak bestaat vier stappen (zie ook figuur 2):

  • – Stap 1: monitoring en data verzameling

    De beschikbaarheid van relevante meetdata in het oppervlaktewater en in de afvalwaterketen is bepalend voor de kwaliteit van de gehele aanpak om de afvalwaterketen KRW-proof te maken.

  • – Stap 2: emissieanalyse

    Om het effect op het oppervlaktewater van de afvalwaterketen in te kunnen schatten, worden er emissieanalyses bij alle rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) uitgevoerd.

  • – Stap 3: handelingsperspectief

    Op basis van de uitkomsten uit de emissieanalyses worden handelingsperspectieven per stof/stofgroep opgesteld. Bij deze handelingsperspectieven wordt de hele afvalwaterketen benaderd; van stoffenbeleid, vergunning, toezicht en handhaving tot (aanvullende) zuiveringsstappen.

  • – Stap 4: vastlegging en borging

    Uitkomsten van de analyses en afspraken over maatregelen kunnen worden vastgelegd en geborgd binnen het huidige wettelijke kader.

Figuur 2: schematische weergave stappen aanpak emissies afvalwaterketen

Figuur 2: schematische weergave stappen aanpak emissies afvalwaterketen

Emissieanalyses

Een belangrijk onderdeel van de aanpak is het verbeteren van het inzicht in de lozing vanuit de rwzi’s door middel van emissieanalyses (stap 2). In dit traject zijn afgelopen periode grote stappen gezet.

In de kamerbrief voortgang waterkwaliteitsbeleid en KRW van 27 juni 202444 heeft IenW geconstateerd dat er onvoldoende zicht is op de impact van (lozingen van effluent van) rwzi’s op de waterkwaliteitsdoelstellingen in het ontvangende oppervlaktewater. Daarnaast verplicht de KRW de lidstaten om inzicht te verkrijgen in de impact van lozingen op de KRW-doelstellingen. Dit inzicht is een eerste stap om te kunnen bepalen of en zo ja welke opgave er ligt voor de afvalwaterketen om de impact (emissies die leiden tot normoverschrijdingen) op de waterkwaliteit te verminderen.

In opdracht van IenW is in 2025 een handreiking voor emissieanalyses bij rwzi’s opgesteld. In samenwerking met de waterschappen en de Unie van Waterschappen wordt deze handreiking momenteel verbeterd en bij zeven waterschappen getest. Deze «pilotgebieden» geven een eerste inzicht in de knelpunten en relevante inzichten uit de emissieanalyses. Na de evaluatie van de pilotgebieden worden naar verwachting vanaf 1 juli de overige waterschappen benaderd om emissieanalyses uit te voeren. Het doel is om een emissieanalyse voor alle rwzi’s in Nederland uit te voeren om een uniform beeld van de impact van de afvalwaterketen op de waterkwaliteit te krijgen. Deze informatie kan gebruikt worden om de handelingsperspectieven van stap 3 in de aanpak afvalwaterketen KRW-proof op te stellen.

Vooruitblik

In de brief vooraf aan het WGO-water dit najaar zal opnieuw een stand van zaken gegeven worden over de aanpak afvalwaterketen KRW-proof. Op dat moment zullen de eerste uitkomsten uit de pilot-gebieden van de emissieanalyses en de start van de handelingsperspectieven gedeeld worden.

Indirecte lozingen

De motie van de leden Stoffer en Gabriëls45 roept op om de aanpak van indirecte lozingen die schadelijke stoffen lozen op KRW-waterlichamen aan te scherpen. Daarnaast wordt de regering verzocht om de rol van waterbeheerders te versterken. In de afgelopen periode is aan dit verzoek voldaan door in te zetten op kennisontwikkeling en door het bestuurlijk gesprek tussen de verschillende waterbeheerders te faciliteren.

De kennisontwikkeling over de aanpak van indirecte lozingen is versterkt door middel van een Factsheet Indirecte Lozingen vanuit Stowa46. Hierin wordt de taakverdeling tussen de verschillende bevoegde gezagen uitgelegd op het gebied van VTH bij indirecte lozingen. Daarbij wordt het handelingsperspectief en de verantwoordelijkheidsverdeling rondom indirecte lozingen duidelijk uitgelegd. Daarnaast is er een uitgebreider achtergronddocument opgesteld.

Het bestuurlijk gesprek heeft plaatsgevonden op het symposium van 2 maart (waterkwaliteit: oplossingen in de keten). Op dit symposium gingen bestuurders van IenW, waterschappen, provincies, gemeenten en omgevingsdiensten met elkaar in gesprek over, onder andere, de uitdagingen in de afvalwaterketen. Tijdens de gesprekken werd geconstateerd dat een wijziging in bevoegdheidsverdeling niet per definitie een oplossing biedt voor de knelpunten die worden ervaren. In de gesprekken werd de nadruk gelegd op het handelingsperspectief wat er op dit moment al is, de mogelijkheden binnen het vergunning-, toezicht- en handhavingsstelsel en het belang van samenwerking binnen de afvalwaterketen. Ook is er gespreken over de aanpak afvalwaterketen KRW-proof. Er is door middel van een slotverklaring steun uitgesproken voor deze aanpak. De slotverklaring is als separate bijlage opgenomen bij deze brief.


X Noot
6

Kamerstukken 33 037, nr. 645

X Noot
7

Kamerstukken 27 858, nrs. 745 en 764

X Noot
8

Kamerstukken 36 800 XII, nr. 34

X Noot
9

Kamerstukken 27 625, nr. 740

X Noot
10

Het gaat om de volgende toezeggingen en moties: 36 800 J, nr. 26 (motie van de leden Van der Plas en Heutink), 36 800 J, nr. 15 (motie van het lid Kostić), TZ202602-010, TZ202602-014, TZ202510-102, 27 625, nr. 686 (motie van de leden Stoffer en Gabriels) en TZ202510-101.

X Noot
11

TZ202602-010

X Noot
12

TZ202605-051

X Noot
13

Kamerstukken 27 625, nr. 716

X Noot
17

TZ202510-102

X Noot
18

TZ202510-101

X Noot
19

Kamerstukken 36 800 XIV, nr. 80

X Noot
23

Kamerstukken 36 800 J, nr. 15

X Noot
25

Kamerstukken 36 800 J, nr. 26

X Noot
27

TZ202602-014

X Noot
29

Deelnemers aan het Bestuurlijk Overleg KRW zijn de Minister van IenW, de Minister van LVVN, het Interprovinciaal Overleg (IPO), Unie van Waterschappen, Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), en de (vice)voorzitters van de vijf Regionale Bestuurlijke Overleggen.

X Noot
32

Kamerstukken 27 858, nr. 745

X Noot
33

Kamerstukken, nr. 2026Z12683

X Noot
38

IPPC staat voor Integrated Pollution Prevention and Control. Bedoeld worden bedrijven die vallen onder de Richtlijn Industriële Emissies (RIE).

X Noot
39

TZ202602-010

X Noot
40

TZ202606-122

X Noot
41

Kamerstukken, 27 625, nr. 735

X Noot
43

Kamerstukken, 27 625, nr. 672

X Noot
44

Kamerstukken, 27 625, nr. 672

X Noot
45

Kamerstukken 27 625, nr. 686

Naar boven