Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-201527625 nr. 341

27 625 Waterbeleid

Nr. 341 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 juli 2015

De Waterwet voorziet in een evaluatie van de doeltreffendheid en de effecten ervan (art. 10.4 Wtw). Gezien echter de ontwikkeling van de Omgevingswet is ervoor gekozen de evaluatie te beperken tot de praktijk van het grondwaterbeheer enerzijds en die van de regulering van de indirecte lozingen anderzijds. Over het laatste heb ik uw Kamer op 16 januari 2015 geïnformeerd (Kamerstuk 27 625, nr. 336). Hierbij bied ik uw Kamer het rapport aan van de evaluatie van de praktijk van het grondwaterbeheer1.

Inleiding

Met de Waterwet zijn de operationele taken van het waterbeheer zoveel mogelijk toebedeeld aan de waterbeheerder (RWS en de waterschappen).

De hoofdregel is nu dat men voor operationele grondwateraangelegenheden naar het waterschap moet dan wel naar RWS (die opereert namens de Minister van I&M). Voor een drietal specifieke grondwateronttrekkingen en hiermee samenhangende infiltraties is de provincie bevoegd gezag (zoals dat ook al het geval was vóór de Waterwet), te weten onttrekkingen en hiermee samenhangende infiltraties in verband met:

  • 1. de openbare drinkwaterwinning,

  • 2. open bodemenergiesystemen en

  • 3. industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3 per jaar.

Voor deze keuze vormde onder meer de samenhang met ander provinciaal beleid en de noodzaak tot een brede belangenafweging het argument voor toedeling van de bevoegdheid voor een deel van de onttrekkingen aan de provincie.

Voor de evaluatie van het grondwaterbeheer is ervoor gekozen te rade te gaan bij zowel de overheden als de grondwateronttrekkende marktpartijen. In het kader van het in 2011 gesloten «Bestuursakkoord Water» (BAW) is de toezegging om het grondwaterbeheer te evalueren, in het bijzonder de huidige bevoegdheidsverdeling, verder concreet gemaakt. In het BAW is als uitgangspunt geformuleerd een scheiding aan te brengen tussen strategische en operationele taken. Afgesproken is welke taken kunnen worden overgedragen en van welke taken onderzocht moet worden of het zinvol is deze over te dragen en onder welke voorwaarden.

Het betreft hier concreet de huidige bevoegdheidsverdeling voor onttrekkingen ten aanzien van de drie categorieën waarvoor de provincies nu het bevoegde gezag zijn voor vergunningverlening en meldingen.

De Unie van Waterschappen en het Interprovinciaal Overleg hebben eveneens gezamenlijk gekeken naar de huidige manier van samenwerking en waar verbeteringen mogelijk zijn.

Uitkomsten evaluatie

Gelet op het voorgaande is de evaluatie in het bijzonder gericht op de huidige werking en de mogelijke verbetering van de huidige verantwoordelijkheidsverdeling in het grondwaterbeheer ten aanzien van onttrekkingen en daarmee samenhangende infiltraties. In de evaluatie staat «de overall conclusie is dat de evaluatie geen directe aanleiding geeft tot een wijziging in de bestaande bevoegdheidsverdeling zoals vastgelegd in de Waterwet.»

Uit de evaluatie zijn de volgende conclusies en aanbevelingen gekomen:

  • De regelgeving met betrekking tot grondwater is verdeeld over verschillende beleidsdomeinen en verschillende bestuursorganen en daardoor complex.

  • Geconcludeerd wordt dat partijen over het algemeen redelijk uit de voeten kunnen met de huidige bevoegdheidverdeling.

  • De evaluatie geeft geen directe aanleiding tot aanpassing van de verdeling van de bevoegdheden in de Waterwet.

  • De evaluatie geeft wel aanleiding tot verbetering van samenwerking tussen waterschappen en provincies, zoals bijvoorbeeld:

    • Nationale en regionale grondwaterdoelen en de hierbij horende taakverdeling.

    • Het inventariseren van bestaande (regionale en lokale) knelpunten en de hierbij horende maatregelen.

    • De samenwerking met c.q. de verdere professionalisering van de RUD’s/omgevingsdiensten.

    • Gemeenschappelijk databeheer van grondwaterdata en gegevens over de ondergrond.

    • Kennisdeling en -ontwikkeling, bijvoorbeeld door zelf (specifieke) opleidingen te ontwikkelen voor vergunningverleners.

    • De mogelijkheden om meer uniformiteit te realiseren op het terrein van standaardisering en advisering.

Vervolg

Met de betrokken bestuurders van IPO, Unie en VNG heb ik afgesproken de aanbevelingen op te pakken. De aanbevelingen liggen op het terrein van verbetering van de samenwerking en communicatie tussen waterschappen en provincies en staan niet ter discussie. De aanbevelingen geven geen aanleiding tot wijziging van de bevoegdheden in de Waterwet.

In het kader van de omzetting van deze bevoegdheden naar de uitvoeringsregelgeving van de Omgevingswet wordt in overleg met betrokken partijen verder gekeken naar de beste invulling.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus


X Noot
1

Raadpleegbaar via www.tweedekamer.nl.