Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 november 2014
In het algemeen overleg Waterveiligheid van 19 juni 2014 hebben de woordvoerders van
de fracties van D66, PvdA, CU en SP gevraagd om een «meekoppeltoets» bij het realiseren
van projecten in het waterdomein. Ik heb toegezegd hierover contact op te nemen met
de Coalitie Natuurlijke Klimaatbuffers (CNK), bestaande uit 7 natuurbeschermingsorganisaties,
die in opdracht van mijn ministerie (in het Deltaprogramma Nieuwbouw en Herstructurering)
20 klimaatbuffer projecten hebben uitgevoerd. Projecten waarbij waterveiligheid, vermindering
van wateroverlast en voldoende zoetwater zijn gerealiseerd via het aanleggen van natuur.
Het kabinet is voorstander van een integrale aanpak bij investeringen in het ruimtelijk
domein. Een integrale aanpak van gebiedsopgaven is een van de speerpunten bij de vernieuwing
van het MIRT en maakt onderdeel uit van het Deltaprogramma, dat wordt verankerd in
het Nationaal Waterplan (NWP). Randvoorwaarde vanuit het kabinet voor het meekoppelen
van belangen is dat met de beschikbare Rijksmiddelen de voorgenomen doelen ten aanzien
van waterveiligheid, zoetwatervoorzieningen en waterkwaliteit worden gehaald. Indien
het realiseren van andere maatschappelijke doelen leidt tot aanvullende kosten, bovenop
de beschikbare middelen voor mitigatie en compensatie van natuur, dienen deze uit
andere budgetten te worden gefinancierd.
Graag informeer ik u dat op 4 september jongstleden ambtelijk overleg heeft plaatsgevonden
met vertegenwoordigers van de CNK. Daarin is van de zijde van CNK toegelicht dat in
hun ogen, ondanks goede voorbeelden, in de praktijk onvoldoende maatschappelijke waardecreatie
en integraal werken tot stand komt bij investeringen in het ruimtelijk domein. In
de uitvoering worden projecten vaak uitgekleed en raken opties voor een integralere
aanpak uit beeld. De voorgestelde «meekoppeltoets» is bedoeld om elkaar te kunnen
aanspreken op het daadwerkelijk onderzoeken van kansen daarvoor bij ruimtelijke investeringen.
Als invulling was gesuggereerd om een bestaand artikel in de Waterwet (5.4 lid 2)
hiervoor te gebruiken, zoals in 2011 was voorzien bij een wetswijziging op basis van
een amendement van de Kamerleden Jacobi, Van Veldhoven, Koppejan en Lucas. Om dit
artikel te kunnen gebruiken dient in een AMvB de scope te worden gedefinieerd waarop
dit artikel betrekking heeft.
Tijdens het gesprek met de CNK is van de kant van mijn ministerie in aanvulling op
de bovengenoemde beleidsinzet toegelicht welke instrumenten worden ingezet om bij
investeringen in het ruimtelijke domein synergie te stimuleren van bredere belangen
en ambities:
-
1. Via het wetsvoorstel Omgevingswet wordt voorzien in juridische waarborgen in de voorgestelde projectprocedure voor
integrale aanpak van gebiedsopgaven (5.45, 5.46 en 5.49).
-
2. Via verankering in de Bestuursovereenkomst Deltaprogramma. De verbinding van wateropgaven met andere ruimtelijke ambities is een uitgangspunt
van de projecten die voortkomen uit de Deltabeslissingen en de regionale voorkeurs-strategieën.
Dit is ook een belangrijk kenmerk van adaptief deltamanagement. Zo komen nieuwe, doelmatige
en duurzame oplossingen binnen bereik.
-
3. Via de Rijksnatuurvisie en de beleidsmatige verankering hiervan in het Nationaal Waterplan 2 en het Beheer-
en Ontwikkelplan Rijkswateren. Bij de uitvoering van maatregelen voor waterveiligheid,
waterkwaliteit en zoetwatervoorziening zullen mogelijkheden voor het realiseren van
natuurdoelstellingen worden benut.
-
4. Via het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). De spelregels van het HWBP bieden mogelijkheden tot het meekoppelen van andere
opgaven, onder voorwaarde van cofinanciering indien nodig. Deze werkwijze krijgt aandacht
bij programmering, advies, review, toets, communicatie, opleiding, handreikingen en
samenwerking.
-
5. Via toepassing van de Omgevingswijzer van Rijkswaterstaat in de verkenningsfase en de planstudiefase. Omgevingspartijen
worden in deze fasen uitgenodigd om kansen voor duurzame gebiedsontwikkeling en synergie
met bredere belangen in kaart te brengen.
Aanvullend daarop (en in lijn daarmee) is in het gesprek voorgesteld om het principe
van meekoppelen ook op te nemen in de afspraken met Rijkswaterstaat over de uitvoeringsprogramma’s
en daarover ook afspraken te maken met de waterschappen. Dit biedt ook in de overbruggingsperiode
naar implementatie van de Omgevingswet een concreet houvast voor de waterbeheerders
bij de uitvoering van projecten.
In het gesprek met CNK is geconcludeerd dat dit alles voldoende verankering voor een
integrale aanpak van ruimtelijke opgaven lijkt te bieden. Daarmee is een nadere uitwerking
van een meekoppeltoets onder de Waterwet in aanloop naar de Omgevingswet niet nodig.
De Minister van Infrastructuur en Milieu,
M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus