27 625 Waterbeleid

Nr. 310 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 oktober 2013

Op grond van artikel 10, derde lid, van de Drinkwaterwet, dient elke twee jaar de vermogenskostenvoet voor drinkwaterbedrijven te worden vastgesteld. Ter vaststelling van deze vermogenskostenvoet voor de periode 2014–2015 heb ik advies gevraagd aan de Autoriteit Consument & Markt (hierna: ACM). Hierbij doe ik u dit advies toekomen1. Ik neem het advies van ACM over. Op basis van het advies zal ik de vermogenskostenvoet voor de periode 2014–2015 bij besluit vaststellen op 4,8%. Dat is 1,2 procentpunt lager dan de vermogenskostenvoet voor 2012 en 2013. Dit verschil is in belangrijke mate het gevolg van de daling van de rente.

Bij de totstandkoming van het advies zijn belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen kenbaar te maken. Zienswijzen zijn ingediend door de Vewin, VEMW en de Consumentenbond, IPO en VNG2. In haar advies is ACM ingegaan op de ingediende zienswijzen.

Voor het vaststellen van de vermogenskostenvoet voor 2014 en 2015 is nagenoeg dezelfde methode gehanteerd als voor de periode 2012 en 2013. Wel zijn, binnen de vastgelegde uitgangspunten in de Drinkwaterregeling, enkele aanpassingen in de berekeningswijze door ACM toegepast.

Naast de vermogenskostenvoet dient ook het maximaal toegestane aandeel eigen vermogen te worden vastgesteld. Voor de periode 2012–2013 is deze vastgesteld op 70%. Ik heb ACM verzocht om mij te melden indien er aanleiding is dit percentage te wijzigen. ACM heeft niet aangegeven dat er reden is tot aanpassing. Ik zal daarom voor 2014 en 2015 het maximaal toegestane aandeel eigen vermogen vaststellen op 70%.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
2

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

Naar boven