27 625 Waterbeleid

Nr. 213 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 juni 2011

Hierbij doe ik u de antwoorden toekomen op de vragen die zijn gesteld op 16 juni 2011 tijdens de eerste termijn van het AO Waterkwantiteit.

VVD – Mw. Lucas

1.

Waarom trekt het Rijk wel extra geld uit voor de integrale uitvoering van een project als bypass/zomerbedverdieping bij Kampen, maar niet voor een integrale aanpak van de Afsluitdijk, waar de waterveiligheidsproblematiek urgenter is?

Bij zowel Kampen als de Afsluitdijk neem ik de kosten voor de maatregelen voor de waterveiligheid voor mijn rekening. Met de regio in de IJsseldelta en de regio rondom de Afsluitdijk maak ik afspraken over hun inzet voor extra functies (ambities). De gezamenlijke inzet van de middelen voor waterveiligheid en middelen van de regio voor andere functies maken de uitvoering van een integraal plan mogelijk.

GL – Mw. Van Tongeren

2.

Klopt het dat, zoals in mei in HP/de Tijd is beschreven, een dijkdoorbraak in Dijkring 14 zou leiden tot onvermijdbare verdrinkingsrisico’s en grote risico’s in verband met de daar aanwezige petrochemische industrie? Zo ja, welke maatregelen neemt de staatssecretaris om die risico’s te verkleinen?

Vanwege de grote risico’s in dijkring 14 geldt voor dit gebied het strengste beschermingsniveau tegen overstromingen, namelijk 1 op 10 000.

Naast het voorkomen van een overstroming wordt er ook gewerkt aan maatregelen om de gevolgen van een eventuele overstroming te beperken. Naar aanleiding van de kabinetsreactie (2009) op de rapportage van de Taskforce Management Overstromingen is onder leiding van de Stuurgroep Management Overstromingen een aantal acties ter hand genomen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het opstellen van een Landelijk Coördinatieplan Hoogwater en Overstromingen, het verbeteren van de kennisinfrastructuur en de uitwisseling van gegevens. Verder wordt er door de «waterkolom» gezamenlijk met het ministerie van Veiligheid en Justitie gewerkt aan een oefening in 2012, onder andere in dijkring 14.

Ten aanzien van grootschalige petrochemische industrie geldt dat deze niet aanwezig is in dijkring 14, maar zich bevindt op hooggelegen buitendijks gebied.

3.

Is de staatssecretaris bereid om met natuurbeheerders, de recreatiesector en decentrale overheden te overleggen over bij welke waterveiligheidsprojecten kansen liggen bij het combineren van die projecten met natuurontwikkeling en/of recreatie?

Het is bestaand beleid, opgenomen in het Nationaal Waterplan, om de uitwerking van het waterveiligheidsbeleid zoveel mogelijk mee te koppelen met onder meer natuur en recreatie. Overigens betaal ik daarbij alleen de veiligheidskosten.

Indien mogelijk wordt gekeken hoe de beschikbare budgetten van rijk en decentrale overheden efficiënter in samenhang ingezet kunnen worden en of daarbij door slimme combinatie van werkzaamheden ten behoeve van waterveiligheid en, bijvoorbeeld, natuur en recreatie synergievoordelen te behalen zijn.

4.

Deelt de staatssecretaris de mening dat fondsvorming de manier bij uitstek is om de middelen voor waterveiligheid te beschermen tegen de politieke waan van alle dag?

Fondsvorming kan daar een bijdrage aan leveren, maar is op voorhand geen garantie. Ik wijs er overigens op dat in de Deltawet die u op 20 juni 2011 bespreekt een Deltafonds wordt gecreëerd.

5.

Is de staatssecretaris bereid om de verhouding tussen de in het Infrastructuurfonds beschikbare middelen voor weg, spoor en waterveiligheid tegen het licht te houden en te bezien of er middelen verschoven kunnen worden van infrastructuur naar waterveiligheid?

Ieder jaar wordt bij het opstellen van de begroting voor het Infrastructuurfonds bezien hoeveel middelen noodzakelijk zijn voor wegen, spoor, vaarwegen, openbaar vervoer en water. Ook in het kader van de voorbereiding van de begroting 2012 heb ik daarom overleg gevoerd met de minister van Financiën en de minister van Infrastructuur en Milieu. Dit najaar zal ik, tijdens de begrotingsbehandeling, met u bespreken of het resultaat van deze bespreking wordt gesteund door de parlement.

6.

Is de staatssecretaris bereid om een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de gevolgen voor de waterveiligheid van de voorgestelde verschuiving van verwerving van aankoop van gronden voor natuurontwikkeling naar het extra faciliteren van particulier natuurbeheer, bij het project Zandmaas?

Waterveiligheid is voor mij prioriteit, ook langs de Maas. In het project Maaswerken wordt ook door het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie geparticipeerd om natuurdoelstellingen in het Maasdal te realiseren in combinatie met de waterveiligheid. Ik ga er van uit dat het project Maaswerken onvervaard zal worden uitgevoerd in samenspraak met de andere overheden en het consortium.

D66 – van Veldhoven

7.

Het kabinet wil uiteindelijk naar een 100% bijdrage aan de primaire waterkeringen van de waterschappen. Maar de Taskforce ten Heuvelhof stelt iets anders voor. Waarom wijkt het kabinet hier van af?

Ik herhaal graag dat het kabinet vanuit doelmatigheidsoogpunt voor ca. 2030 het perspectief geschetst heeft om de aanleg, verbetering, beheer en onderhoud van de primaire waterkeringen, inclusief de financiering ervan, in één hand te leggen, namelijk bij de waterschappen. Dit geldt niet voor de primaire waterkeringen die in beheer zijn bij het rijk. Voor de kortere termijn is deze stap te groot en zet het kabinet in op de 50/50 financiering, zoals ook voorgesteld door de taskforce Ten Heuvelhof.

Daarmee wordt rekening gehouden met de onzekerheden in de aard en omvang van het (toekomstige) Hoogwaterbeschermingsprogramma, de actualisering van de normering en de wens dat de lokale lasten zich gematigd ontwikkelen.

Dit laat onverlet dat het rijk verantwoordelijk is en blijft voor de normering voor waterveiligheid en voor het toetsingsinstrumentarium.

In de loop van de komende 5 tot 10 jaar moet blijken of het geschetste perspectief haalbaar is.

8.

In het verleden is gebleken dat de kosten voor het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) lastig vooraf in te schatten zijn. Hoe houdt de regering de lastenontwikkeling in de gaten als deze kosten gedekt moeten worden uit de eigen belastingheffing van de waterschappen?

Ik bevestig nogmaals dat in het Bestuursakkoord Water is afgesproken dat vanaf 2015 zowel rijk als waterschappen beide 181 miljoen euro per jaar bijdragen aan het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Hiermee is de bijdrage van rijk en waterschappen gemaximeerd.

In het Bestuursakkoord Water is daarnaast door rijk, IPO, VNG, Unie van Waterschappen en Vewin afgesproken dat de ontwikkeling van de lokale lasten niet meer dan gematigd zal zijn. Middels het realiseren van een doelmatigheidswinst oplopend tot 750 miljoen euro in 2020 kan de stijging van jaarlijkse kosten beperkt blijven. Zonder de afspraken gemaakt in het Bestuursakkoord Water zullen deze kosten in 2020 met 1 tot 2 miljard euro zijn gestegen (watersysteem en waterketen). De partijen zullen jaarlijks rapporteren over de voortgang van de implementatie van het Bestuursakkoord Water en de ontwikkeling van de lokale lasten. Hiermee is er jaarlijks een moment om te bepalen of we op koers liggen en wat er zo nodig gedaan moet worden om de stijging van de lokale lasten verder te beperken.

9.

De staatssecretaris stelde dat de waterschapslasten «maximaal gematigd» moeten stijgen, waar ligt dat maximum: bijvoorbeeld op drie, vijf of tien procent?

Zoals in het Bestuursakkoord Water is aangegeven, zijn de totale jaarlijkse kosten voor het beheer van het watersysteem en de waterketen in 2010 ongeveer 7 miljard euro. We verwachten dat dit bedrag zal oplopen tot 8 à 9 miljard euro in 2020 indien we geen maatregelen nemen. In het Bestuursakkoord Water heb ik afgesproken te streven naar een doelmatigheidswinst die geleidelijk oploopt tot jaarlijks 750 miljoen euro in 2020. Hiermee wordt een gematigde stijging van lasten bereikt. Ik zal met de andere partijen de lokale lasten nauwgezet monitoren en hierover jaarlijks aan de Kamer rapporteren.

10.

Een doelmatigheidsprikkel ontbreekt bij de waterschappen, gezien de toegestane overhead van 15%. Is de staatssecretaris bereid, in navolging van de kritische noten over overdimensionering en gebrekkige doelmatigheid uit het rapport van Ten Heuvelhof, hieromtrent nadere afspraken te maken met de waterschappen?

Ik bevestig nogmaals dat in het Bestuursakkoord Water reeds is afgesproken dat voor het HWBP 2 per 1 januari 2012 alleen de werkelijk gemaakte voorbereidingskosten worden vergoed. Overigens laat de praktijk zien dat sommige waterschappen nu al niet de volle 15% benutten.

Bij de voorbereiding van projecten in het volgende HWBP zullen de voorbereidingskosten door middel van cofinanciering tussen het rijk en de waterschappen worden vergoed waardoor er nog een extra efficiencyprikkel ontstaat.

11.

Wat betreft het uitvoeringsprogramma westelijke veenweiden, daar is in 2010 een ILG contract voor getekend. Mag ik aannemen dat dat gewoon doorgaat of valt dat nu ook onder het openbreken van de WILG?

Door mevrouw Van Veldhoven is een vraag gesteld over de relatie tussen het uitvoeringsprogramma westelijke veenweiden en het WILG dossier. De beantwoording van deze vraag heb ik doorgeleid naar de verantwoordelijk bewindspersoon voor dit onderwerp, te weten de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

CU – Mw. Wiegman

12.

De staatssecretaris is eerlijk in zijn brief van 22 april 2011 dat er nog een niet gedekte veiligheidsopgave op ons af komt van ongeveer € 4 miljard. En dit is nog exclusief de nodige en aangekondigde aanscherping van de veiligheidsnormen. Ik zou graag meer inzicht willen krijgen in deze resterende waterveiligheidsopgave, om over de zoetwatervoorziening en waterkwaliteit nog maar te zwijgen. Wat hoort er nu wel en niet bij die € 4 miljard? En is het de nu bekende opgave, of is het de opgave tot 2020? Of is het de opgave die er ligt om weer aan de normen uit de Waterwet te gaan voldoen? En zo ja, moet deze opgave dan niet snel worden opgepakt, gelet op wat de wet eist? Graag meer duidelijkheid dan tot op heden is gegeven.

In mijn brief van 22 april heb ik een groot aantal voorbeelden genoemd om een beeld te schetsen van de waterveiligheidsopgave. Het gaat daarbij om zaken als maatregelen die voortvloeien uit de Derde Toetsing, extra suppleties langs de kust, steenbestortingen in Zeeland, de Legger Vlieland/Terschelling, de aanleg van een nevengeul Ooijen-Wanssum langs de Maas en het project Waalweelde. Deze projecten dragen gedeeltelijk bij aan het weer voldoen aan de normen zoals vastgelegd in de Waterwet. Dit betekent ook dat deze projecten voortvarend moeten worden opgepakt, zodat zo snel als mogelijk weer aan de waterveiligheidsnormen wordt voldaan.

13.

En hoe groot is de aanvullende opgave uit de brief van de staatssecretaris? Geeft de MKBA die is opgesteld door Deltares daar meer informatie over? Ik hoop overigens dat de kwaliteitstoets op de nieuwe normen snel klaar is. Kan de staatssecretaris de rapporten voor het zomerreces nog naar de Kamer sturen?

Van de omvang van de aanvullende opgave uit de actualisering van de veiligheidsnormering kan ik nu nog geen beeld geven. Het besluitvormingsproces over de normering zal zorgvuldig en gefaseerd verlopen en leiden tot de Deltabeslissing Veiligheid en het integraal Waterveiligheidsprogramma in 2014.

De komende periode ontstaat stapsgewijs een beeld óf, waar en in hoeverre er aanleiding is om normen te actualiseren, welke keuzemogelijkheden er zijn en wat dit ruimtelijk en financieel zal betekenen in verschillende delen van Nederland.

De MKBA geeft geen totaalbeeld van de aanvullende opgave. De MKBA is alleen ondersteunend voor de maatschappelijke afwegingen ten aanzien van de actualisering van de normering. De maatschappelijke keuzes zullen uiteindelijke de totale financiële consequenties bepalen.

Ik kan de rapporten ten behoeve van de actualisering van de normen niet voor het zomerreces naar de Kamer sturen. De kwaliteitsborging door het CPB en het Expertise Netwerk Waterveiligheid vindt plaats tot en met september. Pas daarna weet ik zeker dat de rapporten van de juiste kwaliteit zijn om aan de Kamer te doen toekomen.

14.

De staatssecretaris geeft terecht prioriteit aan investeringen in waterveiligheid. Maar geldt dat ook voor de lange termijn? Toch heeft de staatssecretaris mijn zorg in de beantwoording van de feitelijke vragen niet weg kunnen nemen. Geeft dit kabinet niet alleen deze kabinetsperiode, maar ook voor straks wel echt de prioriteit aan de bescherming van ons land tegen het wassende water? Het zou helpen als de staatssecretaris de Kamer de garantie biedt dat de in het regeerakkoord opgenomen bezuiniging op de Kaderrichtlijn Water nooit ten koste mag gaan van investeringen in waterveiligheid en de zoetwatervoorziening van de tenminste € 1 miljard euro vanaf 2020. Ook niet na deze kabinetsperiode, even los van de vraag hoe ik over deze bezuiniging denk.

Natuurlijk kan ik vooralsnog geen garanties bieden voor de periode na deze kabinetsperiode. In ieder geval hebben in deze kabinetsperiode waterveiligheid en zoetwatervoorziening prioriteit boven waterkwaliteit.

15.

Hoeveel stond er eigenlijk gereserveerd voor de implementatie van de KRW na 2015, zo vraag ik de staatssecretaris? Ik heb er in de laatste begroting niets over kunnen vinden. Je kunt toch echt alleen maar € 50 miljoen structureel bezuinigen op de KRW, als er ook daadwerkelijk structureel tenminste jaarlijks € 50 miljoen voor stond gereserveerd.

In het MIRT projecten boek 2011 staat vermeld dat voor de uitvoering van het Verbeterprogramma Waterkwaliteit Rijkswateren tot 2020 ongeveer € 1 miljard beschikbaar is. Als gevolg van de, in het Regeerakkoord vastgelegde taakstellingen wordt hier tot 2020 € 400 miljoen op bezuinigd.

Tot slot

Tijdens de eerste termijn van het AO op 16 juni over waterkwantiteit, heb ik vanuit uw Kamer een instemmend signaal ontvangen over mijn reactie op de door de commissie opgestelde uitgangspuntennotitie met betrekking tot het Groot Project HWBP 2. Daarom wil ik nu de basisrapportage gaan voorbereiden. Ik ben voornemens u deze rapportage rond 1 oktober 2011 toe te sturen.

De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

J. J. Atsma

Naar boven