Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2000-200127585 nr. 3

27 585
Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000

nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING

Het advies van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt, omdat het zonder meer instemmend luidt (artikel 25a, vierde lid, onderdeel b, van de Wet op de Raad van State).Dit wetsvoorstel strekt ertoe de Vreemdelingenwet 2000 op enkele onderdelen aan te passen. Het betreft aanpassingen van strikt technische aard. Zij strekken ertoe een verschrijving en enkele omissies weg te nemen, voordat de Vreemdelingenwet 2000 in werking treedt (voorzien op 1 april 2001). Deze omissies zijn ons gebleken na de parlementaire behandeling van de Vreemdelingenwet 2000. Omissies van zeer ondergeschikte technische aard zijn niet opgenomen. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om artikel 90, waarin sprake is van «rechter» terwijl daar gelezen dient te worden: staatsraad.

Het ligt in de bedoeling dat dit wetsvoorstel tegelijk in werking treedt met de Vreemdelingenwet 2000.

Bij de artikelsgewijze toelichting wordt verder ingegaan op de inhoud en strekking van de afzonderlijke wijzigingsvoorstellen.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

A

Artikel 21, vierde lid, bevat een beperking van de afwijzingsgronden voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd regulier. Dit vierde lid is gewijzigd bij het amendement-Albayrak c.s. (Kamerstukken II 1999–2000, 26 732, nr. 28). Dit amendement beoogt het bestaande beleid ter zake van zogenaamde tweede generatie migranten in de wet vast te leggen. Dit beleid is thans nog neergelegd in de Vreemdelingencirculaire (hoofdstuk B2/3.2 en A4/4.3.2). Uit hoofdstuk A4/4.3.2 volgt, dat de aanvraag van de vreemdeling ook kan worden afgewezen indien de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd, dan wel hem terzake de maatregel, bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht, is opgelegd. Dit is de grond, bedoeld in artikel 21, eerste lid, onder b, van de wet.

In het vierde lid wordt echter niet naar deze afwijzingsgrond verwezen, maar abusievelijk naar onderdeel c, hetgeen ten onrechte is.

Wij nemen aan, dat er in het vierde lid sprake is van een verschrijving, nu het vierde lid wel verwijst naar de afwijzingsgrond van artikel 21, eerste lid, onder c: de vreemdeling heeft zijn hoofdverblijf buiten Nederland gevestigd. Deze verwijzing leidt tot een cirkelredenering: de aanvraag van de vreemdeling die zijn hoofdverblijf niet heeft verplaatst kan slechts worden afgewezen op de grond dat hij zijn hoofdverblijf heeft verplaatst. Deze situatie zal zich nooit voordoen.

B

Artikel 59 heeft betrekking op de vreemdelingenbewaring. In de memorie van toelichting op dit artikel (voorheen artikel 57) (Kamerstukklen II 1998–1999, 26 732, nr. 3, p. 60) is aangegeven dat het voorgestelde eerste lid, onder b, overeen komt met artikel 26, eerste lid, onderdeel c, zij het dat de terminologie is aangepast aan die van het wetsvoorstel.

Thans is op grond van artikel 26 van de huidige Vreemdelingenwet vreemdelingenbewaring mogelijk als een vreemdeling nog in afwachting is van de beschikking op een bezwaarschrift of nog in procedure is bij de rechter over een aanvraag (zie ook de Vreemdelingencirculaire, hoofdstuk A7/3.2.5). Op grond van artikel 59 zou bewaring echter niet meer mogelijk zijn hangende de bezwaarfase of hangende het beroep op de rechter. In artikel 59, eerste lid onder b, wordt niet verwezen naar artikel 8, onder h, van de wet. Artikel 8, onder h, van de wet, bepaalt dat een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft, indien hij in afwachting is van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist. Dit betekent, dat vreemdelingenbewaring wel mogelijk is, als de aanvraag van de vreemdeling is afgewezen (artikel 8, onder f en g), maar vervolgens moet worden opgeheven, indien de vreemdeling bezwaar maakt of beroep instelt. Dat is de reden waarom wij thans voorstellen het toepassingsbereik van artikel 59, eerste lid, onder b, in overeenstemming te brengen met dat van het huidige artikel 26.

C

In artikel 95, eerste lid, wordt hoger beroep opengesteld tegen de eerste uitspraak van de rechtbank gericht tegen de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. Dit artikel is bij amendement-Albayrak c.s. ingevoegd (Kamerstukken II 1999–2000, 26 732, nr. 30).

In het tweede lid van artikel 95 worden bepalingen van afdeling 4 van hoofdstuk 7, dat betrekking heeft op het «normale» hoger beroep, van overeenkomstige toepassing verklaard. De toelichting op het amendement gaat ervan uit, dat de vrijstelling van het griffierecht al geldt en om die reden artikel 86 niet van toepassing verklaard hoefde te worden. De vrijstelling van het griffierecht in artikel 93, derde lid, van de wet heeft echter alleen betrekking op het beroep op de rechtbank. Strikt genomen, zou er voor het hoger beroep dus een griffierecht moeten worden geheven op grond van artikel 40 van de Wet op de Raad van State. Het mag duidelijk zijn, dat dit niet de bedoeling is. Daarom wordt voorgesteld aan artikel 95 een derde lid toe te voegen, waarin uitdrukkelijk wordt bepaald, dat er in afwijking van artikel 40 van de Wet op de Raad van State door de secretaris geen griffierecht wordt geheven. Dit derde lid komt dan overeen met het derde lid van artikel 93.

D

Het amendement, waarbij hoger beroep wordt opengesteld tegen de eerste uitspraak van de rechtbank gericht tegen de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel (amendement-Albayrak c.s., Kamerstukken II 1999–2000, 26 732, nr. 30) heeft ook gevolgen voor de toevoeging van raadslieden, die niet eerder zijn onderkend. Vanuit de Raad van State is er terecht op gewezen, dat slechts de president van de rechtbank bevoegd is om een last tot toevoeging van raadslieden aan een vreemdeling te bevelen (artikel 100, tweede lid). Een dergelijke mogelijkheid ontbeert de Raad indien er hoger beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel is ingesteld. Het is echter noodzakelijk, gezien de vrijheidsontneming, dat de vreemdeling ook in hoger beroep wordt bijgestaan door een raadsman, ook als hij er zelf geen kiest. De voorgestelde wijziging waarborgt dit, nu voorgesteld wordt, dat ook de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevoegd is tot het geven van de last tot toevoeging aan het bureau rechtsbijstandvoorziening.

E

Artikel 121 heeft betrekking op het overgangsrecht terzake van het hoger beroep inzake vreemdelingenbewaring. Op grond van het huidige artikel 121 kan geconcludeerd worden, dat er ook hoger beroep zou openstaan van de uitspraak waarbij de voortduring van de bewaring wordt getoetst. In artikel 121 wordt immers verwezen naar de kennisgeving als bedoeld in artikel 94, eerste lid, eerste volzin. Ingevolge het amendement-Albayrak c.s., Kamerstukken II 1999–2000, 26 732, nr. 30, dient het hoger beroep echter beperkt te zijn tot de uitspraak van de rechtbank op het eerste beroep. Dit is het beroep bedoeld in artikel 94, derde lid.

Om die reden stellen wij voor, om in artikel 121 voortaan naar de kennisgeving van artikel 96 te verwijzen. Dat betreft de kennisgeving van het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarmee staat buiten kijf, dat er geen hoger beroep mogelijk is terzake van een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 96, derde lid. Omdat in artikel 96, eerste lid, wordt verwezen naar een beroep als bedoeld in artikel 94, is in artikel 121 verduidelijkt, dat een beroep dat onder de Vreemdelingenwet 1994 is ingesteld wordt aangemerkt als een beroep onder artikel 94 van de Vreemdelingenwet 2000. Dit ter verduidelijking. Tevens is in artikel 121 verduidelijkt, dat een en ander ook geldt indien de vreemdeling zelf het beroep heeft ingesteld onder de Vreemdelingenwet 1994.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

De Staatssecretaris van Justitie,

N. A. Kalsbeek