nr. 22
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 maart 2002
Op 6 november jl. heeft uw Kamer een tijdens het Nota-overleg van 8 oktober
2001 over de kabinetsnota ter intensivering van het beleid tegen alcoholmisbruik
door de leden Rouvoet e.a. ingediende motie aangenomen (Kamerstukken II 2001/02,
27 565, nr. 15). In deze motie wordt geconstateerd dat zogenaamd
«zinloos geweld» in de meeste gevallen alcoholgerelateerd is,
en dat in artikel 453 Wetboek van Strafrecht het zich in kennelijke staat
van dronkenschap op de openbare weg bevinden strafbaar is gesteld. De Kamer,
van mening dat het – mede met het oog op een adequate aanpak van geweld
op straat – overweging verdient deze strafbepaling te concretiseren,
verzoekt de regering een inventarisatie te maken van zowel de mogelijkheden
tot, als de voor- en nadelen van het relateren van openbare dronkenschap aan
een bepaald alcoholpromillage.
Deze brief, die ik u mede namens de Minister van Justitie zend, strekt
ter uitvoering van deze motie.
Het zich in kennelijke staat van dronkenschap op de openbare weg bevinden
is met ingang van 1 september 1886 strafbaar gesteld. Het verbod is neergelegd
in artikel 453 van het Wetboek van Strafrecht. Dit artikel is opgenomen in
Titel VI van het Derde boek, betreffende «Overtredingen tegen de zeden».
Daarmee is de ratio van deze strafbaarstelling min of meer gegeven. Zij houdt
hoofdzakelijk verband met het aanstootgevende karakter van openbare dronkenschap.
Ook uit de jurisprudentie blijkt die visie. Volgens een al oude uitspraak
van de Hoge Raad van 1 februari 1915 (NJ 1915, 573) moet onder «kennelijke
staat van dronkenschap» worden verstaan een zo duidelijk zichtbare dronkenschap,
dat daardoor aan anderen aanstoot kan worden gegeven. Daarin verschilt deze
bepaling van de bepaling in de Wegenverkeerswet 1994 waarin, kort gezegd,
dronken rijden strafbaar wordt gesteld.
In deze ratio ligt een belangrijk argument tégen het relateren
van openbare dronkenschap aan een bepaald alcoholgehalte. Bij de strafbaarstelling inzake dronken rijden is het van belang te weten in welke mate
de betrokkene onder invloed verkeerde, omdat de rijvaardigheid en ook de ongevalskans
van betrokkene daar rechtstreeks verband mee houdt. Die directe relatie is
aangetoond in de zogenaamde Grand Rapids studie (Borkenstein, R.F. et al.
The role of the drinking driver in traffic accidents (the Grand Rapids Study).
Second edition. Blutalkohol 11 (1974) Supp. 1). Bij de strafbaarstelling van
openbare dronkenschap is zo'n lineair verband niet aanwezig. De staat van
dronkenschap kan bij de ene persoon na een relatief beperkt alcoholgebruik
«kennelijker» zijn dan bij de ander na fors alcoholgebruik. Van
invloed is ook of en zo ja in welke mate andere psychotrope stoffen zijn gebruikt.
Met het voorgaande hangt een volgend argument samen. De directe relatie
tussen verkeersonveiligheid en alcoholgehalte maakt het aanvaardbaar om via
ademanalyse en bloedproef dat gehalte vast te stellen. Op andere wijze kan
het alcoholgehalte immers niet goed vastgesteld worden. Bij openbare dronkenschap
is de relatie tussen het alcoholgehalte en de door de strafrechter te nemen
beslissingen niet of nauwelijks aanwezig. Voor de strafrechter staat immers
de «kennelijkheid» van de staat van dronkenschap centraal. Die
kennelijkheid kan niet uit ademanalyse of bloedanalyse worden afgeleid.
Het relateren van openbare dronkenschap aan een bepaald alcoholgehalte
en het toestaan van onderzoek daarnaar, door middel van ademanalyse en bloedproef,
zou dan ook slechts in de rede liggen als de kennelijkheid van dronkenschap
niet langer doorslaggevend zou zijn voor strafbaarheid. Een strafbaarstelling
van het enkel «zich onder invloed van alcohol op straat te bevinden»
gaat evenwel naar het oordeel van de regering om tal van redenen te ver. Ook
in de ons omringende landen (België en Duitsland) en enkele andere geconsulteerde
EU-lidstaten (Ierland, Finland, Zweden, Italië) is openbare dronkenschap
in het strafrecht niet geconcretiseerd.
De conclusie dat het niet wenselijk is de strafbepaling openbare dronkenschap
te concretiseren door een relatie te leggen met het alcoholgehalte, gecombineerd
met het feit dat operationalisatie van openbare dronkenschap in de visie van
de regering geen aantoonbaar voordeel met zich zou brengen, houdt overigens
geenszins in dat de regering van oordeel is dat geweld op straat niet adequaat
en stevig moet worden aangepakt. In onder meer de Alcoholnota 2001–2003
wordt ingegaan op de op dit terrein te nemen maatregelen.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers