27 560
Wijziging van de Politiewet 1993 in verband met de aanpassing van de bevoegdheden op regionaal niveau, alsmede van de bevoegdheden van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten

A
OORSPRONKELIJKE TEKST VAN HET VOORSTEL VAN WET EN DE MEMORIE VAN TOELICHTING ZOALS VOORGELEGD AAN DE RAAD VAN STATE EN VOOR ZOVER NADIEN GEWIJZIGD

A. Voorstel van wet

1. Onderdeel J luidde oorspronkelijk

Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt als volgt te luiden:

1. Tegen de vaststelling van de stukken, bedoeld in artikel 31, eerste lid, kan administratief beroep worden ingesteld bij de commissaris van de Koning door:

a. een lid van het regionale college indien het van oordeel is, dat het desbetreffende besluit van het regionale college op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van een goede vervulling van de politietaak in zijn ambtsgebied;

b. een gemeenteraad, in overeenstemming met de zienswijze van de burgemeester, indien de gemeenteraad van oordeel is, dat het desbetreffende besluit van het regionale college op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van een goede vervulling van de politietaak in de desbetreffende gemeente.

2. Onder vernummering van het huidige tweede, derde, vierde en vijfde lid tot derde, vierde, vijfde en zesde lid wordt een nieuw lid ingevoegd luidende:

2. De commissaris van de Koning beslist in overeenstemming met het College van procureurs-generaal op het beroep. De korpsbeheerder brengt de stukken in overeenstemming met het besluit van de commissaris van de Koning.

3. In het nieuwe vierde lid wordt «het eerste en tweede lid» vervangen door: het eerste, tweede en derde lid.

2. Onderdeel L luidde oorspronkelijk:

Artikel 34 komt als volgt te luiden:

Artikel 34

1. Tegen de vaststelling van de stukken, bedoeld in artikel 33, eerste lid, kan administratief beroep worden ingesteld bij Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties door:

a. het regionale college indien het van oordeel is dat het desbetreffende besluit van de korpsbeheerder op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het beleidsplan dan wel het jaarplan, bedoeld in artikel 31, eerste lid.

b. door een gemeenteraad, in overeenstemming met de zienswijze van de burgemeester, indien de gemeenteraad van oordeel is dat het desbetreffende besluit van de korpsbeheerder, gelet op het beleidsplan dan wel het jaarplan, bedoeld in artikel 31, eerste lid, op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van een goede vervulling van de politietaak in de desbetreffende gemeente.

2. Het beroepschrift wordt ingediend door tussenkomst van de commissaris van de Koning. De korpsbeheerder brengt de stukken in overeenstemming met het besluit van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

B. Memorie van toelichting

1. Alinea 10 van paragraaf 1 luidde oorspronkelijk:

Dit wetsvoorstel, zo besluiten wij deze inleiding, bevat een samenhangend pakket voorstellen tot aanpassing van de Politiewet 1993 om te komen tot een meer transparante bestuurlijke organisatie van de regionale politie, waarin verantwoordelijkheden van zowel de gezagsdragers, het regionale college, de hoofdofficier van justitie als de korpsbeheerder voldoende worden ondersteund met bevoegdheden, opdat zij optimaal inhoud kunnen geven aan hun onderscheiden verantwoordelijkheden.

2. Alinea 8 van paragraaf 2 luidde oorspronkelijk:

Opdat de gezagsdragers optimaal inhoud kunnen geven aan hun verantwoordelijkheid is het van belang dat beheer volgend is aan gezag. Het is echter niet noodzakelijk, en – gelet op de voorgestelde verantwoordelijkheidsverdeling – ook niet wenselijk, dat zij zelf over beheersbevoegdheden beschikken. Gezagsdragers moeten zich kunnen concentreren op de taakuitoefening van de politie en het beleid ter zake, zonder dat zij zich tevens bezig zouden moeten houden met de beheersmatige finesses van het regionale korps. Dat is de verantwoordelijkheid van de korpsbeheerder. Met het oog op de afstemming tussen gezag en beheer is het van belang dat bij het vaststellen van het beleidsplan voor het regionale politiekorps de beheersmatige aspecten van dat plan in ogenschouw worden genomen. Wij stellen dan ook voor in artikel 31 van de Politiewet 1993 – naar analogie van artikel 38c van de Politiewet 1993 dat geldt voor het beleidsplan voor het KLPD – te bepalen dat het beleidsplan voor het regionale politiekorps niet alleen de beleidsvoornemens en te verrichten activiteiten beschrijft, maar tevens op hoofdlijnen aangeeft met welke personele en financiële middelen wordt beoogd het plan en zijn onderdelen te verwezenlijken. De vertaling en uitwerking van deze beleidsprioriteiten in beheersmatige termen is een verantwoordelijkheid van de korpsbeheerder. De personele en financiële middelen die in het beleidsplan aan bepaalde voornemens en activiteiten zijn toebedeeld, worden teruggevonden en uitgewerkt in de organisatie, de formatie en de begroting, die, volgens dit voorstel, door de korpsbeheerder worden vastgesteld. Aldus krijgt de afstemming van beheer op gezag vorm, met behoud van ieders verantwoordelijkheid. In dit verband is tevens van belang dat de korpsbeheerder over het door hem gevoerde beheer verantwoording aflegt aan het regionale college.

3. Alinea 12 van paragraaf 2 luidde oorspronkelijk:

Wij achten het voorts van belang dat de hoofdofficier van justitie een toegespitste betrokkenheid houdt bij het vaststellen van de beheersstukken. Die betrokkenheid krijgt in dit wetsvoorstel vorm door een overlegplicht: de korpsbeheerder stelt de genoemde beheersstukken vast na overleg met de hoofdofficier van justitie en gehoord het regionale college, waarvan de hoofdofficier van justitie ook deel uit maakt. De hoofdofficier van justitie blijft aldus nauw betrokken bij de vaststelling van de beheersstukken. De betrokkenheid van de hoofdofficier van justitie wordt in de praktijk als constructief ervaren voor het functioneren van het politiekorps. Verdergaande betrokkenheid van de hoofdofficier van justitie bij de vaststelling van de beheersstukken in de vorm van bijvoorbeeld een instemmingsrecht, past niet bij de voorgestelde verantwoordelijkheidsverdeling, waarin de verantwoordelijkheid van de korpsbeheerder voor het beheer van het regionale politiekorps zich uitstrekt tot het vaststellen van de beheersstukken. Bovendien is een verdergaande betrokkenheid van de hoofdofficier van justitie bij de vaststelling van de beheersstukken naar ons oordeel niet nodig, aangezien deze stukken vooral de uitwerking betreffen van de personele en financiële middelen die in het regionale beleidsplan – waarvoor het dubbele instemmingsrecht van de hoofdofficier van justitie blijft gelden – aan bepaalde voornemens en activiteiten zijn toebedeeld.

4. De tweede alinea van de toelichting op onderdeel J luidde oorspronkelijk:

Thans opent artikel 34, derde lid, van de Politiewet 1993 de mogelijkheid van beroep door de gemeenteraad tegen de besluiten van het regionale college. Deze beroepsmogelijkheid is van belang met het oog op de lokale sturing van de politie. Indien, zoals voorgesteld, het regionale college de beleidsstukken vaststelt en de korpsbeheerder de beheersstukken, moet ook het beroepsrecht van de gemeenteraad daarop worden aangepast. Om de toegankelijkheid van de onderscheiden administratieve beroepsmogelijkheden in de Politiewet 1993 te bevorderen, stellen wij voor de beroepsmogelijkheden van de afzonderlijke gezagsdragers en van de gemeenteraad tegen de vaststelling van de beleidsstukken door het regionale college in één artikel onder te brengen (artikel 32 van dit wetsvoorstel) en daarnaast de beroepsmogelijkheden van het regionale college en van de gemeenteraad tegen de vaststelling van de beheersstukken door het regionale college in een ander artikel onder te brengen (artikel 34 van dit wetsvoorstel).

5. De eerste alinea van de toelichting op onderdeel L luidde oorspronkelijk:

Indien het regionale college van oordeel is dat een besluit van de korpsbeheerder op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het door het college vastgestelde beleidsplan of jaarplan, dan kan het daartegen administratief beroep instellen bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, door tussenkomst van de commissaris van de Koning. Aangezien in het beroep het erom gaat dat een bepaalde beheersbeslissing indruist tegen een besluit van het regionale college, ligt het in de rede dat het college en niet elk afzonderlijk lid van het college, beroep kan instellen. In de beroepsprocedure, bedoeld in het voorgestelde artikel 34, eerste lid, onder a, zal het regionale college niet worden vertegenwoordigd door zijn voorzitter, maar door diens plaatsvervanger. Artikel 34, eerste lid, onder b, betreft de beroepsmogelijkheid voor de gemeenteraad tegen de vaststelling van het beleidsplan en het jaarplan. Wij verwijzen ter zake naar de toelichting bij onderdeel J.

Naar boven