nr. 9
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 21 februari 2002
Het voorstel van wet wordt gewijzigd als volgt:
A
In onderdeel J komt artikel 32, eerste lid, als volgt te luiden:
1. Tegen de vaststelling van de stukken, bedoeld in artikel 31, eerste
lid, kan administratief beroep worden ingesteld bij de commissaris van de
Koning door:
a. een lid van het regionale college indien het van oordeel is, dat het
desbetreffende besluit op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang
van een goede vervulling van de politietaak in zijn ambtsgebied;
b. een gemeenteraad, in overeenstemming met de zienswijze van de burgemeester,
indien de gemeenteraad en de burgemeester van oordeel zijn, dat het desbetreffende
besluit op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van een goede
vervulling van de politietaak in de desbetreffende gemeente.
B
In onderdeel L komt artikel 34, eerste lid, onder b, als volgt te luiden:
b. een gemeenteraad, in overeenstemming met de zienswijze van de burgemeester,
indien de gemeenteraad en de burgemeester van oordeel zijn, dat het desbetreffende
besluit, gelet op het beleidsplan dan wel het jaarplan, bedoeld in artikel
31, eerste lid, op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van een
goede vervulling van de politietaak in de desbetreffende gemeente.
C
Na onderdeel T worden de onderdelen Ta en Tb ingevoegd, luidende:
Ta
In artikel 50, tweede lid, wordt «bedoeld in artikel 1, onder c,
van de Wet veiligheidsonderzoeken» vervangen door: bedoeld in artikel
1, eerste lid, onder c, van de Wet veiligheidsonderzoeken.
Tb
In artikel 54, tweede lid, wordt «het College» vervangen door:
het College van procureurs-generaal.
TOELICHTING
De onderhavige nota van wijziging is voornamelijk van wetstechnische aard
en strekt ertoe het wetsvoorstel op enkele onderdelen aan te passen.
Onderdelen A en B
Met de nota van wijziging (Kamerstukken II, 2001–2002, 27 560, nr.
6) is het oorspronkelijke wetsvoorstel aangepast in verband met de voorgestelde
verantwoordelijkheidsverdeling tussen het regionale college en de korpsbeheerder,
waarbij aan deze organen de ruimte wordt gelaten om in onderling overleg te
komen tot een door hen gewenste taakverdeling met betrekking tot de totstandkoming
van de beleids- en beheersstukken. De voorgestelde verantwoordelijkheidsverdeling
is evenwel niet volledig doorvertaald in de artikelen 32, eerste lid, en 34,
eerste lid, onder b. Met de thans voorgestelde wijzigingen vervallen in het
voorgestelde artikel 32, eerste lid, telkens de woorden «van het regionale
college» en in het voorgestelde artikel 34, eerste lid, onder b, de
woorden «van de korpsbeheerder».
Onderdeel C
Met de inwerkingtreding van Wet veiligheidsonderzoeken (wet van 10 oktober
1996), heeft artikel 50, tweede lid, van de Politiewet 1993 zijn huidige redactie
gekregen. Bedoeld is voor de toepassing van de Wet veiligheidsonderzoeken
bij de politie de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan
te merken als de minister, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van
de Wet veiligheidsonderzoeken. In de tekst van artikel 50, tweede lid, van
de Politiewet 1993 is evenwel de toevoeging «eerste lid» niet
opgenomen. Dit onderdeel strekt ertoe de bepaling in de Politiewet 1993 op
dit punt aan te scherpen.
Bij wet van 22 december 1999 (Stb. 575) is in de Politiewet 1993 de term
«het College» telkens te vervangen door «het College van
procureurs-generaal». Daarbij is abusievelijk artikel 54, tweede lid,
van de Politiewet 1993, ongewijzigd gebleven. Dit onderdeel strekt ertoe de
term «het College» in artikel 54, tweede lid, van de Politiewet
1993 te vervangen door «het College van procureurs-generaal».
De Minister van Justitie,
A. H. Korthals
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
K. G. de Vries