27 560
Wijziging van de Politiewet 1993 in verband met de aanpassing van de bevoegdheden op regionaal niveau, alsmede van de bevoegdheden van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten

nr. 9
TWEEDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 21 februari 2002

Het voorstel van wet wordt gewijzigd als volgt:

A

In onderdeel J komt artikel 32, eerste lid, als volgt te luiden:

1. Tegen de vaststelling van de stukken, bedoeld in artikel 31, eerste lid, kan administratief beroep worden ingesteld bij de commissaris van de Koning door:

a. een lid van het regionale college indien het van oordeel is, dat het desbetreffende besluit op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van een goede vervulling van de politietaak in zijn ambtsgebied;

b. een gemeenteraad, in overeenstemming met de zienswijze van de burgemeester, indien de gemeenteraad en de burgemeester van oordeel zijn, dat het desbetreffende besluit op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van een goede vervulling van de politietaak in de desbetreffende gemeente.

B

In onderdeel L komt artikel 34, eerste lid, onder b, als volgt te luiden:

b. een gemeenteraad, in overeenstemming met de zienswijze van de burgemeester, indien de gemeenteraad en de burgemeester van oordeel zijn, dat het desbetreffende besluit, gelet op het beleidsplan dan wel het jaarplan, bedoeld in artikel 31, eerste lid, op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van een goede vervulling van de politietaak in de desbetreffende gemeente.

C

Na onderdeel T worden de onderdelen Ta en Tb ingevoegd, luidende:

Ta

In artikel 50, tweede lid, wordt «bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet veiligheidsonderzoeken» vervangen door: bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wet veiligheidsonderzoeken.

Tb

In artikel 54, tweede lid, wordt «het College» vervangen door: het College van procureurs-generaal.

TOELICHTING

De onderhavige nota van wijziging is voornamelijk van wetstechnische aard en strekt ertoe het wetsvoorstel op enkele onderdelen aan te passen.

Onderdelen A en B

Met de nota van wijziging (Kamerstukken II, 2001–2002, 27 560, nr. 6) is het oorspronkelijke wetsvoorstel aangepast in verband met de voorgestelde verantwoordelijkheidsverdeling tussen het regionale college en de korpsbeheerder, waarbij aan deze organen de ruimte wordt gelaten om in onderling overleg te komen tot een door hen gewenste taakverdeling met betrekking tot de totstandkoming van de beleids- en beheersstukken. De voorgestelde verantwoordelijkheidsverdeling is evenwel niet volledig doorvertaald in de artikelen 32, eerste lid, en 34, eerste lid, onder b. Met de thans voorgestelde wijzigingen vervallen in het voorgestelde artikel 32, eerste lid, telkens de woorden «van het regionale college» en in het voorgestelde artikel 34, eerste lid, onder b, de woorden «van de korpsbeheerder».

Onderdeel C

Met de inwerkingtreding van Wet veiligheidsonderzoeken (wet van 10 oktober 1996), heeft artikel 50, tweede lid, van de Politiewet 1993 zijn huidige redactie gekregen. Bedoeld is voor de toepassing van de Wet veiligheidsonderzoeken bij de politie de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan te merken als de minister, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wet veiligheidsonderzoeken. In de tekst van artikel 50, tweede lid, van de Politiewet 1993 is evenwel de toevoeging «eerste lid» niet opgenomen. Dit onderdeel strekt ertoe de bepaling in de Politiewet 1993 op dit punt aan te scherpen.

Bij wet van 22 december 1999 (Stb. 575) is in de Politiewet 1993 de term «het College» telkens te vervangen door «het College van procureurs-generaal». Daarbij is abusievelijk artikel 54, tweede lid, van de Politiewet 1993, ongewijzigd gebleven. Dit onderdeel strekt ertoe de term «het College» in artikel 54, tweede lid, van de Politiewet 1993 te vervangen door «het College van procureurs-generaal».

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

K. G. de Vries

Naar boven