Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2001-2002 | 27560 nr. 7 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2001-2002 | 27560 nr. 7 |
Vastgesteld 21 december 2001
In de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties1 bleek na kennisneming van de nota naar aanleiding van het verslag en de nota van wijziging behoefte te bestaan om een nader verslag uit te brengen in verband met de ingrijpende nota van wijziging. Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit nader verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.
De leden van de PvdA-fractie hebben met waardering kennis genomen van de nota van wijziging, waarmee aan een deel van hun kritiek tegemoet wordt gekomen en ze zijn erkentelijk voor de uitvoerige beantwoording van hun vragen en opmerkingen in de nota naar aanleiding van het verslag.
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het bij nota van wijziging aangepaste wetsvoorstel.
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag en bijbehorende nota van wijziging.
De leden van de GroenLinks-fractie danken de regering voor de vaak uitgebreide antwoorden op de gestelde vragen.
In haar antwoord op een vraag van deze leden wijst de regering erop, dat het uitgangspunt «decentraal, tenzij» niet verlaten wordt voor «decentraal, mits regionaal». Een in dit kader gemiste kans, die het standpunt van de regering op dit punt wellicht had kunnen onderbouwen, achten de leden van de GroenLinks-fractie het ontbreken van een wettelijk kader voor de regionale subdriehoeken. In steden waar bij binnengemeentelijke decentralisatie op stadsdeelniveau periodiek wordt overlegd tussen bestuursvoorzitter, districtschef en districtsofficier van justitie, en in gemeenten waar door middel van subregionaal overleg tussen burgemeester, officier van justitie en politiechef wordt overlegd, rijst soms de vraag op welke grondslag en met welk mandaat subdriehoeken eigenlijk functioneren.
Vrijwel alle politieregio's kennen zulke subregio's met bijbehorende driehoek. Waar deze subdriehoeken bestaan, missen zij in elk geval een expliciete wettelijke grondslag. Was het niet logisch geweest, zo vragen deze leden, om ten minste de mogelijkheid van het submandaat en de subregionale driehoek in de wet op te nemen. Aanvullend verzoeken deze leden de regering nogmaals om informatie over status en inhoud van de zogenaamde subdriehoeken in de regio's. Welke beleidsthema's komen daar aan de orde? Hoe kunnen lokale gezagsdragers, de dualistische gemeenteraden en deelgemeenten daar in het kader van de in de Memorie van Toelichting genoemde politieke sturing en democratische controle op uitoefenen? De leden willen in dit kader wijzen op de recentelijk ontstane ophef over de bestuurlijke openbaarheid in het Amsterdamse stadsdeel Westerpark omtrent een of meer gevallen van aanranding, en vragen de regering om een reactie.
De leden van de SGP-fractie zeggen de regering dank voor de uitvoerige en heldere beantwoording van de door hen in het verslag gestelde vragen. Zij hebben behoefte aan nadere toelichting op enkele punten, mede naar aanleiding van de nota van wijziging.
2. Verantwoordelijkheidsverdeling op regionaal niveau
– regionaal college en korpsbeheerder
In deze korte bijdrage aan het nader verslag willen de leden van de PvdA-fractie met name stilstaan bij de nieuw voorgestelde aanpassing van bevoegdheden op regionaal niveau, waarvan de kern is dat de regering het regionale college en de korpsbeheerder ruimte wil laten om binnen zekere grenzen in onderling overleg te komen tot een door hen gewenste taakverdeling bij de totstandkoming van de beleids- en beheersstukken.
Zij vragen of het politieveld zich in deze constructie kan vinden en of hierover met het politieveld overleg heeft plaatsgevonden en zij zijn benieuwd naar de eventuele bezwaren die in die kring bestaan tegen de nu voorgestelde aanpassingen.
Deze leden denken wat minder luchthartig dan de regering over het ontstaan van verschillen tussen het ene en het andere korps, omdat een stringente uitleg van de geboden regionale ruimte ertoe leidt dat gemeenteraden de mogelijkheid zien verminderen om via hun burgemeester invloed uit te oefenen op bijvoorbeeld zaken die in de begroting moeten worden geregeld. Zo'n uitkomst is extra vervelend als het zou gaan om een meerderheidsbeslissing van een regionaal college waar de burgemeester, die tot de minderheid behoort, zich bij moet neerleggen. Hij staat dan als het ware met lege handen bij zijn gemeenteraad.
Graag krijgen deze leden een reactie op deze kanttekeningen.
De leden van de PvdA-fractie vragen verder welke voorzieningen in elk van de politieregio's zijn getroffen om de korpsbeheerder ambtelijk te ondersteuning bij zijn werkzaamheden. Beschikt de korpsbeheerder steeds over een eigen bureau, wat zijn daarvan de taken, wie financiert dat en wat is daarvan de omvang?
Tot slot komen zij nog terug op de vragen die zij hebben gesteld over de verantwoording die de korpsbeheerder aflegt in het regionaal college over de regionale en beheersmatige aspecten van politieoptreden bij grote incidenten. Waarom heeft dat in Groningen in beslotenheid plaatsgevonden en waarom was aan de rellen in Den Bosch slechts een regionale themabijeenkomst gewijd? Was dat een openbare of besloten themabijeenkomst?
De leden van de CDA-fractie vinden het van belang, dat in het aangepaste wetsvoorstel ruimte wordt gelaten aan het regionaal college en de korpsbeheerder om in onderling overleg te komen tot een door hen gewenste taakverdeling met betrekking tot de totstandkoming van beleids- en beheersstukken. Is de opvatting van het Korpsbeheerdersberaad en de Raad van Hoofdcommissarissen juist, dat het daarmee tevens mogelijk wordt gemaakt de huidige werkwijze in de thans geldende verhoudingen in stand te laten?
De leden van de D66-fractie waarderen het dat de regering positief probeert in te steken op de kritiek die door velen werd geuit op de vergaande wijze waarop in het oorspronkelijke wetsvoorstel gezag en beheer uiteen werden gelegd. De vrees dat daardoor de verworvenheden van het nieuwe politiebestel zouden kunnen worden aangetast, was een belangrijke reden. Het streven naar het wegnemen van onduidelijkheden in de verantwoordelijkheidsverdeling wordt door de leden van de D66-fractie nog steeds van harte ondersteund. Vooral de wijze waarop dit gebeurde riep echter nogal wat vragen op.
In de nota naar aanleiding van het verslag erkent de regering dat er een nauwe samenhang bestaat tussen beheer en gezag en wordt er wat meer nadruk gelegd op de gezamenlijk gevoelde verantwoordelijkheid van het regionale college en de korpsbeheerder voor de politie in de regio. Om dit wat beter tot uitdrukking te brengen komt de regering nu met het voorstel de korpsbeheerder en het regionale college een zekere ruimte te laten om te komen tot een door hen gewenste taakverdeling met betrekking tot de totstandkoming van de beleids- en beheersstukken. Er wordt nu gekozen voor de terminologie «draagt zorg voor». De korpsbeheerder voor het vaststellen van de beheersstukken en het regionaal college voor het vaststellen van de beleidsstukken De wijze waarop dat wordt ingevuld blijft echter wat onbestemd. De korpsbeheerder kan het regionaal college betrekken bij de vaststelling van de beheersstukken en het regionaal college de korpsbeheerder bij het vaststellen van de beleidsstukken. Het behoeft overigens niet. De vraag rijst of met deze zoetgevooisde oplossing nog wel de gewenste duidelijkheid in de verantwoordelijkheidsverdeling wordt bewerkstelligd? Komt er niet wederom een behoorlijk gecompliceerd tussengebied waarin de eerstverantwoordelijken op het terrein van gezag, respectievelijk beheer elkaar kunnen betrekken maar niet hoeven te betrekken? De korpsbeheerder blijft verantwoordelijk voor het vaststellen van de beheersstukken en het regionaal college verantwoordelijk voor het vaststellen van de gezagsstukken, en dus is er – zeker theoretisch gezien – sprake van een helder «onderscheid» tussen de gezags- en beheersverantwoordelijkheid. Maar wat betekent de introductie van het begrip zorgdragen nu precies? Betekent het in formele zin aanspreekbaar zijn voor respectievelijk de gezags- en beleidsstukken in de praktijk dat men zijn verantwoordelijkheid niet kan afwentelen op problemen in het gezamenlijke proces van totstandkoming? En kan een korpsbeheerder die wordt aangesproken op zijn beheer zich niet beroepen op het feit dat hij zich heeft moeten neerleggen bij een meerderheidsbesluit van het regionaal college waarmee hij het eigenlijk niet eens was?
Een andere belangrijke vraag is natuurlijk ook: wat voegt deze nu gekozen oplossing concreet toe aan het systeem van de nu nog vigerende Politiewet?
Verandert er in de praktijk nog iets aan de wijze waarop gezags- en beheersstukken tot stand moeten gaan komen ten opzichte van de wijze waarop ze nu totstandkomen? Kunnen de korpsen na de wetswijziging hun stukken op dezelfde wijze tot stand brengen als zij voor de voorgestelde wetswijziging deden?
De regering voert in de nota naar aanleiding van het verslag een nieuw argument aan ter onderbouwing van het wetsvoorstel, namelijk dat het aanscherpen van de verantwoordelijkheden de afhankelijkheid van goede persoonlijke verhoudingen zou verminderen. Kan de regering nader onderbouwen wat hiermee bedoeld wordt? Is het niet zo dat in de voorgestelde «zorgdragen voor-constructie» persoonlijke verhoudingen juist weer een grotere rol zullen gaan spelen? Immers de korpsbeheerder is verantwoordelijk voor de totstandkoming van de beheersstukken, maar kan bij dat proces het regionaal college betrekken. Het college zal daar zeer waarschijnlijk op aandringen. Hierdoor zal de korpsbeheerder toch moeten schipperen tussen zijn eigen verantwoordelijkheid en de wensen van het regionaal college. En dat ook nog in de afhankelijkheidsrelatie«beheer volgt gezag». Zeer veel zal afhangen van het persoonlijk vermogen van de korpsbeheerder dit allemaal te kunnen combineren. Wanneer een korpsbeheerder hiertoe minder in staat is, kan wel eens de patstelling ontstaan dat een korpsbeheerder weigert zich verantwoordelijk te stellen voor bepaalde wensen van het regionaal college. Graag zien deze leden hierop een reactie van de kant van de regering tegemoet.
De leden van de D66-fractie hebben in het verslag reeds de vraag opgeworpen of de in eerste instantie voorgestelde overlegverplichting in samenhang met de beroepsmogelijkheid niet heel dicht in de buurt kwam bij de oude overeenstemmingseis. Na aanpassing van het wetsvoorstel is bepaald dat de ontwerp-gezagstukken onderwerp van overleg moeten zijn tussen korpsbeheerder, hoofdofficier van justitie en korpschef. De leden van de D66-fractie is het nog niet geheel duidelijk wat het verschil tussen de thans vigerende Politiewet en de voorgestelde wet is wat betreft de mogelijkheden van beroep tegen het vaststellen van de beheers- en gezagsstukken. Zij zouden graag op dit punt een vergelijking van de kant van de regering tegemoet zien.
De leden van de GroenLinks-fractie hebben een vraag over de keuze die de regering maakt voor beroepsprocedures in plaats van een sluitende wettelijke regeling. Natuurlijk is een beroepsprocedure als sluitstuk in een wettelijke regeling prima, maar wilde deze regering niet juist de juridisering van het openbaar bestuur beperken? Is de figuur van een open regeling met een beroepsprocedure nu een enorm zwaktebod waaruit blijkt dat de beoogde verduidelijking met dit wetsvoorstel ver te zoeken is, of is het juist een blijk van groot vertrouwen in de werking van de decentrale autonomie?
Het administratieve beroep van de gemeenteraad op beheers- of beleidsstukken kan, zo begrijpen de leden van de GroenLinks-fractie, alleen in overeenstemming met de burgemeester worden ingesteld. Betekent dit dat bij een verschil van inzicht tussen burgemeester en de raad, de raad geen beroep kan instellen? Hoe verhoudt dit zich, zo willen deze leden weten, tot de gedualiseerde verhoudingen in het lokale politieke bestel? Indien de burgemeester in het regionaal college akkoord is gegaan met bepaalde stukken, zal deze dan ook akkoord gaan met een administratief beroep, indien dat afhankelijk is van zijn instemming? Is deze afhankelijkheid niet in strijd met de geest en de letter van de Wet dualisering gemeentebestuur? Ook het beroep op de grenzen van territioriale onderdelen van de regio, bijvoorbeeld een district, mist in het wetsvoorstel vermelding van de gemeenteraad als mogelijke beroepspartij: waarom zijn zij daarvan uitgesloten? Het lijkt deze leden logisch als de gemeenteraad in deze gevallen een eigenstandige beroepsmogelijkheid wordt geboden, naast die van de burgemeester. Deze leden verzoeken de regering om de gemeenteraad bij nota van wijziging in alle gevallen het eigenstandige recht op beroep toe te kennen, voor zover de (concept-)stukken of besluiten afbreuk doen aan het belang van een goede invulling van de politietaak danwel uitvoering van het integrale veiligheidsbeleid in de desbetreffende gemeente. Is de regering daartoe bij nota van wijziging bereid?
De leden van de SGP-fractie zijn van mening dat, waar het de vaststelling van beleids- en beheersstukken betreft, de nota van wijziging een verbetering is ten opzichte van het oorspronkelijke wetsvoorstel. De regering houdt niet langer vast aan een strikte scheiding tussen het vaststellen van de beleidsstukken door het regionale college en het vaststellen van de beheersstukken door de korpsbeheerder, maar legt slechts vast wie de eindverantwoordelijkheid heeft en laat de verdere regeling van de wijze van vaststelling over aan de korpsen zelf. Hiermee wordt in ieder geval meer recht gedaan aan het decentrale karakter van het politiebestel en aan de samenhangen tussen gezag en beheer. Deze leden vragen in dit verband een reactie van de regering op hetgeen over deze aanpassing gezegd is door het Nederlands Politie Instituut en het Korpsbeheerdersberaad bij brief van 6 december 2001: «Deze voorgestelde bijstelling van de verhouding tussen het regionaal college en de korpsbeheerder geeft naar de mening van de beraden voldoende mogelijkheden voor een werkbare relatie. Daarmee is het tevens mogelijk gemaakt de huidige werkwijze in de thans geldende verhoudingen in stand te laten». Zien deze leden het goed dat deze reactie de regering niet welgevallig kan zijn, aangezien zij zelf heeft toegelicht dat in de huidige situatie niet altijd duidelijkheid bestaat over de verantwoordelijkheidsverdeling? Of is het in haar oordeel niet mogelijk om de thans geldende verhoudingen na wetswijziging in stand te laten?
– benoeming van de korpsbeheerder
De leden van de CDA-fractie vragen wat de reden was bij de totstandkoming van de Politiewet 1993 om het korpsbeheerderschap wettelijk te koppelen aan het burgemeesterschap van de centrumgemeente? Waarom geldt die reden nu niet meer?
Ten aanzien van het voorstel voor een benoemde Korpsbeheerder delen de leden van de GroenLinks-fractie de zienswijze van het Korpsbeheerdersberaad dat hier sprake is van een schijnoplossing voor een niet bestaand probleem. Als het probleem bestaat uit onduidelijkheid over de rol van de burgemeester, wordt die met dit voorstel niet weggenomen. De aanstellingswijze biedt immers geen verduidelijking bij mogelijk bestaande verwarring over de dubbele pet van de burgemeester? Weliswaar wordt de speelruimte vergroot om anderen dan de burgemeester van de centrumgemeente aan te wijzen als korpsbeheerder, wat op zich zeker winst betekent in de ogen van deze leden, maar de regering zal toch niet menen dat bestaande verwarring over de rol van de burgemeester met een cosmetische operatie zal kunnen worden weggenomen? Kan de regering nader uiteenzetten, hoe zij meent dat met deze benoemingswijze het onderscheid tussen korpsbeheerder en burgemeester beter wordt geaccentueerd dan in het huidige systeem?
Deze leden zijn zeer te spreken over de invloed die het regionaal college krijgt op de benoeming van de korpsbeheerder, maar willen toch weten hoe voldaan zal worden aan de norm van minimale kwaliteitseisen. Verder vragen deze leden of, en wanneer de Kroon kan afwijken van de voordracht die gedaan wordt door het regionaal college. Kan de regering daar nader op ingaan? Ook willen deze leden weten waarom de mogelijke alternatieven voor de aanstellingswijze en de invulling van deze functie, zoals een voordracht door de gezamenlijke gemeenteraden of de roulatie van de functie tussen de burgemeesters in de regio, waarbij wellicht een decentrale variëteit zou kunnen gaan ontstaan, zo rigoureus terzijde worden geschoven? Had van de regering die een andere bestuurscultuur voorstaat, in dat opzicht niet meer mogen worden verwacht? Indien zij niet voor de geopperde alternatieven wil kiezen, welk alternatief is voor haar dan wel bespreekbaar?
Aansluitend verzoeken deze leden nog een nadere toelichting op het punt van het behoud van de zetel van de regionale korpsbeheerder in de centrumgemeente, ook als de korpsbeheerder de burgemeester van een andere gemeente is. Het lijkt deze leden dat de korpsbeheerder zijn functie tegelijk met die van burgemeester van één van de regiogemeenten moet kunnen uitoefenen. Een fysieke scheiding in twee kantoren in twee verschillende gemeenten achten deze leden in principe niet gewenst. Aangezien de korpsbeheerder voor onbepaalde tijd wordt aangewezen, zal een verhuizing toch ook niet zo vaak voorkomen dat dit grote problemen met zich meebrengt? En indien de beheerder een andere is dan de burgemeester van de centrumgemeente, ontstaat dan niet ook de op zijn minst verwarrende situatie dat een andere burgemeester in de centrumgemeente met de regionale politiescepter zwaait? Uit oogpunt van transparantie lijkt het deze leden dat de regering hier niet de verstandigste keuze heeft gemaakt.
De leden van de SGP-fractie blijven van mening dat, ook door het wetsvoorstel, er geen einde gemaakt wordt aan de dubbelrol van korpsbeheerder en burgemeester. Alleen legt de onderscheiden benoemingswijze van korpsbeheerder en burgemeester het accent op de formeel onderscheiden verantwoordelijkheden. Naar de mening van deze leden blijft daarom de vraag liggen of met formeel van elkaar onderscheiden benoemingswijzen een bijdrage wordt geleverd aan de praktische oplossing van de door de regering gesignaleerde rolconflicten wanneer beide functies in één persoon samenkomen.
De leden van de CDA-fractie constateren, dat in het nieuw voorgestelde artikel 27 de hoofdofficier van justitie sterker bij het overleg over de beheersstukken wordt betrokken dan in het oorspronkelijke voorstel. Waarom wordt daarentegen in de artikelen 28 en 29 wel vastgehouden aan een vermindering van de invloed van de hoofdofficier van justitie bij het opstellen en vaststellen van de beheersstukken, zo vragen deze leden. Hoe beoordeelt de regering het gegeven uit de evaluatie van de Politiewet 1993, dat in veel regio's de hoofdofficieren een passende invulling hebben gegeven aan de positie die aan het openbaar ministerie was toegekend?
De kritiek die van verschillende zijden werd geuit op de manier waarop de positie van de hoofdofficier van justitie in het wetsvoorstel was verankerd, heeft de regering ertoe gebracht het vaststellen van de beheersstukken niet langer «na overleg met de hoofdofficier» te doen plaatsvinden, maar wettelijk te eisen dat in het regionale driehoeksoverleg van korpsbeheerder, hoofdofficier van justitie en korpschef in ieder geval gesproken zal worden over de organisatie, formatie, begroting, jaarrekening, beleidsplan, jaarplan en jaarverslag. Graag vernemen de leden van de D66-fractie waarom deze gewijzigde formulering de positie van de hoofdofficier in het proces nu sterker zou maken dan bij de wettelijke omschrijving «na overleg». Of was die versterking uiteindelijk niet de bedoeling?
De leden van de Groenlinks-fractie zijn positief over de aanpassingen die de regering gedaan heeft in de nota van wijziging met betrekking tot de afstemming in het regionaal college over de beleidsstukken en beheersstukken, met behoud van de gezamenlijke eindverantwoordelijkheid. Ook het Korpsbeheerdersberaad blijkt in te kunnen stemmen, en spreekt van voldoende mogelijkheden voor een werkbare relatie, die de huidige werkwijze in de thans geldende verhoudingen in stand zal laten. Deze leden stellen de vraag of de regering met de nota van wijziging thans inderdaad een voorstel doet dat niets verandert aan de huidige praktijk. Met de korpsbeheerders menen deze leden dat de betrokkenheid van de hoofdofficier bij het overleg over de beheersstukken zal verbeteren door de voorstellen in de nota van wijziging. Wel verzoeken zij de regering om in reactie op de brief van het Korpsbeheerdersberaad1 nogmaals uiteen te zetten waarom de positie van de officier van justitie ten aanzien van het beheer wordt gewijzigd, en of deze wijziging in de praktijk afbreuk doet aan het huidige gezag van de officier van justitie over het korpsbeheer.
3. Democratische controle en verantwoording
Door het schrappen van artikel 36 wordt de delegatie van beheer aan de in het regionaal college vertegenwoordigde burgemeesters ingeruild voor de mogelijkheid van mandaat aan de korpschef, aldus de leden van de D66-fractie. De zorgen van deze leden dat een mogelijk gevolg hiervan de dominantie van beheer over gezag zou kunnen zijn, heeft de regering door zijn beantwoording in de nota naar aanleiding van het verslag weggenomen. Maar de gevolgen van het schrappen van artikel 36 voor de democratische controle door de gemeenteraad zijn deze leden nog niet geheel duidelijk. Zij vrezen dat de toch al gebrekkige democratische controle nog minder zal worden als bij mandaatverlening aan de korpschef zelfs het regionaal college niet meer zal kunnen worden aangesproken.
Maar ook zonder mandaatverlening vrezen zij een teruggang in democratische controleerbaarheid. De regering zegt wel dat de betrokkenheid van de gemeenteraden bij de politie niet afneemt als gevolg van het schrappen van artikel 36, omdat de gemeenteraad de burgemeester ten volle kan aanspreken op diens lidmaatschap van het regionaal college en de wijze waarop de burgemeester daaraan invulling geeft. Maar is het niet zo dat de invloed van het regionaal college op het beheer – ondanks wettelijk inbrengrecht en de mogelijkheid van administratief beroep – verminderd is en dat alleen al daardoor de controle van de gemeenteraad ook minder is?
Zijn de mogelijkheden van de gemeenteraad om de burgemeester aan te spreken niet vooral beperkt tot het gezag? Op welke wijze kan de gemeenteraad controle of invloed over het beheer uitoefenen? Hoe reëel is het dat de gemeenteraad de burgemeester ter verantwoording roept voor het beheer in de desbetreffende gemeente, terwijl de burgemeester door zijn rol in het regionaal college alleen verantwoordelijk is voor het gezag? Kan een gemeenteraad bijvoorbeeld in een debat na een calamiteit de burgemeester aanspreken op het tekort aan agenten, waardoor de calamiteit heeft kunnen escaleren?
De regering verwerpt in de nota naar aanleiding van het verslag de suggestie van de D66-fractie dat er sprake is van regionale verantwoording voor het gezag als optelsom van plaatselijke verantwoordelijkheden. Sterker nog, de regering schrijft dat er geen sprake is van regionaal gezag, de gezagsuitoefening over de politie is primair lokaal van aard. Dit legt naar het oordeel van de leden van de D66-fractie het democratisch tekort bij de politie bloot: echte beslissingen worden genomen in het regionaal college, terwijl de democratische controle op het gezag slechts op het lokale niveau kan plaatsvinden. Vandaar dat deze leden hun pleidooi voor een regionaal college van raadsleden willen herhalen. Zo'n regionaal college van raadsleden zou binnen de huidige systeem van regiokorpsen de enige mogelijkheid zijn om de schaal van het gezag en de schaal van de democratische controle enigszins op elkaar aan te laten sluiten. Hoe ziet de regering een regionale commissie van raadsleden als klankbordgroep of informatieforum voor zich? Kan wat nader worden omschreven wat met deze suggestie in de nota naar aanleiding van het verslag wordt bedoeld?
De leden van de GroenLinks-fractie zijn minder te spreken over de antwoorden met betrekking tot de democratische controle en verantwoording. De regering onderkent in de nota naar aanleiding het verslag dat het op dit moment schort aan adequate lokale politieke aansturing en democratische controle van de politie. Deze leden zijn blij dat de regering inziet dat de democratische inbedding niet optimaal is, maar missen toch het antwoord op de vraag hoe dit met dit wetsvoorstel kan worden verbeterd. Zoals de regering zelf memoreert, bestaat het inbrengrecht van de raad reeds in de gemeentelijke verordening. Dat het nu wettelijk wordt vastgelegd betekent derhalve slechts de codificatie van de bestaande praktijk. Deze leden hebben begrip voor de bezwaren van de kant van de regering tegen de voorstellen ter introductie van een regionale commissie van raadsleden of een expliciet instemmingsrecht van de raad voor de beleidsstukken van het college, maar missen enig alternatief dat tegemoet kan komen aan de gebrekkige verantwoording tegenover de gemeenteraden in de regio. De burgemeester verantwoord zich over zijn of haar inbreng in het regionaal college, maar niet over het beleid van het regionaal college als geheel noch over het beheer door de korpschef. Daarmee is de democratische controle en verantwoording naar de lokale politiek minimaal, en voldoet het niet direct aan wat in een moderne bestuurscultuur verwacht mag worden. De vraag is derhalve op welke wijze de regering tegemoet wil komen aan de wens om het democratische gat verder te helpen dichten.
De leden van de GroenLinks-fractie zijn er voorstander van dat het lokale bestuur het uitgangspunt vormt van het lokale veiligheidsbeleid. Hoe verhoudt het wetsvoorstel zich met dat uitgangspunt, nu er wettelijk niets aan wordt veranderd dat het gezag gemeentelijk geldt terwijl het regionaal college feitelijk de zeggenschap heeft? Met het voorstel voor een wettelijk inbrengrecht van de raad worden gemeenten weliswaar betrokken bij de ontwikkeling van een visie op lokale veiligheid met behoud van de eigen beleidsvrijheid voor de politie, maar de vraag is of dit ook voor de toekomst wel ver genoeg gaat. Ten eerste is uit de antwoorden van de regering niet duidelijk geworden wat het inbrengrecht materieel te betekenen heeft. Gaat het om inspraakrecht, adviesrecht of aanbevelingsrecht? In de tweede plaats wordt niet geregeld noch toegelicht hoe het regionaal college ermee om dient te gaan. Kan het regionaal college weigeren de inbreng te agenderen, of mag zij slechts gemotiveerd afwijken van de inbreng van een gemeenteraad? In de derde plaats wordt het beroep van de raad tegen de (concept-)stukken van het regionaal college expliciet ingeperkt. Het beroep van de raad op beheers- of beleidsstukken kan, zo begrijpen deze leden, alleen in overeenstemming met de burgemeester worden ingesteld. Betekent dit dat bij een verschil van inzicht tussen burgemeester en de raad, de raad geen beroep kan instellen? Hoe verhoudt dat zich, zo willen deze leden weten, tot de gedualiseerde verhoudingen in het lokale politieke bestel? Natuurlijk kan in het duale stelsel beter gecontroleerd worden als de raad de kaders stelt en met enkele bevoegdheden wordt uitgebreid. Maar wordt die mogelijkheid ten aanzien van het regionale college niet ernstig ingeperkt door het beroep van de gemeenteraad tegen de besluiten van het regionale college afhankelijk te maken van de instemming van de burgemeester? Ten vierde wordt in het antwoord van de regering het belang van de regierol van het lokale bestuur en de gemeenteraad in het lokale veiligheidsbeleid miskent. Deze leden menen dat het juist het lokale bestuur is die, niet alleen bestuurlijk maar tevens inhoudelijk, het voortouw moet nemen. Waar die regierol nu nog wel eens te wensen overlaat, kan versterking van de aansturing en controle op de politie door de gemeenteraad immers een duidelijke verbetering van die gemeentelijke regierol betekenen?
De lokale veiligheidsplannen worden, zo merken de leden van de GroenLinks-fractie op, in de nota naar aanleiding van het verslag steevast «onderliggende documenten» voor het regionale beleidsplan en jaarplan genoemd. Het belang ervan wordt door de regering onderkend, waar zij de verwachting uitspreekt dat zij een stimulans zullen betekenen voor het lokale debat over veiligheidsbeleid. Toch ontbreekt een concrete uitwerking daarvan. Ten eerste blijkt nergens dat de lokale beleidsplannen ook daadwerkelijk een onderliggend document zijn, en welke rol zij spelen in de beleidsplannen van het regionaal college. Is de regering bereid om dit bij Nota van wijziging op te nemen, en daarbij te regelen dat het regionaal college een motivatieplicht heeft tegenover de gemeenteraad indien zij wenst af te wijken van de lokale beleidsprioriteiten, net zoals dit tegenover de minister bestaat ten aanzien van de landelijke beleidsprioriteiten? In de tweede plaats wordt het lokale bestuur op gemeentelijk niveau afgerekend aan de hand van de uitvoering van de lokale veiligheidsplannen, terwijl de burgemeester middels het regionale beleidsplan wel gebonden is aan de regionale jaarplanning en onderlinge overeenstemming in het regionale college. Welke instrumenten kan de regering de burgemeester geven om zorg te dragen voor de vertaling van de lokale prioriteiten in het regionale beleidsplan, en tegelijkertijd te voorkomen dat hij vermalen raakt tussen tegenstrijdige prioriteiten? Indien de verantwoordelijkheid van een burgemeester en officier van justitie beperkt blijft tot de eigen gemeentelijke- en districtsgrenzen, wie legt er dan verantwoording af over de besluitvorming in het regionale college?
Tenslotte wordt voorbijgegaan aan de toenemende keus voor een eigenstandige positie van een wethouder in het lokale veiligheidsbeleid. In steeds meer gemeenten komen wethouders voor veiligheidsbeleid, die de politieke aansturing van het sociale en preventieve veiligheidsbeleid ter hand nemen, zonder daarmee overigens de burgemeester in de wielen te rijden. De burgemeester is en blijft daarbij verantwoordelijk voor openbare orde. De wethouder en de gemeenteraad kunnen in geregeld overleg de voortgang van het (sociale) veiligheidsbeleid bespreken aan de hand van een periodieke rapportage. Veiligheidsbeleid en de democratische politieke controle daarop wordt daarmee onderwerp in de gemeenteraad. De leden van de GroenLinks-fractie menen dat een instemmingsrecht voor de gemeenteraad aan die controle en verantwoording een nadere invulling zou geven. Een directe en formele invloed van de gemeenteraad op de lokale prioriteiten van de regionale korpsen zou deze leden daarom zeer welkom zijn. Wellicht kan de regering proberen in haar nadere antwoord het inbrengrecht van de gemeenteraad zodanig te versterken, dat ook bij deze leden de overtuiging groeit dat het wetsvoorstel zal bijdragen aan de verwezenlijking van die verdere versterking van de gemeentelijke rol in het lokale veiligheidsbeleid.
Het schrappen van de delegatiemogelijkheid ten faveure van de mandaatfiguur roept bij deze leden nog de volgende vragen op. Bestaat de mandaatfiguur niet reeds en waarom behoeft die een nadere wettelijke grondslag? Op welke wijze zijn de delegatiefiguur respectievelijk de mandaatfiguur sedert invoering van de nieuwe politiewet in 1994 gebruikt en met betrekking waartoe? Hoe verhouden delegatie en mandaat zich tot het bestaan en functioneren van regionale subdriehoeken nu en in de toekomst, en tot de democratische controle daarop door de gemeenteraad danwel de deelgemeenteraad? En wordt door de afschaffing van artikel 36 (delegatie) ten faveure van het mandaat niet juist steun geleverd aan de door de regering zo bestreden stelling dat het regionale beraad in feite de zeggenschap heeft over het lokale veiligheidsbeleid?
Tenslotte willen de leden van de GroenLinks-fractie aanvullende informatie over de commissies voor de politieklachten. Kan de regering toelichten, of commissies voor de politieklachten inmiddels in alle regio's bestaan en zo neen waarom niet? Klopt het dat de leden thans worden aangewezen door het regionale college, en dat de gemeenteraad slechts kan adviseren? Wat is het verschil met de rol van de lokale of landelijke ombudsman en de relatie met de wettelijke instelling van extern klachtrecht? Deze leden zouden het toejuichen indien de gemeenteraden een rol krijgen in de benoeming van de leden en de voorzitter van de lokale commissies voor de politieklachten. Ziet de regering mogelijkheden om de rol van de gemeenteraad in de bedoelde zin te verstevigen?
De leden van de GroenLinks-fractie vragen welke bevoegdheden van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten (KLPD) in deze wet aan de orde zijn: kan de regering daarvan alsnog een kort overzicht opnemen.
Samenstelling: Leden: Te Veldhuis (VVD), ondervoorzitter, De Cloe (PvdA), voorzitter, Van den Berg (SGP), Van de Camp (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Van der Hoeven (CDA), Van Heemst (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Hoekema (D66), Rijpstra (VVD), O. P. G. Vos (VVD), Rehwinkel (PvdA), Wagenaar (PvdA), Luchtenveld (VVD), Duijkers (PvdA), Verburg (CDA), Rietkerk (CDA), Halsema (GroenLinks), Kant (SP), Balemans (VVD), De Swart (VVD), De Pater-van der Meer (CDA), Slob (ChristenUnie), Pitstra (GroenLinks) en Horn (PvdA).
Plv. leden: Van Beek (VVD), Zijlstra (PvdA), Ravestein (D66), Van Wijmen (CDA), Bakker (D66), Balkenende (CDA), Barth (PvdA), Gortzak (PvdA), Dittrich (D66), Cherribi (VVD), Van den Doel (VVD), Van Oven (PvdA), Apostolou (PvdA), Cornielje (VVD), Belinfante (PvdA), Mosterd (CDA), Th. A. M. Meijer (CDA), Van Gent (GroenLinks), Poppe (SP), Van Splunter (VVD), Nicolaï (VVD), Wijn (CDA), Rouvoet (ChristenUnie), Rabbae (GroenLinks) en Kuijper (PvdA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27560-7.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.