27 560
Wijziging van de Politiewet 1993 in verband met de aanpassing van de bevoegdheden op regionaal niveau, alsmede van de bevoegdheden van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten

nr. 6
NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 12 november 2001

Het voorstel van wet wordt gewijzigd als volgt:

A

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel F komt als volgt te luiden:

F

Artikel 27 komt als volgt te luiden:

Artikel 27

1. De korpsbeheerder en de hoofdofficier van justitie overleggen regelmatig tezamen met de korpschef.

2. Het in het eerste lid bedoelde overleg vindt in elk geval plaats over:

a. het ontwerp van de organisatie, de formatie, de begroting, de jaarrekening, het beleidsplan, het jaarplan en het jaarverslag voor het regionale politiekorps;

b. de uitvoering van het beleidsplan en het jaarplan.

3. De korpsbeheerder en de hoofdofficier van justitie, alsmede de korpschef, verschaffen elkaar de gewenste inlichtingen.

b. In onderdeel G komt artikel 28, derde lid, als volgt te luiden:

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde stukken worden onverwijld ter kennis gebracht van de gemeenteraden in de regio, de commissaris van de Koning en het College van procureurs-generaal.

c. In onderdeel H komt artikel 29, eerste lid, als volgt te luiden:

1. Indien de korpsbeheerder en de hoofdofficier van justitie niet met elkaar tot overeenstemming kunnen komen over de in artikel 28, eerste en tweede lid, bedoelde stukken, legt de korpsbeheerder dit verschil van zienswijze schriftelijk voor aan de commissaris van de Koning. De commissaris van de Koning beslist in overeenstemming met het College van procureurs-generaal. De korpsbeheerder brengt de stukken in overeenstemming met het besluit van de commissaris van de Koning.

d. Onderdeel I wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 31, eerste lid, eerste volzin, komt als volgt te luiden:

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 27 en 28, draagt het regionale college zorg voor de vaststelling van het beleidsplan, het jaarplan en het jaarverslag voor het regionale politiekorps.

2. Na artikel 31, vijfde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

6. De in het eerste lid bedoelde stukken worden onverwijld ter kennis gebracht van de gemeenteraden in de regio, de commissaris van de Koning en het College van procureurs-generaal.

e. Na onderdeel I wordt een onderdeel Ia ingevoegd, luidende:

Ia

Na artikel 31 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 31a

Het regionale college stelt in overeenstemming met de korpsbeheerder regels vast met betrekking tot de procedure voor de vaststelling van de in artikel 31, eerste lid, en artikel 33, eerste lid, bedoelde stukken.

f. Onderdeel K komt als volgt te luiden:

K

Artikel 33 komt als volgt te luiden:

Artikel 33

1. Onverminderd het bepaalde in het artikel 27, draagt de korpsbeheerder zorg voor de vaststelling van de organisatie, de formatie, de begroting en de jaarrekening voor het regionale politiekorps.

2. Het ontwerp van de in het eerste lid bedoelde stukken, alsmede de vastgestelde stukken worden onverwijld ter kennis gebracht van de leden van het regionale college, de gemeenteraden in de regio, de commissaris van de Koning en het College van procureurs-generaal.

g. Onderdeel L wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 34, eerste lid, komt als volgt te luiden:

1. Tegen de vaststelling van de stukken, bedoeld in artikel 33, eerste lid, kan administratief beroep worden ingesteld bij Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties door:

a. elk lid van het regionale college indien het van oordeel is dat het desbetreffende besluit, gelet op het beleidsplan dan wel het jaarplan, bedoeld in artikel 31, eerste lid, op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van een goede vervulling van de politietaak in zijn ambtsgebied;

b. een gemeenteraad, in overeenstemming met de zienswijze van de burgemeester, indien de gemeenteraad en de burgemeester van oordeel zijn, dat het desbetreffende besluit van de korpsbeheerder, gelet op het beleidsplan dan wel het jaarplan, bedoeld in artikel 31, eerste lid, op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van een goede vervulling van de politietaak in de desbetreffende gemeente.

2. Onder vernummering van het tweede lid tot het derde lid wordt een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende:

2. Indien ingevolge de procedure die is vastgesteld op basis van artikel 31a, het regionale college is belast met de vaststelling van de stukken, bedoeld in artikel 33, eerste lid, kan tegen de vaststelling van die stukken door de korpsbeheerder administratief beroep worden ingesteld bij Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

B

Artikel II komt als volgt te luiden:

ARTIKEL II

In onderdeel A van de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht wordt «4. De artikelen 29, eerste en tweede lid, 32, eerste en tweede lid, 34, derde lid, 35, tweede lid, en 38d van de Politiewet 1993» vervangen door «4. De artikelen 29, eerste en tweede lid, 32, eerste tot en met derde lid, 34, eerste lid en tweede lid, 35, tweede lid, 37, tweede lid, en 38d van de Politiewet 1993».

Toelichting

Nagenoeg alle voorgestelde wijzigingen zijn aangekondigd en besproken in de nota naar aanleiding van het verslag. In aanvulling op hetgeen wij hebben aangegeven in de nota naar aanleiding van het verslag, merken wij ter toelichting nog het volgende op.

Onderdeel A, onder a, b, d, e, f en g

Zoals wij in de nota naar aanleiding van het verslag hebben uiteengezet, stellen wij voor om in de Politiewet 1993 te bepalen dat het regionale college zorgdraagt voor de vaststelling van de beleidsstukken en de korpsbeheerder zorgdraagt voor de vaststelling van de beheersstukken. De formulering «draagt zorg voor» in de voorgestelde artikelen 31, eerste lid, en 33, eerste, lid, betekent niet dat het regionale college en de korpsbeheerder eigenstandig de genoemde stukken zouden moeten vaststellen, wel dat zij erop kunnen worden aangesproken dàt de stukken worden vastgesteld. Volgens welke interne procedure deze stukken totstandkomen wordt aan het regionale college en de korpsbeheerder overgelaten.

Ingevolge het voorgestelde artikel 31a dient het regionale college in overeenstemming met de korpsbeheerder regels vast te stellen over de procedure voor de vaststelling van de beleidsen beheersstukken. Daarbij moeten de bepalingen van artikel 27 en 28 in acht genomen worden. Zo komt ingevolge het voorgestelde artikel 27 het ontwerp van de beleids- en beheersstukken aan de orde in het overleg tussen de korpsbeheerder, de hoofdofficier van justitie en de korpschef. Ingevolge artikel 28 stelt de korpsbeheerder in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie het ontwerp van de beleidsstukken op.

Het is van belang dat de regels over de procedure voor de vaststelling van de stukken, openbaar worden gemaakt, mede met het oog op de mogelijkheden van (politieke) controle. In dit verband wijzen wij op het voorgestelde artikel 22, zevende lid, op basis waarvan de besluiten van het regionale college ter kennis worden gebracht van de gemeenteraden in de regio, de commissaris van de Koning en het College van procureurs-generaal.

In verband met de voorgestelde verantwoordelijkheidsverdeling tussen het regionale college en de korpsbeheerder, waarbij aan deze organen de ruimte wordt gelaten om in onderling overleg te komen tot een door hen gewenste taakverdeling met betrekking tot de totstandkoming van de beleids- en beheersstukken, hebben wij artikel 34 aangepast. In het thans voorgestelde artikel 34, eerste lid, onder a, is aan elk lid van het regionale college de mogelijkheid van beroep tegen de vaststelling van beheersstukken toegekend. In het oorspronkelijke wetsvoorstel was dit beroepsrecht niet aan de afzonderlijke leden van het regionale college toegekend, maar aan het regionale college als zodanig. Voorts stellen wij voor aan artikel 34 een bepaling toe te voegen, op basis waarvan de korpsbeheerder in beroep kan gaan tegen de vaststelling van beheersstukken, in die gevallen waarin, volgens de op basis van artikel 31a vast te stellen regels met betrekking tot de procedure voor de vaststelling van de stukken, het regionale college is belast met de vaststelling van de beheersstukken. Deze bepaling sluit aan bij het vigerende artikel 32, eerste lid, van de Politiewet 1993, dat onder voorwaarden ook de korpsbeheerder een beroepsmogelijkheid biedt tegen de vaststelling van de beheersstukken.

Onderdeel A, onder c

De voorgestelde wijziging van artikel 29, eerste lid, betreft een technische wijziging. Het gaat er daarbij om dat wij voorstellen in de bepaling, in lijn met artikel 28 van de Politiewet 1993, eerst de korpsbeheerder te noemen en vervolgens de hoofdofficier van justitie. In artikel 29, eerste lid, is de hoofdofficier van justitie genoemd en vervolgens de korpsbeheerder.

Onderdeel B

In lijn met de voorgestelde aanpassing van artikel 34 van de Politiewet 1993 wordt onderdeel A van de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht aangepast. Het gaat daarbij om de zogenoemde negatieve lijst behorende bij artikel 8:5 van de Algemene wet bestuursrecht. In het wetsvoorstel zoals dat oorspronkelijk luidde, is van artikel 34, alleen het eerste lid genoemd. Met de voorgestelde aanpassing, moet daarnaast ook het tweede lid worden genoemd.

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

K. G. de Vries

Naar boven