27 560
Wijziging van de Politiewet 1993 in verband met de aanpassing van de bevoegdheden op regionaal niveau, alsmede van de bevoegdheden van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten

nr. 4
VERSLAG

Vastgesteld 5 april 2001

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties1, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.

Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel van wet voldoende voorbereid.

1. Algemeen

De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van dit voorstel. Zij steunen de opvatting dat het verstandig is onduidelijkheden over verantwoordelijkheden en bevoegdheden op regionaal niveau weg te nemen. In het debat over de notitie «Bestel in Balans» hebben zij dat al gesteld.

Naar aanleiding van het advies van de Raad van State van 28 september 2000 en de reactie van het Korpsbeheerdersberaad en de Raad van Hoofdcommissarissen (zie de brief aan de betrokken vaste commissies van februari 2001) zijn er echter op zijn minst kritische vragen te stellen over een aantal onderdelen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden wijzen er op dat in de memorie van toelichting slechts beknopt op de bezwaren van korpsbeheerders en hoofdcommissarissen is ingegaan en zij rekenen er dan ook op dat alsnog een uitvoerigere uiteenzetting zal volgen.

De leden van de PvdA-fractie vinden het jammer dat de regering er niet in geslaagd is in politiekringen meer steun voor haar opvattingen te verkrijgen. Zij vragen of de inhoudelijke winst die volgens de regering met het voorstel wordt geboekt opweegt tegen de weerstand die het bij de direct betrokkenen oproept. Kan hierop een reactie worden gegeven? Bij deze leden zijn in elk geval twijfels ontstaan over de weg die met dit wetsvoorstel is ingeslagen.

Het voorstel beoogt een strikt onderscheid aan te brengen tussen gezag en beheer zodat een heldere verdeling van verantwoordelijkheden ontstaat. Door de eerdergenoemde reacties rijst, indringender dan eerst, de vraag of een dergelijk onderscheid houdbaar en hanteerbaar is. Het Korpsbeheerdersberaad en de Raad van hoofdcommissarissen zijn hierover bijzonder stellig: «het uit elkaar halen van gezag en beheer is kunstmatig en in strijd met de grote en zeer toenemende samenhang daartussen». Met name op de bewering dat de samenhang zeer toeneemt, ontvangen deze leden graag een reactie. Zij willen weten of de regering de typering onderschrijft dat het regionale college wordt omgevormd van een bestuurs- naar een gezagscollege.

Deze leden signaleren dat de memorie van toelichting allocatie van middelen aanmerkt als «de kwintessens van het beheer». Zij vragen of de aard en reikwijdte van de bemoeienis van het regionale college met kwesties als informatietechnologie en integriteit zal veranderen en zo ja, waaruit die verandering zal bestaan.

Tot slot van dit algemene deel vragen de leden van de PvdA-fractie waarom in de toelichting geen aandacht is besteed aan de mogelijke gevolgen van het rapport van de Commissie-Elzinga voor het politiebestel en in het bijzonder voor de toedeling van verantwoordelijkheden op regionaal niveau. Kan hierover alsnog een beschouwing worden gegeven?

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de politiewet 1993 in verband met de aanpassing van de bevoegdheden op regionaal niveau, alsmede van de bevoegdheden van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten. De doelstelling van de regering om te komen tot meer duidelijkheid over verantwoordelijkheden en bevoegdheden wordt door hen onderschreven.

De leden van de VVD-fractie vragen de regering in welke opzichten dit wetsvoorstel bijdraagt aan betere mogelijkheden voor afstemming en coördinatie op centraal niveau.

Deze leden achten het aanbrengen van een onderscheid tussen gezag en beheer, waarbij gezag boven beheer gaat op zich zelf logisch. Maar kan een scherpe scheiding van beheer en gezag niet leiden tot een averechts effect en uitholling van gezag? Zijn beheer en gezag niet altijd onlosmakelijk met elkaar verbonden? Is het maken van een scheiding tussen beheer en gezag niet meer van nut bij de taakverdeling op Rijksniveau tussen het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het ministerie van Justitie dan op regionaal niveau?

De leden van de CDA-fractie hebben met gemengde gevoelens kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. In het wetsvoorstel wordt getracht een strikt onderscheid aan te brengen tussen gezag en beheer teneinde een heldere verantwoordelijkheidsverdeling te creëren. Uitgangspunt daarbij is: beheer volgt gezag. De genoemde leden zijn er niet van overtuigd, dat het voorliggende wetsvoorstel de problematiek van spanning tussen gezag en beheer tot een oplossing kan brengen.

De regering stelt in de memorie van toelichting, dat «met de vigerende verantwoordelijkheidsverdeling de mogelijkheden voor doortastend en flexibel optreden van de betrokkenen beperkt (zijn), zonder dat dit vanuit bijvoorbeeld een oogpunt van «checks and balances» gerechtvaardigd kan worden». Kan de regering voorbeelden geven van gevallen waarin de vigerende verantwoordelijkheidsverdeling tot onaanvaardbare consequenties heeft geleid voor doortastend en flexibel optreden, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

De memorie van toelichting lijkt op twee gedachten te hinken. Enerzijds geeft de regering aan een strikt onderscheid te willen maken tussen gezag en beheer. Anderzijds onderkent zij, dat er tussen gezag en beheer een nauwe samenhang bestaat. Kan de regering aangeven, waarin het onderscheid tussen gezag en beheer verschilt van het door de Raad van State gesuggereerde onderscheid tussen «bestuur op hoofdlijnen» en «dagelijks bestuur», zo vragen deze leden.

«Het accentueren van de onderscheiden verantwoordelijkheden staat er niet aan in de weg, dat zij (de bestuurlijke organisatie van de regionale politie) feitelijk in belangrijke mate kan blijven functioneren zoals zij thans doet.» Hoe kan bij de voorgestelde evaluatie een dergelijk effect worden vastgesteld, zo vragen deze leden.

De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel wijziging van de Politiewet 1993 in verband met de aanpassing van de bevoegdheden op regionaal niveau, alsmede van de bevoegdheden van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten Hoewel deze leden de doelstelling van het wetsvoorstel om meer duidelijkheid te scheppen in de verantwoordelijkheden en bevoegdheden bij de politie onderschrijven, hebben zij nog wel vragen over de wijze waarop de regering deze duidelijkheid wil scheppen.

De leden van de D66-fractie hechten er evenals de regering aan dat er een adequate wettelijke basis voor een goed functionerend politiebestel wordt gecreëerd. Zoveel mogelijk zou daarbij ook moeten worden voorzien in de bij de evaluatie naar voren gekomen tekortkomingen, waaronder onvolkomenheden in het dualisme gezag en beheer, onduidelijke verhouding tussen centrale en decentrale sturing en controle en tekortschietende democratische verantwoordingsstructuur.

Belangrijk achten deze leden het overigens wel dat bij het aanbrengen van verbeteringen geen kinderen met het badwater worden weggegooid. Dat gevaar dreigt naar hun oordeel enigszins als een scheiding tussen beheer en gezag te ver zou worden doorgevoerd, waardoor tegelijk verworvenheden van het nieuwe politiebestel in het niet zouden verdwijnen (zoals bij voorbeeld de toegenomen betrokkenheid van het OM en de burgemeesters bij het totale reilen en zeilen van de politie).

De regering zegt geen ingrijpende wijzigingen in het bestaande bestel te willen aanbrengen doch slechts duidelijkheid te willen scheppen in respectieve verantwoordelijkheden. Uitgegaan wordt van de noodzaak dat er een duidelijker scheiding tussen beheer en gezag moet worden aangebracht. Zien de leden van de D66-fractie het goed, dan wijkt de regering hiermee toch wel enigszins af van het uitgangspunt dat bij de totstandkoming van de Politiewet in 1993 opgeld deed. Toen was toch de gedachte dat beheer en gezag niet goed te scheiden waren?

Zowel het Korpsbeheerdersberaad, als de Raad van State en de Vereniging van Nederlandse gemeenten zijn de mening toegedaan dat deze scheiding nog steeds niet goed te maken is, althans niet gemaakt zou moeten worden, omdat beheer en gezag te zeer verweven zijn.

Vergt het uiterst negatieve oordeel van de Raad van State niet nog eens een nadrukkelijke heroverweging?

Nu vanuit de praktijk, vanuit onderscheiden invalshoeken, zoveel weerstand tegen een belangrijk onderdeel van dit wetsvoorstel wordt tentoongespreid, hechten de leden van de D66-fractie eraan dat de regering de in het wetsvoorstel gekozen vorm van strenge scheiding tussen beheer en gezag nader beargumenteert. Zouden de bij de evaluatie gesignaleerde problemen niet ook op andere wijze worden ondervangen? Het verkrijgen van een draagvlak in het veld voor de voorgestelde wijziging lijkt de leden van de D66-fractie toch ook van een niet mis te verstaan belang.

Verheldering van verantwoordelijkheden was een van de belangrijke redenen voor het totstandkomen van dit wetsvoorstel. Daardoor zou onder meer de minister meer mogelijkheden moeten krijgen om in voorkomende gevallen directe invloed op het beheer van de korpsen uit te oefenen. De leden van de D66-fractie kunnen zich daar wel iets bij voorstellen. Zij zijn van oordeel dat er in Nederland sprake moet zijn van een vergelijkbaar niveau van politiezorg, waarin ook de landelijk belangrijk geachte beleidsprioriteiten hun vertaling moeten vinden. Dat kan soms een wat meer directe invloed van de minister noodzakelijk maken. Maar ook hier resteert weer de vraag of dat noodzakelijkerwijze moet langs de weg van de voorgestelde scheiding beheer/gezag. Zou dat niet ook op een iets andere wijze zijn beslag kunnen krijgen?

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Het wetsvoorstel leidt bij deze leden tot de volgende opmerkingen en vragen.

Het wetsvoorstel beoogt een ondubbelzinnige verantwoordelijkheidsverdeling tussen de verschillende actoren in het regionale politiebestel aan te brengen, waarbij het bestaande onderscheid tussen beheer en gezag in stand blijft. De wenselijkheid van het streven van de regering om tussen gezag en beheer een strikt onderscheid aan te brengen, en het oordeel daarover van de leden van de GroenLinks-fractie, valt of staat met de (politieke) betekenis die aan beide wordt toegekend, alsmede aan de gewenste relatie tussen beiden. Deze leden hebben daarover een aantal vragen. In de uitleg die het kabinet er aan geeft, zo begrijpen deze leden uit de memorie van toelichting, zou een strikt en helder onderscheid mogelijk zijn ondanks de onderkende nauwe (functionele) samenhang tussen beide en het feit dat het één – het beheer – ondergeschikt en volgend is aan het ander – het gezag. Is het echter niet even waar en net zo verdedigbaar te stellen dat het aanbrengen van een strikte scheiding in strijd is met het uitgangspunt dat het een uit het ander volgt: met andere woorden hoe kan B nog uit A volgen als A en B tegelijkertijd strikt worden gescheiden? Dit lijkt deze leden de crux die ten grondslag ligt aan dit wetsvoorstel, en daarom verzoeken zij de regering nog eens nader in te gaan op de betekenis die zij toekent aan de strikte scheiding tussen gezag en beheer, hun onderlinge samenhang en de zeggenschap en onderlinge afstemming die straks voor alle betrokken partijen in de regionale afstemming over beide ontstaat.

Aanvullend willen deze leden over dit thema nog het volgende opmerken. Zij vragen of het wetsvoorstel de beoogde scheiding, incluis de dominantie van het gezag, wel kan realiseren. Zou de samenhang en onderlinge verwevenheid van beheer en gezag niet eens zo groot kunnen zijn dat de beoogde strikte scheiding niet meer dan een cosmetische operatie is? Verscheidene betrokken partijen stellen dat gezag niet zonder beheersinvloed kan; zij spreken zelfs hun twijfel uit over het bestaan van het probleem waarvoor de wet een oplossing zou moeten bieden. Kan de regering daar in haar antwoord nog eens nader op ingaan? Tenslotte verwacht de regering niet dat sprake zal zijn van polarisatie tussen de regionale gezagsdragers en de verantwoordelijken voor het beheer. Op welke gronden meent zij dit, en welke garanties kan zij hiervoor geven?

De leden van de GroenLinks-fractie willen met betrekking tot de regionale besluitvorming van de politieregio's nog wijzen op het volgende. De laatste jaren hebben aan de beleidsmatige kant zowel het landelijke politiebeheer als de landelijke kaders duidelijk aan betekenis gewonnen. Daarnaast is het de bedoeling van dit kabinet – en deze leden kunnen zich ook daarin vinden – dat ook de lokale politiek door middel van het integrale veiligheidsbeleid een grotere stem in het regionale politiebeleid krijgt. Is het kabinetsstreven naar realisatie van die lokale beleidsmatige invloed middels bijvoorbeeld de vaststelling van integrale veiligheidsplannen niet in tegenspraak met de regionalisatie van de zeggenschap ten aanzien van het politiebeleid die met dit voorstel wordt beoogd? De leden van de GroenLinks-fractie zijn er, met een decentrale aansturing van het veiligheidsbeleid als uitgangspunt, juist voorstander van dat het lokale bestuur het uitgangspunt vormt van het lokale veiligheidsbeleid. Wat is de reactie van de regering hierop? Hoe verhoudt dit wetsvoorstel zich met dat uitgangspunt? Op welke wijzen kunnen een burgemeester of een gemeenteraad nog bijdragen aan het beleidsmatige kaders stellen en het controle uitoefenen op (de uitvoering van) het lokale veiligheidsbeleid, als dit straks regionaal zal worden vastgesteld? Vreest de regering niet dat het uitgangspunt uit de Politiewet 1993 «decentraal, tenzij» door deze wetswijziging wordt verlaten en zal veranderen in een «decentraal, mits regionaal»?

Het is de leden van de GroenLinks-fractie opgevallen dat ook de aanstaande duale verhoudingen in het lokale bestuur niet zijn betrokken in het onderhavige voorstel. Waarom blijven in het wetsvoorstel de veranderingen in het kader van de dualiserende lokale politieke verhoudingen geheel buiten beschouwing? Was het niet voor de hand liggend geweest om met dit wetsvoorstel tegelijk de gevolgen van de dualisering van de lokale politieke verhoudingen voor het regionale politiebestel te regelen? Indien dit naar het oordeel van de regering reeds afdoende geregeld is, op welke wijze heeft dit dan vorm gekregen?

De leden van de GroenLinks-fractie verzoeken de regering tot slot aan te geven wanneer Hoofdstuk V van de politiewet 1993 uiterlijk zal worden geëvalueerd.

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben kennisgenomen van voorliggend wetsvoorstel. De in het regeerakkoord vastgelegde wijziging van de Politiewet over verantwoordelijkheden en bevoegdheden is in drie trajecten uitgewerkt. De leden van de fractie van de ChristenUnie zijn altijd voorstander geweest van de regionalisering van het politiebestel. Binnen dit regionale bestel moet een juiste verantwoordelijkheidsverdeling worden aangebracht en daarom is het goed dat nu het derde traject wordt uitgewerkt..

In de notitie Bestel in Balans stelt de regering dat er geen reden bestaat voor een grootscheepse herziening van het politiebestel. Toch roepen ook de nu gedane voorstellen veel negatieve reacties op, van onder andere de Raad van State, Raad van Hoofdcommissarissen en de Vereniging van Nederlandse gemeenten. Het is voor hen maar de vraag of de nu voorgestelde wijzigingen inderdaad geen fundamentele betekenis hebben voor het politiebestel.

In het licht van de regionale basis van het Nederlands politiebestel past een juiste verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden op regionaal niveau. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen de regering te reageren op een kritiekpunt van onder andere het Korpsbeheerdersberaad, dat in twijfel trekt dat er door het ingestelde regionaal college ook regionaal gezag is ontstaan. De burgemeesters zijn immers alleen verantwoordelijk voor het beleid binnen hun gemeentegrenzen. Wat betekent dit voor het regionale gezag? Genoemde leden stellen dat dit niet moet betekenen dat de burgemeester niet meer aangesproken kan worden op zijn beheersrol in het regionaal college. Als de gemeenteraad de burgemeester niet meer kan aanspreken op deze beheersfunctie, staat de raad immers met lege handen.

In het rapport Bestel in Balans wordt gesproken over de betekenis van het rapport van de Staatscommissie Dualisme en lokale democratie op de mogelijke consequenties voor de positie van de burgemeester en zijn positie in het regionale bestel. In het nu voorliggende wetsvoorstel ontbreekt echter een verwijzing naar het rapport van deze Staatscommissie. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de regering een verbinding wil maken tussen het rapport van de Commissie Elzinga en de voorliggende voorstellen, in het bijzonder in het licht van de toekomstige positie van de burgemeester.

Met betrekking tot de relatie korpsbeheerder-Rijk vragen de leden van de ChristenUniefractie welke betekenis mogelijke onduidelijkheid in de verantwoordelijkheden voor het beheer binnen de regio heeft voor deze relatie.

De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel tot wijziging van de Politiewet 1993. Deze leden zijn met de regering van mening dat er geen reden is tot algehele herziening van het huidige stelsel van politieregio's en het Korps landelijke politiediensten. Anderzijds betwijfelen zij of de praktijk van gezag over en beheer van de politie aanleiding geven tot de voorgestelde wijzigingen. In dat licht plaatsen zij de volgende opmerkingen en vragen bij het voorgestelde.

Naar de mening van de leden van de SGP-fractie functioneert het huidige politiebestel naar behoren. Zij voelen mee met het Korpsbeheerdersberaad, het Hoofdofficierenberaad en de Raad van Hoofdcommissarissen waar die stellen dat de thans bestaande verbinding tussen gezag en beheer van de politie een verworvenheid van het relatief jonge bestel is. Voor hen zijn gezag en beheer, hoewel het laatste op het eerste volgt, duidelijk niet van elkaar te scheiden. Zo zullen in de organisatie, de formatie, de begroting en de jaarrekening duidelijk ook beleidsmatige aspecten aan de orde komen, die de gezagskant raken, terwijl anderzijds het beleidsplan (elke 4 jaar) en het jaarplan een beheersmatige uitwerking moeten bevatten van het door het gezag voorgestane beleid (zie blz. 5–6 memorie van toelichting). Vooral de relatie tussen het jaarplan en de begroting is heel sterk. De leden van de SGP-fractie kunnen instemmen met het Nederlands Politie Instituut waar het stelt dat het scheiden van gezag en beheer kunstmatig is en op gespannen voet staat met de toenemende samenhang ertussen. Zij zijn het eens met de Raad van State dat verdeling van beleid en beheer eerder onduidelijkheid dan helderheid schept over de onderscheiden verantwoordelijkheden van de diverse organen en vragen met het oog daarop wat de filosofie is achter het scheiden van beleid en beheer, daar de regering in reactie op de Raad van State ook meermalen uitdrukkelijk de nauwe samenhang bevestigd heeft. Zij vragen de regering of in de praktijk gebleken is dat de in de Politiewet 1993 aangewezenen behoefte hebben aan een dergelijke scheiding. Zo neen, welke belangen zijn dan gediend met verdergaande ontvlechting?

Volgens deze leden is de regering in het voorstel niet overal even consequent in het doorvoeren van de scheiding tussen gezag en beheer. Zo stelt, ten eerste, de korpsbeheerder, verantwoordelijk voor het beheer, volgens het voorgestelde artikel 28 de ontwerpen van het beleidsplan en het jaarplan op. En ten tweede moet de korpsbeheerder, na de beheersstukken vastgesteld te hebben, deze nog ter kennisneming voorleggen aan het regionaal college dat vervolgens nog administratief beroep in kan stellen. Hoe verhouden deze twee onderdelen van het wetsvoorstel zich tot de gewenste scheiding tussen gezag en beheer?

Wat betreft de positie van de burgemeester vragen deze leden naar de relatie tussen de dualisering van het lokaal bestuur en de toekomstige positie van de burgemeester enerzijds en dit wetsvoorstel anderzijds.

2. Verantwoordelijkheidsverdeling op regionaal niveau

– regionaal college en korpsbeheerder

De leden van de PvdA-fractie willen weten of het nu al in alle regionale colleges gebruikelijk is eisen aan de politie te formuleren en vast te leggen in beleids- respectievelijk jaarplannen. Hanteren de colleges deze manier van werken vanaf de inwerkingtreding van de Politiewet 1993 of is er sprake van een geleidelijke ontwikkeling? Kan worden geïllustreerd hoe algemeen of specifiek deze eisen worden geformuleerd?

Het is deze leden opgevallen dat de begroting en jaarrekening worden aangeduid als «beheersmatige finesses». Waarom is deze typering gegeven en is zij houdbaar als bijvoorbeeld wordt gekeken naar de omvang van investeringsprogramma's (bijvoorbeeld in informatietechnologie)?

Welk meerjarig investeringsbedrag is in de begrotingen van de 25 regionale politiekorpsen opgenomen?

Wat betekent de voorgestelde afbakening van verantwoordelijkheden voor de bemoeienis van het Regionaal College met een essentiële zaak als het integriteitsbeleid? Neemt die verantwoordelijkheid toe of juist af?

De opmerking op bladzijde 5 «gezagsdragers moeten zich kunnen concentreren op de taakuitoefening van de politie» klinkt nogal betweterig in het licht van het dringende pleidooi van de gezagsdragers om beheer en gezag niet zo rigoureus te gaan scheiden. Kan hierop een reactie worden gegeven?

Deze leden willen verder weten waarom het Beleidsplan ook «op hoofdlijnen» moet aangeven welke personele en financiële middelen beschikbaar zijn om het te verwezenlijken. Die verruiming van de reikwijdte van het plan is toch een inbreuk op de meest strikte scheiding tussen beleid en beheer die eerder is verdedigd en als het niet een inbreuk is, dan maakt het in elk geval de afbakening diffuus. Hoe ver moet volgens de regering de indicatie van personele en financiële middelen gaan?

Kan worden geïllustreerd wat hoofdlijnen zijn en wat details? Wat zijn trouwens de hoofdlijnen van «beleidsmatige finesses?

De Raad van State suggereert «het regionale college uitsluitend te belasten met de vaststelling van het beleidsplan, het jaarplan, de begroting en de jaarrekening (bestuur op hoofdlijnen) en de uitwerking van een en ander toe te vertrouwen aan de korpsbeheerder (dagelijks bestuur)», aldus de leden van de CDA-fractie.

De Raad van State onderschrijft, dat allocatie van middelen kan worden aangemerkt als de kwintessens van het beheer, maar stelt dat die allocatie in veel gevallen onmiskenbaar ook belangrijke beleidsaspecten heeft. Zij kan immers onder omstandigheden de uitvoering van beleidsbeslissingen mogelijk of onmogelijk maken.

Verdeling van beleid en beheer over de politie tussen verschillende organen, zoals voorgesteld, schept daarom naar de mening van de Raad van State zowel op regionaal als op nationaal niveau eerder onduidelijkheid in de verantwoordelijkheden van elk van die organen dan helderheid. Kan de regering nader ingaan op deze kritiek, zo vragen deze leden.

De regering erkent wel dat gezag en beheer een nauwe samenhang vertonen, maar vindt niet dat die samenhang er noodzakelijkerwijze toe moet leiden dat gezagsdragers over beheersbevoegdheden blijven beschikken. Er wordt nadrukkelijk voor gekozen om het beheer toe te delen aan de korpsbeheerder en de overige gezagdragers daar niet meer mee te belasten. Regelmatig overleg tussen de gezagdragers en korpsbeheerder zou daarvoor in de plaats moeten komen. Daarnaast worden er beroepsrechten in het leven geroepen voor het geval een en ander niet goed loopt en er geschillen over het beheer blijven bestaan. Maar komt deze overlegverplichting in samenhang met de mogelijkheid van beroep niet heel dicht uit bij de nu nog bestaande overeenstemmingseis? En is het bij een zo gering verschil wel noodzakelijk beheer en gezag zo van elkaar los te koppelen? Wordt daardoor niet tevens afbreuk gedaan aan de betrokkenheid van de gezagsdragers bij het beheer van het korps?

De leden van de D66-fractie vragen of de regering niet vreest dat de gekozen oplossing met nogal wat beroepsrechten tot een aanmerkelijke toename van het aantal beroepen zal leiden en een dergelijke juridisering wel gewenst is.

Een van de bij de evaluatie gesignaleerde tekortkomingen is de democratische verantwoordingsstructuur. In 1993 werd met reden gekozen voor een decentraal politiebestel. Politie en veiligheid zijn bij uitstek onderwerpen die de lokale gemeenschappen van nabij raken en ook daar hun vertaling en hun inbedding moeten vinden. Die democratische inbedding kreeg in 1993 via het regionaal college zijn beslag. Zien de leden van de D66-fractie het goed dan wordt de taak van het regionaal college in het wetsvoorstel ingeperkt. Het college wordt slechts verantwoordelijk voor beleidsstukken. De korpsbeheerder krijgt de verantwoordelijkheid voor de beheersstukken (organisatie, formatie, begroting en jaarrekening).

Hoe is nu echter de verantwoordelijkheid over deze gezagsuitoefening geregeld? Gezagsuitoefening en verantwoording kunnen toch niet in het regionaal college plaatsvinden? Iedere burgemeester heeft toch slechts een verantwoordingsplicht ten aanzien van zijn eigen gemeente? En korpsbeheerder heeft daarbij dan ook nog het regionale gezagsaspect, maar legt daarover alleen verantwoording af in zijn of haar gemeenteraad. Wordt de regionale verantwoording voor het gezag niet een soort optelsom van plaatselijke verantwoordelijkheden? En versplintert op deze wijze de verantwoordelijkheid voor het gezag niet teveel, althans, ontbreekt niet een evenzeer noodzakelijke component, meer regionale verantwoordelijkheid voor regionale gezagsuitoefening?

Het voorliggende wetsvoorstel wil mogelijk maken dat het regionale college zich bezighoudt met de sturing van politie op basis van te verwachten resultaten, prestatie en effecten, aldus de leden van de fractie van de ChristenUnie.

In de memorie van toelichting staat dat het op te stellen vierjarig beleidsplan ook beheersmatige aspecten kent. In het plan moet namelijk op hoofdlijnen zijn aangegeven met welke financiële en personele middelen de voornemens worden verwezenlijkt. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de regering het eens is met de stelling dat het onderscheid tussen beheer en gezag vooral op dit punt moeilijk is vast te houden. Genoemde leden vragen daarnaast in welke mate dergelijke concrete onderdelen van regionaal beleid voor vier jaar nauwkeurig kunnen worden aangegeven.

Het belangrijkste onderdeel van het wetsvoorstel is naar de mening van de leden van de SGP-fractie de herziening van de taken en verantwoordelijkheden van het regionaal college: organisatie, formatie, begroting en jaarrekening zullen niet langer door het regionaal college, maar louter door de korpsbeheerder vastgesteld worden. Daarmee verliest het regionale college zijn beherende taken en moet het zich tot controle beperken, zo constateren deze leden met de Vereniging van Nederlandse gemeenten. Zien deze leden het goed dat daarmee de huidige verhouding tussen regionaal college (bestuur op hoofdlijnen) en korpsbeheerder (dagelijks bestuur) wordt verbroken? Is het niet erg minimaal dat burgemeesters straks alleen via de mogelijkheid van administratief beroep nog invloed uit kunnen oefenen op de uiteindelijke inhoud van de beheersstukken?

– benoeming van de korpsbeheerder

De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de opvatting dat de wettelijke koppeling tussen het korpsbeheerderschap en het burgemeesterschap van de centrumgemeente wordt losgelaten en dat daardoor volgens de regering «verwarring in de verantwoording aan de betrokken gemeenteraad kan worden voorkomen». Op dat laatste punt krijgen zij graag een toelichting, want wordt de verwarring in voorkomende gevallen niet gewoon verplaatst van de centrumgemeente naar de regiogemeente, van wie de burgemeester het korpsbeheerderschap vervult? Voor deze leden is wel van belang dat een falende korpsbeheerder die als burgemeester goed functioneert, in de nieuwe opzet niet langer min of meer automatisch het veld hoeft te ruimen, omdat een andere burgemeester met het korpsbeheerderschap belast kan gaan worden. Wat is de reactie van de regering op dit standpunt?

Deze leden vragen of bekend is op welke wijze de korpsbeheerder in de betrokken regionale colleges verantwoording heeft afgelegd over de rellen in de Oosterparkbuurt in Groningen respectievelijk de rellen in Den Bosch? Vindt dat onmiddellijk plaats of pas met (grote) vertraging? Komt het Regionaal College in dit soort gevallen in een spoedzitting bijeen?

De Raad van State suggereert een bevoegdheidsverdeling waarbij het regionaal college gaat over beleidsplan, jaarplan, begroting en jaarrekening (bestuur op hoofdlijnen) en de korpsbeheerder over de uitwerking (dagelijks bestuur). De leden van de VVD-fractie vragen preciezer aan te geven waarom dit niet tot een grotere duidelijkheid van de bevoegdheidsverdeling zal leiden.

Deze leden vragen wat de noodzaak is van het creëren van de mogelijkheid om een ander dan de burgemeester van een centrumgemeente aan te wijzen als korpsbeheerder. Welke problemen worden hiermee concreet ondervangen? Als een ander dan een centrumburgemeester zal worden aangewezen als korpsbeheerder, bestaat dan niet het risico dat dit uitgelegd kan worden als een motie van wantrouwen tegen de burgemeester van de centrumgemeente? Als het systeem zoals neergelegd in het wetsvoorstel gehanteerd wordt, moet dan ook bij schorsing of ontslag het regionale college gehoord worden?

In het voorliggende wetsvoorstel wordt de wettelijke koppeling tussen het korpsbeheerderschap en het burgemeesterschap van de centrumgemeente losgelaten, aldus de leden van de CDA-fractie. Als argument wordt in de memorie van toelichting aangevoerd, dat de dubbelrol van korpsbeheerder en burgemeester van de centrumgemeente in de verantwoording aan de gemeenteraad leidt tot verwarring. De Raad van State stelt evenwel, dat uit de Evaluatie Politiewet 1993, Diepteonderzoek, niet is gebleken van ernstige rolconflicten in de onderzochte regio's. In reactie op het advies van de Raad van State voegen de ministers daaraan toe, dat daarvoor ook in andere onderzoeken steun kan worden gevonden. Kan de regering aangeven in welke onderzoeken deze steun te vinden is, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

De regering gaat er, blijkens haar reactie op het advies van de Raad van State, van uit dat in de praktijk doorgaans de burgemeester van de centrumgemeente met het beheer van het korps zal worden belast. Als doorgaans dezelfde burgemeester benoemd wordt die thans door de wet wordt aangewezen, hoe kan dit dan leiden tot minder verwarring over de dubbelrol van de burgemeester-korpsbeheerder, zo vragen deze leden. Voor welk probleem ziet de regering benoeming van de korpsbeheerder bij koninklijk besluit als oplossing?

De leden van de D66-fractie kunnen zich wel vinden in het schrappen van de verplichte koppeling tussen korpsbeheerderschap en het burgemeesterschap van de centrumgemeente. Ongetwijfeld zal toch vaak de burgemeester van de centrumgemeente met de korpsbeheerderschap worden belast, maar het hoeft niet meer. En dat is belangrijk. Er zijn immers wel degelijk situaties denkbaar waarin het gewenst kan zijn een andere burgemeester dan die van de centrumgemeente ermee te belasten. Bovendien wordt door deze ontkoppeling duidelijk dat het helder te onderscheiden functies zijn en dat met name de verantwoording voor het korpsbeheerderschap zich ook verder uitstrekt dan zuiver en alleen tot de verantwoordelijkheid van de korpsbeheerder ten opzichte van zijn gemeenteraad. Bij problemen op het terrein van het korpsbeheerderschap behoeft naar hun oordeel een overigens goed functionerende burgemeester in de toekomst niet per definitie gedwongen te zijn tevens terug te treden als burgemeester van zijn gemeente. Sprekend over duidelijkheid in verantwoordelijkheden achten de leden van de D66-fractie dit onderdeel een duidelijke verbetering.

De leden van de GroenLinks-fractie zien niets in het voorstel van een door de kroon benoemde korpsbeheerder. Ten eerste blijkt nergens dat de huidige situatie, die de burgemeester van de centrumgemeente automatisch aanwijst als korpsbeheerder, niet langer of onvoldoende zou functioneren. Integendeel. Uit de reacties van het Nederlands Politie Instituut en de Raad van Hoofdcommissarissen blijken er geen redenen om deze situatie te wijzigen. Waarom is er desondanks voor gekozen de bestaande situatie wel te veranderen? Ten tweede willen deze leden wijzen op het bestaan van tal van andere mogelijkheden om tot een keuze voor een korpsbeheerder te komen. Waar te denken valt aan rechtstreekse verkiezing door de bevolking, aan getrapte verkiezing via de betrokken gemeenteraden of aan het rouleren van de functie van korpsbeheerder voor de periode van bijvoorbeeld twee of drie jaar tussen de regioburgemeesters, verbazen zij zich er over dat de regering uitgerekend de introductie van dit middel voorstelt. Het instrument past immers geenszins in een tijdsgewricht waarin horizontalisering, transparantie en democratische legitimatie het winnen van hiërarchische bureaucratische en archaïsche besluitvormingsmechanismen. Van alle denkbare alternatieven is de Kroonbenoeming wel het minst vernieuwende en het minst democratische te noemen, zo menen deze leden. Kan de regering duidelijkheid verschaffen over de vraag hoe de procedure van de aangewezen korpsbeheerder er in de praktijk uit zal gaan zien? Welke alternatieven heeft zij onderzocht? Waarom heeft deze variant haar voorkeur? Tenslotte vragen deze leden op grond waarvan de regering meent dat er momenteel verwarring inzake de scheiding tussen burgemeester en korpsbeheerder bestaat en waarom die verwarring – zoals die in de memorie van toelichting genoemd wordt – door deze wetswijziging weggenomen zal worden. Is deze opvatting niet uiterst onwaarschijnlijk, aangezien de dubbele petten sowieso blijven bestaan, ongeacht welke burgemeester nu korpsbeheerder wordt en hoe deze wordt gekozen?

Aansluitend verzoeken deze leden een nadere toelichting op het punt van het behoud van de zetel van de regionale korpsbeheerder in de centrumgemeente. Waarom kiest de regering voor het behoud van de zetel en de staf in de centrumgemeente, ook als de beheerder niet de burgemeester van die gemeente is? Indien de beheerder een andere is dan de burgemeester van de centrumgemeente, ontstaat dan niet op zijn minst verwarrende situatie dat een andere burgemeester in de centrumgemeente met de regionale politiescepter zwaait? Zal dit niet beduidend meer onduidelijkheid in de onderlinge verhoudingen veroorzaken dan de huidige situatie? Verwacht de regering niet juist – eerder dan in de huidige situatie – het ontstaan van competentieconflicten tussen de lokale gezagsdrager (de burgemeester) en de regionale gezagsdrager (de korpsbeheerder), bijvoorbeeld over de lokale inzet van de politie inzake de openbare orde en veiligheid? Hoe wil de regering dergelijke conflicten, mochten die onverhoopt ontstaan, oplossen?

Het is voor de leden van de fractie van de ChristenUnie onduidelijk in welke gevallen de huidige aanwijzing van de korpsbeheerder onduidelijkheid oproept tussen de burgemeester van centrum- en randgemeenten. Zou het niet vreemd zijn als de burgemeester uit een van de kleinere randgemeenten de korpsbeheerder wordt? Ook vragen genoemde leden een uitgebreidere toelichting op de procedure rond deze benoeming.

Wat betreft de verantwoording van de korpsbeheerder in zijn functie als burgemeester aan de gemeenteraad, lijken de argumenten die genoemd worden voor de onduidelijkheid binnen de centrumgemeente ook te gelden voor de andere gemeenten binnen de regio. Het ontbreken van de duidelijke aanspreekbaarheid van de burgemeester op zijn zeggenschap over de inzet van de politie verzwakt de verantwoordelijkheidsrelatie tussen de burgemeester en de gemeenteraad. Indien artikel 36 eerste lid vervalt, kunnen bevoegdheden worden gedelegeerd aan de korpschef. Genoemde leden vragen wat dit betekent voor de zelfstandige positie van de politie en wat dit betekent voor de verhouding tussen beheer en gezag.

De leden van de SGP-fractie missen een degelijke argumentatie voor invoering van de Kroonbenoeming van de Korpsbeheerder. Doorslaggevende reden voor de regering is de dubbelrol van de korpsbeheerder-burgemeester, die complicerend zou kunnen zijn voor verantwoording richting de gemeenteraad (als lid van het regionaal college en verantwoordelijk voor het gezag) dan wel het regionaal college (als korpsbeheerder). Allereerst vragen deze leden naar de relatie tussen dit onderdeel van het wetsvoorstel en de Evaluatie Politiewet 1993, Diepteonderzoek, aangezien uit deze evaluatie niet gebleken is van rolconflicten die het functioneren van de korpsbeheerder-burgemeester bemoeilijkten. Op welke andere onderzoeken, waaraan de regering in haar antwoord op de Raad van State refereert, is de analyse in de memorie van toelichting gestoeld? Zij constateren vervolgens dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties slechts een burgemeester uit de betrokken politieregio kan voordragen voor benoeming. Dat betekent dat ook bij Kroonbenoeming de volgens de regering verwarrende dubbelrol blijft bestaan, alleen hoeft het niet meer de burgemeester van de centrumgemeente van de regio te betreffen. Daarmee wordt het«probleem» van de dubbelrol hoogstens verschoven naar een kleinere gemeente en dus niet opgelost. De regering ontkent dit ook niet in haar antwoord op het advies van de Raad van State. Tevens wordt de positie van de door de Kroon benoemde korpsbeheerder naar de mening van de leden van de SGP-fractie minder transparant: hij wordt rijksorgaan, korpsbeheerder en gezagsdrager over het korps en zal zich in die drie hoedanigheden moeten kunnen verantwoorden. Is de regering het ermee eens dat dit complicerend is? Tenslotte vragen deze leden of de invoering van de Kroonbenoeming niet als een vorm van centralisatie in het politiebestel geduid moet worden, en zo ja, hoe zich dit verhoudt tot het principe «decentraal, tenzij» in de Politiewet 1993.

– hoofdofficier van justitie

De hoofdofficier krijgt bij het opstellen van beheerstukken minder bevoegdheid, maar wel een beroepsmogelijkheid tegen vaststelling van deze stukken. Leidt dit echter niet per saldo tot minder invloed van het OM op de politie, zo vragen de leden van de VVD-fractie. Als dat zo is, acht de regering dat dan geen onwenselijke ontwikkeling?

Ook de rol van de (hoofd)officier van justitie bij het beheer wordt geschrapt, aldus de leden van de CDA-fractie. In de plaats komt een overlegplicht, dubbel instemmingsrecht en een geschillenregeling. Is dat verschil met de huidige situatie in zijn uitwerking niet dusdanig gering dat ook hier de vraag rijst of dat wel een strakke scheiding beheer gezag rechtvaardigt? De Raad van Hoofdcommissarissen vreest in zijn reactie zelfs dat de voorgestelde scheiding van gezag en beheer contraproductief zal werken, omdat gewenste transparantie van verantwoordelijkheden eerder wordt vertroebeld dan verhelderd. Hoe beoordeelt de regering dit bezwaar?

De leden van de SGP-fractie vragen wat de evidente voordelen zijn van de beperking van de betrokkenheid van de hoofdofficier van justitie bij het beheer. In de huidige wet heeft de hoofdofficier, als lid van het regionaal college, de bevoegdheid om de beheersstukken vast te stellen en daarnaast ook nog, als lid van de beheersdriehoek, een instemmingsrecht inzake de door de korpsbeheerder opgestelde ontwerpstukken (dubbel instemmingsrecht). In het wetsvoorstel betreft de betrokkenheid van de hoofdofficier van justitie inzake het beheer slechts een recht van overleg met de korpsbeheerder vooraf en administratief beroep achteraf, en wordt het duaal beheer – belangrijk kenmerk van de Politiewet 1993 – afgeschaft. De leden van deze fractie vragen de regering om de argumenten vóór het dubbele instemmingsrecht, die ten grondslag gelegen hebben aan de huidige Politiewet 1993, nog eens tegen het licht te houden. Herkent de regering zich nog in de typering die Elzinga et.al. (Het Nederlands Politierecht, 1995, p. 245) geven: «In de ogen van de regering moet de hoofdofficier van justitie vol mee kunnen spreken over de totaliteit van het beheer en wel omdat een splitsing van verantwoordelijkheden de onderlinge samenhang van het beheer ondergraaft»? Ten overvloede wijzen deze leden erop dat volgens de Evaluatie Politiewet 1993, Breedteonderzoek, het dubbele instemmingsrecht door de meeste hoofdofficieren van justitie als een verrijking beschouwd werd. Kennelijk werd en wordt de grotere betrokkenheid bij het beheer door hen gewaardeerd. De reactie van het Nederlands Politie Instituut/Raad van Hoofdcommissarissen van 21 februari 2001 aan de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op het wetsvoorstel bevestigt dit.

– korpschef

De leden van de SGP-fractie kunnen zich vinden in het opdragen van de dagelijkse leiding van het korps aan de korpschef, als zijnde de hoogste politiefunctionaris in de politieregio. Ook in een wettelijk verplichte taakafbakening zien zij voordelen, omdat zo duidelijker wordt waar de korpsbeheerder respectievelijk de korpschef op aanspreekbaar is.

– commissaris van de Koningin en het College van procureurs-generaal

De leden van de GroenLinks-fractie hebben nog enkele opmerkingen over mogelijkheden voor geschillen, bezwaar en beroep. Deze leden begrijpen dat voor de bij de regionale politiestructuur betrokken actoren verschillende wegen openstaan voor geschillenbeslechting, bezwaar en beroep. Zij vragen de regering de verschillende vormen eens helder naast elkaar te zetten. Zij verzoeken daarbij ook helder aan te geven welke formele invloed (leden van) gemeenteraden nu en straks kunnen uitoefenen in het kader van medezeggenschap, bezwaar, beroep of anderszins tegen vastgestelde beleidsplannen of -voornemens, besluitvorming, uitvoeringsbepalingen of optreden van het regionaal college, de korpsbeheerder, de eigen burgemeester, de korpschef of de lokale politiecommandant. Aansluitend zijn zij benieuwd welke stukken van het beheer dan wel het gezag wettelijk of anderszins ter beschikking staan van (leden van) gemeenteraden om zich te informeren over het beleid, het beheer en de uitvoeringspraktijk van het regionale politiekorps. Verder willen zij vernemen voor welke partijen en onder welke omstandigheden het administratief beroep openstaat en op welke wijze de geschillen over de beheersstukken tussen het regionaal college, respectievelijk hoofdofficier van justitie en de gemeenteraden daarin getoetst wordt. Tegen wie wordt het beroep in elk van deze gevallen ingesteld, wie behandelt het beroep en op welke gronden mag de rechter toetsen? Ook vragen deze leden wat het verschil is tussen het bestuurlijk beroep en de geschillenbeslechting door de commissaris van de Koningin en de procureurs-generaal. Is het beroep te allen tijde bij de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en/of het college van procureurs-generaal? Waarom kan de commissaris van de Koningin het beroep omzetten in een geschillenbeslechting, en wordt het beroep niet te allen tijde onverwijld aan de minister voorgelegd? Wanneer wordt de commissaris van de Koningin geacht het geschil wel voor te leggen aan de minister?

3. Democratische controle en verantwoording

De leden van de PvdA-fractie willen weten waarom ervan afgezien is een aanduiding te geven van zaken die minimaal in de instructie voor de taken en bevoegdheden van de korpschef geregeld zouden moeten worden. Zij erkennen dat dit primair een verantwoordelijkheid is van de korpsbeheerders, maar het zou toch verstandig kunnen zijn in de wet aan te geven welke kwesties in deze instructie opgenomen moeten worden.

Betekent het schrappen van artikel 36, eerste lid (op basis waarvan de korpsbeheerder bevoegdheden kan delegeren aan burgemeesters) dat de invloed van de gemeenteraden afneemt?

Deze leden hebben overigens waardering voor de introductie van het wettelijk inbrengrecht, waardoor duidelijker de betrokkenheid van de gemeenteraden bij jaarplan en beleidsplan zal worden aangegeven. Het is deze leden evenwel niet duidelijk waarom een dergelijke toegespitste formele betrokkenheid bij de vaststelling van de beheersstukken achterwege kan blijven. Juist in deze stukken komen toch essentiële zaken aan de orde die voor de lokale veiligheid grote betekenis hebben, bijvoorbeeld waar het om investeringen of huisvesting van informatietechnologie gaat.

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan toelichten waarom zij meent dat met dit wetsvoorstel per saldo democratische mogelijkheden worden vergroot. Deze leden vragen de regering hoezeer met dit wetsvoorstel de mogelijkheid voor gemeenteraden invloed te hebben op het beheer van regionale politiekorps afneemt. Acht de regering het wettelijke inbrengrecht van de gemeenteraad in de praktijk een substantiële verbetering van de controlemogelijkheden van de gemeenteraad? Leidt volgens de regering de omvorming van het regionaal college van beheerscollege naar gezagscollege niet tot minder controlemogelijkheden?

De Groningse hoogleraar Elzinga betoogde al in 1992, dat de democratische inbedding de achilleshiel van het regionale politiebestel zou zijn (BinnenlandsBestuur, 24 januari 1992). Ook het voorliggende wetsvoorstel worstelt met deze problematiek, zo constateren de leden van de CDA-fractie.

In de notitie «Bestel in balans» (blz. 11) werd geconstateerd, dat uit diverse onderzoeken is gebleken dat de gemeenteraden de bestaande mogelijkheden om hun burgemeester aan te spreken nog slechts in beperkte mate benutten. Verder bleek de informatievoorziening aan de gemeenteraden beperkt te zijn; het zou niet zozeer ontbreken aan feiten en gegevens, als wel aan relevante informatie.

Op welke wijze zijn sindsdien gemeenten gestimuleerd de reeds bestaande mogelijkheden beter te benutten, zo vragen deze leden. En welk effecten hadden de bedoelde maatregelen?

In het voorliggende wetsvoorstel wordt een strikt onderscheid gemaakt tussen gezag en beheer. Brengt dit niet met zich mee, dat de gemeenteraden nog minder invloed zullen kunnen uitoefenen op het beheer van het politiekorps, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Die democratische inbedding is al zwak en mag niet nog verder worden aangetast. Het beheer vormt nu juist een concreet aangrijpingspunt voor het uitoefenen van invloed voor de gemeenteraden.

De regering heeft de leden van de CDA-fractie niet overtuigd, dat het wettelijk inbrengrecht hiervoor een oplossing biedt. De gemeenteraden moeten al heel vroeg in de beleidscyclus hun wensen kenbaar maken. Dat leidt ertoe dat zij wensen in abstracto moeten formuleren. Is dit niet strijdig met hun verantwoordelijkheid voor een integraal veiligheidsbeleid, zo vragen deze leden.

Het onderscheid tussen beleidsplan en begroting is moeilijk aan te brengen op basis van het criterium gezag versus beheer. Het zou daarom beter zijn de bestaande besluitvormingscyclus te handhaven.

Door het schrappen van artikel zesendertig wordt delegatie van beheer aan de in het regionaal college vertegenwoordigde burgemeesters niet langer mogelijk, aldus de leden van de D66-fractie. Het wordt ingeruild voor de mogelijkheid van mandaat aan de korpschef. Moet hieruit niet worden afgeleid dat daardoor de dominantie van beheer over gezag wordt versterkt, zoals het Nederlands Politie Instituut stelt?

Met de inperking van de rol van het regionaal college neemt indirect ook de betrokkenheid van de gemeenteraden af, zo constateren de aan het woord zijnde leden. Gemeenteraden kunnen hun burgemeester immers slechts op zijn gezagsuitoefening aanspreken en niet meer zijn invloed op het beheer.

Het argument dat het ontbreken van een directe democratische controle over het beheer niet erg is, omdat beheer toch maar een afgeleide van het gezag is en dat gezag wel rechtstreeks democratisch controleerbaar is, spreekt de leden van de D66-fractie niet erg aan. Als dat beheer zo afgeleid is, waarom wordt dan zo'n punt van de scheiding tussen beheer en gezag gemaakt?

De rol van gemeenteraden bij de politie wordt weliswaar enigszins versterkt door het inbrengrecht dat het wetsvoorstel introduceert, maar dat is naar het oordeel van de leden van de D66-fractie een te beperkte aanvulling. Dit inbrengrecht geeft de raad immers slechts een adviesrecht in het stadium van het opstellen van het beleidsplan, maar daar blijft het verder bij. Als het niet tot wasdom komt wegens beheersmatige prioriteitstellingen, heeft een raad het nakaarten.

Het voorgestelde wettelijk inbrengrecht achten de leden van de D66-fractie dan ook erg mager. Is de regering het eens met de constatering dat per saldo de invloed van de gemeenteraad op de politie er in dit wetsvoorstel op achteruit gaat? Is het niet onlogisch dat in deze tijden waarin veiligheid boven aan de agenda staat, de gemeenteraad de zeggenschap over het beheer van de politie verliest? Zou niet alleen het vertrouwen van de burger in de overheid, maar ook het gevoel van veiligheid van veel burgers toenemen indien zij kunnen waarnemen dat de gemeenteraad, de bestuurslaag die het dichts bij de burgers staat, werkelijk invloed heeft op de politie?

De leden van de D66-fractie zouden deze vraag nadrukkelijk positief willen beantwoorden en vinden het jammer dat de regering deze wetswijziging niet heeft benut om een verdergaande versterking van de rol van de gemeenteraden bij het politiebestel te bewerkstelligen.

Waarom, zo vragen deze leden, wordt niet geregeld dat de korpsbeheerder in een gemeenteraad ter verantwoording kan worden geroepen voor het beheer ten aanzien van die gemeente? Ook zou het naar hun oordeel mogelijk moeten worden dat gemeenteraden de korpschef en hoofdofficier van justitie in hun midden uitnodigen om zich te laten informeren over hun taakuitoefening ten aanzien van de betrokken gemeente en daarover met hen in debat te gaan.

Graag zien zij op deze punten een beschouwing van de regering tegemoet.

De leden van de D66-fractie blijven hechten aan het door hen in het verleden reeds gedane voorstel in de richting van een regionaal college van raadsleden. Zo zou ook de invloed van de diverse raden op het reilen en zeilen van de regionale politie kunnen worden versterkt. Bij het vooralsnog ontbreken van rechtstreeks gelegitimeerde regionale vertegenwoordigende organen kan helaas alleen met minder democratisch gelegitimeerde hulpstructuren worden gewerkt. Maar ook dat is altijd nog aanzienlijk beter dan vrijwel geen invloed van gemeenteraden. Zij zien ook graag op dit punt een nadere beschouwing van de regering tegemoet.

De nadruk op het belang dat het beheer volgend is aan het gezag brengt de leden van de GroenLinks-fractie ook nog tot de volgende vragen. De figuur van het mandaat aan de korpschef wordt in de memorie van toelichting verdedigd als bevestiging van de volledige (eind-)verantwoordelijkheid van de korpsbeheerder voor het beheer van het regionale korps. Kan de regering dit uitleggen? Is er sprake van een ongelukkige woordkeuze, of begrijpen deze leden goed dat inzake het beheer de korpsbeheerder dus uiteindelijk toch boven het gezag van de korpschef gaat? En is dat dan niet weer in tegenspraak met de dominantie van het gezag? Aanvullend verzoeken deze leden nadere informatie over status en inhoud van de zogenaamde sub-driehoeken in de regio. Welke beleidsthema's komen daar aan de orde? Hoe kunnen lokale gezagsdragers en gemeenteraden daar in het kader van de in de memorie van toelichting genoemde sturing en controle op uitoefenen?

Ook willen deze leden graag vernemen of en in hoeverre de korpschef – behoudens het in de regionale en de subdriehoek besloten beleidskader – nog eigen beleid kan voeren, en waarop dat dan betrekking heeft. Indien het politiebeheer het gezag volgt en de regionale politie «moet voldoen aan de door de gezagsdrager geformuleerde prioriteiten», in welke mate kan er op lokaal niveau dan nog buiten de landelijke en regionale beleidskaders worden gewerkt? Komt er een vergelijkbaar mandaat voor de burgemeesters ten opzichte van de lokale politiecommandanten, en zo nee, in welke relatie komen zij dan tot elkaar te staan? En als de korpschef aangaande het beheer van het korps uitsluitend gemandateerd wordt door de korpsbeheerder, welke zelfstandige taken blijven er dan nog over voor de korpschef? Welke invloed heeft de korpschef op inhoud en invulling van het mandaat? Wat is de opvatting van deze regering over de mogelijkheid dit mandaat naar de lokale commandanten verder door te mandateren, waardoor de uitvoering nog verder weg komt te staan van de verantwoordelijkheid?

Deze leden verbazen zich erover dat in het wetsvoorstel geheel voorbij wordt gegaan aan het gegeven dat het zogenaamde regionale gezag over de politie (de regio-burgemeesters waaronder de korpsbeheerder plus de regionale hoofdofficier van justitie) feitelijk berust op een fictie. Immers, is het niet zo dat het gezag van een burgemeester en zijn/haar verantwoordingsplicht beperkt blijft tot de eigen gemeentegrenzen en een regionale gezagsuitoefening en verantwoording dus in feite in het geheel niet bestaan? Het gaat naar het oordeel van deze leden in elk geval te ver als feit te stellen, zoals in de memorie van toelichting, dat in de huidige situatie in het regionale bestel sprake zou zijn van afdoende democratische inbedding, verantwoording en legitimatie. Verscheidene fracties in de Tweede Kamer spreken al jaren van een democratisch gat in de regionale politiestructuur, en niet voor niets poogt het wetsvoorstel daar (hoe voorzichtig dan ook) verbeteringen in aan te brengen. Vast staat dat het ter zake van het korpsbeheer in het geheel ontbreekt aan democratisch gelegitimeerde zeggenschap (van bijvoorbeeld de gemeenteraden). En ook bij het gezag blijkt er naar het oordeel van deze leden hooguit sprake van een gedeeltelijke en indirecte verantwoording aan die democratisch gekozen en derhalve gelegitimeerde gemeenteraden. Daarvoor is – de regering geeft dit ook toe in de memorie van toelichting – in elk geval vereist dat bij de gemeenteraden sprake is van voldoende assertiviteit én dat de burgemeester de raad op het terrein van openbare orde en veiligheid goed gezind is – wat gezien de praktijk op lokaal niveau natuurlijk niet vanzelfsprekend is. Graag vernemen deze leden de reactie van de regering.

Daarnaast bevreemdt het deze leden in de memorie van toelichting te lezen dat de gemeenteraad de burgemeester ter verantwoording zou kunnen roepen voor de uitoefening van het gezag over de politie. De bevreemding volgt uit het feit dat de burgemeester maar een van de leden van het voltallige regionaal college is, dat formeel en gezamenlijke verantwoordelijkheid draagt. Bovendien zou het in de eerste plaats de korpsbeheerder zijn, en dus niet de burgemeester, die ter verantwoording zou kunnen worden geroepen. Ontstaat daardoor niet de vreemde situatie dat een burgemeester zonder formele verantwoordelijkheid het gezag in eigen gemeente dreigt te verliezen, terwijl een andere burgemeester zonder plaatselijk gezag wel verantwoordelijkheid draagt maar daarop niet kan worden aangesproken? Hoe kan voorkomen worden dat een burgemeester zich in de praktijk zal verschuilen achter het regionale college? Op grond waarvan en hoe kan de raad het handelen van de eigen burgemeester als gezagdrager veroordelen, en hoe zit dat ten aanzien van de korpsbeheerder die vanuit de centrumgemeente opereert? Welke rechtsgevolgen kan het oordeel van de raad in beide gevallen in het uiterste geval hebben?

Het voorstel voor een wettelijk inbrengrecht voor de gemeenteraden schiet in de ogen van de leden van de GroenLinks-fractie tekort. Zij wijzen op het feit dat onder andere naar aanleiding van de nota Bestel in Balans de versterking van de democratische inbedding van het regionale politiebestel aan de orde was. In lijn met deze gedachte constateren de leden van de GroenLinks-fractie dat het op dit moment nog altijd schort aan adequate decentrale politieke aansturing en democratische controle van de politie. Recent onderzoek van het SGBO naar lokaal veiligheidsbeleid toont bovendien aan dat de regie van de gemeente en daarmee de slagvaardigheid van het veiligheidsbeleid nog te wensen overlaat. Het invullen van de gemeentelijke regierol, het liefst op wettelijke basis, kan die slagvaardigheid verbeteren. Het voorstel voor een wettelijk inbrengrecht gaat deze leden daarom niet ver genoeg. De leden van de Groen-Links-fractie menen namelijk dat het juist de gemeente is die het voortouw moet nemen; niet alleen bestuurlijk maar tevens inhoudelijk. Deze leden missen in het wetsvoorstel de mogelijkheid van de gemeenteraden om met de burgemeester over het beleid te kunnen praten, en dit ook om te zetten in (lokale) prioriteiten. Klopt het dat de gemeenteraad inderdaad uitsluitend over het beheer kan debatteren, aangezien hij in de uitvoering van het beleid geen zeggenschap meer heeft? Welke middelen heeft de raad om de burgemeester op de uitvoering van het beleid aan te spreken?

Deze leden menen dat het bestaande democratisch vacuüm met het wettelijk inbrengrecht niet voldoende gevuld wordt. Hoe immers verhoudt het inbrengrecht van de gemeenteraad zich tot de bepalende verantwoordelijkheden van het gezag? Waar past het inbrengrecht in de politiële beleidscyclus, en op welke wijze wordt over de invulling en de uitvoering daarvan verantwoording afgelegd aan het lokale bestuur en de gemeenteraad? Welke waarborgen geeft de regering dat het lokale bestuur zijn taken, waaronder het integrale veiligheidsbeleid, ten volle kan uitoefenen? Waarom kiest de regering niet voor een wettelijk instemrecht voor de gemeenteraad, waardoor de lokale politiek – in aanvulling op het landelijk beleidskader – een grotere en formele invloed krijgt op de lokale prioriteiten van de regiokorpsen? Is de regering bereid te onderzoeken op welke wijze het wettelijke instemmingsrecht voor de gemeenteraad in aanvulling op het inbrengrecht kan worden geïntroduceerd?

Een direct gevolg van de scheiding tussen gezag en beheer is dat de gemeenteraden nog minder te zeggen krijgen over het beheer van «hun» politie. Aangezien het beheer voor gemeenteraden bij uitstek een aangrijpingspunt is voor het uitoefenen van hun invloed, wordt de democratische inbedding, toch al zwak, zodoende nog verder aangetast. Het wettelijke inbrengrecht biedt voor dit probleem geen oplossing. De gemeenteraden moeten daarbij immers al vroeg in de beleidscyclus hun wensen kenbaar maken. Of kan dat volgens de regering ook anders, en zo ja hoe dan? Daardoor zal die inbreng veelal abstract blijven, wat in strijd is met hun verantwoordelijkheid voor het integrale veiligheidsbeleid op lokaal niveau. Het wetsvoorstel betekent dan ook een versterking van de regionale gezagscomponent die ten koste gaat van de door het Integraal Veiligheids Plan beoogde decentrale beleidsbepaling. Hoewel het de interne helderheid van de korpsen misschien ten goede zal komen, verbetert het geenszins de invloed van de gemeenteraden op de politie.

Een bijkomend gevolg is dat de regionale politie verder zal verzelfstandigen. Het mandaat dat aan de korpschefs wordt verleend gaat in het wetsvoorstel immers niet gepaard met uitbreiding van het toezicht op de naleving en de controle op de wijze van uitvoering van het mandaat. Wat is het oordeel van de regering over deze dreigende verdere verzelfstandiging van de regiopolitie? Welke interventiemogelijkheden biedt het wetsvoorstel, en waarom meent de regering dat deze afdoende zullen zijn om die verzelfstandiging tegen te gaan? Waarom gaat het mandaat niet gepaard gaan met uitbreiding van het toezicht op de naleving en de controle op de wijze van uitvoering? Hoe beoordeelt de regering de kwalificatie in het wetsvoorstel van «versterking van de democratische controle», nu het regioberaad geenszins bestaat uit democratisch gekozenen en de voorzitter daarvan volgens het wetsvoorstel in de toekomst zelfs van bovenaf zal worden aangewezen?

Met betrekking tot het voorgestelde inbrengrecht van gemeenteraden (memorie van toelichting, bladzijde 9) vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie naar mogelijkheden tot wijziging van het beleidsplan. Wanneer blijkt dat weinig rekening is gehouden met de onderwerpen die uit de inbrengronde naar voren zijn gekomen, bestaat dan voor de gemeenteraad ook de mogelijkheid om onderdelen in het beleidsof jaarplan te amenderen?

Deze leden merken op dat het voorstel om ook artikel 36, eerste lid, te laten vervallen, zijnde de bevoegdheid van de korpsbeheerder tot mandaatverlening aan de burgemeester, slechts berust op de enkele waarneming dat van deze bevoegdheid vooralsnog nauwelijks gebruik gemaakt is. Aanvullende redenen ontbreken. Wil de regering de argumenten die destijds ten grondslag hebben gelegen aan dit lid, nog eens tegen het licht houden?

De leden van de SGP-fractie hechten eraan dat de burgemeester zeggenschap houdt over de inzet van politie (personeel, materieel en middelen) op lokaal niveau. Dat is ook vastgelegd in het huidige artikel 36, tweede lid. Aan die zeggenschap is de mogelijkheid verbonden om in de gemeenteraad verantwoording af te leggen over de invulling daarvan. De regering stelt in plaats daarvan een nieuw artikel 14 voor waarin overleg tussen burgemeester, officier van justitie en het hoofd van het territoriale onderdeel van het regiokorps geregeld wordt. Over zeggenschap spreekt dit artikel echter niet. Wat is, in dit licht, de opvatting van de regering over de werking en het nut van het huidige artikel 36, tweede lid? Of, om met de Korpsbeheerder Kennemerland in zijn schrijven van 24 november 1999 te spreken: «Wat is bijvoorbeeld de reële inhoud van de verantwoording van een burgemeester jegens de gemeenteraad over het veiligheidsbeleid, indien de burgemeester in het regionale college niet meer medebesluit over de sterkteverdeling en de formatie van de politie?» Het gaat hier toch niet louter om «beheersmatige finesses», maar om belangrijke zaken waarop de gemeenteraad volgens het wetsvoorstel zijn controlemogelijkheid verliest? Het bestuurlijk toezicht wordt hier immers verlegd van de burgemeester, die rechtstreeks aanspreekbaar is en besluitvormende bevoegdheden heeft, naar het driehoeksoverleg, waarvoor dat niet geldt? De regering kan toch niet beweren dat het voorgestelde artikel 14 equivalent is aan het huidige artikel 36, tweede lid, aangezien de formulering «de zeggenschap (van de burgemeester) over het territoriale onderdeel voor zover het betreft de inzet van personeel, materieel en middelen» in het nieuwe artikel 14 in het geheel niet terugkomt. Juist het feit dat gemeenten beschikken over een territoriaal onderdeel van de regiopolitie dat hun toegewezen is en waarover de burgemeester zeggenschap heeft, is toch cruciaal voor de lokale verankering van de politie?

De inperking van de besluitvormende taken van het regionaal college heeft rechtstreekse gevolgen voor de controlemogelijkheden van de raad, zo menen de leden van de SGP-fractie. Die controle gaat zich volgens het voorstel beperken tot beleid. Voeg daarbij het gegeven dat de betekenis van landelijk politiebeheer en landelijke beleidsrichtlijnen toeneemt (wet concentratie beheersbevoegdheden en aanwijzingsbevoegdheid Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) en dat de positie van de korpschefs versterking ondergaat (wijziging art. 24). Wordt hiermee, zo vragen deze leden, de invloed van de gemeenteraad op het beheer van de politie niet heel drastisch beperkt? Een wettelijk inbrengrecht, zoals voorgesteld in het gewijzigde art. 28, weegt daar toch niet tegenop, omdat die zich beperkt tot de beleidsstukken en zich niet uitstrekt over het beheer? Hoe verhoudt zich een en ander tot de wenselijkheid om de democratische controle op het beheer van het korps te vergroten?

Er is veel geschreven over «het democratische gat» ten aanzien van beleid en beheer van de politieregio. Uit de Evaluatie Politiewet 1993, Breedteonderzoek, is deze leden gebleken dat gemeenteraden zelf dit niet als een groot probleem beschouwen. In de evaluatie wordt het beeld gepresenteerd van een doorsnee raad die zich met name beperkt tot de gezagsaspecten en tot lokale incidenten waarbij de politie betrokken is. Zeker in beheersaspecten zouden raadsleden weinig interesse hebben. De leden van de SGP-fractie, die zeer hechten aan een sterke lokale verankering van de politie, vragen de regering of zij dit als een probleem beschouwt, dan wel of haar opmerking dat het democratisch gat ten aanzien van het beheer niet als klemmend ervaren wordt, juist hierdoor ingegeven is. Deelt de regering overigens de waarneming uit het evaluatieonderzoek dat gemeenteraden zich sterk incidentgericht met de politie bezighouden, en zo ja, verbindt zij daaraan conclusies? Wat is de reactie van de regering op de volgende stelling van de korpsbeheerder Utrecht in haar schrijven van 25 november 1999 naar aanleiding van «Bestel in balans»: «Met het oog op de verdere ontwikkeling van het lokale veiligheidsbeleid en de daarbij behorende gemeentelijke verantwoordelijkheid dienen de gemeenteraden zich verder te verdiepen in het onderwerp en hun rol op dit beleidsterrein verder vorm te geven. Een wettelijk inbrengrecht is hiervoor geen oplossing. De gemeenten zijn middels het gesloten Bestuursakkoord Nieuwe Stijl verplicht om een intergraal veiligheidsbeleid vast te stellen. Dit beleidsplan geeft voldoende mogelijkheden om te sturen op het lokale politiebeleid».

5. Reacties

De leden van de PvdA-fractie herhalen hier hun eerder uitgesproken zorg dat slechts summier is ingegaan op de bijzonder kritische reactie van korpsbeheerders en korpschefs, de Vereniging van Nederlandse gemeenten en de Raad van State op de gewijzigde positie van het Regionaal College. De kritiek valt volgens deze leden in vier punten uiteen:

– gezag en beheer zijn niet los te koppelen, met andere woorden het regionaal college mag geen bestaande bevoegdheid met betrekking tot begroting en jaarrekening kwijt raken;

– regionaal kan wel beheer maar geen gezag worden uitgeoefend, want gezag wordt lokaal uitgeoefend;

– een zwakke positie van het regionaal college met betrekking tot beheer betekent een zwakke positie van de gemeenteraad, die via zijn burgemeester minder invloed krijgt in het regionaal college;

– in plaats van duidelijkheid over verantwoordelijkheden ontstaat onduidelijkheid doordat het jaarplan van het Regionaal College de verdeling van financiële middelen bevat, terwijl de korpsbeheerder de begroting vaststelt.

Deze leden willen graag op elk van deze punten een goed doortimmerde reactie van de regering.

Het Korpsbeheerdersberaad en de Raad van Hoofdcommissarissen zijn van oordeel, dat de regionale beheersbevoegdheden thans optimaal en evenwichtig kunnen worden uitgeoefend, aldus de leden van de CDA-fractie. Zij geven aan, dat alle betrokkenen met politieke, bestuurlijke of ambtelijke verantwoordelijkheden ten aanzien van de regionale politie pleiten voor de handhaving van het nu ingewerkte en uitgekristalliseerde evenwicht tussen de verschillende elementen van hun gezag en beheer zoals deze in de Politiewet 1993 staan. Hoe verhoudt dit zich tot de constatering in de memorie van toelichting, dat «in de praktijk is gebleken dat de verantwoordelijkheden van diverse organen, die zijn betrokken bij de bestuurlijke organisatie van de regionale politiekorpsen, niet in alle opzichten voldoende worden ondersteund met bevoegdheden en dat het als gevolg van onduidelijkheden in de verantwoordelijkheidsverdeling in concrete gevallen niet altijd goed mogelijk is te bepalen wie nu precies door wie, waarvoor ter verantwoording kan worden geroepen», zo vragen deze leden.

Het Korpsbeheerdersberaad en de Raad van Hoofdcommissarissen vrezen, dat het wetsvoorstel zal leiden tot een onheldere verdeling van beheersbevoegdheden tussen regionaal college en korpsbeheerder op basis van een niet goed te maken scherp onderscheid tussen gezag en beheer en dus ook onduidelijkheid zal opleveren in de relatie tussen regiokorps en Rijk. Zij vrezen, dat voor de positie van de korpsbeheerder onduidelijkheid over de verantwoordelijkheid voor het beheer binnen de regio ook in de relatie tot het Rijk een verslechtering zal betekenen. Wat is de zienswijze van de regering op dit punt, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen op welke wijze de regering wil tegemoetkomen aan de bezwaren die vanuit de Vereniging van Burgemeesters, IPO en de Vereniging van Nederlandse gemeenten zijn gerezen, namelijk dat de openbare ordetaak van de burgemeester in gedrang kan komen ten gevolge van invoering van het duale stelsel en democratisering van de aanstellingswijze. Of is de keuze voor een door de Kroon benoemde korpsbeheerder een stille getuige van het feit dat de regering met dit wetsvoorstel toch reeds op die wijzigingen voor uitloopt, zonder zich daarvan in de memorie van toelichting rekenschap te geven?

6. Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel B

De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe de korpsbeheerder het korps moet beheren indien de politieregio en de administratie daarvan zich niet in zijn/haar gemeente bevinden? Welke oplossing heeft de regering voor het probleem dat de aansturing van het beheer hieronder te lijden zal hebben? Hoe verhoudt het mogelijk over de tijd rouleren van de functie zich tot de vaste zetel van de politieregio?

Onderdeel C

De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom het college zijn vrijheid behoudt om het gewicht van elke stem te bepalen en waarom dit niet landelijk wordt bepaald?

Onderdeel D

Het valt de leden van de PvdA-fractie op dat bij het nieuwe artikel 23 niet duidelijk is toegelicht volgens welke procedure gekomen wordt tot het Koninklijk Besluit voor de benoeming van de korpsbeheerder. Kan nauwkeurig worden aangegeven wie welke stappen zet en welke fasen moeten worden onderscheiden? Is er een regeling nodig voor het geval er tijdens de procedure conflicten ontstaan? Kunnen de betrokken burgemeesters bij een vacature voor het korpsbeheerderschap wel of niet solliciteren?

De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom de korpsbeheerder niet gedwongen kan worden het beheer neer te leggen. Waarom kiest de regering voor de legitimatie van bovenaf in plaats van een decentrale verantwoordingsplicht?

Onderdeel E

De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de korpsbeheerder de taken en bevoegdheden van de korpschef dwingend kan opleggen? In hoeverre is dan nog sprake van evenwicht in het lokale subdriekhoeksoverleg?

Onderdeel F

De leden van de Groenlinks-fractie vragen of het klopt dat de korpschef in de lokale driehoek nog uitsluitend over het beheer en – met uitzondering van de uitvoering – niet meer over het beleid spreekt. Wat heeft de korpschef in de toekomst nog in te brengen in het regionale en lokale politiebeleid?

Onderdeel G

De regering geeft in feite zelf al toe dat een strikte scheiding niet goed mogelijk is, door in artikel 31, tweede lid, te bepalen dat in het beleidsplan ook de financiële en personele middelen ter verwezenlijking van dat plan moeten worden aangegeven, aldus de leden van de D66-fractie. Daarmee wordt toch niet meer maar ook niet minder gezegd dan dat het een niet zonder het ander kan en dat gezagsuitspraken vrijwel altijd beheersmatige consequenties hebben? Geldt overigens een dergelijke verplichting ook voor het jaarverslag?

Deelt de regering de vrees van de deze leden dat de in artikel 31 voorziene koppeling wel eens kan leiden tot tegenstrijdige uitspraken in beroep omdat voor kwesties betreffende de gezagsstructuur een andere beroepsgang is gecreëerd dan voor kwesties betreffende de beheersstructuur? Tegen beleidsstukken kan een lid van het regionaal college dan wel de gemeenteraad beroep instellen bij de commissaris van de Koningin, tegen de beheersstukken kan beroep worden ingesteld bij de minister. Kan het in een aantal gevallen niet althans voor een deel om dezelfde onderwerpen gaan? Is er in een conflictenregeling voorzien of moet zonodig dan maar worden teruggevallen op een hiërarchische relatie tussen minister en commissaris van de Koningin?

De leden van de D66-fractie begrijpen overigens niet waarom het beroepsrecht van de raad wordt gebonden aan de instemming van de burgemeester. De burgemeester heeft toch zijn zegje kunnen doen in het regionaal college. Als een raad over de uitkomsten ontevreden is, zou de raad dat toch in beroep aan de kaak moeten kunnen stellen, desnoods ondanks de mening van de burgemeester ten aanzien van de wenselijkheid van zo'n beroep? De leden van de D66-fractie vinden dat dit een gewone meerderheidsbeslissing van de raad moet kunnen zijn. Natuurlijk zal bij de besluitvorming de mening van de burgemeester duidelijk meewegen, maar om deze nu zo dominant op te leggen vinden deze leden erg ver gaan en zij horen graag van de regering waarom deze oplossing gekozen is.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe geschillen over beheersstukken worden beslecht.

De voorzitter van de commissie,

De Cloe

De griffier voor dit verslag,

Post


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Te Veldhuis (VVD), ondervoorzitter, De Cloe (PvdA), voorzitter, Van den Berg (SGP), Van de Camp (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Van der Hoeven (CDA), Van Heemst (PvdA), Noorman-den Uyl (PvdA), Oedayraj Singh Varma (GroenLinks), Hoekema (D66), Rijpstra (VVD), O.P.G. Vos (VVD), Rehwinkel (PvdA), Wagenaar (PvdA), Luchtenveld (VVD), de Boer (GroenLinks), Duijkers (PvdA), Verburg (CDA), Rietkerk (CDA), Halsema (GroenLinks), Kant (SP), Balemans (VVD), De Swart (VVD), De Pater-van der Meer (CDA) en Slob (ChristenUnie).

Plv. leden: Van Beek (VVD), Zijlstra (PvdA), Ravestein (D66), Van Wijmen (CDA), Bakker (D66), Balkenende (CDA), Barth (PvdA), Gortzak (PvdA), Rabbae (GroenLinks), Dittrich (D66), Cherribi (VVD), Van den Doel (VVD), Van Oven (PvdA), Apostolou (PvdA), Cornielje (VVD), Kuijper (PvdA), Belinfante (PvdA), Mosterd (CDA), T.H.A.M. Meijer (CDA), Van Gent (GroenLinks), Poppe (SP), Van Splunter (VVD), Nicolaï (VVD), Wijn (CDA) en Rouvoet (ChristenUnie).

Naar boven