27 560
Wijziging van de Politiewet 1993 in verband met de aanpassing van de bevoegdheden op regionaal niveau, alsmede van de bevoegdheden van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten

nr. 1
KONINKLIJKE BOODSCHAP

Aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een voorstel van wet tot wijziging van de Politiewet 1993 in verband met de aanpassing van de bevoegdheden op regionaal niveau, alsmede van de bevoegdheden van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten.

De memorie van toelichting, die het wetsvoorstel vergezelt, bevat de gronden waarop het rust.

En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming.

's-Gravenhage

14 december 2000

Beatrix

nr. 2
VOORSTEL VAN WET

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! Doen te weten:

Alzo wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de verschillende bevoegdheden op regionaal niveau, alsmede de bevoegdheden van de Raad voor het Korps landelijke politiediensten aan te passen en de Politiewet 1993 in dit opzicht te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Politiewet 1993 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 14 komt als volgt te luiden:

Artikel 14

1. De burgemeester en de officier van justitie overleggen regelmatig tezamen met het hoofd van het territoriale onderdeel van het regionale politiekorps, binnen wiens grondgebied de gemeente geheel of ten dele valt, en, zo nodig, met de korpschef.

2. Het in het eerste lid bedoelde overleg vindt in elk geval plaats over:

a. de taakuitvoering van de politie;

b. de inzet van personeel, materieel en middelen, die op grond van de in de artikelen 31, eerste lid, en 33, eerste lid, bedoelde stukken voor het territoriale onderdeel zijn bestemd.

B

In artikel 21 wordt na het vierde lid een lid toegevoegd, luidende:

5. De regio heeft haar zetel in de gemeente die in de bijlage, genoemd in het eerste lid, als zodanig voor elke regio is aangewezen.

C

Artikel 22 komt als volgt te luiden:

Artikel 22

1. In elke regio is een regionaal college dat bestaat uit de burgemeesters van de gemeenten in de regio en de hoofdofficier van justitie. Aan de vergaderingen van het regionale college wordt tevens deelgenomen door de korpschef.

2. Voorzitter van het regionale college is de korpsbeheerder. Hij vertegenwoordigt de regio in en buiten rechte.

3. Op de burgemeesters, bedoeld in het eerste lid, is artikel 180 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

4. Het regionale college stelt regels vast over zijn werkwijze. Deze regels bepalen in elk geval de minimum-termijn waarop de vergaderingen worden uitgeschreven, het vereiste aantal leden dat aanwezig moet zijn om rechtsgeldig besluiten te nemen, het stemrecht van de leden, alsmede de gevallen waarin de besluitvorming schriftelijk dan wel mondeling geschiedt.

5. Bij het staken van de stemmen in het college geeft die van de voorzitter de doorslag.

6. De vergaderingen van het regionale college zijn openbaar. De voorzitter is bevoegd de deuren te sluiten, indien dit uit een oogpunt van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of op gronden, ontleend aan het algemeen belang, wenselijk wordt geacht.

7. De besluiten van het regionale college en de verslagen van de vergaderingen van het regionale college worden ter kennis gebracht van de gemeenteraden in de regio, de commissaris van de Koning en het College van procureurs-generaal.

D

Artikel 23 komt als volgt te luiden:

Artikel 23

1. In elke regio is een korpsbeheerder die bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gehoord het regionale college, wordt benoemd en herbenoemd uit de burgemeesters van de gemeenten in de regio voor een periode van zes jaar. Hij kan te allen tijde bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden geschorst en ontslagen.

2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vraagt ter zake van de benoeming, herbenoeming, schorsing en het ontslag advies aan de commissaris van de Koning, die volgens bij de ambtsinstructie, bedoeld in artikel 182 van de Provinciewet, gegeven regels advies uitbrengt, en, door tussenkomst van Onze Minister van Justitie, aan het College van procureurs-generaal.

3. Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen nadere regels worden gegeven omtrent de bij de benoeming te volgen procedure.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties worden regels gegeven omtrent de rechtspositie van de korpsbeheerder.

5. Het regionale college wijst in overeenstemming met de korpsbeheerder een burgemeester van een gemeente in de regio aan die de korpsbeheerder bij afwezigheid, belet of ontstentenis vervangt.

E

Voor de bestaande tekst van artikel 24 wordt de aanduiding «1.» geplaatst en twee nieuwe leden worden toegevoegd luidende:

2. De dagelijkse leiding van het regionale politiekorps berust bij de korpschef.

3. De korpsbeheerder stelt in een instructie nadere regels vast met betrekking tot de taken en bevoegdheden van de korpschef.

F

In artikel 27, eerste lid, wordt «over het beheer van het regionale politiekorps» vervangen door: over de uitvoering van het beleidsplan en het jaarplan.

G

Artikel 28 komt als volgt te luiden:

Artikel 28

1. De korpsbeheerder stelt ten minste eenmaal in de vier jaar in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie het ontwerp van het beleidsplan voor het regionale politiekorps op.

2. De korpsbeheerder stelt jaarlijks in overeenstemming met de hoofdofficier van justitie het ontwerp van het jaarplan en het jaarverslag voor het regionale politiekorps op.

3. De in het eerste en tweede lid bedoelde stukken worden onverwijld ter kennis gebracht van de gemeenteraden in de regio, de commissaris van de Koning, alsmede het College van procureurs-generaal en ter vaststelling toegezonden aan het regionale college.

4. Het ontwerp van het beleidsplan en het ontwerp van het jaarplan worden niet vastgesteld, dan nadat de gemeenteraden in de regio in de gelegenheid zijn gesteld de prioriteiten voor de openbare orde en veiligheid in hun gemeenten kenbaar te maken.

H

Artikel 29 komt als volgt te luiden:

Artikel 29

1. Indien de hoofdofficier van justitie en de korpsbeheerder niet met elkaar tot overeenstemming kunnen komen over de in artikel 28, eerste en tweede lid, bedoelde stukken, legt de korpsbeheerder dit verschil van zienswijze schriftelijk voor aan de commissaris van de Koning. De commissaris van de Koning beslist in overeenstemming met het College van procureurs-generaal. De korpsbeheerder brengt de stukken in overeenstemming met het besluit van de commissaris van de Koning.

2. Indien de commissaris van de Koning en het College van procureurs-generaal niet tot overeenstemming komen over het te nemen besluit, wordt het verschil van zienswijze door de commissaris van de Koning voorgelegd aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties die alsdan, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie, beslist. De korpsbeheerder brengt de stukken in overeenstemming met het besluit van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

I

Artikel 31 komt als volgt te luiden:

Artikel 31

1. Het regionale college stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het beleidsplan en jaarlijks het jaarplan en het jaarverslag voor het regionale politiekorps vast. Onverminderd de zeggenschap van het bevoegd gezag is de korpsbeheerder eindverantwoordelijk voor de uitvoering van het beleidsplan en het jaarplan.

2. In het beleidsplan wordt aangegeven met welke personele en financiële middelen wordt beoogd het plan en zijn onderdelen te verwezenlijken, met inbegrip van de met inachtneming van de omstandigheden van de betrokken regio op te nemen landelijke beleidsthema's, bedoeld in artikel 43a, eerste lid.

3. Het jaarplan bevat een nadere uitwerking van het beleidsplan, bedoeld in het eerste lid, met inachtneming van de door Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie op basis van artikel 43b vastgestelde nadere uitwerking van het beleidsplan, bedoeld in het artikel 43a, eerste lid.

4. De resultaten die in het voorgaande jaar zijn behaald met de verwezenlijking van de landelijke beleidsthema's worden vermeld in het jaarverslag.

5. Zodra het beleidsplan, het jaarplan of het jaarverslag is vastgesteld, zendt de korpsbeheerder dit aan Onze Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Justitie.

J

Artikel 32 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt als volgt te luiden:

1. Tegen de vaststelling van de stukken, bedoeld in artikel 31, eerste lid, kan administratief beroep worden ingesteld bij de commissaris van de Koning door:

a. een lid van het regionale college indien het van oordeel is, dat het desbetreffende besluit van het regionale college op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van een goede vervulling van de politietaak in zijn ambtsgebied;

b. een gemeenteraad, in overeenstemming met de zienswijze van de burgemeester, indien de gemeenteraad en de burgemeester van oordeel zijn, dat het desbetreffende besluit van het regionale college op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van een goede vervulling van de politietaak in de desbetreffende gemeente.

2. Onder vernummering van het huidige tweede, derde, vierde en vijfde lid tot derde, vierde, vijfde en zesde lid wordt een nieuw lid ingevoegd luidende:

2. De commissaris van de Koning beslist in overeenstemming met het College van procureurs-generaal op het beroep. De korpsbeheerder brengt de stukken in overeenstemming met het besluit van de commissaris van de Koning.

3. In het nieuwe vierde lid wordt «het eerste en tweede lid» vervangen door: het tweede en derde lid.

K

Artikel 33 komt als volgt te luiden:

Artikel 33

1. De korpsbeheerder stelt jaarlijks, na overleg met de hoofdofficier van justitie, gehoord het regionale college, de organisatie, de formatie, de begroting en de jaarrekening voor het regionale politiekorps vast.

2. De in het eerste lid bedoelde stukken worden onverwijld ter kennis gebracht van de leden van het regionale college, de gemeenteraden in de regio, de commissaris van de Koning en het College van procureurs-generaal.

L

Artikel 34 komt als volgt te luiden:

Artikel 34

1. Tegen de vaststelling van de stukken, bedoeld in artikel 33, eerste lid, kan administratief beroep worden ingesteld bij Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties door:

a. het regionale college indien het van oordeel is dat het desbetreffende besluit van de korpsbeheerder op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het beleidsplan dan wel het jaarplan, bedoeld in artikel 31, eerste lid;

b. de hoofdofficier van justitie indien deze van oordeel is, dat het desbetreffende besluit van de korpsbeheerder, gelet op het beleidsplan dan wel het jaarplan, bedoeld in artikel 31, eerste lid, op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van een goede vervulling van de politietaak in zijn ambtsgebied;

c. een gemeenteraad, in overeenstemming met de zienswijze van de burgemeester, indien de gemeenteraad en de burgemeester van oordeel zijn, dat het desbetreffende besluit van de korpsbeheerder, gelet op het beleidsplan dan wel het jaarplan, bedoeld in artikel 31, eerste lid, op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het belang van een goede vervulling van de politietaak in de desbetreffende gemeente.

2. Het beroepschrift wordt ingediend door tussenkomst van de commissaris van de Koning. De korpsbeheerder brengt de stukken in overeenstemming met het besluit van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

M

Artikel 36 vervalt

N

Artikel 38c komt als volgt te luiden:

Artikel 38c

1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt ten minste eenmaal in de vier jaar in overeenstemming met het hoofd van het landelijk parket het ontwerp van het beleidsplan voor het Korps landelijke politiediensten op. In het beleidsplan wordt in ieder geval aangegeven met welke personele en financiële middelen wordt beoogd het plan en zijn onderdelen te verwezenlijken.

2. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt jaarlijks in overeenstemming met het hoofd van het landelijke parket het ontwerp van het jaarplan en het jaarverslag voor het Korps landelijke politiediensten op.

O

In artikel 38d wordt «het ontwerp van het beleidsplan, bedoeld in artikel 38c» vervangen door: de in artikel 38c, eerste en tweede lid, bedoelde stukken.

P

Artikel 39, tweede lid, komt als volgt te luiden:

2. De Raad voor het Korps landelijke politiediensten stelt ten minste eenmaal in de vier jaar het beleidsplan en jaarlijks het jaarplan en het jaarverslag voor het Korps landelijke politiediensten vast.

Q

Na artikel 39 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 39a

1. Het beleidsplan, het jaarplan en het jaarverslag voor het Korps landelijke politiediensten behoeven de instemming van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De instemming met het beleidsplan en het jaarplan wordt gegeven in overeenstemming met Onze Minister van Justitie. Het jaarverslag wordt aan Onze Minister van Justitie gezonden.

2. Indien aan enige door de Raad vastgestelde beslissing geheel of gedeeltelijke instemming is onthouden, wordt de Raad daarover onverwijld ingelicht, onder gelijktijdige kennisgeving aan de beide kamers der Staten-Generaal.

R

Artikel 41 komt als volgt te luiden:

Artikel 41

1. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt jaarlijks, gehoord de Raad voor het Korps landelijke politiediensten, de organisatie, de formatie, de begroting en de jaarrekening voor het Korps landelijke politiediensten vast.

2. Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister van Financiën kunnen op het Korps landelijke politiediensten van toepassing zijnde comptabele regels worden vastgesteld.

S

In artikel 41a wordt «het beleidsplan» vervangen door: het beleidsplan en het jaarplan.

T

In artikel 45, zesde lid, wordt «, met dien verstande dat de archiefbewaarplaats van de gemeente waarvan de burgemeester korpsbeheerder is,» vervangen door: , met dien verstande dat de archiefbewaarplaats van de gemeente waar de regio haar zetel heeft,.

U

In de bijlage als bedoeld in artikel 21, eerste lid, wordt «De burgemeester van de eerstgenoemde gemeente is korpsbeheerder, bedoeld in artikel 23, eerste lid» vervangen door: De regio heeft haar zetel in de eerstgenoemde gemeente.

ARTIKEL II

In onderdeel A van de bijlage bij de Algemene wet bestuursrecht wordt «4. De artikelen 29, eerste en tweede lid, 32, eerste en tweede lid, 34, derde lid, 35, tweede lid, en 38d van de Politiewet 1993» vervangen door «4. De artikelen 29, eerste en tweede lid, 32, eerste tot en met derde lid, 34, eerste lid, 35, tweede lid, 37, tweede lid, en 38d van de Politiewet 1993».

ARTIKEL III

In afwijking van artikel 23, eerste lid, van de Politiewet 1993 worden de burgemeesters die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet korpsbeheerder zijn, geacht als zodanig te zijn benoemd voor een periode die afloopt op het tijdstip waarop hun ambtstermijn als burgemeester afloopt.

ARTIKEL IV

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister van Justitie,

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Naar boven