27 556
Internationale aspecten van het beleid inzake brandweer en rampenbestrijding

nr. 3
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 november 2001

Eind vorig jaar deed ik u namens het kabinet de nota «Internationale aspecten van het beleid inzake brandweer en rampenbestrijding» (kamerstukken II 2000/2001, 27 556, nr. 2) toekomen. Over onder meer deze nota heb ik op 14 juni 2001 overleg gevoerd met de Vaste Commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In vervolg op dit overleg informeer ik u hierbij over de stand van zaken en de voortgang ten aanzien van:

• de grensoverschrijdende samenwerking met België en Duitsland op het gebied van de bestrijding van rampen en ongevallen;

• de grensoverschrijdende politiële samenwerking met België en Duitsland;

• het EU-mechanisme voor de coördinatie van interventies op het gebied van civiele bescherming in noodsituaties.

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

G. M. de Vries

Voortgangsrapportage grensoverschrijdende samenwerking met België en Duitsland op het terrein van de politie en de rampenbestrijding

1. Grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van de bestrijding van rampen en ongevallen

1.1. Ambulance-inzet tussen Nederland en België

In de nota «Internationale aspecten van het beleid inzake brandweer en rampenbestrijding» van 8 december 2000 (kamerstukken II 2000/2001, 27 556, nr. 2), gaf ik aan dat ik samen met de minister van VWS zou bezien of op korte termijn een bevredigende oplossing gevonden kon worden voor de problemen rond de financiering van ambulance-inzet tussen Nederland en België.

In mei en oktober 2001 hebben in het kader van de werkgroep grensoverschrijdende ambulancezorg in Brussel (ambtelijk) vervolg-overleggen plaatsgevonden tussen België, Nederland en Luxemburg. Concreet gaat het om de volgende aandachtspunten:

• de erkenning van Nederlandse ambulances binnen het Belgische 100-systeem (= alarmcentrales);

• inventarisatie van Nederlandse ziekenhuizen op grond van Belgische richtlijnen zodat Nederlandse ziekenhuizen in het Belgische 100-systeem kunnen worden opgenomen;

• verschil in bevoegdheden tussen Nederlandse ambulanceverpleegkundigen en Belgische ambulanciers;

• kostenverschillen in de berekening van ambulanceritten;

• radiocommunicatie in principe niet mogelijk tussen ambulance en meldkamer bij grensoverschrijdend ambulancevervoer;

• taalproblemen aan de Nederlandse grens met Wallonië.

Over erkenning van Nederlandse ambulances in het Belgische 100-systeem kan ik mededelen dat de Belgische Minister van Volksgezondheid er mee akkoord gaat om Nederlandse ambulances in het Belgische 100-systeem te erkennen en waar nodig binnen de 100-centrale de uitrukvolgorde zodanig aan te passen dat inschakeling van Nederlandse ambulances op Belgische grondgebied gestructureerd kan plaatsvinden. Met de implementatie hiervan is een aanvang gemaakt.

In de werkgroep grensoverschrijdende ambulancezorg is afgesproken dat Nederland en België gegevens uit zullen wisselen ten aanzien van de faciliteiten van de in de grensstreek gelegen ziekenhuizen. De in de grensstreken met België gelegen Nederlandse ziekenhuizen met eerstehulpafdelingen zullen worden erkend in het Belgisch systeem. In België gaat het om ziekenhuizen die bij Koninklijk Besluit zijn aangewezen als ziekenhuis met een spoedongevallendienst en over een Medisch Urgentie Team beschikken. Een eerste uitwisseling van gegevens over dit onderwerp heeft in oktober 2001 plaatsgevonden.

Over het verschil in bevoegdheden tussen Nederlandse en Belgische hulpverleners is afgesproken dat de oplossing hier gezocht moet worden in kennis van elkaars systemen. In dit verband verdient het initiatief van de GHOR-regio Zuid-Limburg vermelding. Tijdens een drietal dit voorjaar gehouden cursussen hebben ambulance hulpverleners, medisch specialisten, bestuurders en overige belanghebbenden uit Nederland, België en Nederland uitgebreid kennis kunnen maken met elkaars systemen op het terrein van de ambulancehulpverlening. Op dit moment wordt geïnventariseerd hoe de civielrechtelijke aansprakelijkheid van personeel dat betrokken is bij grensoverschrijdende dringende hulpverlening binnen de verschillende regio's die aan de buurlanden grenzen geregeld is. Bezien zal worden in hoeverre vervolgacties in de richting van verbetering dan wel van eenduidigheid noodzakelijk c.q. wenselijk zijn.

Over het verschil in kostenberekening van ambulanceritten is afgesproken dat de Belgische overheid onderzoekt of een vorm van garantstelling door de federale overheid mogelijk is waar het gaat om aanvullende vergoeding voor het duurdere Nederlandse ambulancevervoer1. In Beneluxverband zijn afspraken gemaakt over de manier waarop de verschillende facturerings- en terugbetalingsproblemen worden uitgewerkt. Medio 2002 moet hierover definitief uitsluitsel zijn.

Overigens zijn op plaatselijk niveau in een aantal «grensplaatsen» afspraken gemaakt over deze problematiek; in deze gemeenten stelt de betreffende Belgische gemeentelijke overheid zich garant voor het ontbrekende deel van de verzekeringsvergoeding. Het is de bedoeling dat er voor de gehele grensstreek een structurele regeling komt.

Goede communicatie over het soort incident en de noodzakelijke hulp en afspraken vooraf over de bevoegdheden van ambulancehulpverleners bij grensoverschrijdende hulpverlening zijn van cruciaal belang. In de komende maanden zullen in de Benelux werkgroep grensoverschrijdende ambulancezorg over deze onderwerpen nadere afspraken worden gemaakt.

Ten aanzien van de taalproblemen aan de Nederlandse grens met Wallonië, kan worden opgemerkt dat er in het kader van een Europees project begin 2002 een NL-DU-F-ENG woordenlijst beschikbaar komt.

1.2. Informatie-uitwisseling over mogelijke calamiteiten

In de nota «Internationale aspecten van het beleid inzake brandweer en rampenbestrijding» is aangekondigd dat Nederland het initiatief zal nemen tot het maken van afspraken tussen de overheden in Nederland, België en Duitsland over het elkaar informeren over mogelijke calamiteiten die ook in het andere land gevolgen kunnen hebben. In de gemeenschappelijke verklaringen met Noordrijn-Westfalen (NRW) van 16 november 2000 en Nedersaksen van 7 juni 2001 is opgenomen dat Nederland, NRW en Nedersaksen elkaar wederzijds zullen informeren over risicovolle objecten. Voor objecten die vallen onder de Seveso II richtlijn zijn op grond van een in maart 2001 te Düsseldorf overeengekomen protocol afspraken gemaakt over de informatie-uitwisseling. Door de ministeries van VROM en BZK zal in het voorjaar 2002 met de Belgische federale overheid en het Vlaamse en Waalse gewest overleg gevoerd worden om ook met de verantwoordelijke Belgische overheden te komen tot een protocol voor het uitwisselen van informatie over objecten die vallen onder de Seveso II richtlijn.

Het is echter van belang dat ook de decentrale overheden elkaar rechtstreeks informeren en niet uitsluitend over calamiteiten met Seveso-objecten. Er zijn vele gevaarzettende risico's die niet onder het regime van de Seveso-wetgeving vallen: te denken valt bijvoorbeeld aan inrichtingen op grond van het vuurwerkbesluit en opslagplaatsen van gevaarlijke stoffen en installaties op grond van de Mijnwet.

Daarnaast is van belang dat decentrale overheden elkaar informeren als er een gevaarlijke situatie lijkt te dreigen die aan de andere kant van de grens tot ongerustheid kan leiden. De brand op het grensoverschrijdende bedrijventerrein in Hazeldonk in maart van dit jaar heeft bijvoorbeeld aangetoond dat de informatie-uitwisseling, ondanks de daarover gemaakte afspraken, soms moeizaam verloopt. Dit is een van de punten die aan de orde zijn in het voortgangsoverleg met NRW en Nedersaksen.

De in Hazeldonk opgedane ervaring heeft er toe geleid dat er een project is opgezet onder leiding van de burgemeester van Breda dat er toe moet leiden dat de landsgrensoverschrijdende samenwerking met België bij de bestrijding van rampen -en zware ongevallen verder wordt verbeterd. Bij dit project zijn ook de provincies Noord-Brabant en Antwerpen betrokken.

In de volgend jaar te ondertekenen gemeenschappelijke verklaring met Vlaanderen zal eveneens aandacht worden besteed aan de informatie-uitwisseling door decentrale overheden bij dreiging van gevaarlijke situaties met gevolgen voor het buurland.

1.3. Voorbereiding kernongevallenbestrijding

Na de aanslagen in de VS van 11 september jl. is de discussie rond de veiligheid van kerncentrales extra actueel geworden. Gezien het feit dat ongevaleffecten in het algemeen afnemen met de afstand van de bron, zijn voornamelijk de kerninstallaties binnen Nederland en in de onmiddellijke omgeving van de Nederlandse grens van belang. Het gaat hierbij om de volgende kerninstallaties in bedrijf:

Nederland:Borssele
België:Doel
Duitsland:Lingen

De wijze waarop de overheid zich heeft voorbereid op de bestrijding van kernongevallen staat beschreven in het Nationaal Plan voor de Kernongevallenbestrijding (NPK), (kamerstukken II 1988–1989, 21 015). Het NPK dateert uit 1989 en is opgesteld naar aanleiding van de ramp met de kerncentrale in Tsjernobyl in 1986. Het plan vormt de basis voor een gecoördineerde inzet van de verschillende bestuurslagen en uitvoerende diensten bij een ongeval met een binnenlandse of buitenlandse kerncentrale.

Ontwikkelingen op het bredere terrein van de crisisbeheersing en rampenbestrijding hebben in de jaren negentig al geleid tot veranderde inzichten, mogelijkheden en werkwijzen. In relatie tot het NPK leidde dit tot de conclusie dat het plan tien jaar na de vaststelling ervan aan herijking toe was.

Vandaar dat ik al begin 2000 tezamen met de minister van VROM, die eerstverantwoordelijk minister is op dit terrein, besloten heb tot het project Revitalisatie Nationaal Plan Kernongevallenbestrijding (RNPK). Doel hiervan is de voorbereiding op kernongevallen te verbeteren en meer zichtbaar te maken in het algemene systeem van de rampenbestrijding. Zoals in de voortgangsrapportage van het kabinet over terrorismebestrijding en veiligheid van 5 oktober 2001 is aangegeven (kamerstukken II 2001/2002, 27 925, nr. 21), zullen de belangrijkste acties versneld worden uitgevoerd en zal binnenkort een tussenrapportage hierover aan de TK worden aangeboden.

1.4. Risicokaart

In de nota «Internationale aspecten van het beleid inzake brandweer en rampenbestrijding» is vermeld dat in alle grensgebieden een risicokaart dient te worden gemaakt, in samenhang met de risicoanalyse die in de periode tot medio 2002 door de Nederlandse regio's worden uitgevoerd. In het kabinetsstandpunt Vuurwerkramp is toegezegd dat ik het initiatief zal nemen om een model van een risicokaart te ontwikkelen die in alle gemeenten toepasbaar is. Inmiddels is met de ontwikkeling van dit laatste gestart door middel van het project «Ondersteuning gemeenten bij risicocommunicatie». Zodra een dergelijk model is ontwikkeld, kan dit ook worden aangewend voor de grensgebieden. De verwachting is dat de model-risicokaart medio 2002 beschikbaar is voor de gemeenten In samenhang hiermee zal een landelijke database van risicosituaties met gevaarlijke stoffen worden ontwikkeld. Het voortouw bij het ontwikkelen van deze database ligt bij het ministerie van VROM.

1.5. Internationaal multidisciplinair oefenen

In de nota «Internationale aspecten van het beleid inzake brandweer en rampenbestrijding» gaf ik aan het internationaal multidisciplinair oefenen te zullen ondersteunen door het samen met enkele regio's organiseren van oefeningen. Op basis van de ervaringen van deze oefeningen zou door BZK een checklist opgesteld worden met aandachtspunten voor alle grensregio's. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in 2001 financieel bijgedragen aan een tweetal multidisciplinaire grensoverschrijdende oefeningen. De eerste was een operationele oefening in Nütterden bij Kleve en vond op 20 september 2001 plaats. Hierbij waren de hulpdiensten uit Nijmegen en de Kreis Kleve betrokken. De GHOR-Zuid-Limburg heeft op 25 oktober 2001 in Heerlen een grensoverschrijdende stafoefening met een belangrijke geneeskundige component gehouden. Geoefend werd volgens de systematiek van Emergo-train. Voordelen van deze oefenmethodiek zijn:

• de besluitvorming binnen de gehele medische keten, van alarmering tot behandeling in het ziekenhuis, kan in de oefening aan bod komen;

• alle deelnemers kunnen zich vooraf op de situatie, op de genomen besluiten en de gevolgen van de besluiten voorbereiden, waardoor het leereffect vergroot wordt;

• deelnemers zitten bij elkaar in één ruimte waardoor men elkaars jargon leert kennen. Eventuele spraakverwarring of taalproblemen kunnen direct worden besproken;

• het ongevalscenario kan worden aangepast aan alle typen rampen en kan zo realistisch mogelijk worden beoefend.

Het bijzondere aan deze oefening was dat alle Nederlandse en Duitse deelnemers van tevoren volgens één en dezelfde systematiek zijn opgeleid en getraind. Deze oefening is tezamen met de Feuerwehr Aachen en het Traumacentrum AZM uitgevoerd. Ook het ministerie van Binnenlandse Zaken van het Land Noordrijn-Westfalen heeft deze oefening financieel ondersteund. Voor de evaluatie van deze oefening zijn o.a. vertegenwoordigers van het Landesinnenministeriums van NRW, Nedersaksen en de Regierungsbezirke Münster, Düsseldorf en Köln uitgenodigd.

In 2002 staan twee grotere grensoverschrijdende multidisciplinaire oefeningen op het programma:

• Awacs basis Tevern;

• Kerncentrale Lingen.

Voor beide oefeningen zal door BZK een bijdrage worden verstrekt. Duitse partners bekijken of zij financiële mogelijkheden hebben om hieraan ook bij te dragen.

Met België/Vlaanderen wordt thans eveneens gesproken over het organiseren van een multidisciplinaire oefening. Dit onderdeel zal ook worden opgenomen in de met Vlaanderen overeen te komen gemeenschappelijke verklaring die begin 2002 zal worden ondertekend.

Naar aanleiding van mijn voornemen om het internationaal multidisciplinair oefenen te faciliteren, is het project «Landoverschrijdend oefenen» van start gegaan.

Naast vertegenwoordigers van brandweer, politie en GHOR in de Nederlandse grensregio's zijn in de projectorganisatie ook vertegenwoordigers van België en Duitsland opgenomen. Het project vormt een onderdeel van het bredere project «Op weg naar effectief oefenen».

1.6. Grensoverschrijdende plannen

In de nota «Internationale aspecten van het beleid inzake brandweer en rampenbestrijding» gaf ik aan ik voornemens te zijn de totstandkoming van grensoverschrijdende plannen te stimuleren, onder andere door middel van incidentele subsidies. Het eerste Nederlandse rampenbestrijdingsplan dat afgestemd is met het toepasselijke Duitse Sonderschutzplan is op 5 februari 2001 ondertekend door de verantwoordelijke Nederlandse en Duitse autoriteiten; in dit specifieke geval de burgemeesters van Brunssum en Onderbanken enerzijds en de Landrat van de Landkreis Heinsberg anderzijds. Het betreft hier een rampenbestrijdingsplan voor de Awacs-vliegbasis in Tevern (D). Omdat hier sprake is van een NAVO-basis is tevens een driepartijen samenwerkingsconvenant gesloten met de commandant van de basis. Dit convenant maakt het mogelijk dat de Nederlandse brandweer, politie en GHOR op de vliegbasis hulp kunnen verlenen en vice versa de luchthavenbrandweer op Nederlands gebied kan opereren indien dat noodzakelijk is na een vliegtuigongeval.

In de Euregio-Rijn-Maas-Noord, omgeving Roermond/Mönchen Gladbach, wordt in maart 2002 een soortgelijke samenwerkingsovereenkomst gesloten. Het accent zal hier liggen op het in beeld brengen van grensoverschrijdende risico's en verbetering van de grensoverschrijdende alarmering (Euregionaal rampenplan). In beide gevallen heb ik financiële ondersteuning verleend bij het maken van de plannen.

In de Euregio Scheldemond (Provincies Zeeland, Oost en West-Vlaanderen) wordt begin 2002 gestart met het ontwikkelen van een Euregionaal rampenplan. Ik zal hiervoor een stimuleringsbijdrage verstrekken. Met de Belgische federale overheid wordt thans gesproken over een overeenkomstige inspanning van Belgische zijde.

Ook Nedersaksen heeft belangstelling getoond om te komen tot grensoverschrijdende rampenbestrijdingsplannen. In de tussen de regio's Twente en Achterhoek, de Kreis Borken en de Landkreis Grafschaft-Bentheim op 27 augustus 2001 afgesloten verklaring over grensoverschrijdende samenwerking bij rampen en (zware) ongevallen, wordt eveneens de start van de ontwikkeling van een Euregionaal rampenplan in 2002 aangekondigd.

Mijn streven is om in het kader van een afgestemde hulpverlening met de buurlanden langs de hele Nederlandse grens te komen tot een op elkaar afgestemde planvorming met Duitsland en België.

1.7. Gids met verantwoordelijkheden en bevoegdheden

In de eerdergenoemde nota is aangekondigd dat een gids zal worden uitgebracht, waarin de verschillende verantwoordelijkheden en bevoegdheden op het gebied van de rampenbestrijding in de drie landen worden vermeld. Deze elektronische gids zal uit twee onderdelen bestaan. Het eerste deel betreft een beschrijving van verantwoordelijkheden en bevoegdheden op het gebied van de rampenbestrijding in de drie landen. Deze beschrijving is in concept gereed in een Nederlandstalige, Duitstalige en Franstalige versie. Deze versie is aan de buurlanden voorgelegd en zal waar nodig op een aantal onderdelen nog worden geactualiseerd.

Het tweede deel zal bestaan uit een elektronisch overzicht van (namen, adressen, organogram) van alle organisaties langs de Nederlandse grens die te maken hebben met de rampenbestrijding.

Met de ontwikkeling hiervan is inmiddels begonnen.

Bij het samenstellen van deze elektronische gids zal tevens gebruik gemaakt worden van al bestaand materiaal uit het project voor Vlaams-Nederlandse samenwerking uit 1996 en het onderzoeksmateriaal van het Instituut Metro van de Universiteit van Maastricht uit 1997. De gids zal medio 2002 elektronisch beschikbaar komen.

1.8. Structureel (ambtelijk) overleg

In de nota gaf ik aan dat ik het initiatief zou nemen tot een structureel (ambtelijk) overleg waarin de Nederlandse rijksoverheid, Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen, de aan Duitsland grenzende provincies en euregio's participeren. Dit overleg is op verzoek van NRW en Nedersaksen gesplitst in twee overlegvormen, te weten (1) een overleg Nederland-Noordrijn-Westfalen en (2) een overleg Nederland-Nedersaksen.

Met het Innenministerium van NRW is afgesproken om voor dit beraad een stuurgroep in te stellen waarin de beide ministeries van Binnenlandse Zaken, de Euregio's, de aan Duitsland grenzende provincies en de Regierungsbezirke zijn vertegenwoordigd. In het overleg met NRW, waaraan ook het ministerie van VWS en het Landesministerium für Frauen, Jugend, Familie und Gesundheit deelnemen, zijn de volgende knelpunten naar voren gekomen:

• de uitwerking van de aanspraak op wederzijdse bijstand en inzet bij (zware) ongevallen en rampen;

• verschillende waarschuwingssystemen voor de bevolking bij rampen en (zware) ongevallen;

• grensoverschrijdende telecommunicatie bij rampen;

• inzetbereik van hulpverleningseenheden over de grens;

• bevoegdheden medisch personeel in beide landen;

• inzetregelingen voor ambulances;

• afstemming van wetgeving met betrekking tot spoedeisende medische hulpverlening.

In het kader van dit overleg wordt thans gewerkt aan oplossingen voor deze knelpunten.

De instelling van de formele overlegstructuur met Nedersaksen heeft eind november 2001 plaatsgevonden.

1.9. Grensoverschrijdende telecommunicatie

Wanneer Nederlandse hulpverleningsdiensten een landsgrens passeren om in een buurland assistentie te verlenen bij een ramp of calamiteit, is momenteel met de huidige reguliere radiocommunicatievoorzieningen geen contact mogelijk met een alarmcentrale en hulpverleningsdiensten in het buitenland. Dit is enerzijds te wijten aan niet op elkaar aansluitende weten regelgeving in Nederland, België en Duitsland en anderzijds aan de technische mogelijkheden. Deze situatie is ook van toepassing voor Duitse en Belgische hulpverleningsdiensten wanneer zij assistentie verlenen in Nederland. Bij het reguliere vervoer van patiënten tussen Nederland en België kunnen zich identieke problemen voordoen.

Ik heb onlangs met de minister van VWS de Belgische ministeries van Binnenlandse Zaken en van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu en de Duitse ministeries van Binnenlandse Zaken in de Deelstaten Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen verzocht medewerking te verlenen. Van Belgische zijde is aangegeven dat op korte termijn de gewenste oplossing kan worden ingevoerd.

Met de Duitse deelstaten Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen wordt thans overlegd.

Aan Nederlandse zijde werkt het ministerie van V&W aan een wijziging van de tekst in de frequentiemachtigingen die aan de regionale brandweerorganisaties is verstrekt. Nader onderzoek wordt uitgevoerd door het ministerie van V&W om te komen tot een vergelijkbare oplossing voor de ambulancediensten.

Opgemerkt dient te worden dat de oplossing van de vermelde problematiek van tijdelijke aard is, gezien de realisatie van het project «C2000» in Nederland, het project «Astrid» in België en de keuze die Duitsland (nog) moet maken voor het soort en type netwerk voor de OOV-diensten.

In januari 2002 zal bij wijze van proef de directe lijnverbinding tussen de alarmcentrale van de regionale brandweer «Westelijk Noord-Brabant» te Roosendaal en de 100-centrale te Antwerpen gedurende zes maanden worden aangesloten op het Nationaal Noodnet (NN). Deze directe lijnverbinding is indertijd aangelegd ten behoeve van de bevoegde hulpdiensten in geval van een ongeval in de kerncentrale te Doel (België) of in geval van een andere ramp- of ongevalsituatie in de Nederlandse provincie Noord-Brabant en de Belgische provincie Antwerpen.

Het doel van deze proef is het verkrijgen van informatie over de technische en operationele bruikbaarheid van deze grensoverschrijdende verbinding.

2. Grensoverschrijdende politiële samenwerking

2.1. Samenwerking met België

In opdracht van de Stuurgroep Internationale Politiesamenwerking wordt door het Nederlands Centrum voor Internationale Politiesamenwerking (NCIPS) in overleg met de betrokken Nederlandse en Belgische politiekorpsen een overzicht opgesteld van alle knelpunten in de grensoverschrijdende politiële samenwerking met België.

Tevens werkt het NCIPS in samenwerking met de betrokken Nederlandse en Belgische politiekorpsen aan een meerjarenplan voor de grensoverschrijdende samenwerking. Beide stukken zijn naar verwachting in april 2002 gereed.

Door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn enige projecten ondersteund die zijn bedoeld om de internationale, niet-operationele politiële samenwerking met België te verbeteren. In dit verband zijn subsidies verleend voor:

1. het verrichten van een onderzoek naar de invloed van de landsgrens op de veiligheid in het Zeeuws-Belgische grensgebied. Opdrachtgever voor deze studie is de provincie Zeeland. Aan de opdracht wordt uitvoering gegeven door een consortium bestaande uit de Universiteit van Gent en het onderzoeksbureau CMG. Dit onderzoek heeft ook betrekking op de niet-politiële veiligheid;

2. een gemeenschappelijk onderzoek van België en Nederland onder leiding van de Rijksuniversiteit van Groningen naar een onderhandelingsmodel bij gijzelingen en ontvoeringen. Bij dit onderzoek zal het bij gijzelingen en ontvoeringen gehanteerde model worden getoetst aan de ervaringen die zijn opgedaan op dit terrein;

3. een grootschalige internationale oefening op het gebied van gijzelingen en ontvoeringen. Aan deze oefening die eind november is gehouden, namen politiemensen uit Nederland, Duitsland en België deel;

4. de ontwikkeling van een projectplan door het ITO voor een proef op het gebied van grensoverschrijdende communicatie. Aan deze proef nemen België, Duitsland en Nederland deel. Het project is bekend onder de afkorting TETRA.

Evident is dat er naast de voornoemde activiteiten tussen de Nederlandse en Belgische korpsen in voorkomende gevallen op ad hoc basis contacten worden gelegd.

De uitvoering van initiatieven welke specifiek zijn gericht op de verbetering van de grensoverschrijdende samenwerking met België, zijn op verzoek van de Belgische autoriteiten de afgelopen maanden getemporiseerd. Dit kwam enerzijds vanwege de activiteiten welke de Belgische politie in het kader van het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie hebben ondernomen. Anderzijds bevindt de Belgische politie zich in een reorganisatieproces.

2.2. Samenwerking met Duitsland

In navolging van afspraken met de deelstaten Nedersaksen en Nordrhein-Westfalen, waarover uw Kamer tijdens het overleg op 14 juni 2001 werd geïnformeerd, is in opdracht van de Stuurgroep Internationale Politiesamenwerking door het NCIPS een analyse verricht van de knelpunten welke zich ten aanzien van de grensoverschrijdende samenwerking voordoen. Een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van het ministerie van Justitie, het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het OM, het NCIPS en de Nederlandse politiekorpsen, en vertegenwoordigers van de ministeries van Binnenlandse Zaken van de deelstaten Nedersaksen en Nordrhein-Westfalen alsmede het bondsministerie van Binnenlandse Zaken is thans doende een actieplan op te stellen, dat in het eerste kwartaal van 2002 gereed zal zijn.

Daarbij zullen de knelpunten worden betrokken die zijn gesignaleerd in een door de universiteit van Maastricht uitgevoerd onderzoek naar grensoverschrijdende politiële informatie-uitwisseling vanuit Nederlands perspectief.

Tevens is in navolging van de afspraken met de deelstaten Nedersaksen en Nordrhein-Westfalen in Dinxperlo een gemeenschappelijk politiebureau ingericht van waaruit op experimentele basis wordt samengewerkt. In Groningen heeft de Nederlandse en Duitse politie ruimtes voor gezamenlijk overleg in het gebouw van de Eems-Dollard Regio te Nieuwerschans.

Binnenkort wordt in Kerkrade voorts een politiebureau op de Duits-Nederlandse grens geopend.

Overigens verleent het ministerie van BZK subsidies aan initiatieven op grond van de Uitvoeringsovereenkomst van het verdrag van Schengen bevordert. Zo werd in 2001 een Nederlands-Duitse ME-oefening gesubsidieerd. Voorts wordt verwezen naar de hiervoor genoemde activiteiten in tripartiete verband.

In de grensstreek met Duitsland worden op regionaal niveau diverse concrete activiteiten ondernomen om de grensoverschrijdende samenwerking te verbeteren.

De werkgroep KODAG is een werkgroep waarin de coördinatoren voor internationale samenwerking van de Nederlandse regiokorpsen Groningen, Drenthe, IJsselland en Twente en de politie van het regierungsbezirk Weser-Ems en de Regionale Verbindungsstelle in Lingen deelnemen. De werkgroep is gepositioneerd onder een structureel overleg van de korpschefs van deze korpsen en beoogt te komen tot het realiseren van opleidingen, preventie, informatie-uitwisseling, communicatie en bereikbaarheid, uitwisseling van medewerkers en de coördinatie van tactische ondersteuning.

De NEBEDEAGPOL (afkorting voor de Nederlands-Belgische-Deutsche-Arbeitsgemeinschaft der Polizei) is een overlegstructuur ten behoeve van gebiedsgebonden overleg tussen politiechefs, de Koninklijke Marechaussee en de Duitse Bundessgrensschutz in de Euregio Maas-Rijn. In NEBEDEAGPOL wordt concreet gewerkt aan:

• het verbeteren van het optreden van de politie op het in het grensgebied gelegen bedrijfsterrein AVANTIS. Hierover zijn inmiddels voorstellen gedaan die zullen worden meegenomen in het actieplan dat voortvloeit uit de voornoemde knelpuntenanalyse.

• Het verbeteren van de concrete samenwerking van de technische recherche uit de betrokken landen. Inmiddels is vastgelegd op welke concrete punten een verbetering kan worden gerealiseerd. Door middel van een project zal deze verbetering vorm worden gegeven.

• Het inventariseren van voorziene momenten waarbij grensoverschrijdende politiële samenwerking een rol zal gaan spelen. Deze inventarisatie vormt de basis voor een jaarprogramma 2002 waarin alle vormen van grensoverschrijdende assistentie in de betrokken regio's wordt opgenomen.

• Het bevorderen van de integrale veiligheidszorg in de betrokken regio's. Hiertoe worden thans onderwerpen geselecteerd die zich lenen voor een trilaterale uitwisseling van expertise op dit gebied. De geïnventariseerde punten zullen in een meerjarenprogramma worden opgenomen.

• Het leveren van een bijdrage aan landelijke beleidstrajecten zoals de eerder genoemde knelpuntenanalyse.

Tenslotte vinden er op regionaal niveau vele vormen van operationele samenwerking plaats. Enkele in het oog springende voorbeelden hiervan zijn:

• de inzet van Nederlandse politieambtenaren op Duitse kerstmarkten;

• de inzet van Duitse politieambtenaren op Nederlandse evenementen (zoals de TT en Pinkpop) en op de stranden van Scheveningen en Zeeland;

• de gezamenlijke begeleiding van grensoverschrijdende sportevenementen (zoals wielerrondes);

• het verrichten van gemeenschappelijke controles op grensoverschrijdende autowegen en in internationale treinen.

Evident is dat er naast de voornoemde activiteiten tussen de Nederlandse en Duitse korpsen in voorkomende gevallen op ad-hoc basis contacten worden gelegd.

3. Europese Unie

3.1. Mechanisme voor de coördinatie van interventies op het gebied van civiele bescherming in noodsituaties

Zowel in de nota «Internationale aspecten van het beleid inzake brandweer en rampenbestrijding» (kamerstukken II 2000/2001, 27 556, nr. 2), alsmede in de zgn. BNC-fiche van 15 januari 2001 (kamerstukken II 2000/2001, 22 112, nr. 180), en in de geannoteerde agenda voor de JBZ-Raad van 28 en 29 mei 2001(kamerstukken II, 2001/2002, 23 490, nrs. 6h en 191) is uw Kamer reeds geïnformeerd over het voorstel van de Europese Commissie om te komen tot een communautair mechanisme voor de coördinatie van interventies op het gebied van civiele bescherming in noodsituaties. Op 24 oktober 2001 is de Raad akkoord gegaan met genoemd voorstel van de Commissie. Dit mechanisme omvat een reeks elementen en maatregelen, zoals:

• de inventarisatie van de voor bijstandsinterventies in noodsituaties in de lidstaten beschikbare interventieteams en overige interventieondersteuning;

• het opzetten en uitvoeren van een opleidingsprogramma voor interventieteams en overige interventieondersteuning, alsmede voor deskundigen voor de evaluatie- en/of coördinatieteams;

• werk- en studiebijeenkomsten en proefprojecten over belangrijke aspecten van interventies;

• het oprichten en zo nodig uitzenden van evaluatie- en/of coördinatieteams;

• de totstandbrenging en het beheer van een waarnemings- en informatiecentrum;

• de totstandbrenging en het beheer van een gemeenschappelijk noodcommunicatie- en informatiesysteem;

• andere ondersteunende maatregelen, zoals maatregelen ter vergemakkelijking van het vervoer van middelen voor bijstandsverlening.

Nederland heeft zich vanaf het begin voorstander getoond van dit initiatief van de Commissie. Wel is van Nederlandse zijde steeds aangedrongen op nauwe samenwerking en overleg met andere internationale organisaties zoals de NAVO en de VN teneinde duplicatie van inspanningen te voorkomen. De Commissie heeft toegezegd de samenwerking met andere internationale organisaties en andere betrokkenen te bespreken en nader uit te werken. De lidstaten en de Commissie hebben afgesproken om het mechanisme uiterlijk zes maanden na het besluit van de Raad, te weten 24 april 2002, operationeel te hebben.

Na de aanslagen in de VS van 11 september 2001 is in Raadsverband besloten tot het versneld uitvoeren van diverse activiteiten in het kader van het communautair mechanisme, zoals:

• het opzetten van een group of experts op het terrein van Nucleair, Biologisch en Chemisch, die 24-uur per dag bereikbaar en beschikbaar is voor assistentie in één van de lidstaten;

• versterking van het huidige netwerk van points of contact in de lidstaten. Hiertoe zullen de nationale and EU structuren op elkaar aangesloten worden via beveiligde telefoonlijnen;

• versterking van de interdepartementale samenwerking op nationaal en EU-niveau, in het bijzonder met geneeskundige diensten met het doel informatie te bundelen over serums, vaccins, antibiotica en de beschikbaarheid van bedden in ziekenhuizen voor gewonden, alsmede het uitwisselen van informatie over «early warning» systemen in de lidstaten;

• het opzetten van een systematische uitwisseling van informatie over ongevallen;

• het opzetten van een Task Force bestaande uit nationale experts die de Civil Protection Unit van de Europese Commissie zullen assisteren bij het opzetten van een informatie- en monitoringssysteem op het terrein van de rampenbestrijding;

Thans wordt onder leiding van het Belgisch voorzitterschap gewerkt aan de ontwikkeling van een format dat moet leiden tot een overzicht van de beschikbare mensen en middelen op het terrein van civiele bescherming in de lidstaten. Ten behoeve van dit overzicht wordt op dit moment in overleg met diverse ministeries geïnventariseerd welke bijdrage Nederland in dit kader zou kunnen leveren. Het is mijn voornemen om in ieder geval de thans in ontwikkeling zijnde bijstandseenheid voor search and rescue, die zowel in binnen- als buitenland inzetbaar is, aan te bieden ten behoeve van dit EU-mechanisme. Dit voornemen heb ik ook kenbaar gemaakt in een overleg dat ik op 6 maart 2001 heb gevoerd met EU-Commissaris Wallström van Milieu in Brussel. Voor meer informatie over deze bijstandseenheid verwijs ik u kortheidshalve naar de voortgangsrapportage over de uitvoering van de actiepunten Vuurwerkramp (kamerstukken II, 2001/2002, 27 157, nr. 44) van 12 oktober 2001, waarin uw Kamer is geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot deze bijstandseenheid.

3.2. Inzet EU-mechanisme in crisissituaties

Zoals in eerdergenoemde nota aangegeven werd door de Europese Raad van Helsinki van december 1999, voortbouwend op de conclusies van de Europese Raad van Keulen van juni 1999, overeengekomen «niet-militaire crisisbeheersingsmechanismen in te stellen met het oog op het coördineren en effectiever maken van de verschillende civiele middelen en instrumenten die de Unie en de lidstaten ter beschikking staan». Daarbij werd afgesproken een actieplan op te stellen dat moet leiden tot verbetering van het reactievermogen van de EU en de lidstaten in antwoord op een verzoek van een leidende instantie als de VN of de OVSE, of, in voorkomend geval, bij zelfstandige acties van de EU. Tijdens de Europese Raad van Feira van 19 en 20 juni 2000. zijn hierbij de volgende vier prioriteiten afgesproken: politie, versterking«rule of law», versterking openbaar bestuur en civiele bescherming.

Het Comité voor Civiele Crisisbeheersing (CCCM) is betrokken bij het maken van beleid dat betrekking heeft op het versterken van de civiele aspecten van crisismanagement. Een van de taken is het zorgdragen voor een geïntegreerde aanpak van de militaire en civiele componenten van crisisbeheersing. Het CCCM bereikt haar doelstellingen in nauwe samenwerking met de VN, OSCE en de Raad van Europa ter voorkoming van duplicatie van werkzaamheden. Het eerste jaar hebben de werkzaamheden van het CCCM de nadruk gehad op het versterken van internationale politiemissies.

Tijdens de Europese Raad van Göteborg in juni 2001 is besloten enkele concrete doelen op het terrein van civiele bescherming tijdens crisissituaties te formuleren. Besloten werd, dat de lidstaten voor 2003 in staat dienen te zijn om op basis van vrijwilligheid het volgende te leveren:

• 2 tot 3 assesment en/of coördinatie teams bestaande uit 10 experts, die afhankelijk van de omstandigheden binnen 3–7 uur uitgezonden zouden kunnen worden;

• op zeer korte termijn civiele bescherming interventieteams bestaande uit tenminste 2000 personen;

• aanvullende of meer gespecialiseerde materialen van de competente instanties binnen 2 dagen tot een week.

Door versterking van de mogelijkheden op het terrein van civiele bescherming zouden EU-missies zowel zelfstandig als onder de vlag van een andere internationale organisatie kunnen worden uitgevoerd. Civiele bescherming interventieteams zouden bestaande middelen ter plekke dienen te versterken en nauw samen dienen te werken met betrokken lokale autoriteiten en of andere internationale coördinatie mechanismen.

De ontwikkeling van de versterking van de mogelijkheden van de EU vereist een gedegen onderzoek naar de financiële aspecten, met name met betrekking tot de transport kosten.

Teneinde de effectiviteit van de civiele bescherming interventieteams te kunnen waarborgen zal voor 2003 een trainings- en oefenprogramma in het kader van crisismanagement dienen te worden vervaardigd. In dit programma zal gelet worden op de verenigbaarheid van de nationale eenheden met de Europese teams en de interoperabiliteit van de diverse (internationale) teams. De trainingsprogramma's dienen te worden ontwikkeld in samenwerking met mondiale en regionale internationale organisaties, teneinde gebruik te maken van wederzijdse kennis en ervaring en duplicatie te voorkomen.

Indien beschikbaar en gewenst zal gebruik dienen te worden gemaakt van militaire middelen, zoals transport, ter versterking van civiele bescherming operaties in crisissituaties. De samenwerking met militaire eenheden dient nog verder te worden uitgewerkt.

Thans wordt gewerkt aan het uitwerken van verschillende scenario's, die duidelijk dienen te maken welke middelen op het terrein van civiele bescherming in verschillende crisissituaties kunnen worden ingezet. Op basis van deze scenario's en de ervaringen van de civiele bescherming teams zal de capaciteit van de beschikbare middelen op het terrein van civiele bescherming in crisissituaties worden uitgewerkt.

Het EU-mechanisme zal een belangrijke rol spelen bij het behalen van de concrete doelen op het terrein van civiele crisisbeheersing.


XNoot
1

In de prijs van een ambulancerit zit in Nederland het verrichten van medisch handelen verdisconteerd en in België alleen de transportprijs; Belgen moeten zich bovendien aanvullend verzekeren voor ambulancehulpverlening. Daarnaast is het opleidingsniveau van Nederlands ambulancepersoneel hoger dan dat van Belgisch ambulancepersoneel.

Naar boven