Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 27556 nr. 2 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 27556 nr. 2 |
| 1 | Inleiding | 2 |
| 2 | Grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van de bestrijding van rampen en ongevallen | 2 |
| 2.1 | Spoedeisende medische hulpverlening | 3 |
| 2.1.1 | Grensoverschrijdende inzet van ambulances en personeel in Nederland en België | 3 |
| 2.1.2 | Grensoverschrijdende inzet van ambulances en personeel in Nederland en Duitsland | 4 |
| 2.1.3 | Modelovereenkomst grensoverschrijdende inzet ambulances | 4 |
| 2.1.4 | Grensoverschrijdende inzet van traumaheli's | 5 |
| 2.1.5 | Informatievoorziening grensregio's | 5 |
| 2.1.6 | Financiering van de ambulance-inzet | 5 |
| 2.2 | Gebruik van optische en geluidssignalen | 6 |
| 2.3 | Politieoptreden in het kader van hulpverlening bij rampen | 6 |
| 2.4 | Grensoverschrijdende telecommunicatie | 7 |
| 2.5 | Samenwerking bij kernongevallen | 8 |
| 2.6 | Samenwerking bij de bestrijding van wateroverlast | 9 |
| 2.7 | Grensoverschrijdende gevolgen van mogelijke calamiteiten in inrichtingen | 9 |
| 2.8 | Informatievoorziening bij calamiteiten | 10 |
| 2.9 | Opleiden en oefenen | 11 |
| 2.10 | Afstemming rampenplannen | 11 |
| 2.11 | Overige voornemens | 12 |
| 3 | Overige bilaterale samenwerking | 14 |
| 3.1 | Samenwerking met landen in Midden- en Oost-Europa | 14 |
| 3.2 | Bilaterale samenwerking met andere landen | 15 |
| 4 | Verenigde Naties | 15 |
| 5 | Europese Unie | 16 |
| 5.1 | Rampenbestrijding algemeen | 16 |
| 5.2 | Europees Actieprogramma rampenbestrijding 2000–2004 | 16 |
| 5.2.1 | Exchange of experts | 18 |
| 5.2.2 | Pilotproject Helikopterblussing | 18 |
| 5.3 | Nieuwe maatregelen van de Commissie op het terrein van de bijstandsverlening | 19 |
| 5.4 | Seveso en grensoverschrijdende informatieverschaffing | 20 |
| 5.5 | Normalisatie | 21 |
| 5.6 | Brandveiligheid | 21 |
| 5.7 | Veiligheid tunnels | 22 |
| 6 | NAVO | 22 |
| 6.1 | Review Civil Emergency Planning | 23 |
| 6.2 | Crisis Management Exercise (CMX) | 24 |
| 6.3 | Samenwerking met PvV-landen | 24 |
| 6.4 | Weapons of Mass Destruction (WMD) | 24 |
| 6.5 | Euro-Atlantic Disaster Response Coordination Centre | 25 |
| 7 | Samenwerking tussen de NAVO en de EU | 26 |
| 8 | De vuurwerkramp in Enschede: internationale aspecten | 26 |
| 9 | Internationale bijstand bij rampen | 27 |
| 10 | Samenvatting | 28 |
| Bijlage met actiepunten | 29 | |
NOTA «INTERNATIONALE ASPECTEN VAN HET BELEID INZAKE BRANDWEER EN RAMPENBESTRIJDING»
Op vrijwel alle beleidsterreinen van het ministerie van BZK is de internationale samenwerking toegenomen. Dit geldt ook voor de terreinen brandweer en rampenbestrijding. In deze nota wordt allereerst ingegaan op de grensoverschrijdende samenwerking met onze buurlanden België en Duitsland. Daarna worden de overige bilaterale samenwerkingsverbanden behandeld. Vervolgens wordt het beleid met betrekking tot de multilaterale samenwerking in het kader van respectievelijk de VN, de Europese Unie en de NAVO op de terreinen brandweer en rampenbestrijding in kaart gebracht, waarbij wordt aangegeven welke doelstellingen Nederland in deze internationale kaders nastreeft. In een afzonderlijk hoofdstuk wordt de samenwerking tussen de NAVO en de EU besproken en worden de Nederlandse aandachtspunten daarbij aangegeven. Ook is een apart hoofdstuk gewijd aan de internationale aspecten met betrekking tot de vuurwerkramp in Enschede. Tot slot wordt ingegaan op een in voorbereiding zijnde bijstandseenheid ten behoeve van hulpverlening bij rampen in het buitenland, in aanvulling op reeds bestaande hulpeenheden. Wellicht ten overvloede zij hierbij opgemerkt dat de leiding en coördinatie bij het verlenen van internationale humanitaire bijstand als volgt geregeld is. Binnen Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba en aan de grenzen van Nederland (België en Duitsland), coördineert het ministerie van BZK de bijstand bij rampen. Bij de formulering van het hulpaanbod aan andere landen leidt en coördineert het ministerie van BZ de noodhulprespons, waarbij overleg wordt gevoerd met betrokken ministeries, de betreffende ambassades, de autoriteiten van het getroffen land en betrokken internationale organisaties, waaronder de VN.
Voor de samenwerking op het gebied van brandweerzorg en rampenbestrijding met de Nederlandse Antillen en Aruba verwijs ik naar mijn afzonderlijke notitie1 over orkaanhulp van 21 juni 2000 aan de Kamer, waarin verslag wordt gedaan van de diverse lopende projecten op dit beleidsterrein. In deze nota wordt met name ingegaan op onderwerpen op de terreinen brandweer en rampenbestrijding, waarvoor het ministerie van BZK verantwoordelijk is dan wel een coördinerende rol vervult.
2 Grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van de bestrijding van rampen en ongevallen
In zijn brief2 d.d. 13 juli 2000 heeft het kabinet zijn geactualiseerde visie op de grensoverschrijdende samenwerking tussen decentrale overheden in het algemeen gegeven. In dit hoofdstuk zal specifiek worden ingegaan op de grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van de bestrijding van rampen en ongevallen. Bij brief3 van 15 december 1999 heb ik de Kamer een voortgangsbericht inzake de grensoverschrijdende ongevals- en rampenbestrijding aangeboden. Ik schreef daarin te zullen bezien in hoeverre knelpunten op de middellange termijn kunnen worden opgelost. Bij brief4 van 16 december 1999 heb ik de Kamer de beleidsnota Rampenbestrijding 2000–2004 aangeboden. In deze beleidsnota heb ik mededeling gedaan van een door de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en mij geëntameerd onderzoek naar de knelpunten en mogelijke oplossingen op het gebied van de spoedeisende grensoverschrijdende medische hulpverlening en aangekondigd dat na afronding van dat onderzoek de Kamer wordt geïnformeerd over de te nemen maatregelen. Een exemplaar van het door het Instituut voor toegepast sociale wetenschappen (ITS) opgesteld onderzoeksrapport heb ik reeds aan de Kamer doen toekomen. Dit rapport doet aanbevelingen voor de korte en voor de lange termijn. Een aanbeveling voor de korte termijn is het sluiten van een overeenkomst met België respectievelijk Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen om bestaande knelpunten bij de grensoverschrijdende spoedeisende medische hulpverlening weg te nemen. Een overeenkomst met een dergelijke algemene strekking acht ik niet nodig. Een aantal knelpunten is immers opgelost. Zo bestaat er duidelijkheid over de bevoegdheden van ambulancepersoneel dat in een ander land wordt ingezet, zijn er regelingen getroffen over de bijzondere optische en geluidssignalen en wordt voorts over dit laatste onderwerp een Nederlands-Duitse overeenkomst voorbereid. Ook worden er voorzieningen getroffen voor een verbetering van de grensoverschrijdende telecommunicatie, waarbij ik, indien nodig en mogelijk, het sluiten van overeenkomsten op de langere termijn overigens niet uitsluit.
Andere knelpunten op het gebied van de spoedeisende medische hulpverlening kunnen op decentraal niveau worden opgelost. Een andere aanbeveling voor de korte termijn, te weten het op decentraal niveau maken van afspraken, kan ik van harte ondersteunen. Waar op dit niveau reeds afspraken zijn gemaakt, zijn ook oplossingen gevonden inzake de verrekening van kosten van ambulanceritten over de grens. Een standaardisering in Europees verband van eisen voor het uiterlijk en de inrichting van ambulances, een lange termijn aanbeveling uit het rapport, acht ik niet noodzakelijk en thans ook niet reëel. Wel wordt in veel landen op vrijwillige basis het star of life embleem gevoerd. In het navolgende ga ik op een aantal onderwerpen nader in, waarbij waar nodig ook de aanbevelingen uit het hierbovengenoemde ITS-rapport behandeld zullen worden.
2.1 Spoedeisende medische hulpverlening
Het grensgebied van Nederland met Duitsland en België kent verschillende samenwerkingsvormen op het gebied van de spoedeisende medische hulpverlening. Hierbij dient gedacht te worden aan het sluiten van overeenkomsten, het op elkaar afstemmen van werkwijzen en samenwerking die zich nog in het oriënterende stadium bevindt.
Uit het bovengenoemde onderzoek naar knelpunten en mogelijke oplossingen op het gebied van de spoedeisende medische hulpverlening blijkt, dat er vooral nog problemen zijn doordat men soms niet bekend is met elkaars bevoegdheden, doordat de wet- en regelgeving soms niet op elkaar aansluit en doordat de grensoverschrijdende telecommunicatie niet optimaal verloopt. Het onderzoeksrapport geeft ook de thans bestaande mogelijkheden van samenwerking op dit terrein aan.
Inzake de bevoegdheden van Duits en Belgisch ambulancepersoneel om in Nederland op te treden en omgekeerd kan het volgende worden opgemerkt. Op grond van EG-richtlijnen inzake dienstverlening (met name de sectorale richtlijnen voor artsen1 en voor verpleegkundigen2 ) is het vrije verkeer van personen en diensten gewaarborgd en worden het deskundigheidsniveau en de diploma's erkend. De dienstverlener is echter, naast aan de voor hem geldende regels van het land van herkomst, voor wat betreft de beroepsuitoefening gebonden aan de protocollen en de wet- en regelgeving van het ontvangende land. Hiermee wordt inhoud gegeven aan de begrenzing van de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid.
2.1.1 Grensoverschrijdende inzet van ambulances en personeel in Nederland en België
Het bovenstaande betekent dat de Nederlandse ambulanceverpleegkundige in België de handelingen die zijn voorbehouden aan een arts, uitsluitend mag uitvoeren in opdracht van een bevoegde arts en naar bekwaamheid. De handelingsbekwaamheid van de verpleegkundige voor het uitvoeren van aan een arts voorbehouden handelingen wordt in Nederland door een bevoegde arts vastgesteld. Die handelingsbekwaamheid wordt regelmatig getoetst. De verpleegkundige voert de handelingen wel zonder de aanwezigheid van een arts uit als het ware vanuit een generieke opdracht van een bevoegde arts. Deze inhoudelijke beroepsuitoefening valt echter niet binnen de reikwijdte van de eerdergenoemde EG-richtlijnen. Voor de beroepsuitoefening gelden conform genoemde Europese richtlijnen met name de disciplinaire bepalingen van professionele of administratieve aard die in de ontvangende lidstaat van toepassing zijn. Dit houdt in dat in België de Nederlandse ambulanceverpleegkundige de aldaar aan een arts voorbehouden handelingen dan ook niet, anders dan onder direct toezicht van een arts, mag verrichten. Het personeel van de Belgische MUG-teams (MUG is een mobiele urgentie groep, waarvan een arts en een verpleegkundige met specialisatie intensieve zorg deel uitmaken) mag ook in Nederland optreden. Een MUG-team mag in Nederland in ieder geval hetzelfde doen als Nederlands ambulancepersoneel. In geval van bijstand gaat het veelal om noodsituaties. Daarom ligt het vragen om bijstand van alleen een Belgische ambulance (zonder MUG) minder in de rede. Het personeel van een Belgische ambulance (zonder MUG) is namelijk soms alleen opgeleid voor hulpverlening op het niveau van Eerste Hulp. Dit personeel mag in Nederland die handelingen verrichten waartoe het bekwaam is, dus in ieder geval het op de plaats van het ongeval verrichten van EHBO.
In België geldt het zogeheten 100-systeem bij melding van ongevallen en de afhandeling daarvan in relatie tot de inzet van ambulances en MUG-teams en bij de opname van ongevalspatiënten in ziekenhuizen. Het ITS-rapport wijst erop dat dit 100-systeem een vast systeem van uitrukvolgorde van ambulances kent. Zonder wijziging van de uitrukvolgorde kunnen de hulpcentrales 100 niet zondermeer een Nederlandse ambulance oproepen. Daarom zouden de Nederlandse ambulances (als categorie) binnen het 100-systeem moeten worden opgenomen (erkend) om in België te kunnen worden ingezet. Voorts mogen ongevalspatiënten alleen naar ziekenhuizen worden vervoerd die zijn erkend binnen het 100-systeem. Thans is slechts één Nederlands ziekenhuis erkend. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft haar Belgische collega verzocht om te bevorderen dat Nederlandse ambulances en ziekenhuizen een erkenning krijgen in dit 100-systeem. In dit kader breng ik mijn bovengenoemde brief van 15 december 1999 in herinnering waarin ik wees op de in BENEGO (Belgisch-Nederlands Grensoverleg)-verband tot stand gekomen proefproject inzake de spoedeisende grensoverschrijdende geneeskundige hulpverlening. Ik volg dit project met aandacht.
2.1.2 Grensoverschrijdende inzet van ambulances en personeel in Nederland en Duitsland
Voor het optreden van de Nederlandse ambulanceverpleegkundige in Duitsland geldt hetzelfde als hetgeen geldt ten aanzien van zijn optreden in België. Het personeel van de Duitse Rettungsdienst, in voorkomend geval met inbegrip van de Notarzt, is bevoegd in Nederland op te treden en Nederlands ambulancepersoneel is bevoegd in Duitsland op te treden. Zoals reeds vermeld, moet men zich houden aan de protocollen en de wet- en regelgeving van het ontvangende land. Daarom mogen in Duitsland bepaalde handelingen alleen worden verricht door of onder direct toezicht van een Notarzt of een Nederlandse arts.
2.1.3 Modelovereenkomst grensoverschrijdende inzet ambulances
De staatssecretaris voor Frauen, Jugend, Familie und Gesundheit van Noordrijn-Westfalen bracht een model van een op regionaal niveau af te sluiten overeenkomst onder mijn aandacht. Deze overeenkomst heeft betrekking op grensoverschrijdende inzet van ambulances ten behoeve van de spoedeisende hulpverlening. Het model is opgesteld door een werkgroep met vertegenwoordigers uit enkele Nederlandse provincies en Noordrijn-Westfalen. Het biedt een handvat voor de decentrale overheden aan weerszijden van de grens om met elkaar afspraken over deze grensoverschrijdende inzet te maken. Deze afspraken betreffen onder meer de kwaliteit van de ambulancehulpverlening, de opname van vervoerde patiënten in ziekenhuizen, de kostenverrekening en de aansprakelijkheid bij schade. Grondslag voor deze publiekrechtelijke samenwerking is de zogeheten Anholt-overeenkomst. De minister van VWS en ik zullen deze modelovereenkomst bij circulaire onder de aandacht brengen van de aan België en Duitsland grenzende regio's en provincies, erkennende dat het de decentrale overheden vrij staat te bepalen hoe aan de samenwerking juridisch vorm wordt gegeven. Tussen de regio Achterhoek en Kreis Borken en tussen enerzijds de Alarmerings- en Ambulancedienst Oost en anderzijds de Landkreis Grafschaft Bentheim en het DRK-Kreisverband Grafschaft Bentheim zijn overeenkomsten van deze strekking gesloten. Deze zijn tot stand gekomen in het kader van het met INTERREG II-gelden gesubsidieerde pilotproject betreffende grensoverschrijdende ambulancehulpverlening. In Zuid-Limburg/Euregio Maas-Rijn worden voorbereidingen getroffen voor een project grensoverschrijdende geneeskundige hulpverlening. In deze Euregio is tweetalig lesmateriaal vervaardigd, waarin een toelichting wordt gegeven op de instructies en het gebruik van materieel bij ongevallen in het buurland.
2.1.4 Grensoverschrijdende inzet van traumaheli's
In Nederland zijn 4 centra aangewezen die de beschikking krijgen over een traumahelikopter. Met het aanwijzen van deze centra zal een adequate spreiding zijn verkregen. De helikopters zijn in eerste instantie bedoeld om een mobiel medisch team (MMT) zo snel mogelijk ter plaatse te krijgen. Slechts in uitzonderlijke gevallen zullen met de helikopter patiënten worden vervoerd. Bij het ter plaatse krijgen van het medisch mobiel team kan gebruik gemaakt wordt van een Nederlandse of een buitenlandse helikopter. Decentraal kunnen afspraken gemaakt worden over de inzet van helikopters uit het buitenland in Nederland en de inzet van Nederlandse helikopters in het buitenland.
2.1.5 Informatievoorziening grensregio's
Essentieel is, dat de meldkamers in het grensgebied op de hoogte zijn van de mogelijkheden en onmogelijkheden van de grensoverschrijdende inzet. Zo moet een CPA het verschil weten tussen een Belgische ziekenauto en de combinatie van ziekenauto en MUG of tussen een Duitse Rettungswagen en de combinatie van Rettungswagen en Notarztwagen (of Notarzteinsatzfahrzeug). Men dient zich in het grensgebied over en weer te oriënteren op de mogelijkheden en de bevoegdheden van het personeel en te weten voor welke situaties welke voorziening moet worden gevraagd. In de in paragraaf 2.1.3. genoemde circulaire zullen de minister van VWS en ik tevens ingaan op een aantal aspecten van de grensoverschrijdende spoedeisende medische hulpverlening.
2.1.6 Financiering van de ambulance-inzet
Voor wat betreft de financiering van de ambulance-inzet, is er tussen Nederland en Duitsland geen probleem. In beide landen is sprake van een min of meer gelijke berekening van tarieven en behoort ambulancevervoer tot het basispakket van verstrekkingen. In België daarentegen wordt het medisch handelen tijdens het vervoer in rekening gebracht door het ziekenhuis waarheen de patiënt wordt vervoerd, en brengt de ambulancevervoeder alleen de «kale» ritprijs in rekening. Dit kan in geval van vervoer van een Belgische verzekerde door een Nederlandse ambulance leiden tot een hogere doorberekening van kosten aan de verzekerde. Daarnaast is het ambulancevervoer in België geen onderdeel van het basispakket, maar dient men zich daarvoor bij te verzekeren. Vaak geldt dan bovendien een eigen risico. Over deze problematiek is een aantal malen met België ambtelijk overleg gevoerd dat nog niet tot een oplossing heeft geleid. Ik zal samen met de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport bezien of op korte termijn een bevredigende oplossing kan worden gevonden.
2.2 Gebruik van optische en geluidssignalen
Er is inmiddels een tijdelijke beschikking in werking getreden, houdende erkenning van Belgische en Duitse hulpverleningsdiensten en vrijstelling voor onder meer deze hulpverleningsdiensten van de bepalingen van de Regeling optische en geluidssignalen ter zake van de te gebruiken optische en geluidssignalen. Hierdoor kunnen deze diensten in Nederland hun eigen optische en geluidssignalen gebruiken.
Deze beschikking is overigens van tijdelijke aard omdat naar verwachting in 2001 de regeling van de optische en geluidssignalen wordt neergelegd in het Voertuigreglement en het RVV 1990.
Er wordt thans een Nederlands-Duitse overeenkomst over het gebruik van de bijzondere signalen voorbereid. Het zal nog enige tijd duren voordat een dergelijke overeenkomst tot stand zal zijn gekomen. Daarom geldt per 1 juni 2000 in Noordrijn-Westfalen een tijdelijke vrijstellingsregeling die erin voorziet dat in het grensgebied Nederlandse brandweervoertuigen en ambulances hun eigen optische en geluidssignalen mogen gebruiken.
Een Nederlands-Belgische overeenkomst is niet nodig, omdat er in België geen juridische beletselen zijn voor het gebruik door Nederlandse hulpverleningsvoertuigen van hun signalen.
2.3 Politieoptreden in het kader van hulpverlening bij rampen
De regionale politiekorpsen hebben op basis van de Politiewet 1993 de plicht pelotons mobiele eenheden beschikbaar te houden ten behoeve van het bevoegd gezag voor het verlenen van bijstand buiten de eigen regio. Het Besluit Beheer noemt als taak van deze bijstandseenheden naast het optreden ter handhaving van de openbare orde en in het kader van de hulpverlening in het bijzonder bij grootschalige manifestaties en evenementen, het uitvoeren van evacuaties en het optreden bij crises en rampen. Daarnaast dient het regionaal korps te beschikken over een organisatie die voorziet in de coördinatie van het grootschalige politieoptreden. Nadere regelingen voorzien erin dat genoemde eenheden de beschikking hebben over de noodzakelijke transport- en communicatiemiddelen. Er is tevens voorzien in een alarmeringsregeling. Tot dusver is mij niet bekend dat Belgische, Duitse of Nederlandse autoriteiten een formeel verzoek hebben gedaan om politiebijstand voor grensoverschrijdende hulpverlening bij rampen.
Naast hulpverlening en handhaving van de openbare orde heeft de politie in rampsituaties ook de identificatie van slachtoffers tot taak. Zij beschikt hiervoor over het Rampen Identificatie Team (RIT).Tenslotte speelt in rampsituaties ook haar opsporingstaak een rol wanneer er vermoedens bestaan dat de ramp het gevolg is van gepleegde strafbare feiten. Of en in hoeverre het nuttig en nodig is om op die gebieden tot grensoverschrijdende afspraken te komen zou nader moeten worden onderzocht.
Ik heb de verwachting, mede gevoed door de praktijk die zich gaandeweg ontwikkelt, dat politie-onderdelen aan weerszijden van de grens elkaar in het kader van hun hulpverleningstaak in de praktijk weten te vinden. Voor de politie wordt op dit terrein niet zozeer de behoefte gevoeld om te komen tot bijzondere afspraken, omdat de politie in haar hulpverleningstaak niet beschikt over specifieke bevoegdheden of dwangmiddelen.
Over de handhaving van de openbare orde kan het volgende worden opgemerkt. Zeker in die situaties dat er in de nabijheid van de grens een locatie is aan te wijzen met een zekere gevaarzetting (bij voorbeeld een chemische fabriek) verdient het aanbeveling dat de politiediensten in overeenstemming met het bevoegd gezag aan weerszijden van de grens op voorhand en voorzover mogelijk gezamenlijk plannen zouden opzetten en afspraken maken. Daarbij valt te denken aan alarmeringsregelingen, verkeerscirculatieplannen, afsluiten van bepaalde wegen in noodsituaties, ontruimingsplannen e.d. Het is daarbij uitdrukkelijk niet de bedoeling dat politiekorpsen aan de andere kant van de grens fysiek optreden in het kader van (dreigende) verstoringen van de openbare orde waarbij gebruik wordt gemaakt van specifieke bevoegdheden of dwangmiddelen.
In gemeenten waar door de bijzondere geografische situatie in de dagelijkse praktijk nauw met de politie van het andere land moet worden samengewerkt (Baarle-Nassau, Kerkrade, Dinxperlo) zijn er juridische knelpunten. Zo zijn Nederlandse politieambtenaren in Baarle-Nassau formeel niet bevoegd om bij verplaatsingen binnen de gemeente Baarle-Nassau over het grondgebied van het Belgische Baarle-Hertog hun wapens te dragen. Overigens beschikken de Regiopolitie Midden en West Brabant (Team Breda Zuid Oost) en de gemeentepolitie Turnhout in Baarle-Hertog over een gemeenschappelijk politiekantoor, van waaruit wordt getracht een zo efficiënt en effectief mogelijke ordehandhaving in «de gemeenschap Baarle» tot stand te brengen. De politiesamenwerking in Baarle-Nassau en Baarle-Hertog is onderwerp van studie van een ambtelijke werkgroep waarin ook mijn ministerie participeert. De knelpunten bij de politiesamenwerking in het algemeen in het Nederlands-Duitse en Nederlands-Belgische grensgebied zijn onlangs geïnventariseerd. Deze inventarisatie is aan het politieveld voorgelegd met het verzoek om een reactie. Aan de hand van de uitkomsten van deze consultatie zal de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bezien welke wijzigingen nodig zijn.
2.4 Grensoverschrijdende telecommunicatie
Ten behoeve van het grootschalig optreden beschikken de regionale brandweren over verbindingscommandowagens van de tweede categorie (VC-2). De VC-2 kan bij een inzet door de drie hulpverleningsdiensten (brandweer, geneeskundige hulpverleningsdiensten en politie) worden benut. De VC-2's van de regionale brandweren waarvan het gebied aan België en Duitsland grenst, zijn door mijn ministerie voorzien van satellietcommunicatieapparatuur. Daarmee is de VC-2 onafhankelijk van zijn radiocommunicatieapparatuur met haar beperkingen bij grensoverschrijdend gebruik, aangezien deze satcomapparatuur extra mogelijkheden biedt om communicatie met het andere land te blijven onderhouden. Met deze apparatuur kunnen namelijk ook verbindingen met andere satcomgebruikers en gebruikers van openbare telefoonvoorzieningen tot stand worden gebracht. Uiteraard is het gebruik van gsm ook mogelijk, echter alleen zolang het gsm-net, evenals andere openbare netten, niet overbelast raakt en operationeel blijft. Ik streef ernaar dat de beperkingen die aan het grensoverschrijdend gebruik van radiocommunicatieapparatuur ten behoeve van de rampenbestrijding zijn verbonden, zoveel mogelijk worden opgeheven. Thans wordt met het ministerie van Verkeer en Waterstaat overleg gevoerd met als doel juridische mogelijkheden te creëren voor het uitwisselen van randapparatuur (mobilofoons en portofoons), het inprogrammeren van buitenlandse frequenties en het inbouwen van buitenlandse apparatuur.
Op dit moment wordt door het ministerie van Verkeer en Waterstaat de noodvoorziening voor telecommunicatie die thans het Nationaal Noodnet biedt, aan een onderzoek onderworpen. Doel van dit onderzoek is Nederland blijvend te voorzien van een aan de tijd aangepaste telecommunicatievoorziening voor die organisaties die in het kader van de bescherming van vitale belangen in de samenleving een wezenlijke rol spelen. Mede op mijn verzoek worden daarbij ook de grensoverschrijdende mogelijkheden van deze noodvoorziening bekeken. Dit onderzoek zal in het najaar van 2001 gereed zijn.
Uiteindelijk kan de invoering in Nederland van C-2000, het nieuwe spraak- en datacommunicatiesysteem voor brandweer, politie, ambulancehulpverleningsdiensten en de Koninklijke Marechaussee dat thans in de regio Amsterdam wordt beproefd, het communicatieprobleem definitief helpen oplossen. Dit systeem is gebaseerd op digitale techniek en de Europese Tetra standaard. Voorwaarde is echter dat deze Europese standaard ook in België en Duitsland wordt ingevoerd. In België gebeurt dit, maar in Duitsland heeft nog geen definitieve standpuntbepaling plaatsgevonden. Ik verwijs naar de laatste voortgangsrapportage1 over dit onderwerp die ik op 31 mei jl. naar de Tweede Kamer heb gestuurd. Een definitieve Duitse standpuntbepaling over de te implementeren standaard zal onder andere afhangen van de technische proef in Aken. Zoals ik in de genoemde voortgangsrapportage heb opgemerkt, zal in de regio Aken-Luik-Maastricht een grensoverschrijdende Tetra-proef worden georganiseerd, naar verwachting in 2002 of 2003.
2.5 Samenwerking bij kernongevallen
Op grond van het IAEA-verdrag inzake vroegtijdige kennisgeving van een nucleair ongeval2 dienen verdragspartijen in geval van een nucleair ongeval onverwijld die staten die getroffen zijn of mogelijk getroffen kunnen worden in kennis te stellen van een nucleair ongeval en van alle informatie te voorzien. Het criterium om tot kennisgeving over te gaan is in dit verdrag het «vrijkomen van of mogelijk vrijkomen van radioactieve stof». Onder meer om de internationale communicatie te testen en te verbeteren neemt Nederland deel aan een oefenreeks met ongelukken in kerncentrales. In mei 2001 wordt in dit kader een oefening gehouden rond een Franse centrale (Graveline).
Met de Europese Unie is een vergelijkbare meldingsregeling opgesteld die is vastgelegd in de zogenaamde ECURIE-Richtlijn.
Met een aantal landen, te weten België, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen is een zogenoemd Memorandum of Understanding afgesloten. De coördinatie van de uitvoering ligt bij het ministerie van VROM. In dit kader zijn er met onze beide buurlanden reguliere contacten en vinden er grensoverschrijdende oefeningen plaats. Zo wordt er thans een oefening voorbereid die in juni 2001 is gepland met de Kerncentrale Emsland nabij Lingen in Duitsland.
In het kader van het project Revitalisering van het Nationaal Plan voor de Kernongevallenbestrijding zal bijzondere aandacht worden besteed aan grensoverschrijdende aspecten, zoals de afstemming van de hoeveelheden uitstoot die tot het nemen van maatregelen leidt. Ik verwijs in dit kader ook naar de brief van 11 april 2000 die de minister van VROM en ik u hierover hebben doen toegaan3.
Voorts kent de Eerste Aanvullende Overeenkomst ter uitvoering van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen en ongevallen4 een systeem van informatieverstrekking naar het andere land indien in het ene land sprake is van een ramp- of ongevalsgebeurtenis die gevolgen heeft of kan hebben voor het andere land. Ik verwijs naar paragraaf 2.8.
Tussen de 100-centrale (dit is de alarmcentrale) te Antwerpen en de alarmcentrale van de regionale brandweer in Roosendaal is er ten behoeve van alarmering in geval van een ongeval bij de kerncentrales te Doel of een chemisch bedrijf een vaste lijnverbinding, die onafhankelijk van het openbare telefoonnet functioneert.
2.6 Samenwerking bij de bestrijding van wateroverlast
Inzake de grensoverschrijdende aanpak van de bestrijding van wateroverlast en haar gevolgen kan het volgende worden opgemerkt. Door de gemeente Nijmegen is het project Pold Evac (polderevacuatiemodel) geïnitieerd dat samen met Duitse partners is voorbereid. Het gaat hierbij om de ontwikkeling van een beslissingsondersteunend computersysteem dat een grote rol zou kunnen spelen bij situaties van hoogwater en mogelijk dijkdoorbraak. In dit regionale hoogwater-informatiesysteem worden onder meer gegevens over inundatie, schade, gevaarlijke stoffen en bewonersaantallen opgeslagen. Op deze wijze kunnen bestuurders direct zien waar eventueel gevaar dreigt. In het najaar van 2001 zal het project zijn afgerond. Voor de helft van de kosten van dit project is vanuit het Gemeenschappelijk Operationeel Programma INTERREG II-C IRMA (Interreg Rijn-Maas Activiteiten) door de Europese Commissie geld beschikbaar gesteld. Ook de Duitse en Nederlandse overheid (waaronder het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) betalen mee aan de kosten.
2.7 Grensoverschrijdende gevolgen van mogelijke calamiteiten in inrichtingen
Aandacht verdienen ook de mogelijke grensoverschrijdende gevolgen van mogelijke calamiteiten in inrichtingen die onder de zogeheten Seveso II-richtlijn1 vallen. Deze richtlijn vervangt de uit 1982 daterende Seveso-richtlijn en heeft de strekking om een zwaar ongeval binnen een inrichting te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken. In het Besluit risico's zware ongevallen 1999, waarmee een substantieel deel van de richtlijn in onze regelgeving is omgezet, en in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer is voorzien in informatieverschaffing over de inrichting en de risico's aan de buurlanden indien de afgesproken risicocontour, die betrekking heeft op de externe veiligheid rond de inrichting, zich over die buurstaat uitstrekt. In het Besluit rampbestrijdingsplannen inrichtingen is uitdrukkelijk bepaald dat een rampbestrijdingsplan voor inrichtingen die behoren tot de meer gevaarlijke categorie Seveso-inrichtingen, ook aandacht dient te besteden aan het informeren van de hulpverleningsdiensten van een andere staat, indien de bevolking of het milieu van die staat door een ramp (kunnen) worden getroffen. Ook voor wat betreft het betrekken van de bevolking bij de totstandkoming van een rampbestrijdingsplan voor dergelijke inrichtingen dient volgens genoemd besluit rekening te worden gehouden met grensoverschrijdende effecten. Dit geldt ook ten aanzien van inrichtingen die in het buurland zijn gelegen, hoewel de Nederlandse regelgeving uiteraard geen betrekking heeft op in andere landen te volgen procedures. Met de deelstaat Noordrijn-Westfalen vindt overleg plaats over de wijze waarop in Nederland en Noordrijn-Westfalen de Seveso II-richtlijn wordt toegepast. De ministeries van VROM en BZK en de provincie Gelderland zijn bij dit overleg betrokken.
In de Wet rampen en zware ongevallen is bepaald dat de minister van BZK ervoor zorgdraagt dat alle staten waarvan de bevolking en het milieu door een ramp of zwaar ongeval kunnen worden getroffen, daarover worden geïnformeerd. Daarbij wordt informatie verschaft over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming van die ramp of dat zware ongeval en over de bij deze ramp of dat zware ongeval te volgen gedragslijn. Ook moet informatie aan de andere staat worden verschaft indien er een ramp of zwaar ongeval plaatsvindt die gevolgen voor die staat heeft of kan hebben. In het Besluit informatie inzake rampen en zware ongevallen worden nadere regels gegeven over deze informatieverschaffing ten aanzien van onder meer een ramp in een Seveso-inrichting. In hoofdstuk 5 van deze nota (Europese Unie) wordt nader ingegaan op de Seveso II-richtlijn.
Met bovengenoemde bepalingen wordt tevens uitvoering gegeven aan het zogeheten Verdrag van Helsinki1, dat binnenkort aan de Staten-Generaal ter goedkeuring zal worden voorgelegd. Dit verdrag heeft grotendeels betrekking op dezelfde categorieën inrichtingen als die waarop de Seveso II-richtlijn betrekking heeft en de inhoud van de verdragsbepalingen komt in hoge mate overeen met de verplichtingen die uit de richtlijn voortvloeien, althans waar het mogelijke effecten over de grens betreft.
De Seveso II-richtlijn, het Verdrag van Helsinki en de richtlijn van 23 april 1990 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen2, zien mede op het informeren van andere staten over mogelijke calamiteiten op het eigen grondgebied die gevolgen kunnen hebben voor een andere staat. Zij hebben echter betrekking op slechts een beperkt aantal typen calamiteiten. Het is daarom wenselijk dat de overheden in Nederland, België en Duitsland afspraken met elkaar maken over het elkaar informeren over mogelijke calamiteiten die ook in het andere land gevolgen kunnen hebben. Nederland zal hiertoe het initiatief nemen.
In het kader van het project Vlaams-Zuidnederlandse samenwerking (een project dat gedeeltelijk met INTERREG-gelden is gefinancierd) is enige jaren geleden een grensoverschrijdende risicokaart gemaakt. Doel was om voor lokale en provinciale bestuurders risicobronnen en de effecten van rampen inzichtelijk te maken ten behoeve van een gezamenlijke voorbereiding van de bestrijding en voorlichting. Door de Euregio Maas-Rijn wordt subsidie van de EU gevraagd voor het maken van een euregionale risicokaart. Ik zal bevorderen dat in alle grensgebieden een dergelijke risicokaart wordt gemaakt, in samenhang met de risico-analyses die in de periode tot medio volgend jaar door de Nederlandse regio's worden uitgevoerd, en up-to-date wordt gehouden.
2.8 Informatievoorziening bij calamiteiten
In de Eerste Aanvullende Overeenkomst ter uitvoering van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen en ongevallen is aangegeven langs welke weg de overheden van het ene land de overheden van het andere land moeten berichten dat er in hun land sprake is van een ramp- of ongevalsgebeurtenis die gevolgen heeft of kan hebben voor het andere land. Deze regeling staat er niet aan in de weg dat tevens snel langs andere weg op operationeel niveau waarschuwing en informatie-uitwisseling plaatsvinden. Bovendien laat deze regeling andere, met het oog op specifieke calamiteiten gemaakte afspraken over waarschuwen en informeren van het buitenland onverlet. In die gevallen is er dus een parallel, maar wel afgestemd, stelsel van informatie en waarschuwing van het buurland via meer kanalen.
Voorts zij verwezen naar paragraaf 2.5. van deze nota, welk paragraaf betrekking heeft op de samenwerking bij kernongevallen, en naar paragraaf 2.6., die betrekking heeft op samenwerking bij de bestrijding van wateroverlast.
Het internationaal multidisciplinair oefenen zal door het ministerie van BZK gefaciliteerd worden door het samen met enkele regio's organiseren van een of twee pilot-oefeningen. Op basis van de daarmee verkregen ervaringen zal door BZK een checklist opgesteld worden met aandachtspunten voor alle grensregio's. Het grensoverschrijdend oefenen met België en Duitsland in het kader van de rampenbestrijding wordt hiermee gestimuleerd en verbeterd. In dit verband wijs ik op een initiatief van de Stichting Regionaal Brandweeropleidingscentrum Midden-Brabant en de Brandweerschool Provincie Antwerpen. Zij verzorgen gezamenlijk grensoverschrijdende oefeningen en stages voor brandweerpersoneel, ambulancepersoneel en andere eerstelijnshulpverleners. Er is in voorzien dat men van elkaars oefencentra gebruik maakt om zo de opleiding van deze hulpverleners te verbeteren. Het Europees Sociaal Fonds subsidieert een deel van de kosten.
Het ligt minder in de rede dat in het grensgebied gezamenlijk wordt opgeleid tot bijvoorbeeld brandweerman of -vrouw. Elk land kent immers daarvoor zijn eigen en in de regelgeving verankerde opleidingssystematiek. Wel kunnen over en weer opleidingen in het andere land worden gevolgd en een daarbij behorend diploma of certificaat worden behaald. Er zijn EU-richtlijnen inzake wederzijdse erkenning van de diploma's. In het kader van de richtlijn betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger onderwijsdiploma's1, waarmee beroepsopleidingen van ten minste drie jaar worden afgesloten, is het beroep van brandweerofficier een gereglementeerd beroep. Dit betekent dat een onderdaan van een andere lidstaat die in Nederland wil worden toegelaten tot het beroep van brandweerofficier, daartoe bij het ministerie van BZK een aanvraag kan indienen tot het verkrijgen van een EG-verklaring. Een EG-verklaring is een document waaruit blijkt voor welk beroep in Nederland betrokkene bevoegd is. Genoemde richtlijn is voor Nederland uitgewerkt in de Algemene wet erkenning EG hoger-onderwijsdiploma's en de Regeling erkenning EU-diploma's brandweerofficieren.
In dit kader is vermeldenswaard dat de Federation of the European Union Fire Officers Associations (FEU) in het kader van het Europese Leonardo Da Vinci project een onderzoek heeft uitgevoerd naar onder andere de opleidings- en selectie-eisen van het brandweerpersoneel in Europa. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek heeft de FEU voorstellen voor opleidingseisen ontwikkeld voor de beroepsopleidingen op brandweer- en veiligheidsgebied.
De Wet rampen en zware ongevallen schrijft voor dat (Nederlandse) rampenplannen en rampbestrijdingsplannen voorzover nodig moeten worden afgestemd op plannen die in het buurland voor aangrenzende gebieden zijn vastgesteld. Deze afstemming tussen grensregio's is niet alleen nuttig voor het geval zich daadwerkelijk nabij de grens een calamiteit voordoet, maar is ook van belang om elkaar te leren kennen en om inzicht te krijgen in elkaars bevoegdheden, taken, methoden en mogelijkheden. Om over de grenzen heen een integrale aanpak bij rampen te bevorderen en het verantwoordelijkheidsbesef van besturen te vergroten, is het mijns inziens wenselijk verder te gaan dan afstemming en uiteindelijk te komen tot grensoverschrijdende plannen die door de gemeenten en de grensregio's in gezamenlijkheid worden vastgesteld. Ook de minister van Binnenlandse Zaken van de deelstaat Noordrijn-Westfalen onderkent het belang van een dergelijk plan. Ik ben daarom voornemens de totstandkoming van deze plannen te stimuleren, onder andere door middel van incidentele subsidies. In dit kader heb ik positief gereageerd op het subsidieverzoek van de Euregio Rijn-Maas-Noord voor het opstellen van een grensoverschrijdend euregionaal rampenplan. Ook de Europese Unie zal een bijdrage verlenen. In dit verband wijs ik op een initiatief van de Euregio Maas-Rijn tot het maken van een meertalige (technische) begrippenlijst voor gebruik door de brandweer, politie en geneeskundige diensten. Het is de bedoeling dat deze lijst in elk voertuig van de operationele diensten aanwezig is.
De millenniumovergang en het EK 2000 hebben een impuls gegeven aan de samenwerking met de buurlanden op het terrein van de voorbereiding van de rampenbestrijding. Er zijn op Rijksniveau contacten geweest met de buurlanden en de speelsteden Eindhoven en Arnhem hebben hun bestaande grensoverschrijdende contacten geïntensiveerd. In het najaar zal de Kamer een evaluatie van het EK 2000 worden toegezonden. Indien de conclusies van deze evaluatie daar aanleiding toe geven, zal ik deze betrekken bij mijn beleid inzake de versterking van de grensoverschrijdende rampenbestrijding.
Inzake de millenniumovergang heeft de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid op 27 maart 2000 een brief1 aan de Kamer aangeboden, waarin de evaluatie van de Coördinatiecommissie Millennium OOV is opgenomen. Daarin wordt meegedeeld dat er de noodzakelijke bestuurlijke contacten zijn geweest en dat er voorzieningen zijn getroffen op het gebied van de grensoverschrijdende telecommunicatie. Niettemin gaven de grensprovincies aan dat zij een met het Nationaal Noodnet vergelijkbare faciliteit bij de buurlanden missen. Voorts gaf genoemde commissie aan dat men in de toekomst behoefte heeft aan een meer structureel gesprekskader op bestuurlijk niveau op het terrein van openbare orde en veiligheid aan weerszijden van de grens. Met de aantekening dat er overal een structureel gesprekskader aanwezig is (Euregio's) kan ik deze aanbeveling van het versterken van de bestuurlijke contacten van harte ondersteunen.
Veel knelpunten op het gebied van de grensoverschrijdende ongevals- en rampenbestrijding zijn inmiddels opgelost. In de (nabije) toekomst zal het kabinet, waar nodig samen met Belgische en Duitse bewindspersonen, structurele regelingen en oplossingen tot stand brengen.
Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verbetering van de grensoverschrijdende telecommunicatie en waar nodig de juridische afdekking daarvan. Het gaat er echter ook om dat de bestaande mogelijkheden nog meer in de praktijk worden gebracht, onder meer op basis van bilaterale overeenkomsten. Dit is een taak van de decentrale overheden. Het Rijk heeft tot taak hen daarbij te ondersteunen en te stimuleren. De overeenkomsten inzake publiekrechtelijke samenwerking tussen decentrale overheden (de zogeheten Benelux-overeenkomst en Anholt-overeenkomst) zijn de basis voor structurele samenwerking ook op het terrein voor de ongevals- en rampenbestrijding, ter aanvulling op de operationeel gerichte bijstandsovereenkomsten.
Ik ben voornemens samen met de betrokken bewindspersonen in Duitsland en België een gids uit te brengen, waarin de verschillende verantwoordelijkheden en bevoegdheden op het gebied van de rampenbestrijding in de drie landen worden vermeld. Ik kom daarmee tegemoet aan het in het ITS-rapport genoemd knelpunt dat soms onduidelijk is welke overheid in het andere land bevoegd is.
Recentelijk zijn de provincies Zeeland en Oost-Vlaanderen een nauwere samenwerking overeengekomen, voortbouwend op hetgeen reeds in het verleden tussen hen op dit terrein is vastgelegd. Op 29 mei jl. vond in Zelzate de ondertekening plaats van een Intentieverklaring met betrekking tot samenwerking tussen de Provinciale Veiligheidscel Oost-Vlaanderen en de Stuurgroep Openbare Veiligheid Zeeland, alsmede van het Werkplan ter uitvoering van de tussen Zeeland en Oost-Vlaanderen gesloten bijstandsovereenkomst. Op 29 november a.s. worden een dergelijke Intentieverklaring en Werkplan door de provincies Zeeland en West-Vlaanderen ondertekend. De Euregio Scheldemond en meer in het bijzonder Zeeuws-Vlaanderen is een voorbeeld van een gebied waar de noodzaak van samenwerking op het gebied van de openbare orde en veiligheid dagelijks wordt onderkend.
Voor de decentrale overheden aan weerszijden van de grens, in het bijzonder ook voor de Euregio's, is een belangrijke rol weggelegd om de bestaande mogelijkheden voor grensoverschrijdende samenwerking op het terrein van de ongevals- en rampenbestrijding (en de voorbereiding daarop) meer in praktijk te brengen dan thans het geval is. De aanbeveling uit het rapport dat op decentraal niveau afspraken worden gemaakt, ondersteun ik van harte. In euregionaal verband kunnen de in de euregio aanwezige voorzieningen en specialismen worden geïnventariseerd, hetgeen een van de aanbevelingen van het ITS-rapport is. Afstemming, informatie-uitwisseling en bundeling van kennis en ervaring op dit specifieke terrein aan de zuidgrens respectievelijk aan de oostgrens is van groot belang. Hiertoe kan voor wat betreft de Nederlands-Belgische samenwerking gebruik worden gemaakt van het bestaande Vlaams-Zuidnederlandse overleg op dit specifieke terrein. In dit ambtelijk overleg participeren thans de Nederlandse en Vlaamse grensprovincies en de rijks- en federale overheid. Een soortgelijk overleg voor Nederlands-Duitse samenwerking op dit terrein ontbreekt. Daarom zal ik het initiatief nemen tot een structureel overleg waarin de Nederlandse rijksoverheid, Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen, de aan Duitsland grenzende provincies en euregio's participeren. In beide gremia zal worden bezien in hoeverre de bestaande samenwerking tussen de decentrale overheden aan weerszijden van de Nederlands-Belgische en van de Nederlands-Duitse grens op het terrein van de ongevals- en rampenbestrijding kan worden versterkt en uitgebreid. In het reeds genoemde kabinetsstandpunt Grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking is reeds gewezen op het voornemen van het kabinet om jaarlijks bestuurlijk overleg te voeren met Nedersaksen, Noordrijn-Westfalen, Vlaanderen en Wallonië. Aan Nederlandse zijde zal dit overleg worden gecoördineerd door de staatssecretaris van Buitenlandse zaken en mij. Het eerste bestuurlijk overleg zal deze herfst plaatsvinden met Noordrijn-Westfalen. De bestuurlijke overleggen zullen worden aangekondigd bij de nationale regeringen van Duitsland en België. Zij kunnen op ad hoc basis betrokken worden bij de overleggen indien zij dat wenselijk achten.
Een groot deel van de extra middelen die voor 2000 voor de rampenbestrijding beschikbaar zijn, zal worden aangewend voor landelijke projecten, onder andere op het terrein van de grensoverschrijdende ongevals- en rampenbestrijding. De overige incidentele middelen kunnen deels worden aangewend voor het versnellen en intensiveren van regionale activiteiten op dit terrein. Hierbij kan worden gedacht aan uitgaven ten behoeve van prioritaire programma's, projecten en onderzoeken of voor de bekostiging van een (tijdelijke) uitbreiding van de personele capaciteit bij de regionale brandweren of de samenwerkingsverbanden GHOR. Daarmee kom ik tegemoet aan het in het ITS-rapport genoemd knelpunt dat het soms aan personele capaciteit ontbreekt om afspraken met het buurland te maken. De desbetreffende besturen zijn hierover per circulaire geïnformeerd.
3 Overige bilaterale samenwerking
De overige bilaterale samenwerking op het terrein van brandweer en rampenbestrijding concentreert zich met name op enkele landen in Midden-Europa. Daarnaast wordt op ad-hoc basis ook samengewerkt met andere landen. Hieronder wordt daarop nader ingegaan.
3.1 Samenwerking met landen in Midden- en Oost-Europa
In de notitie «Accenten zetten in Midden-Europa»1 van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 18 november 1999, wordt een beleidskader voor pre-accessiesteun voor de Midden-Europese kandidaat-lidstaten van de Europese Unie gepresenteerd. In deze notitie worden Polen, Tsjechië, Hongarije en Slowakije genoemd als prioritaire landen die het meeste perspectief bieden voor een intensieve relatie met Nederland. Alhoewel genoemde notitie een kader voor zelfsturing is, waarbinnen ministeries hun eigen afweging kunnen maken, heeft het ministerie van BZK ervoor gekozen om haar structurele beleid ten aanzien van samenwerking met Midden-Europa op deze vier prioritaire landen te richten. In het kader van de rampenbestrijding heeft de bilaterale samenwerking met Hongarije tot nu toe speciale aandacht gekregen. Reeds in 1990 werd, in het kader van het transformatieproces van de Midden- en Oost-Europese landen, door de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken en haar Hongaarse ambtgenoot een samenwerkingsovereenkomst getekend. Mede met het oog op de recente toetreding van Hongarije tot de NAVO en de komende toetreding van Hongarije tot de EU hebben de ministers van Binnenlandse Zaken van Hongarije en van Nederland op 9 december 1999 een gemeenschappelijke verklaring ondertekend, waarin is afgesproken de bestaande samenwerking tussen Nederland en Hongarije voort te zetten en uit te bouwen. In deze gemeenschappelijke verklaring is aangegeven welke activiteiten voor de beleidsonderdelen politie, rampenbestrijding en openbaar bestuur speciale aandacht dienen te krijgen. Deze zullen uitgewerkt worden in een samenwerkingsprogramma voor de respectieve onderdelen voor de periode 2000–2003.
Voor het onderdeel rampenbestrijding gaat het om de volgende activiteiten:
• het stimuleren van de praktische samenwerking bij de voorbereiding op rampen;
• de wederzijdse deelname aan seminars, workshops en conferenties en het bijwonen van oefeningen als waarnemer;
• het organiseren van een jaarlijkse bijeenkomst van experts om de laatste «best practices» op het gebied van de rampenbestrijding uit te wisselen; de eerste bijeenkomst zal zich richten op risico-communicatie naar het publiek;
• het inzetten van Nederlandse expertise bij het integratieproces van de Hongaarse diensten die betrokken zijn bij de rampenbestrijding.
In dit verband zij vermeld dat mijn ministerie in samenwerking met het ministerie van BZ eind april jl. op verzoek van de Hongaarse regering materiële ondersteuning (190 000 zandzakken) beschikbaar heeft gesteld aan Hongarije ter leniging van de recente watersnood in dat land.
Ik zal mij inzetten om de samenwerking tussen Hongarije en Nederland op het terrein van de rampenbestrijding verder te versterken. Daarbij zal in het bijzonder aandacht worden besteed aan de eisen op grond van de Europese regelgeving waaraan Hongarije als toekomstige lidstaat van de Europese Unie moet voldoen, zoals b.v. de implementatie van de Seveso Il richtlijn.
Incidenteel wordt op verzoek ook samengewerkt met de andere prioriteitslanden (Polen, Tsjechië en Slowakije). Hierbij dient gedacht te worden aan het beschikbaar stellen van expertise en financiële middelen ten behoeve van seminars, workshops enz. op het gebied van de rampenbestrijding. In het kader van de samenwerking met Polen binnen de zogenoemde Utrecht-conferentie, waarbij bewindslieden en hoge Poolse en Nederlandse ambtenaren die betrokken zijn bij het Europa-dossier regelmatig bijeenkomen, is onlangs van Poolse zijde nadrukkelijk de wens uitgesproken om ook het onderwerp rampenbestrijding op de agenda te plaatsen. Mijn voornemen is om ook Polen, Tsjechië en Slowakije, mede in het kader van het pre-accessietraject tot de EU, een structureel samenwerkingsverband op het terrein van de rampenbestrijding aan te bieden. De verdiepte en uitgebouwde samenwerking met Hongarije zal hiervoor als model dienen. Bij de uitwerking van genoemde samenwerking zullen ook de mogelijkheden worden nagegaan van samenwerking, waaronder financiering, met de pre-accessie faciliteit van het Matra-programma, waarbij ook een belangrijke rol is weggelegd voor het maatschappelijke middenveld1. Zie voor samenwerking met sommige Oost-Europese landen in NAVO-kader paragraaf 6.3 van deze nota.
3.2 Bilaterale samenwerking met andere landen
Tussen 1994 en 1998 is intensief samengewerkt met Suriname op het terrein van de brandweerzorg. Deze samenwerking was gebaseerd op het in overleg tussen Suriname en Nederland tot stand gekomen Beleidsplan Brandweerzorg Suriname 1994–2000. De uitvoering van diverse projecten op grond van het beleidsplan werd begeleid door het ministerie van BZK en gefinancierd uit middelen voor Ontwikkelingssamenwerking (verdragsmiddelen Suriname). De eerste fase van het beleidsplan werd stilgelegd en de tweede fase ging niet van start, mede vanwege de committeringsstop die eind 1997 op de verdragsmiddelen werd ingesteld.
Binnen de VN draagt het Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA) te Genève zorg voor de internationale coördinatie bij rampen. In voorkomende gevallen doet OCHA, door tussenkomst van het ministerie van BZ, een beroep doen op in Nederland aanwezige kennis en materieel. Het Nationaal Coördinatie Centrum (NCC) van het ministerie van BZK is verantwoordelijk voor de coördinatie van de informatievoorziening naar de andere betrokken civiele departementen. Tussen OCHA (VN) en het EADRCC (NAVO) zijn afspraken gemaakt over samenwerking met het oog op de inzet van militaire en civiele middelen ten behoeve van de internationale rampenbestrijding.
Een mondiaal systeem voor vroegtijdige waarschuwing en wederzijdse bijstandsverlening bij nucleaire incidenten is de verantwoordelijkheid van het International Atomic Energy Agency (IAEA). Zie hierover ook paragraaf 2.5 van deze nota. In Nederland is het ministerie van BZK aanspreekpunt voor de wederzijdse bijstandsverlening in dit kader. BZK levert tevens deskundigheid bij het opstellen van een handboek brandveiligheid in nucleaire installaties.
Tevens is het ministerie van BZK betrokken bij de rapportage inzake de uitvoering van het op 20 september 1994 tot stand gekomen Verdrag inzake nucleaire veiligheid. Artikel 16 van dit verdrag heeft betrekking op het opstellen van rampbestrijdingsplannen voor kerncentrales. BZK is ook betrokken geweest bij de toelichting bij dit artikel. In de Kernenergiewet en de Wet rampen en zware ongevallen is dit artikel geïmplementeerd.De operationele uitwerking hiervan is het Nationaal Plan voor de Kernongevallenbestrijding (NPK).
Het Economic Committee for Europe (ECE) houdt zich onder andere bezig met de grensoverschrijdende effecten van industriële ongevallen. Op 17 maart 1992 is het Verdrag inzake de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen (Verdrag van Helsinki) tot stand gekomen. BZK is betrokken geweest bij de voorbereiding van dit verdrag. Dit verdrag, dat binnenkort aan de Staten-Generaal ter goedkeuring zal worden voorgelegd, heeft grotendeels betrekking op dezelfde categorieën inrichtingen als die waarop de Seveso II-richtlijn betrekking heeft. De inhoud van de verdragsbepalingen komt in hoge mate overeen met de verplichtingen die uit de richtlijn voortvloeien, althans waar het mogelijke effecten over de grens betreft.
Op 18 juni 1998 is het Verdrag inzake de levering van telecommunicatievoorzieningen voor rampenmitigatie en noodhulpoperaties tot stand gekomen. Dit VN-verdrag voorziet in een internationaal raamwerk ten behoeve van het vergemakkelijken van het gebruik en de levering van telecommunicatievoorzieningen bij rampen en noodhulpoperaties. Het betreft de samenwerking tussen staten onderling, hulporganisaties en intergouvernementele organisaties. Dit verdrag ligt thans met het oog op stilzwijgende parlementaire goedkeuring voor advies bij de Raad van State van het Koninkrijk. Het verdrag staat er niet aan in de weg dat staten bilateraal regelingen treffen over het grensoverschrijdend gebruik van telecommunicatievoorzieningen.
5.1 Rampenbestrijding algemeen
Met de Europese samenwerking op het gebied van de rampenbestrijding is een begin gemaakt in het midden van de jaren tachtig. In eerste instantie was deze – intergouvernementele – samenwerking gebaseerd op resoluties. Deze gaven echter slechts een politieke intentieverklaring weer en vormden geen juridische basis voor de samenwerking. Het was pas bij het Verdrag van Maastricht (1993) dat er in het EG-Verdrag (artikel 3, eerste lid, onderdeel u) hiervoor een concreet aanknopingspunt werd opgenomen. Dit vormde de aanleiding tot het in het leven roepen van een Europees Actieprogramma voor de rampenbestrijding1. Het eerste programma liep van 1998 tot 2000 en beschikte over een jaarlijks budget van 1.5 MEURO. Het tweede Actieprogramma2, met dezelfde budgettaire omvang, heeft een langere looptijd – van 2000 tot 2004 – waardoor de Europese samenwerking een wat structureler karakter krijgt.
De maatregelen in het programma richten zich op de verbetering van de Europese samenwerking tussen lidstaten, zowel ten aanzien van uitwisseling van kennis en ervaring als ten aanzien van de daadwerkelijke voorbereiding op en bestrijding van technologische en natuurrampen en spoedeisende milieurampen. De maatregelen zijn begeleidend en aanvullend ten opzichte van de nationale systemen voor de rampenbestrijding.
5.2 Europees Actieprogramma rampenbestrijding 2000–2004
Het lopende Actieprogramma kent vijf zgn. major projecten:
Dit project wordt geleid door Finland en heeft tot doel bij te dragen aan de preventie van risico's op het terrein van natuurlijke en technologische rampen. In het kader van dit project is begin november 1999 een workshop over de «Safety Chain» (veiligheidsketen) gehouden in Nederland, georganiseerd door het ministerie van BZK. De uitwisseling van informatie over nieuwe ontwikkelingen op het terrein van veiligheid, met name op het gebied van infrastructurele werken, stond tijdens deze workshop centraal. Eveneens in het kader van dit project is eind november 1999 in Noorwegen een workshop over «Risk Assessment» gehouden. Deze workshop was georganiseerd door Noorwegen in samenwerking met Zweden, Finland en Nederland. Het doel van deze workshop was om de lidstaten te informeren over de diverse risico-analyse procedures en methoden die gebruikt worden in de lidstaten van de EU en de EFTA.
Het doel van dit project, dat geleid wordt door Zweden, is om het niveau van zelfbescherming van de Europese bevolking te verbeteren door middel van doelmatige en effectieve voorlichting. Binnen dit project wordt door middel van workshops informatie uitgewisseld tussen lidstaten over voorlichting aan de bevolking, waarschuwingsstelsels (sirenes) en invoering van het alarmnummer 112. Afgelopen mei is in Luxemburg in het kader van dit project een workshop over alarmnummer 112 gehouden. Doel van deze workshop was informatie uit te wisselen over de stand van zaken in de lidstaten na introductie van 112 en nieuwe ideeën te ontwikkelen op dit terrein. Tijdens de workshop werd onder meer de uitkomst van een Eurobarometer besproken, waaruit blijkt dat een groot deel van de Europese burgers niet bekend is met het feit dat zij ook in andere EU-lidstaten het alarmnummer 112 kunnen bellen bij een noodsituatie. Geconcludeerd werd dat er meer voorlichting aan de bevolking hierover noodzakelijk is. Ik zal bezien op welke wijze de voorlichting aan Nederlandse burgers op dit punt verbeterd kan worden.
c Communication in the event of crises
Dit project wordt geleid door Duitsland en heeft tot doel de communicatie-aspecten bij grootschalige rampen te verbeteren. Nederland neemt deel aan de groep die de activiteiten van dit project coördineert. Tevens heeft Nederland bijgedragen aan dit project door middel van twee presentaties vorig jaar tijdens workshops over communicatie in Duitsland. Tijdens deze presentaties is door de Nederlandse vertegenwoordiger onder meer ingegaan op de communicatie-aspecten met betrekking tot de vliegrampen in de Bijlmer en in Eindhoven.
Dit project, dat mede op initiatief van Frankrijk en Italië tot stand is gekomen, heeft tot doel de uitwisseling van informatie tussen lidstaten te bevorderen bij het gebruik van nieuwe (satelliet) technologieën ten behoeve van de rampenbestrijding. Binnen dit project vinden diverse activiteiten plaats, die grotendeels liggen op het terrein van het monitoren van seismologische risico's (aardbevingen etc.). Met name de zuidelijke lidstaten hebben belang bij dit project.
De werkzaamheden in dit Europees project worden geïnitieerd en deels uitgevoerd door een «Core Group on Disaster Medicine», waarin diverse EU-lidstaten zitting hebben, onder Nederlands voorzitterschap. Het project richt zich op vergroting van de kwaliteit van spoedeisende medische hulp (disaster medicine) in Europa. Dit valt samen met het belang dat in Nederland wordt gehecht aan de ontwikkeling van de organisatie van de geneeskundige hulpverlening bij rampen. Een van de activiteiten van dit project betrof de Disaster Management and Medical Relief Conference die in juni 1999 in Nederland werd gehouden en was georganiseerd door het ministerie van BZK in samenwerking met de ministeries van Defensie en VWS en met co-financiering van de Europese Commissie. Tijdens deze conferentie is aandacht besteed aan de grote verschillen in de geneeskundige hulpverleningssystemen in Europa en de VS. Daarbij is geconstateerd dat Nederland voor wat betreft de benadering van de grootschalige geneeskundige hulpverlening een specifieke positie in Europa inneemt. Het ontbreken van een medisch specialisme op het gebied van rampengeneeskunde en de sterk individueel gerichte zorg, ook bij grote aantallen slachtoffers, zijn daarbij de meest in het oog springende elementen. Thans is er een vervolg aan dit project gegeven door een actieplan voor 2000–2002, waarvoor deels subsidie is verkregen van de Europese Commissie. Hierin zal met name het formuleren van beleidsuitgangspunten voor de Europese samenwerking op het gebied van Disaster Medicine centraal staan. Bij het formuleren van dit beleid zal uitgegaan worden van reeds in de lidstaten bestaande organisatievormen, juridische uitgangspunten en eigen nationaal beleid. Het is geenszins de bedoeling om te komen tot een Europese blauwdruk voor de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen. Het project Disaster Medicine richt zich met name op beïnvloeding van nationaal beleid van de lidstaten door informatieuitwisseling, discussie en uitwisseling van mogelijk gemeenschappelijke beleidsvisies, met name op het gebied van psycho-sociale nazorg, grensoverschrijdende hulpverlening en preparatie. Hierbij wordt gebruik gemaakt van kennis, in Nederland opgedaan in onder meer het Project Geneeskundige Hulpverlening bij Rampen en Ongevallen. Tevens zal een aantal onderwerpen, zoals bijvoorbeeld grensoverschrijdende hulpverlening, internationale bijstandsverlening, civiel-militaire samenwerking maar ook kwaliteitszorg en maatrampscenario's in een Europees perspectief worden besproken. Door middel van beleidsvisies zullen de resultaten van het project aan de lidstaten kenbaar worden gemaakt.
Naast de vijf genoemde grote projecten vindt er in het kader van het Actieprogamma rampenbestrijding ook een uitwisselingsprogramma plaats, waarbij deskundigen op het terrein van de rampenbestrijding in de gelegenheid worden gesteld om door middel van stages, kennis en ervaring op te doen in een andere lidstaat. De coördinatie van dit programma is in handen van België. De deelname van Nederlandse rampbestrijders aan dit programma wordt afgestemd in een regulier driehoeksoverleg tussen het ministerie van BZK, het College van Commandanten Regionale Brandweren en de Nederlandse Vereniging van Brandweerkorpsen. Overigens worden in dit overleg ook overige relevante internationale aangelegenheden op de terreinen brandweer en rampenbestrijding met het veld besproken en afgestemd.
5.2.2 Pilotproject Helikopterblussing
Binnen het Actieprogramma rampenbestrijding hebben lidstaten de mogelijkheid, naast initiatieven voor structurele grote projecten, zoals hierboven genoemd, ook op ad hoc basis projecten in te dienen voor medefinanciering door de Commissie. In dit kader heeft het ministerie van BZK vorig jaar subsidie verkregen van de Commissie voor het project Helikopterblussing. Het gaat hierbij om een pilotproject in Nederland, waarbij gedurende een periode van 18 maanden zal worden onderzocht of de invoering van helikopterblussing in Nederland effectief en efficiënt is. Gedurende deze periode, gerekend vanaf 3 april 2000, wordt een politie-helikopter van de KLPD, voorzien van een bluskanon, primair ingezet voor hoogbouwbranden. Hierbij wordt intensief samengewerkt tussen de brandweer en de politie. Bij de inzet van de helikopter ligt de operationele leiding bij de brandweer. Aan dit project nemen zowel de overheid, waaronder het ministerie van BZK en het KLPD, als het bedrijfsleven deel. Na evaluatie van dit pilotproject zal het ministerie van BZK beslissen over structurele implementatie. De uitkomsten van dit pilotproject zullen ter beschikking worden gesteld van de EU-lidstaten. De volgende landen hebben reeds aangegeven geïnformeerd te willen worden over de voortgang en resultaten van het project: België, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Oostenrijk en Zweden.
5.3 Nieuwe maatregelen van de Commissie op het terrein van de bijstandsverlening
De Europese samenwerking op het terrein van wederzijdse bijstand vormt een vangnet voor het geval een andere lidstaat geconfronteerd wordt met een grote ramp waarbij internationale assistentie gewenst is. De Europese Commissie faciliteert deze wederzijdse bijstand door middel van het up to date houden van een systeem van operationele en bestuurlijke contactpunten in de lidstaten, opgenomen in een Operational Manual of Civil Protection. Ook biedt de Commissie een systeem van 24-uurs bereikbaarheid in het geval van een ramp. Deze voorzieningen zijn mede tot stand gekomen ter implementatie van een resolutie uit 1991 betreffende wederzijdse bijstand tussen lidstaten bij rampen1.
Mede naar aanleiding van nieuwe Europese ontwikkelingen op het gebied van crisisbeheersing, zoals onder meer rond Kosovo, werd door de Europese Raad van Helsinki van december 1999, voortbouwend op de conclusies van de Europese Raad van Keulen van juni 1999, overeengekomen «niet-militaire crisisbeheersingsmechanismen in te stellen met het oog op het coördineren en effectiever maken van de verschillende civiele middelen en instrumenten die de Unie en de lidstaten ter beschikking staan». Daarbij werd afgesproken een actieplan op te stellen dat moet leiden tot verbetering van het reactievermogen van de EU en de lidstaten in antwoord op een verzoek van een leidende instantie als de VN of de OVSE, of, in voorkomend geval, bij zelfstandige acties van de EU. Tijdens de Europese Raad van Feira van 19 en 20 juni jl. zijn hierbij de volgende vier prioriteiten afgesproken: politie, versterking «rule of law», versterking openbaar bestuur en civiele bescherming. Met de ontwikkeling van het coördinatiemechanisme ten behoeve van de inzet van politie is reeds een aanvang gemaakt. De ontwikkeling van het onderdeel civiele bescherming bevindt zich nog in een pril stadium. De keuze voor het onderwerp civiele bescherming als één van de vier prioriteiten is in lijn met de wens van de EU om bij grootschalige rampen sneller en effectiever bijstand te verlenen.
De Commissie heeft onlangs voorstellen gedaan op het terrein van de hulpverlening aan lidstaten en derde landen, onder verwijzing naar de conclusies van de Europese Raad van Feira en mede naar aanleiding van de aardbevingen in Turkije en Griekenland vorig jaar. Zo heeft de Commissie de Operational Manual onlangs uitgebreid met de contactpunten in de kandidaat-lidstaten en de EFTA-landen. Daarnaast wil de commissie assessment-teams samenstellen die in de eerste plaats de omvang en de gevolgen van een ramp in kaart moeten brengen. Andere lidstaten kunnen dan snel gewaarschuwd worden en gepaste hulp verlenen. Ook wil de Commissie interventieteams kunnen inzetten die daadwerkelijk fysieke bijstand kunnen verlenen bij een ramp. De Commissie wil ook een trainingsprogramma opzetten voor deze teams. Tot slot wil de Commissie een gemeenschappelijk operationeel systeem opzetten voor de communicatie tussen de instanties voor rampenbestrijding van de lidstaten en de bevoegde diensten van de Commissie in noodsituaties. Nederland is van mening dat dit initiatief van de Commissie moet aansluiten bij de ontwikkelingen die thans op het terrein van niet-militaire crisisbeheersing plaatsvinden in de GBVB-pijler en geen duplicatie mag vormen van reeds ontwikkelde activiteiten en mechanismen op dit terrein bij de NAVO en de VN. Daarnaast zal mijn inzet zijn om erop toe te zien dat er een duidelijk onderscheid wordt aangebracht tussen inzet van rampbestrijders bij natuur- of technologische rampen (met weinig risico's) en inzet in humanitaire crises (met grote risico's) en dat er een duidelijk onderscheid wordt aangebracht tussen interventies binnen en buiten de EU, waarbij de rechtsbasis voor deze interventies helder dient te zijn.
5.4 Seveso en grensoverschrijdende informatieverschaffing
De Seveso II-richtlijn uit 1996 heeft betrekking op de bescherming van werknemers binnen een inrichting, de bescherming van mens en milieu buiten de inrichting, de voorbereiding op en de bestrijding van rampen en zware ongevallen en, alsmede in het kader van deze onderwerpen, de informatieverstrekking door bedrijven naar de overheid en door de overheid naar de bevolking. Het doel van de nieuwe richtlijn is om hogere niveaus van veiligheid binnen de lidstaten van de Europese Unie te waarborgen. In het kader van de omzetting van de richtlijn in de Nederlandse wet- en regelgeving zijn de Wet rampen en zware ongevallen, de Wet milieubeheer en de Arbeidsomstandighedenwet gewijzigd, is een nieuw Besluit risico's zware ongevallen 1999 evenals een nieuw Besluit rampbestrijdingsplannen inrichtingen tot stand gekomen en is het Besluit informatie inzake rampen en zware ongevallen gewijzigd.
Het Besluit rampbestrijdingsplannen inrichtingen stelt ten aanzien van bepaalde categorieën inrichtingen het maken van een rampbestrijdingsplan verplicht. Ook in het geval dat een dergelijke inrichting in het buitenland is gelegen en een calamiteit in die inrichting tot een ramp of zwaar ongeval in een Nederlandse gemeente kan leiden, is een rampbestrijdingsplan verplicht. Het besluit voorziet er in, dat de bevolking in Nederland kan worden geïnformeerd ten aanzien van een «rampbestrijdingsplan» in het buurland en dat de bevolking in het buurland kan worden geïnformeerd over een Nederlands rampbestrijdingsplan. Daarmee is tevens uitvoering geven aan een bepaling van het Verdrag van Helsinki van 1992.
Het Besluit informatie inzake rampen en zware ongevallen geeft voorschriften over de informatieverschaffing door het gemeentebestuur aan de bevolking over mogelijke rampen en zware ongevallen en over rampen en zware ongevallen die zich daadwerkelijk voordoen. Met de wijziging is voorgeschreven dat het gemeentebestuur die informatie, voorzover zij daarover beschikt, ook moet geven ten aanzien van rampen en zware ongevallen die het gevolg zijn van een mogelijke calamiteit in een inrichting buiten Nederland. Daarmee wordt tevens uitvoering gegeven aan het bovengenoemde verdrag.
Het besluit voorziet er reeds in dat relevante informatie over rampen die zich in Nederland voordoen of kunnen voordoen, door tussenkomst van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties naar het buurland wordt geleid. Deze procedure staat er niet aan in de weg dat bijvoorbeeld ook door lagere overheden rechtstreeks aan elkaar informatie wordt verschaft. De in het besluit vervatte regeling van informatieverschaffing aan het andere land heeft het karakter van een vangnet. Zij is van toepassing voorzover niet reeds op grond van andere voorschriften die informatie is verschaft. Hierbij moet gedacht worden aan het IAEA-Verdrag inzake vroegtijdige kennisgeving van een nucleair ongeval1, de Beschikking van de Raad van 14 december 1987 inzake communautaire regelingen voor snelle uitwisseling van informatie in geval van stralingsgevaar2 en de Eerste Aanvullende Overeenkomst ter uitvoering van de Nederlands-Belgische Overeenkomst inzake wederzijdse bijstandsverlening bij het bestrijden van rampen en ongevallen3.
Nederland heeft zich de afgelopen jaren actief ingezet voor Europese normalisatie op het gebied van brandweeruitrusting en persoonlijke beschermingsmiddelen. Daarbij wordt in samenwerking met de overige betrokken departementen en de medeoverheden (inbreng van expertise) permanent gestreefd naar optimalisering en actualisering van de Europese normen. Hierbij houdt men steeds het in Nederland reeds bereikte en het voor de toekomst nagestreefde niveau van brandweerzorg en veiligheid voor ogen. Nederland heeft een voortrekkersrol bij het opzetten van een systeem van classificatie van beschermingsmiddelen. In dit systeem geven fabrikanten aan welk middel bedoeld is voor welke werkzaamheden. Verwacht wordt dat de normen meer en meer naar deze classificatie zullen verwijzen. Zo ontstaat er meer duidelijkheid voor de specifieke gebruiker (in dit geval de brandweer). Het systeem van classificatie is een goede manier om de fabrikanten zo efficiënt mogelijk bij de Europese normalisatie te betrekken. Op die manier kunnen gezamenlijke Europese normen tevens bijdragen aan het voldoen aan de voorschriften van de Arbo-wetgeving. Europese regelgeving versterkt daarmee de Nederlandse wetgeving voor het veiliger maken van de werkomgeving van de Nederlandse werknemer. Een stap vooruit, die op Nederlands initiatief werd genomen, was de oprichting van een Joint Working Group (JWG) in 1998. De JWG heeft als opdracht de verschillende onderdelen van de brandweeruitrusting op elkaar aan te passen. Voorheen kon het gebeuren dat de werkgroepen met op zichzelf kwalitatief voldoende eindproducten kwamen, die echter niet voldoende op elkaar aansloten waardoor de brandweeruitrusting in zijn geheel bekeken niet van voldoende kwaliteit was. Het succes van de JWG ligt dan ook daarin, dat de werkzaamheden van de verschillende werkgroepen naadloos op elkaar zijn afgestemd, zodat tevens de verschillende uitrustingstukken van brandweerlieden als geheel op een verantwoorde manier aansluiten. Ook in de toekomst zal het ministerie van BZK zich, samen met het veld, actief blijven inzetten op het terrein van de optimalisatie van de Europese normen.
Aan brandveiligheid van bouwwerken en gebruiksgoederen wordt op Europees niveau aandacht besteed door zowel de Europese Commissie als door de Europese organisatie voor Normalisatie (CEN).
Het Standing Committee on Construction, een uitvoeringscomité bestaande uit overheidsvertegenwoordigers van de lidstaten en voorgezeten door de Commissie (Directoraat-generaal Ondernemingen), is verantwoordelijk voor de implementatie van de richtlijn Bouwproducten1. Een gevolg van de harmonisatie die door de richtlijn wordt beoogd, is een uniform systeem voor Europese brandclassificatie van bouwproducten, inclusief de daarbij behorende geharmoniseerde testmethoden en certificatieprocedures. De Nederlandse inbreng in dit comité wordt geleverd door de ministeries van VROM (voortouw) en EZ en wordt voorbereid in een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de ministeries van VROM, EZ en BZK en van het bedrijfsleven.
Het Emergencies Committee dat is ingesteld op basis van de richtlijn inzake produktveiligheid2, behandelt allerhande onderwerpen betreffende de algemene veiligheid van consumentenproducten. In dit gremium wordt ook aandacht besteed aan brandveiligheid van consumentenproducten en inventarisgoederen. Het ministerie van VWS levert hiervoor de Nederlandse inbreng. Recentelijk is in dit comité de brandveiligheid in bestaande hotels aan de orde gesteld. Hiervoor is een werkgroep in het leven geroepen waarin als nationale experts medewerkers van BZK en VROM deelnemen. Deze werkgroep moet nagaan hoe de aanbeveling van de Commissie uit 1986 over de brandveiligheid in bestaande hotels door de lidstaten is geïmplementeerd en of deze aanbeveling, gelet op de ervaringen en op de behoefte van belanghebbende partijen (consumenten- en reisorganisaties, touroperators), zou moeten worden aangepast.
In CEN-verband wordt door verschillende commissies aandacht besteed aan normen op het gebied van brandveiligheid. Dit betreft onder meer allerhande technische beveiligingsinstallaties en ontwikkelingen op het terrein van Fire Safety Engineering. De technisch-inhoudelijk bijdrage in deze overleggremia wordt geleverd door TNO Centrum van Brandveiligheid met financiële ondersteuning van mijn ministerie.
Naar aanleiding van recente branden in tunnels in enkele Europese landen is de veiligheid in tunnels een onderwerp geweest in de vergadering van de Transportraad van 17 juni 1999. Besloten is dat een groep van Europese deskundigen een advies over tunnelveiligheid zal voorbereiden. Tijdens een bijeenkomst van deze groep op 28 september 1999 zijn enkele voorstellen geformuleerd die betrekking hebben op het ontwerp en gebruik van tunnels (zoals eisen aan voertuigen en opleidingseisen aan vrachtwagenchauffeurs). Afgesproken is dat door de deskundigen nagegaan zal worden in hoeverre nieuwe inzichten van de lidstaten in beveiliging van tunnels de basis kunnen vormen voor Europese afstemming op het gebied van de veiligheid. Het ministerie van BZK werkt samen met het ministerie van Verkeer en Waterstaat aan veiligheidsnormering bij grote infrastructurele werken, waaronder tunnels. De internationale aspecten hiervan, zoals de inbreng in de transportraad, worden behartigd door V&W in nauw overleg met het ministerie van BZK.
Ik acht de samenwerking binnen de Europese Unie op het gebied van brandweer en rampenbestrijding van groeiend belang, mede voor de verdere ontwikkeling van deze gebieden in Nederland, en zal mij daarom inzetten voor de verdere verdieping en uitbouwing van deze samenwerking.
De NAVO is een essentieel instrument ter bevordering van vrede, veiligheid en stabiliteit in het Euro-Atlantische gebied. Binnen de NAVO bestaat een civiel crisisbeheersingsonderdeel, ook wel bekend als Civil Emergency Planning (CEP). CEP heeft onder meer tot taak «de uitwerking van gemeenschappelijke plannen om effectief gebruik te maken van civiele bondgenootschappelijke hulpbronnen ter ondersteuning van de bondgenootschappelijke strategie»1. Het betreft hier het coördineren van de nationale planning van civiele hulpbronnen, zoals energie, voedsel, transportcapaciteit, communicatie enz. ten behoeve van crises. Na de val van de Berlijnse Muur en de daaropvolgende herbezinning van de NAVO verschoof de nadruk bij CEP van verdedigingsplanning naar rampenbestrijding en crisisbeheersing. Thans vormt de samenwerking met partnerlanden in het kader van het Partnerschap voor Vrede programma, dat valt onder de verantwoordelijkheid van de Euro-Atlantische Partnerschapsraad, een substantieel onderdeel van het werk op CEP-terrein.
De coördinatie van de Nederlandse inbreng op het terrein van Civil Emergency Planning binnen de NAVO ligt bij het ministerie van BZK in nauwe samenwerking met het ministerie van BZ. De overige ministeries zijn op deelaspecten, die betrekking hebben op hun beleidsterrein, inhoudelijk verantwoordelijk.
6.1 Review Civil Emergency Planning
In 1998 kreeg Nederland van diverse zijden binnen de NAVO signalen dat een aantal Planning Boards and Committees op civiel terrein niet optimaal functioneerde. De oorzaak hiervan was de grotendeels verouderde structuur, voornamelijk geënt op de Koude-Oorlog-periode, die niet berekend was op de verandering van de NAVO van een statische defensieorganisatie naar een dynamische organisatie die een brede benadering van veiligheid voorstaat. Eind 1998 stelde Nederland daarom voor een begin te maken met de herstructurering van de taken en activiteiten van de Planning Boards and Committees op civiel terrein. Dit Nederlands voorstel werd breed ondersteund en leidde uiteindelijk tot een alomvattende «Review of Civil Emergency Planning» die tot doel had de civiele taken zo veel mogelijk aan te laten sluiten bij het nieuwe Strategische Concept dat in april 1999 tijdens de Washington Top door de regeringsleiders en staatshoofden werd aangenomen. Op 9 maart jl. is de NAVO-Raad akkoord gegaan met de afronding van de eerste fase van deze review waarbij herdefiniëring van de rol van Civil Emergency Planning binnen de NAVO centraal stond. Daarbij werden voor het civiele terrein de volgende vijf taken gedefinieerd:
A Civiele ondersteuning van militaire operaties van het bondgenootschap op basis van artikel 5 van het NAVO-verdrag.
Hiermee wordt bedoeld het coördineren van de nationale planning van civiele hulpbronnen, zoals energie, voedsel, transportcapaciteit enz. ter ondersteuning van militaire operaties op basis van artikel 5 van het NAVO-verdrag (verplichting tot wederzijdse bijstand door bondgenoten). Dit blijft een kerntaak van CEP.
B Ondersteuning van niet-artikel 5 crisis response operations.
Het gaat hier zowel om civiele ondersteuning van de zgn. Peace Support operaties, onder andere door middel van de inzet van Functional Specialists (zoals in voormalig Joegoslavië) als om humanitaire acties zoals verricht door het Euro Atlantic Disaster Response Coordination Centre (EADRCC) tijdens de Kosovo crisis. Ook logistieke civiele ondersteuning van militaire operaties zoals geschied in Kosovo valt hieronder. Voor het welslagen van dergelijke operaties is de samenwerking tussen civiele en militaire autoriteiten (de zgn. civiel-militaire samenwerking) van essentieel belang.
C Ondersteuning van nationale autoriteiten bij rampen.
Het gaat hier om hulpverlening bij rampen, waarbij met name gedacht moet worden aan de activiteiten van het Euro-Atlantic Disaster Response Coordination Centre (EADRCC), dat in geval van grootschalige rampen in de lidstaten en in de partnerlanden de internationale hulpverlening coördineert. Zie hierover meer in paragraaf 6.5.
D Ondersteuning van nationale autoriteiten bij de bescherming van de bevolking tegen de gevolgen van eventuele inzet van Massavernietigingswapens.
Zie hierover paragraaf 6.4.
E Samenwerking met partnerlanden.
Zie hierover de paragraaf «Samenwerking met PvV-landen».
Onlangs zijn door de Internationale Staf van de NAVO procedure-voorstellen gedaan voor de tweede fase – definiëring van de rol van het Senior Civil Emergency Planning Committee (SCEPC) – en de derde fase -vaststelling taken en activiteiten van de Planning Boards and Committees (PB&Cs). Nederland is als initiatiefnemer van de review nauw betrokken geweest bij de eerste fase. Thans wordt door een interdepartementale ad hoc groep een Nederlands standpunt voorbereid voor de tweede en derde fase. Met name bij het formuleren van de nieuwe activiteiten van de PB&Cs zal Nederland erop toezien dat deze activiteiten niet reeds door andere internationale organisaties worden verricht (EU, VN). Het belang dat Nederland hecht aan een goede Nederlandse vertegenwoordiging in de Planning Boards and Committees, blijkt onder meer uit het feit dat van de negen PB&Cs, twee een Nederlandse voorzitter hebben (vertegenwoordigers van de ministeries van V&W en Defensie) en twee een Nederlandse vice-voorzitter (vertegenwoordigers van de ministeries van LNV en BZK).
6.2 Crisis Management Exercise (CMX)
Teneinde het bondgenootschappelijk vermogen tot het beheersen van crises te handhaven en waar nodig te verbeteren, vindt jaarlijks in NAVO-verband de Crisis Management Exercise plaats. Hierbij staat het beoefenen van procedures, maatregelen en regelingen, inclusief de civiel-militaire samenwerking, centraal. Deze oefening biedt goede aanknopingspunten voor het gelijktijdig oefenen van de in het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming1 voorgeschreven crisisbesluitvormingsprocedures door de civiele departementen in Nederland. Het ministerie van BZK zal hiertoe het initiatief nemen ten behoeve van de CMX-oefening die voor 2001 gepland is.
6.3 Samenwerking met PvV-landen
De civiele samenwerking in het kader van het Partnerschap-voor-Vrede-Programma (PvV) vindt met name met de Midden- en Oost-Europese landen plaats. De samenwerking met de partners, die in 1994 is begonnen, is in een hoog tempo geïntensiveerd en is momenteel een van de meest succesvolle onderdelen op civiel terrein. Vorig jaar werden 63 activiteiten op civiel terrein in het kader van het PvV georganiseerd. Nederland richtte zich binnen het PvV met name op Polen, Hongarije, Tsjechië en Slowakije. De eerste drie landen zijn inmiddels toegetreden tot de NAVO. Het ministerie van BZK heeft, onder meer door het subsidiëren van detacheringsplaatsen voor civiele functionarissen uit deze landen op het NAVO hoofdkwartier, bijgedragen aan het voorbereiden van deze landen op hun toetreding tot de NAVO. De laatste tijd wordt in het kader van de PvV-samenwerking steeds meer een beroep gedaan op de NAVO-lidstaten om hun deskundigheid op het gebied van de organisatie van de rampenbestrijding ter beschikking te stellen van landen zoals Albanië, Georgië, Azerbeidzjan, Oekraïne enz. Alhoewel deze landen niet vallen binnen het prioriteitsbeleid van BZK ten aanzien van de samenwerking met Midden- en Oost-Europa, ben ik voornemens om deze landen bij een concreet aan Nederland gericht verzoek bij te staan door het beschikbaar stellen van expertise. Hierbij zou bijvoorbeeld gedacht kunnen worden aan advisering op het gebied van risico-communicatie, waarbij met name de ervaringen in Nederland met het landelijk dekkend waarschuwingsstelsel doorgegeven kunnen worden.
6.4 Weapons of Mass Destruction (WMD)
De proliferatie van massavernietigingswapens – nucleaire, biologische en chemische wapens – krijgt thans veel aandacht binnen de NAVO. Naast een rol voor militaire autoriteiten, zien de lidstaten ook een duidelijke rol voor civiele autoriteiten bij deze problematiek. Hierbij dient gedacht te worden aan het in kaart brengen van de bedreigingen voor de bevolking, het voorstellen van maatregelen en het uitwisselen van kennis en ervaring. De belangstelling voor genoemde problematiek in NAVO-verband mondde uit in een zogenoemde Weapons of Mass Destruction Initiative (WMDI), gelanceerd tijdens de Washington Top in april 1999. Besloten werd tot de instelling van een WMD-centre op het NAVO-hoofdkwartier, dat zal fungeren als een soort kennis- en informatie-uitwisselingcentrum voor de lidstaten op het terrein van WMD. De activiteiten van het WMD-centre zullen gecoördineerd worden door zowel de Senior Defence Group on Proliferation (militair) als door het SCEPC (civiel). Een eerste begin is gemaakt met het opstellen van een lijst met contactpersonen op het gebied van WMD in de lidstaten. Tevens wordt gewerkt aan een inventarisatie van beschikbare middelen van lidstaten die ingezet kunnen worden ter ondersteuning van getroffen landen.
De politieke interesse voor de problematiek rond de dreiging van massavernietingswapens is ook in Nederland de afgelopen tijd sterk toegenomen. De toegenomen activiteiten binnen de NAVO en met name de Verenigde Staten hebben hier voor een belangrijk deel aan bijgedragen. In 1998 werden door de Tweede Kamer schriftelijke vragen gesteld aan de ministers van Defensie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de mate waarin Nederland voorbereid is op aanslagen met chemische en biologische wapens. In reactie op deze vragen werd door de ministers aangegeven dat de hulpverleningsdiensten, meer in het bijzonder de brandweer, slechts in beperkte mate voorbereid zijn op dergelijke aanslagen en dat bezien zou worden op welke wijze deze voorbereiding verbeterd kon worden. Thans wordt binnen een projectstructuur, samen met verscheidene andere inhoudelijk betrokken ministeries, bezien hoe de verbetering van de voorbereiding op NBC-aanslagen concreet gestalte kan krijgen. Er zal daarbij nadrukkelijk gebruik gemaakt worden van de mogelijkheid om in NAVO-kader informatie te verkrijgen van NAVO-partners die verder zijn in hun voorbereiding op dit terrein. In het najaar zal de Tweede Kamer separaat worden geïnformeerd over de voortgang van de Nederlandse inspanningen op het terrein van de voorbereiding op de NBC-dreiging.
6.5 Euro-Atlantic Disaster Response Coordination Centre
Op 29 mei 1998 ging de Euro-Atlantische Partnerschapsraad akkoord met de instelling van een Euro-Atlantic Disaster Response Coordination Centre (EADRCC) op het NAVO-hoofdkwartier. Het EADRCC heeft tot taak in nauwe samenwerking met het Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA) van de VN én op verzoek van een getroffen NAVO-lidstaat of partnerland, de coördinatie te verzorgen van de hulpverlening bij grootschalige natuurlijke en technologische rampen. Nederland heeft vanaf het begin dit initiatief, dat gezien dient te worden als een regionaal arrangement van de Verenigde Naties waarbij de primaire rol van de VN op het terrein van internationale bijstand overeind blijft, ondersteund. Sinds haar oprichting is het EADRCC bij diverse grote rampen in Europa betrokken geweest bij de hulpverlening.
In de Kosovo crisis in 1999 heeft het EADRCC, op verzoek van en in nauwe samenwerking met UNHCR, een belangrijke bijdrage geleverd aan de coördinatie van de humanitaire bijstand. Daarmee heeft het coördinatiecentrum bijgedragen aan het zichtbaar maken van de NAVO-betrokkenheid bij het verlichten van de humanitaire nood in de Kosovo crisis. Nederland ziet niet op voorhand een leidende rol weggelegd voor de NAVO op humanitair gebied, doch wel in aanvulling op de rol van andere internationale organisaties die reeds taken hebben op dit terrein, zoals de VN. Het Nationaal Coördinatie Centrum van mijn ministerie fungeert, conform het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming, als Nederlands Point of Contact voor het EADRCC.
Thans is bij het EADRCC een Euro-Atlantic Disaster Response Unit (EADRU) in ontwikkeling. Het betreft hier een gecomputeriseerd bestand, waarin door landen op vrijwillige basis beschikbaar gestelde civiele en militaire middelen ten behoeve van de rampenbestrijding, zijn opgenomen. Overigens beslissen de landen uiteindelijk zelf of de (op schrift) beschikbaar gestelde middelen in het EADRU in een concreet geval daadwerkelijk ingezet worden. Ik zal in overleg met de relevante ministeries nagaan op welke wijze Nederland hieraan kan bijdragen.
Om de Nederlandse betrokkenheid bij de ontwikkelingen op civiel gebied binnen de NAVO te onderstrepen, heb ik eerder dit jaar een bezoek gebracht aan het NAVO-hoofdkwartier. Daar heb ik o.a. gesprekken gevoerd met de Assistant Secretary General for Security Investment, Logistics and Civil Emergency Planning van de NAVO en de Director Civil Emergency Planning Directorate. Tijdens dit gesprek hebben genoemde NAVO-functionarissen hun erkentelijkheid betuigd over het Nederlands initiatief ten aanzien van de herstructurering van het onderdeel Civil Emergency Planning binnen de NAVO.
7 Samenwerking tussen de NAVO en de EU
Aangezien zowel de Europese Unie als de NAVO, overigens naast de VN, zich bezig houden met rampenbestrijding, bestaat het risico dat op sommige deelterreinen duplicatie van inspanningen plaatsvindt. Alhoewel doel en bereik van beide organisaties verschillend zijn, is samenwerking op diverse terreinen zeker denkbaar. Hierbij dient gedacht te worden aan samenwerking tussen het twee jaar geleden opgerichte coördinatiecentrum voor hulpverlening bij rampen bij de NAVO (EADRCC) en het op te richten coördinatiecentrum van de EU voor hulpverlening bij rampen. Onderzocht zou kunnen worden of gezamenlijke seminars en workshops op het gebied van rampenbestrijding ten behoeve van de Midden- en Oost-Europese landen gehouden kunnen worden, in plaats van afzonderlijke zoals tot nu het geval is. Ik zal mij actief blijven inzetten om meer samenwerking en afstemming te bewerkstelligen tussen de NAVO en de EU op het terrein van de rampenbestrijding. Daarbij is het van belang gezamenlijk op te trekken met bondgenoten in zowel de EU als in de NAVO die dezelfde doelstellingen nastreven.
8 De vuurwerkramp in Enschede: internationale aspecten
Bij de vuurwerkramp in Enschede van 13 mei jongstleden is hulp verleend vanuit het buitenland. Deze hulp is deels spontaan en deels na een formeel verzoek daartoe op gang gekomen. Er bestonden vanuit de getroffen regio al langere tijd contacten met de aangrenzende Duitse regio's, ook op het gebied van de brandweer en rampenbestrijding. Vanuit die regio's is geheel spontaan direct na de ramp in grote omvang bijstand verleend door de brandweerkorpsen uit de aangrenzende regio's. Eveneens hebben Duitse ambulances bijstand verleend bij het vervoer van slachtoffers van de ramp naar ziekenhuizen in de omgeving. Een aantal Nederlandse slachtoffers is voor tijdelijke verpleging overgebracht naar Duitse ziekenhuizen.
Vrijwel direct na de ramp is vanuit het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) een bijstandscoördinator afgereisd naar het rampgebied, die eveneens de functie van plaatsvervangend hoofd van het Rampen Identificatieteam (RIT) heeft bekleed. Deze heeft op grond van de geografische omvang van het rampterrein vastgesteld dat het aanbod van Nederlandse politiespeurhonden vanuit de afdeling speurhonden van het KLPD onvoldoende zou zijn om te voldoen aan de grote vraag. Daarbij ging het zowel om de inzet van politiespeurhonden voor het zoeken naar overlevenden als (in een later stadium) naar stoffelijke resten op het rampterrein. In de nacht van 13 op 14 mei jl. is vanuit het Bureau Bijstandscoördinatie van het KLPD een verzoek gericht aan politiekorpsen in het buitenland voor het verlenen van bijstand in de vorm van teams met politiehonden die speciaal opgeleid zijn voor het zoeken naar overlevenden en stoffelijke resten. Op dit verzoek hebben politiekorpsen uit België, Denemarken, Duitsland en Finland positief gereageerd en daadwerkelijk steun verleend aan de Nederlandse autoriteiten bij het zoeken naar overlevenden en stoffelijke resten op het rampterrein.
Direct na de ramp bereikte mij een verzoek van de Europese Commissie om een Lessons Learnt Mission van experts op het terrein van civiele bescherming uit de lidstaten naar Nederland te sturen. Ik heb positief gereageerd op dit verzoek. In overleg met de gemeente Enschede is besloten de delegatie te ontvangen nadat de Commissie onderzoek vuurwerkramp (Commissie Oosting) haar werkzaamheden heeft afgerond. Zoals het er thans uitziet zal het bezoek in december a.s. plaatsvinden. De Europese Commissie is belast met de voorbereiding hiervan, conform de procedure die geldt voor missies van deskundigen. Inmiddels hebben Zweden, Frankrijk, Denemarken en Italië aangegeven deel uit te willen maken van de missie.
Over de voortgang van de inzet van Europese middelen ten behoeve van de wederopbouw van de wijk Enschede-Noord zal de Tweede Kamer separaat geïnformeerd worden.
9 Internationale bijstand bij rampen
Vorig jaar werd Turkije getroffen door een grote aardbeving. Bij brandweerkorpsen en andere bij de rampenbestrijding betrokken organisaties in Nederland leefde de wens een bijdrage te leveren aan de hulpverlening in Turkije. Nederland beschikt echter vooralsnog niet over een speciaal opgeleide en geoefende eenheid voor het verrichten van Search and Rescue taken in stedelijke gebieden in het buitenland in de eerste dagen van de ramp. Thans is in overleg met onder meer de ministeries van Buitenlandse Zaken en van Defensie en het College van Commandanten Regionale Brandweren een voorstel in ontwikkeling voor de organisatorische samenstelling van een dergelijke eenheid en de benodigde uitrusting hiervoor, alsmede voor de procedures rond de inzet. De richtlijnen die zijn opgesteld door «The International Search And Rescue Advisory Group (INSARAG)» dienen hierbij als uitgangspunt. Bij de ontwikkeling van dit voorstel zijn coördinatie en afstemming (zowel nationaal als internationaal) essentiële voorwaarden, teneinde efficiënt en zonder verspilling van menskracht en middelen hulp te kunnen verlenen aan het buitenland.
De bijdrage van Nederland moet een toegevoegde waarde hebben door de juiste specialismen op het juiste moment in te zetten. Ten behoeve van het redden van mensen kan een opgeleide en geoefende bijstandseenheid een zinvolle bijdrage leveren indien deze binnen 24 uur ter plaatse kan zijn voor hulpverlening in de eerste dagen van de ramp.
Hiertoe kan de brandweer een modulair internationaal inzetbare eenheid formeren, die met name is ingericht voor Search and Rescue taken in stedelijke gebieden. Deze eenheid kan in samenwerking met andere hulpverleningsorganisaties en Defensie ingezet worden. Door een snelle reorganisatie kan de eenheid, desgewenst en indien noodzakelijk, tevens worden ingezet bij overstromingen, lawines en andere soorten rampen.
Als spil van deze eenheid kan de reeds bestaande reddingscomponent (personeel en materieel) van de brandweercompagnie fungeren. De brandweercompagnie is een organisatorisch verband van brandweereenheden, ingericht voor zowel grootschalige technische hulpverlening (waaronder redding) als grootschalige brandbestrijding.
Naar verwachting zal begin volgend jaar gestart kunnen worden met de formatie en training van deze eenheid, zodat deze naar verwachting eind 2001 operationeel inzetbaar is. Bij de inzet van deze eenheid buiten het Koninkrijk en buiten de bestaande bijstandsregelingen met België en Duitsland onder leiding en coördinatie van het ministerie van BZ kan met name gedacht worden aan operaties in het kader van de bestaande bijstandsregelingen van de Verenigde Naties en de NAVO en de in ontwikkeling zijnde bijstandsregeling van de Europese Unie in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid. De Tweede Kamer zal hierover afzonderlijk worden geïnformeerd.
Bij de ontwikkeling van de te formeren bijstandseenheid zal gebruik gemaakt worden van de goede ervaringen opgedaan met de inzet, onder de leiding en coördinerende verantwoordelijkheid van het ministerie van BZ, van Defensie-personeel enmaterieel. Ook zal gebruik worden gemaakt van de ervaringen met de Nederlandse hulpverlening na de orkaan Luis (1995) op de Nederlandse Antillen. Kortheidshalve verwijs ik u hierbij naar mijn reeds in de inleiding genoemde notitie over orkaanhulp van 21 juni 2000.
Mijn ministerie is betrokken bij diverse internationale activiteiten op het terrein van de brandweer en rampenbestrijding. In het kader van de grensoverschrijdende samenwerking is een aantal knelpunten bij de grensoverschrijdende bijstandsverlening opgelost. In de (nabije) toekomst moeten diverse nieuwe beleidsinitiatieven tot structurele regelingen en oplossingen van de overgebleven knelpunten leiden, met name op het terrein van de grensoverschrijdende spoedeisende medische hulpverlening. Bij de overige bilaterale samenwerking zal ik mij met name inzetten voor de verdere versterking van de samenwerking met Hongarije en zal ik structurele samenwerkingsverbanden aangaan met Polen, Tsjechië en Slowakije in het kader van de komende toetreding van deze landen tot de Europese Unie. In het kader van de samenwerking binnen de EU zal ik mij met name richten op de verdere uitbouw van het door Nederland geleid project Disaster Medicine. Daarnaast zal ik nadere invulling geven aan het door de EU te ontwikkelen mechanisme voor bijstandsverlening aan lidstaten en derde landen. In het kader van de NAVO-samenwerking zal ik mij vooral inspannen om het op Nederlands initiatief tot stand gekomen herstructureringsproces binnen het civiel crisisbeheersingsonderdeel van de NAVO succesvol af te ronden. Ten slotte zal ik mij inzetten om in overleg met andere ministeries een bijstandseenheid op te richten die in geval van rampen in het buitenland ingezet kan worden, in aanvulling op reeds bestaande hulpeenheden. Over dit onderdeel zal ik de Kamer afzonderlijk informeren. Tevens zal de Kamer bij separate notitie geïnformeerd worden over de Nederlandse inspanningen op het terrein van de voorbereiding op de NBC-dreiging.
Grensoverschrijdende samenwerking
• De staatssecretaris van BZK zal samen met de minister van VWS bezien of op korte termijn een bevredigende oplossing kan worden gevonden voor de problemen rond de financiering van ambulance-inzet tussen Nederland en België.
• De staatssecretaris van BZK streeft ernaar – in overleg met de staatssecretaris van V&W – de beperkingen die aan het grensoverschrijdend gebruik van radiocommunicatieapparatuur zijn verbonden, zoveel mogelijk op te heffen.
• Nederland zal het initiatief nemen tot het maken van afspraken tussen de overheden in Nederland, België en Duitsland over het elkaar informeren over mogelijke calamiteiten die ook in het andere land gevolgen kunnen hebben.
• De staatssecretaris van BZK zal bevorderen dat in alle grensgebieden een risicokaart wordt gemaakt, in samenhang met de risico-analyses die in de periode tot medio volgend jaar door de Nederlandse regio's worden uitgevoerd, en up-to-date wordt gehouden.
• Het internationaal multidisciplinair oefenen zal door BZK gefaciliteerd worden door het samen met enkele regio's organiseren van een of twee pilot-oefeningen. Op basis van de ervaringen van de pilot-oefeningen zal door BZK een checklist opgesteld worden met aandachtspunten voor alle grensregio's.
• De staatssecretaris van BZK is voornemens de totstandkoming van grensoverschrijdende plannen te stimuleren, onder andere door middel van incidentele subsidies.
• De staatssecretaris van BZK is voornemens samen met de betrokken bewindspersonen in Duitsland en België een gids uit te brengen, waarin de verschillende verantwoordelijkheden en bevoegdheden op het gebied van de rampenbestrijding in de drie landen worden vermeld.
• De staatssecretaris van BZK zal het initiatief nemen tot een structureel (ambtelijk) overleg waarin de Nederlandse rijksoverheid, Noordrijn-Westfalen, Nedersaksen, de aan Duitsland grenzende provincies en euregio's participeren.
Overige bilaterale samenwerking
• De staatssecretaris van BZK zal zich inzetten om de samenwerking tussen Hongarije en Nederland op het terrein van de rampenbestrijding verder te versterken.
• De staatssecretaris van BZK is voornemens Polen, Tsjechië en Slowakije, mede in het kader van het pre-accessietraject tot de EU, een structureel samenwerkingsverband op het terrein van de rampenbestrijding aan te bieden.
• Nederland zal samen met andere EU-lidstaten beleidsuitgangspunten formuleren voor de Europese samenwerking op het gebied van Disaster Medicine.
• Nederland zal erop toezien dat de door de Europese Commissie voorgestelde maatregelen op het terrein van bijstandsverlening aan lidstaten en derde landen aansluiten bij de ontwikkelingen die thans op het terrein van niet-militaire crisisbeheersing plaatsvinden in de GBVB-pijler en geen duplicatie vormen van reeds ontwikkelde activiteiten en mechanismen op dit terrein bij de NAVO en de VN.
• BZK zal binnenkort in overleg met de relevante ministeries nagaan op welke wijze Nederland aan de Euro Atlantic Disaster Response Unit (EADRU) van de NAVO kan bijdragen.
• De staatssecretaris van BZK is voornemens om de zgn. Partnerschap voor Vrede-landen die in NAVO-kader een concreet verzoek op het terrein van rampenbestrijding aan Nederland richten, bij te staan d.m.v. het beschikbaar stellen van deskundigen.
• De Tweede Kamer zal bij afzonderlijke notitie geïnformeerd worden over de Nederlandse inspanningen op het terrein van de voorbereiding op de NBC-dreiging.
• De staatssecretaris van BZK zal zich inspannen om het op Nederlands initiatief tot stand gekomen herstructureringsproces binnen het civiel crisisbeheersingsonderdeel van de NAVO succesvol af te ronden.
• De staatssecretaris van BZK zal zich actief blijven inzetten om meer samenwerking en afstemming te bewerkstelligen tussen de NAVO en de EU op het terrein van de rampenbestrijding.
Internationale bijstandseenheid
• BZK bereidt samen met andere departementen en het veld een internationale bijstandseenheid voor. Hierover zal de Tweede Kamer bij afzonderlijke notitie nader geïnformeerd worden.
Richtlijn 93/16/EEG van de Raad van 5 april 1993 ter vergemakkelijking van het vrije verkeer van artsen en onderlinge erkenning van hun diploma's, certificaten en andere titels (PbEG L 165 van 7 juli 1993).
Richtlijn 77/452/EEG van de Raad van 27 juni 1977 inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van verantwoordelijk algemeen ziekenverpleger, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten (PbEG L 176 van 15 juli 1977).
Richtlijn 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (PbEG L 10 van 14 januari 1997).
Verdrag van de VN/ECE inzake de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen (Trb. 1994, 50).
Richtlijn 90/219/EEG van de Raad van 23 april 1990 inzake het ingeperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen (PbEG L 117 van 8 mei 1990).
Richtlijn 89/48/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende een algemeen stelsel van erkenning van hoger onderwijsdiploma's (PbEG L 019 van 24 januari 1989).
Zie ook de beleidsbrief van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 10 juli 2000 over het nieuwe Matra-programma, kamerstukken II 1999–2000, 26 800, nr. 115.
Beschikking van de Raad van 19 december 1997 tot invoering van een communautair actieprogramma voor civiele bescherming (Pb L 8 van 14 januari 1998).
Beschikking van de Raad van 9 december 1999 betreffende een communautair actieprogramma voor civiele bescherming (Pb L 327 van 21 december 1999).
Resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de Regeringen van de Lid-Staten, in het kader van de Raad bijeen van 8 juli 1991 betreffende de verbetering van de onderlinge hulp tussen Lid-Staten bij natuurrampen en technische rampen (Pb C 198 van 27 juli 1991).
Richtlijn 89/106/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake voor de bouw bestemde produkten (PbEG L 040 van 11 februari 1989).
Richtlijn 92/59/EEG van de Raad van 29 juni 1992 inzake algemene produktveiligheid (PbEG L 228 van 11 augustus 1992).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27556-2.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.