A
OORSPRONKELIJKE TEKST VAN HET VOORSTEL VAN WET EN VAN DE MEMORIE VAN
TOELICHTING ZOALS VOORGELEGD AAN DE RAAD VAN STATE EN VOOR ZOVER NADIEN GEWIJZIGD
Voorstel van wet
Artikel 140, eerste lid, luidde:
1. Op verzoek van de verrekenplichtige echtgenoot kan de rechter wegens
gewichtige redenen bepalen dat een verschuldigde geldsom, al dan niet vermeerderd
met een in de beschikking te bepalen rente, in termijnen of eerst na verloop
van zekere tijd, hetzij ineens, hetzij in termijnen behoeft te worden voldaan.
Daarbij kan de rechter de verrekenplichtige echtgenoot verplichten binnen
een bepaalde tijd zakelijke of persoonlijke zekerheid te stellen voor de voldoening
van de verschuldigde geldsom.
Artikel 141, zesde lid, luidde:
6. De vordering tot verrekening, bedoeld in het eerste lid, verjaart niet
eerder dan drie jaren na de beëindiging van het huwelijk dan wel het
onherroepelijk worden van de beschikking tot scheiding van tafel en bed.
Memorie van toelichting
Algemeen
De tweede en volgende alinea's van paragraaf 9 luidden:
Verder bestaan enkele regels van dwingend recht. De bepalingen waarvan
niet bij huwelijkse voorwaarden kan worden afgeweken, spreken allen voor zich.
Het betreft:
• artikel 138, tweede lid: de bevoegdheid om een jaarlijkse, schriftelijke
opgave te verzoeken;
• artikel 139, tweede en derde lid: de bevoegdheid opheffing van
de verplichting tot verrekening en de bevoegdheid schadevergoeding te verzoeken;
• artikel 140, eerste en tweede lid: de bevoegdheid een betalingsregeling
te verzoeken;
• artikel 141, zesde lid: de verjaringstermijn voor periodieke verrekenvorderingen;
• artikel 143, eerste tot en met derde lid: de bevoegdheid om een
beschrijving te verzoeken.
De gedachte achter het dwingende karakter van de artikelen 138, tweede
lid, en 143, eerste tot en met derde lid, is dat geen enkel verrekenbeding
goed uitgevoerd kan worden indien niet over en weer de verplichting bestaat
om elkaar over de te verrekenen inkomsten of het te verrekenen vermogen te
informeren. Huwelijkse voorwaarden die bepalingen bevatten die het recht op
informatie beperken of geheel uitsluiten, zijn innerlijk tegenstrijdig.
De bevoegdheden opheffing van de verrekenplicht en schadevergoeding te
verzoeken (artikel 139, tweede en derde lid) zijn uit hun aard ook van dwingend
recht. Datzelfde geldt voor de bevoegdheid bij de rechter een betalingsregeling
te verzoeken (artikel 140, eerste en tweede lid). De van het algemene vermogensrecht
deels afwijkende regel omtrent de verjaringstermijn van een periodieke verrekenvordering
(artikel 141, zesde lid) die tijdens het huwelijk is ontstaan, kan niet bekort
worden door echtgenoten. Indien dat zou worden toegestaan vervalt de ratio
achter deze regeling.
Artikelsgewijs
Voorafgaande aan de laatste zin van de toelichting bij artikel 138 is
de volgende tekst toegevoegd:
In het huidige artikel 133, tweede lid, is opgenomen dat een echtgenoot
kan verlangen dat de te verschaffen informatie op zijn kosten ten overstaan
van een notaris wordt beëdigd. Dit onderdeel van het huidige artikel
133, tweede lid, is niet overgenomen. Naar mijn oordeel kan een echtgenoot
een dergelijk verlangen ook zonder dat daarvoor een wettelijke basis is, naar
voren brengen.
De eerste alinea van de toelichting bij artikel 140 luidde:
Op gelijke wijze als in het nieuwe erfrecht is geschied (zie artikel 4.1.3c)
en ook al in de regeling van het wettelijk deelgenootschap voorkomt (zie
artikel 145, tweede en derde lid), bevat het voorgestelde artikel 140 een
betalingsregeling voor de echtgenoot die wegens gewichtige redenen niet in
staat is het per saldo verschuldigde bedrag direct in geld te voldoen. Zoals
ook in artikel 4.1.3c bepaald, geldt hier dat de rechter let op de belangen
van beide partijen.
De eennalaatste alinea van de toelichting bij artikel 140 luidde:
Omdat de in het eerste lid vermelde verplichting geen op zichzelf staand
vermogensrecht inhoudt, zal bij overlijden van een echtgenoot niet aanstonds
vaststaan, dat de verplichting ook rust op de erfgenamen als rechtsopvolgers
onder algemene titel. Teneinde dat onomstotelijk vast te leggen is zulks in
het tweede lid bepaald.
De laatste alinea van de toelichting bij artikel 141 luidde:
In het zesde lid is bepaald dat de vordering tot verrekening niet eerder
dan drie jaren na het einde van het huwelijk verjaart. Periodieke vorderingen
verjaren op grond van artikel 308 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek vijf
jaren na het opeisbaar worden. Tijdens het huwelijk bestaat evenwel op grond
van artikel 321, eerste lid, letter a, Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek een
grond voor verlenging van de verjaring. Indien deze regels toegepast worden
op periodieke vorderingen ingevolge een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen
verrekenbeding, leidt dit ertoe dat voor de verrekenvorderingen die bij het
eindigen van het huwelijk ouder dan vijf jaren zijn, de verjaringstermijn
wordt verlengd tot zes maanden na het eindigen van het huwelijk. Mij komt
het voor dat de termijn van zes maanden voor deze situatie te kort is. Juist
in de eerste periode na het uiteengaan hebben emoties de overhand. Het zou
in die omstandigheden niet passend zijn om de verrekenvordering zo snel te
laten verjaren. Om deze reden wordt voorgesteld de termijn in die gevallen
te verlengen tot drie jaren.
De toelichting bij artikel 143 luidde:
Essentieel voor de uitvoering van overeengekomen huwelijkse voorwaarden
is dat echtgenoten elkaar alle benodigde gegevens verschaffen om de verrekenvordering
over en weer te kunnen vaststellen. Het voorgestelde artikel 143, welke bepaling
in grote lijnen overeenstemt met artikel 136 van de bestaande regeling van
het wettelijk deelgenootschap, bevat deze verplichting.
Deze verplichting is van dwingend recht (vierde lid) aangezien geen verrekenbeding
ten volle uitvoerbaar zou zijn, indien echtgenoten niet over en weer een afdwingbare
verplichting hebben openheid van zaken te verschaffen.
Opmerking verdient, dat artikel 98 een soortgelijke verplichting inhoudt
voor in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten, welke verplichting eveneens
van dwingend recht is.
Evenals de verplichting, bedoeld in het voorgestelde artikel 140, eerste
lid, zal bij overlijden van een echtgenoot niet aanstonds vaststaan, dat de
verplichting ook rust op de erfgenamen omdat deze verplichting geen op zichzelf
staand vermogensrecht inhoudt. Teneinde dat onomstotelijk vast te leggen is
zulks in het derde lid bepaald.