nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
Algemeen
Op 6 december 1951 heeft de Voedsel en Landbouw Organisatie van de Verenigde
Naties (FAO) te Rome het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten
(Trb. 1952, 100) tot stand gebracht. Dit Verdrag heeft tot doel te komen tot
een gemeenschappelijk en doeltreffend optreden bij de bestrijding van plantenziekten
en tot het voorkomen van het binnendringen en verspreiden van plantenziekten
in landen. Het Verdrag voorziet daartoe onder meer in de oprichting van diensten,
het uitwisselen van gegevens omtrent het optreden van voor planten en plantaardige
producten schadelijke ziekten en het verrichten van (wetenschappelijk) onderzoek.
Aan de plantenziektenkundige diensten is als taak toebedeeld, het onderzoek
van planten en plantaardige producten te velde, in opslag en bij vervoer.
Voorts behoort tot de taak van de plantenziektenkundige diensten het controleren
en zo nodig voorschrijven van ontsmettingsmaatregelen voor zendingen planten
en plantaardige producten die bestemd zijn om in het internationale verkeer
te worden gebracht. In het belang van de internationale handel bevat het Verdrag
tevens algemene regelen voor de afgifte van gezondheidscertificaten –
waarvoor in het Verdrag een uniform model is vastgesteld – met betrekking
tot bovengenoemde zendingen door de plantenziektenkundige diensten.
Voor het Koninkrijk der Nederlanden geldt het Verdrag, dat in 1954 werd
goedgekeurd (kamerstukken II, 1953/54, 3418; kamerstukken I, 1953/54, 114),
alleen voor Nederland. Het Verdrag, waarbij thans ruim honderd landen partij
zijn, heeft in de loop der jaren zijn nut bewezen. De internationale samenwerking
op plantenziektenkundig terrein is sinds de totstandkoming van het Verdrag
namelijk van steeds groter belang geworden.
Eerste wijziging van het Internationaal Verdrag ter bescherming
van planten
De eerste wijziging van het Verdrag, die de FAO-conferentie in november
1979 tijdens haar 20ste zitting aanvaardde, vond haar oorsprong in het intensievere
handelsverkeer en het snellere transport, waardoor de kansen op verspreiding
van ziekten en plagen sterk toenamen. De Staten-Generaal keurden het gewijzigde
Verdrag in 1981 goed (kamerstukken II, 1980/81, 17 031, nr. 1).
Tweede wijziging van het Internationaal Verdrag ter bescherming
van planten
De FAO-conferentie heeft de tweede wijziging van het Verdrag in november
1997 aanvaard tijdens haar 29ste zitting, (Trb. 1998, 125 en Trb. 2000, 31).
Na deze wijziging stemt het Verdrag overeen met de op 15 april 1994 te
Marrakesh tot stand gekomen Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire
maatregelen (Trb. 1994, 235, blz. 60). Voorts zijn hierbij de procedures rond
de totstandkoming van internationale fytosanitaire standaarden vastgelegd.
Door deze wijziging is tevens de mogelijkheid gecreëerd voor regionale
economische organisaties, zoals de Europese Gemeenschap, partij te worden
bij het Verdrag. De bovengenoemde wijzigingen brengen voor de landen die partij
zijn, geen nieuwe verplichtingen met zich.
Naast de hierboven genoemde elementen is voor de internationale handel
de belangrijkste wijziging het opnemen van een nieuwe categorie ziekten, namelijk
de gereguleerde niet-quarantaineziekten, naast de reeds bestaande categorieën
quarantaine- en niet-quarantaineziekten. Gereguleerde niet-quarantaineziekten
zijn niet-quarantaineziekten waarvan de aanwezigheid in uitgangsmateriaal
een economisch onaanvaardbaar effect heeft en daarom in het importerend land
is gereguleerd. Bij import kunnen eisen worden gesteld aan uitgangsmateriaal
op voorwaarde dat het importerend land binnen de eigen landsgrenzen deze eisen
ook stelt. Door de introductie van deze nieuwe categorie ziekten is het Verdrag
voor Nederland op fytosanitair gebied van groter belang geworden dan voorheen,
omdat het hierdoor niet meer mogelijk is dat Verdragsluitende Partijen strengere
eisen stellen aan uitgangsmateriaal dat geïmporteerd wordt dan aan uitgangsmateriaal
dat afkomstig is van het eigen grondgebied. Dit is voor Nederland van groot
belang omdat Nederland voornamelijk uitgangsmateriaal exporteert. Nederland
had er in het verleden met name last van dat een importerend land strengere
eisen stelde aan vanuit Nederland geïmporteerd uitgangsmateriaal dan
aan het uitgangsmateriaal afkomstig uit het desbetreffende land zelf. De toevoeging
van gereguleerde niet-quarantaineziekten heeft geen gevolgen voor de Nederlandse
situatie, omdat in Nederland aan te importeren producten dezelfde eisen worden
gesteld als aan de nationale producten. De nationale regelgeving behoeft daarom
op dit punt niet te worden aangepast.
Artikel 2 van de goedkeuringswet
Op grond van het bepaalde in artikel XXI, vierde lid, gelezen in samenhang
met het vijfde lid, van het Verdrag wordt een wijziging van het Verdrag voor
alle Verdragsluitende partijen van kracht op de dertigste dag nadat twee derde
van de Verdragsluitende Partijen de wijziging heeft aanvaard. Dit betekent
dat de wijziging alsdan ook van kracht wordt voor de Verdragsluitende Partijen
die de wijziging van het Verdrag nog niet hebben aanvaard. Dit zou tot gevolg
kunnen hebben dat Nederland aan een wijziging van het Verdrag gebonden wordt,
alvorens de Staten-Generaal het Verdrag hebben goedgekeurd. Dit is het geval
als Nederland niet bij de groep van twee derde van de Verdragsluitende
Partijen behoort die het Verdrag heeft aanvaard. Om deze situatie te vermijden,
is artikel 2 opgenomen. Hierin is met gebruikmaking van het bepaalde in artikel
7 van de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen bepaald dat de goedkeuring
van de Staten-Generaal niet vereist is, indien de wijziging van het Verdrag
al van kracht is geworden. Hierbij geldt evenwel de uitzondering dat dit niet
geldt voor wijzigingen die afwijken van de Grondwet of tot een dergelijke
afwijking nopen.
Alle verdragswijzigingen zullen uiteraard zo spoedig mogelijk ter parlementaire
goedkeuring worden aangeboden. Voor het – theoretische – geval
dat een wijziging bedoeld in het vierde lid van artikel XXI van het Verdrag,
dus een wijziging die geen nieuwe verplichtingen inhoudt, in werking zou treden
voordat deze is goedgekeurd en door het Koninkrijk aanvaard, wordt aldus machtiging
gevraagd om in dat geval een verdere goedkeuringsprocedure achterwege te laten.
Koninkrijkspositie
Evenals het oorspronkelijke Verdrag en de eerste wijziging van het Verdrag
zal de tweede wijziging van het Verdrag voor wat het Koninkrijk betreft, alleen
voor Nederland gelden.
De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
G. H. Faber