nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 13 februari 2001
De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen
van het wetsvoorstel. Hierna ga ik in op de vragen die door de leden van genoemde
fractie zijn gesteld. De leden van de VVD-fractie hebben met instemming kennis
genomen van de voorgestelde wijzigingen.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering om nader te verduidelijken
wat de meerwaarde is van dit wetsvoorstel ten opzichte van de huidige praktijk.
Die meerwaarde zit onder meer in het verminderen van de lastendruk voor
het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag dat niet geconfronteerd wil worden met
een vermindering van de rijksvergoeding, moet daartoe thans immers een verzoek
indienen voor het in dienst nemen of houden van een personeelslid van 65 jaar
en ouder, terwijl die toestemming in de praktijk altijd wordt verleend. Andere
redenen voor de voorgestelde wetswijziging zijn het (dreigend) tekort aan
onderwijspersoneel en de voortschrijdende inzichten ten aanzien van leeftijdsdiscriminatie.
Het gaat dus, zoals de memorie van toelichting ook aangeeft, niet louter om
vermindering van de lastendruk voor het bevoegd gezag.
De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering een forse toestroom
van 65-plussers in het onderwijs verwacht na de aanname van het wetsvoorstel.
Enige toename mag, mede gelet op de hierna te bespreken aanpassing van
het salarisniveau, worden verwacht, maar het is niet zo dat ik reken op een
echt forse toestroom. Hoewel het voor een bevoegd gezag in administratief
opzicht gemakkelijker gaat worden om een 65-plusser in dienst te nemen of
te houden, is de feitelijke toestroom natuurlijk mede afhankelijk van de bereidheid
van de 65-plusser om te werken in het onderwijs.
Het gaat op dit moment om 22 65-plussers in het primair onderwijs, 49
in het voortgezet onderwijs en 25 in de BVE-sector.
De vraag van genoemde leden of de regering van plan is op andere wijze
te stimuleren dat pensioengerechtigden in het onderwijs blijven werken, kan
bevestigend worden beantwoord. Ik streef naar een wijziging van het Rechtspositiebesluit
onderwijspersoneel waardoor voor personen die na het bereiken van de leeftijd
van 65 jaar in dienst treden het salaris niet langer zal zijn gefixeerd op
het bedrag bij salarisnummer 0 in de hoogste bij zijn functie
behorende aanloopschaal. Ook voor deze categorie zullen de thans voor personen
van jonger dan 65 jaar gebruikelijke bepalingen met betrekking tot inschaling
en periodieken gaan gelden. Ik ben voornemens deze wijziging terugwerkende
kracht te verlenen tot en met 1 augustus 2000.
De leden van de PvdA-fractie merken op dat ik tijdens het in de memorie
van toelichting genoemde begrotingsdebat heb aangekondigd ook belemmeringen
te willen wegnemen die nu staan tussen Vut-gerechtigden en werken in het onderwijs
en zij vragen of de regering nog van plan is met concrete voorstellen ter
zake te komen.
Ik merk op dat de belemmeringen voor vutters zijn weggenomen. Vutters
mogen vanaf 1 januari 2000 bijverdienen tot 100% van het laatstgenoten
salaris. De leden van de PvdA-fractie zouden het waarderen als de regering
zou willen ingaan op het spanningsveld dat kan ontstaan tussen enerzijds uitkeringen
(vut-gerechtigd zijn) en anderzijds het kennelijk nog in staat zijn tot het
verrichten van betaalde arbeid. Zij vragen de regering uiteen te zetten waar
de leeftijdsgrens ligt waarna men in het onderwijs niet meer sollicitatieplichtig
is en hoe deze grens zich laat motiveren.
Genoemde leden leggen naar mijn mening ten onrechte een verband tussen
Vut-gerechtigd zijn en het gezien de leeftijd wel of niet in staat zijn tot
het verrichten van betaalde arbeid. De aanspraak op een Vut-uitkering of pensioen
is niet ontstaan omdat deze categorie personen niet langer in staat zou zijn
betaalde arbeid te verrichten. Vut-uitkeringen stammen uit een tijd waarin
sprake was van een aanzienlijke werkloosheid. Door het aantrekkelijk maken
van het uittreden van ouderen, hoopte men de werkgelegenheid voor jongeren
te verbeteren. Ook pensioenuitkeringen vinden naar mijn mening niet direct
hun oorsprong in het gegeven dat pensioengerechtigden niet meer in staat zouden
zijn betaalde arbeid te verrichten, maar in het gegeven dat het maatschappelijk
wenselijk wordt geacht ouderen niet langer te verplichten in hun onderhoud
te voorzien door middel van betaalde arbeid. Voor beide uitkeringen geldt
echter dat daaraan nimmer een sollicitatieplicht verbonden is geweest. Van
een sollicitatieplicht is sprake in het kader van bijvoorbeeld werkloosheidsuitkeringen.
De daarvoor geldende leeftijdsgrens is 57,5 jaar. Dat wil zeggen dat personen
die een werkloosheidsuitkering genieten en die de leeftijd van 57,5 jaar hebben
bereikt niet langer verplicht zijn te solliciteren naar een nieuwe functie.
Wél geldt, dat men in een dergelijk geval verplicht is een aangeboden
betrekking te aanvaarden. Een sollicitatieplicht is niet aan de orde als het
gaat om Vut- en pensioengerechtigden.
De leden van de PvdA-fractie vragen vervolgens waarom de regering geen
financiële gevolgen van dit wetsvoorstel ziet. Is het niet zo –
zo vragen zij – dat 65-plussers die nu in het onderwijs werken, op de
laagste (instap)schaal worden beloond en komt daarin door middel van dit wetsvoorstel
geen verandering.
Het is juist dat personen die in dienst treden na het bereiken van de
leeftijd van 65 jaar, worden bezoldigd op basis van het bedrag bij salarisnummer
0 in de bij zijn functie behorende hoogste aanloopschaal. Het wetsvoorstel
brengt hierin echter geen verandering. Het wetsvoorstel voorziet in een wettelijke
verruiming ten aanzien van het in dienst hebben van 65-plussers en in het
laten vervallen van administratieve procedures in dat kader. De door de leden
van de PvdA-fractie bedoelde regeling is opgenomen in het Rechtspositiebesluit
onderwijspersoneel. Zoals ik in het voorgaande reeds heb aangekondigd, zal
terzake wel een wijziging worden bevorderd. Ook daarbij zal echter voor bevoegde
gezagsorganen geen sprake zijn van negatieve financiële gevolgen, omdat
in het primair onderwijs sprake is van een systeem van declaratiebekostiging.
Dit betekent dat bevoegde gezagsorganen de feitelijke salariskosten van een
personeelslid vergoed krijgen. Als de feitelijke kosten stijgen bijvoorbeeld
als gevolg van het vervallen van de specifieke salarisregeling voor personen
die na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar in dienst treden, stijgt de
vergoeding die men van het Rijk ontvangt, in dezelfde mate.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,
L. M. L. H. A. Hermans