nr. 3
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 maart 2001
Zoals toegezegd tijdens het Algemeen Overleg Sancties van 25 januari
jl. (27 477, nr. 2), bericht ik u hierbij over de stand van zaken
rond de werkgroep van de Veiligheidsraad inzake effectiviteit
van het sanctie-instrument (de «Chowdhury-werkgroep»).
Op 10 maart 2000 heeft de Veiligheidsraad een tijdelijke informele werkgroep
ingesteld die de opdracht kreeg aanbevelingen op het gebied van effectiviteit
van sancties uit te werken. Nadat reeds eerder vertraging was opgetreden heeft
de voorzitter van deze werkgroep, Ambassadeur Chowdhury (Bangladesh), onlangs
aangegeven vooralsnog geen rapport te kunnen presenteren wegens het ontbreken
van overeenstemming op enkele belangrijke punten. De werkgroep zal niet meer
in formele zitting bijeenkomen, aangezien het mandaat verlopen is. Wel hebben
informele consultaties plaatsgevonden, in een poging de leden van de werkgroep
alsnog op één lijn te krijgen. Momenteel consulteert Ambassadeur
Chowdhury de permanente leden van de Veiligheidsraad om te trachten de uitstaande
geschilpunten op te lossen.
De grootste struikelblokken zijn de besluitvormingsprocedures ten aanzien
van sanctieregimes, het al of niet instellen van een tijdslimiet voor sancties,
het permanente monitoring mechanisme, de door de Raad te ondernemen actie
jegens entiteiten die sancties niet naleven en de gevolgen van sanctieregimes
voor derde staten.
Indien blijkt dat geen consensus kan worden bereikt, zal Ambassadeur Chowdhury
aangeven hoe naar zijn inschatting het pakket aanbevelingen eruit moet zien,
waarna hij zijn opdracht aan de Veiligheidsraad terug zal geven. Deze rapportage
van Chowdhury zal ik u doen toekomen. Navraag bij leden van de Veiligheidsraad
leerde dat Ambassadeur Chowdhury op dit moment geen haast lijkt te willen
maken met het beleggen van een nieuwe informele bijeenkomst van de werkgroep.
Ondanks het feit dat de zaken minder voorspoedig verlopen dan ik had gehoopt,
ben ik van mening dat er wel degelijk vooruitgang is geboekt. Hierbij noem
ik specifiek de verfijning van «smart sanctions», het versterken
van het VN secretariaat op het gebied van sancties en het feit dat de werkgroepdiscussies
op zichzelf zeer nuttig waren als denkproces en als evaluatie van de verschillende
posities.
In de beraadslagingen heeft Nederland, eerst als lid en daarna als waarnemer,
samen met de gelijkgezinde staten Canada, Verenigde Staten, Verenigd Koninkrijk
en Argentinië een actieve bijdrage geleverd. Nederland positioneerde
zich conform de lijnen van de sanctienotitie. Daarbij werd de nadruk gelegd
op het maken van humanitaire uitzonderingen, het daadwerkelijk treffen van
het regime waartegen de sancties zijn gericht, handhaving van het sanctiemiddel
onder Hoofdstuk VII van het Handvest, het versterken van het VN-Secretariaat
als ondersteunend apparaat en het concretiseren van «smart sanctions».
Bezien zal nu moeten worden hoe Nederland in een eventueel vervolgtraject
een rol kan spelen, zowel ten aanzien van de meer algemene discussie als t.a.v.
de verschillende sanctieregimes.
In EU-verband heeft Nederland een voorstel gedaan om de sanctie-discussie
vanuit een bredere beleidsmatige invalshoek (inclusief contacten terzake met
kandidaat lidstaten) op de agenda te houden.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
J. J. van Aartsen