Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 27477 nr. 2 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2000-2001 | 27477 nr. 2 |
Vastgesteld 13 februari 2001
De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken1 heeft op 25 januari 2001 overleg gevoerd met minister Van Aartsen van Buitenlandse Zaken over:
– de notitie «Sancties: een balans tussen legitimiteit, proportionaliteit en effectiviteit» (27 477, nr. 1);
– de brief van de minister d.d. 11 december 2000 inzake de voorgenomen dialoog tussen de Verenigde Naties en Irak (BuZa-000695).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.
Vragen en opmerkingen uit de commissie
Mevrouw Karimi (GroenLinks) is van mening dat de notitie op een aantal punten tekortschiet en te algemeen van aard is. Met de notitie wordt niet voldaan aan hetgeen in de motie-M. B. Vos (26 800-V, nr. 43) gevraagd werd, want deze betrof met name de effecten van economische sancties op de civiele samenleving. Dat krijgt in de notitie nauwelijks de aandacht. In de notitie wordt met name getracht het sanctiebeleid ten aanzien van Irak te onderbouwen, waarbij de regering nogal selectief argumenteert. Er wordt bovendien geen enkele oplossingsrichting aangeduid voor het probleem van Irak. Het ontbreekt ook aan beleidsmaatregelen waaruit blijkt hoe de zogenaamde slimme sancties kunnen worden uitgewerkt.
Zij onderschrijft wat in algemene zin in de notitie wordt opgemerkt over legitimiteit, proportionaliteit en effectiviteit van sancties. Naleving en handhaving van sancties zijn erg belangrijk, maar de minister maakt niet duidelijk welk beleid hierbij wordt gevoerd. Niet alle sanctiecomités zijn volgens de minister effectief, maar het blijft ongewis waardoor dat komt. Welke mogelijkheden zijn er om hierin verbetering te brengen? Als via informatie-uitwisseling en transparantie is gebleken op welke wijze sancties worden geschonden, wat zijn dan de consequenties voor de schenders? In dat kader verwijst zij naar de rol van Burkina Faso bij de wapen- en diamanthandel in de regio. Heeft deze rol gevolgen voor de ontwikkelingsrelatie met Burkina Faso, zowel in bilateraal als in multilateraal verband?
Met de minister onderkent mevrouw Karimi een gebrek aan juridische en administratieve capaciteit voor de implementatie van sancties. Dat betreft onder meer de nationale sanctiewetgeving. In dat verband is het te betreuren dat haar vragen over het Nederlandse registratiesysteem inzake de diamanthandel nooit bevredigend zijn beantwoord. Op welke wijze worden de Nederlandse tekortkomingen in dezen aangepakt? Wat gebeurt er om te voorzien in het gebrek aan capaciteit in EU-verband voor uitvoering en monitoring van sancties?
Voorts benadrukt zij het belang van interdepartementale coördinatie ten behoeve van de implementatie van de zogenaamde slimme sancties. Is er een interdepartementale werkgroep van Justitie, Defensie en Buitenlandse Zaken ingesteld die zich bezighoudt met het wapenembargo tegen Eritrea en Ethiopië? Het is verder van groot belang dat het thema van de slimme financiële sancties nader wordt uitgewerkt. Volgens de notitie werken het ministerie van Financiën, De Nederlandsche Bank en de handelsbanken doorgaans goed samen, maar heeft De Nederlandsche Bank wel voldoende mogelijkheden voor toezicht op de internationale activiteiten van het Nederlandse bankwezen? Uit de gang van zaken bij de Soehartogelden bleek immers dat het toezicht niet goed georganiseerd was.
Volgens de minister worden economische sancties afgewenteld op de burgers in de betrokken landen, hetgeen aan de aard van de betrokken regimes zou liggen. Dat is natuurlijk het geval. Als er geen misdadige regimes aan de macht waren, zouden er immers ook geen sancties van kracht zijn. Het ligt evenzeer voor de hand, zoals de minister stelt dat handhaving van de macht de eerste prioriteit is van het regime van Saddam Hoessein. Wat Irak betreft, hangt de minister enigszins een «Verelendungstheorie» aan. In welk perspectief vinden de sancties nu nog plaats, gezien de enorme armoede in Irak, het ontbreken van een middenklasse, de nauwelijks functionerende gezondheidszorg, het nauwelijks functionerende onderwijs en dergelijke?
In dat verband constateert mevrouw Karimi een grote kloof tussen wat in de notitie wordt opgemerkt over legitimiteit, effectiviteit en proportionaliteit van sancties enerzijds en de praktijk van het sanctiebeleid inzake Irak anderzijds. Het enige argument van de regering is dat de sancties effectief zijn, omdat Saddam Hoessein nu niet beschikt over de middelen voor aankoop van wapens. Volgens de notitie gaat het bij proportionaliteit ook om het verband tussen het sanctiemiddel en de niet-beoogde neveneffecten. In het geval van Irak is dan duidelijk sprake van disproportionaliteit, gezien de ellende die de sancties hebben veroorzaakt. Volgens de minister kan een aanzienlijke disproportionaliteit tussen het gestelde doel en de ongewenste neveneffecten de legitimiteit van sancties ondergraven. Ook dat is van toepassing op het geval van Irak. Daarnaast stelt de minister dat een sanctieregime het meest effectief is als het een breed draagvlak heeft. In de samenleving en ook in de Kamer, althans als PvdA en D66 vasthouden aan hun motie op dit punt, bestaat echter steeds minder draagvlak voor de sancties tegen Irak. De vraag is ook op welke wijze de motie-Koenders/Hoekema (26 949, nr. 9) zal worden uitgevoerd, nu het rapport-Chowdhury inmiddels is uitgebleven.
Tot slot releveert mevrouw Karimi dat de sancties tegen Irak bepaald niet voldoen aan de in de notitie genoemde criteria voor slimme sancties. Het zijn de domste sancties die er bestaan. Het is dan ook betreurenswaardig dat Nederland tijdens zijn lidmaatschap van de Veiligheidsraad de kans heeft laten liggen om tegen deze sancties op te treden. Gezien de nieuwe administratie in de Verenigde Staten, maakt zij zich ook grote zorgen over wat de bevolking van Irak nog te wachten staat. Zij is voorstandster van opheffing van de sancties tegen Irak, met uitzondering van het wapenembargo.
De heer Van Bommel (SP) kenschetst de notitie als minimaal. Er wordt gesteld dat de laatste jaren veel is geleerd en bijgesteld in de richting van «smart sanctions» om de burgerbevolking te ontzien, maar dat valt in de praktijk tegen. Ook volgens de Verenigde Naties is er op dat punt nog een wereld te winnen. Helemaal tegenvallend is de brief d.d. 19 september 2000 met de reactie van de regering op de motie-Koenders/Hoekema, want deze brief biedt in tegenstelling tot de notitie niet eens meer mogelijkheden tot debat.
Hij betreurt het dat de notitie louter betrekking heeft op sancties waaraan Nederland deelneemt. De Verenigde Staten hebben bijvoorbeeld sancties ingesteld tegen 75 landen, hetgeen aangeeft dat er veel meer te beoordelen en af te wegen is dan in de notitie gebeurt. Het is een verkeerde voorstelling van zaken dat sancties de derde weg vormen tussen enerzijds niets doen en anderzijds militaire interventie. Sancties moeten worden gezien als een zelfstandig instrument dat niet automatisch in beeld komt als besloten is tot het afzien van militaire interventie. Teleurstellend is dat in de notitie geen oordeel wordt gegeven over of conclusies worden verbonden aan het rapport van prof. Bossuyt, opgesteld op verzoek van de VN-mensenrechtencommissie. Het rapport biedt immers goede aanknopingspunten voor het bij sancties te voeren beleid. Het zou goed zijn als dat rapport uitgangspunt wordt voor het Nederlandse beleid op dit punt.
De heer Van Bommel constateert dat ongewenste neveneffecten van sancties streng moeten worden getoetst op het beginsel van de proportionaliteit. Er wordt echter geen aanwijzing gegeven voor de manier waarop en de mate waarin dat moet gebeuren. Er wordt verwezen naar het voorbeeld van de sancties tegen Zuid-Afrika, met als beoogd effect om de burgerbevolking in opstand te brengen. Maar gold dat ook voor de sancties tegen de FRJ en geldt dit ook voor Irak? Hoe stond en staat het bij die sanctieregimes met de proportionaliteit? Voortaan dient expliciet te worden aangegeven of effecten op de burgers toelaatbaar zijn, wat die effecten mogen inhouden en hoe indringend die effecten mogen zijn. Het staat immers vast dat sancties effecten hebben op de burger, zoals ook de VN hebben geconstateerd. Het is dan ook raadselachtig waarom de minister dat bij brief volledig tegenspreekt als het gaat om Irak.
Vervolgens memoreert hij dat sanctiecomités van de VN alleen kijken naar ontduiking van sancties en eventueel te treffen uitzonderingen voor humanitaire goederen, maar niet naar het vraagstuk van legitimiteit, proportionaliteit en effectiviteit. Dat zou wél moet gebeuren, geïnstitutionaliseerd en gestructureerd. Is de regering in dat verband bereid om in VN-verband te pleiten voor de instelling van een permanente toetsingscommissie? Op blz. 7 van de notitie staat dat het in de praktijk onmogelijk blijkt om de effectiviteit van sancties met zekerheid vast te stellen en dat het niet-behalen van de doelstelling niet kan leiden tot de conclusie dat sancties in het geheel geen effect hebben gehad. Hoe wil de regering dan de effectiviteit als een belangwekkend en centraal criterium hanteren? Volgens de notitie ligt de betekenis van sancties vaak in het politieke signaal dat ervan uitgaat, maar hoe staat het dan met de proportionaliteit? Kan de minister een voorbeeld noemen van een sanctie die als politiek signaal bedoeld is, waarbij de effecten niet meer te meten zijn? Feit is ook dat sancties tegen regimes die als misdadig kunnen worden gekarakteriseerd, niet werken en alleen de burgerbevolking treffen. In die gevallen wordt de proportionaliteit uit het oog verloren. In dat opzicht sluit hij zich aan bij de opmerkingen van mevrouw Karimi daarover. Desgevraagd memoreert hij dat zijn bezoek aan Irak niet zozeer was bedoeld om vast te stellen of de sancties een disproportioneel effect hebben op het lot van de burgerbevolking, want dat was al voldoende bekend. Doelstelling was om het sanctiebeleid als zodanig ter discussie te stellen en ervoor te zorgen dat er internationaal en dus ook in Nederland meer debat komt over het nut van die sancties.
Met mevrouw Karimi is de heer Van Bommel van mening dat het draagvlak voor de sancties tegen Irak afneemt, zeker in de Kamer. Hoe meet de regering overigens dat draagvlak voor die sancties? Wat is de stand van zaken in de Algemene Vergadering van de VN? Wie controleert of bij sancties sprake is van duidelijke, verifieerbare en haalbare doelstellingen? Wie is verantwoordelijk voor tussentijdse evaluaties van sanctieregimes?
De heer Koenders (PvdA) constateert dat het indammen van Saddam Hoessein c.s., hoe wenselijk ook, zeer problematisch is geworden. De mensenrechtensituatie in Irak is zeker niet verbeterd. De sancties tegen Irak kunnen, ondanks het «Olie-voor-voedselprogramma», als draconisch worden gekarakteriseerd vanwege het feit dat zij al tien jaar lang worden volgehouden. Zij treffen de bevolking meer dan het regime. De sancties zijn dan ook onvoldoende effectief.
Blijkens een artikel in «The Financial Times» is sprake van een erosie van het sanctieregime. Er is een oliepijplijn naar Syrië en er is sprake van smokkelpraktijken met Jordanië en Turkije. Welke initiatieven heeft het kabinet genomen om de praktijken van de genoemde drie landen in internationaal kader aan de orde te stellen? De controle op de financiële sancties wordt steeds meer een lachertje Het geld komt er dus toch wel, maar het wordt voor de bouw van paleizen gebruikt en niet aan de bevolking besteed. In die zin is Saddam Hoessein de eerstverantwoordelijke voor het lijden van de Iraakse bevolking. Het is onduidelijk of het geld gebruikt wordt voor de ontwikkeling van massavernietigingswapens, gezien het ontbreken van inspecties. Daar komt bij dat het aantal «holds» bij het «Olie-voor-voedselprogramma» enorm is, met name in de Verenigde Staten. Het is dan ook te betreuren dat het kabinet de aangenomen motie-Koenders/Hoekema niet heeft gebruikt om uit de huidige impasse te komen, ook al is dat niet eenvoudig. Er dient een plan van slimme sancties te worden opgesteld dat op overeenstemming in de Veiligheidsraad kan rekenen. Het gaat dan niet om een premie op het gedrag van Saddam Hoessein, maar om mogelijkheden voor een grotere effectiviteit van het sanctiebeleid. In ieder geval moet niet worden verdergegaan met een militarisering van het conflict met Irak. Onder erkenning van het feit dat militaire acties nodig kunnen zijn ter bescherming van de oppositie in Irak, dienen de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk in ieder geval aan de Veiligheidsraad verantwoording af te leggen over hetgeen zij op dat punt doen. Op welke wijze heeft de Nederlandse regering dat in de Veiligheidsraad aan de orde gesteld? Wat hebben de VS en het Verenigd Koninkrijk geantwoord op de vragen over de effectiviteit van de militaire vluchten en het aantal slachtoffers dat daarbij gevallen is?
De heer Koenders vindt het verheugend dat het kabinet in zijn brief d.d. 19 september 2000 opmerkt dat moet worden gekozen voor slimme sancties. Hij is het echter niet eens met de stelling van het kabinet dat het de motie-Koenders/Hoekema niet kon uitvoeren. Het kabinet wenste geen discussie over een plan van slimme sancties te starten, omdat de VN in afwachting waren van het eind november uit te brengen rapport van de werkgroep-Chowdhury. In het debat daarover heeft de heer Koenders, de VN-bureaucratie kennende, daarin al weinig vertrouwen uitgesproken. Volgens gisteren ontvangen informatie is dat rapport nog lang niet te verwachten. Er is nog geen begin van overeenstemming op expertiseniveau en de politiek is er nog helemaal niet aan te pas gekomen. Er zijn problemen over modaliteiten, heldere voorwaarden en dergelijke. Met het oog daarop vraagt hij de regering in hoeverre een parallelle discussie problematisch zou zijn geweest nu de werkgroep-Chowdhury niet functioneert. Daarnaast is het de vraag waarom niet is geprobeerd om in samenwerking met Irak te komen tot een investeringsfonds, zoals in de motie werd gevraagd, als onderdeel van een breder pakket. Heeft Kofi Annan met Irak over dit soort zaken gesproken en, zo ja, wat is de uitwerking daarvan? Overigens is met de motie niet uitgesproken, zoals het kabinet in zijn brief stelt, dat het huidige systeem van sancties de oorzaak is van de zorgwekkende humanitaire situatie in Irak. Saddam Hoessein is immers de eerstverantwoordelijke daarvoor. Feit is echter ook dat de sancties een direct gevolg hebben op het welvaartsniveau van de Iraakse bevolking, met name ook gezien de duur ervan. De motie leidt ook niet de aandacht af van het werkelijke probleem, maar probeert juist de kern van het probleem te raken door het sanctieregime voor de Iraakse bevolking te verlichten en tot sancties te komen die Saddam Hoessein c.s. meer direct treffen. Volgens de sanctienotitie is een breed draagvlak voor sancties noodzakelijk, maar dat blijkt nu problematisch te zijn. Welke instrumenten zijn er nu om de doelstelling van de motie, te weten het instellen van slimme sancties, effectief vorm te geven, ook in politieke zin? Wat is thans de bredere politieke strategie inzake het sanctieregime tegen Irak, bijvoorbeeld in samenwerking met Noorwegen en Frankrijk, en op welke wijze komt dit in de discussies met de Verenigde Staten aan de orde? Blijkens de media is de CIA op de hoogte van nieuwe gifgasfabrieken in Irak. Wat is de Nederlandse regering hierover bekend? Is ook zij van opvatting dat in dezen in het kader van de Veiligheidsraad volstrekte transparantie moet worden betracht? Ingaande op de notitie over het sanctiebeleid, releveert de heer Koenders dat de sancties tegen Irak zeker legitiem zijn. Wel verneemt hij graag het standpunt van de minister over het rapport-Bossuyt. Ten aanzien van de proportionaliteit van de sancties zijn de nodige vraagtekens te zetten. De effectiviteit van de sancties ontbreekt niet geheel, maar is wel onvoldoende.
Tot slot spreekt de heer Koenders de wens uit dat de Verenigde Naties een eigen rol vervullen bij de controle op de regionale sancties met betrekking tot Burundi en Sierra Leone. Ook ontvangt hij graag een evaluatie van de Nederlandse positie in het VN-sanctiecomité met betrekking tot Irak, gezien de problemen van administratieve aard en dergelijke. Voorts benadrukt hij dat financiële sancties steeds belangrijker worden. Welke voorbereidingen heeft Nederland getroffen bij de samenwerking tussen de centrale banken en de handelsbanken, ook in het kader van het Interlakenproces, opdat financiële sancties goed gecoördineerd worden uitgevoerd?
De heer Hoekema (D66) is tevreden over de notitie over het sanctiebeleid, gezien hetgeen wordt opgemerkt over de dilemma's tussen legitimiteit, proportionaliteit en effectiviteit, over de noodzaak van een exitstrategie en een zogenaamde sunsetclausule, over de aanpak van overtredingen van sancties, over compensatie van landen die schade ondervinden van sancties, over de flexibilisering van sancties, over de noodzaak om snel te handelen en over het instellen van benchmarks om het effect te meten. Daarbij gaat het om belangrijke noties, maar ook hier is «the proof of the pudding in the eating».
Met het oog daarop vraagt hij of de regering kiest voor een zo gemeenschappelijk mogelijk optreden in EU-verband dan wel voor optreden in breder verband (OVSE, VN). Wat is het standpunt van de minister over een eventueel solistisch optreden van Nederland in dezen, zoals aan de orde kwam bij het wapenembargo tegen India en Pakistan, teneinde te komen tot het gezamenlijk optrekken van een groep gelijkgezinde landen in EU-kader? In dat verband noemt hij het voorbeeld van Birma en van het Grote-Merengebied. Op beide punten is Nederland er in zekere mate in geslaagd om voor zijn standpunt meer medestanders te krijgen in EU-verband, met name als het gaat om het instellen van een wapenembargo met betrekking tot het Grote-Merengebied. Wat is overigens de stand van zaken op dat laatste punt?
De heer Hoekema spreekt voorts zijn zorgen uit over het functioneren van de VN-sanctiecomités. Ook hij krijgt graag een evaluatie van het Nederlandse voorzitterschap van het Iraksanctiecomité. In de praktijk blijkt dat de sanctiecomités vaak bureaucratisch en traag functioneren, lamgelegd door politieke tegenstellingen in de Veiligheidsraad. In het blad Metro van 12 december jl. uitte de heer Van Walsum, voorzitter van het Iraksanctiecomité, kritiek op de behandeling van exportverzoeken naar Irak van in wezen civiele goederen. De Amerikaanse positie in dezen vormde een belemmering vanwege het grote aantal «holds». De heer Van Walsum vond evenwel ook dat Nederland zich op dit punt bescheiden moest opstellen, aangezien de Amerikanen en de Engelsen de enigen waren die het werk deden. Daarmee wordt echter tekortgedaan aan het functioneren van Nederland als gelijkwaardig lid van het sanctiecomité.
Een ander probleem is dat ontduikingen en schendingen van embargo's vaak met de mantel der liefde worden bedekt. Wat is het commentaar van de minister op de stelling dat Syrië, Jordanië en Turkije niet krachtig genoeg worden aangepakt bij het ontduiken van de sancties tegen Irak? De effectiviteit van sancties wordt sterk ondermijnd als ontduiking wordt toegestaan. Op welke wijze worden ontduikingen van sancties in kaart gebracht? Wat gebeurt er om de schuldigen effectief te straffen?
Vervolgens vroeg de heer Hoekema of kandidaat-leden van de EU, die straks een belangrijke rol zullen spelen bij het uitvoeren van embargo's van de Unie, adequaat worden ondersteund bij hun vermogen om nu al mee te doen aan dergelijke sanctieregimes. Vindt een overdracht van kennis, expertise en menskracht plaats? Maakt dit onderdeel uit van de onderhandelingen van de Europese Commissie met de betrokken landen? Is sprake van assistentie aan andere landen, buiten de kandidaat-leden van de Unie, voor het opzetten van het vermogen om sancties uit te voeren? Wat zijn de mogelijkheden daartoe? Wat zijn de mogelijkheden om financiële sancties zo sluitend mogelijk te maken, gezien het nog steeds bestaande bankgeheim en de internationale vertakkingen van het bankwezen?
Hierna informeerde hij ernaar of Nederland en/of andere leden van de VN-mensenrechtencommissie al officieel hebben gereageerd op het rapport-Bossuyt. Volgens dat rapport moet bij sancties niet alleen naar het beoogde doel worden gekeken, maar ook naar de niet-beoogde effecten ervan. In dat kader wordt gesproken van een ernstige verslechtering van de humanitaire situatie in een land, zoals in Irak het geval is. Volgens Bossuyt is dat zelfs strijdig met bepaalde artikelen in de mensenrechtenverdragen van de VN. Wat is de visie van de minister op dat punt? Met prof. Bossuyt is de heer Hoekema van mening dat sancties niet mogen zijn ingegeven door louter politieke motieven of louter persoonlijke grieven en evenmin door economisch gewin van hen die sancties instellen.
Vervolgens wijst de heer Hoekema erop dat het sanctieregime tegen Cuba al meer dan 40 jaar van kracht is. Wordt het niet hoog tijd dat de EU opnieuw met de Amerikaanse regering in dialoog gaat om te pleiten voor een beëindiging van dit sanctieregime? De sancties werken eigenlijk niet. Nederland heeft in de VN ook keurig voor de resolutie gestemd die de sancties heeft veroordeeld. Met name de economische middenklasse in Cuba ondervindt schade van de sancties. Dat effect treedt overigens niet alleen in Cuba, maar ook in Irak op. Vanuit de liberale visie geredeneerd moet juist worden gepleit voor het stimuleren van economische groei en van de economische middenklasse als motor van politieke veranderingen.
Volgens het Institute for international economics is slechts eenderde van de tussen 1914 en 2000 getroffen 116 sanctiemaatregelen effectief geweest. Hoewel eindeloos kan worden gedebatteerd over wat «effectief» op dit punt inhoudt, verneemt de heer Hoekema graag het commentaar van de minister op de berekening van het instituut.
Tot slot steunt hij de visie van de heer Koenders op de reactie van het kabinet op de motie-Koenders/Hoekema. Ook hij twijfelt immers aan de stelling van het kabinet dat het de motie niet kan uitvoeren. Het zou de moeite waard zijn geweest om alles op alles te zetten om in de Veiligheidsraad het debat over de sancties tegen Irak fundamenteel te voeren. Het zou ook goed zijn geweest als Nederland dat debat in de Europese Unie had gevoerd. Zowel in de Veiligheidsraad als in de Europese Unie lopen de gedachten op dit punt immers uiteen en dat is een van de fundamentele redenen waarom het sanctieregime tegen Irak niet goed werkt. Het is een majeure uitdaging voor de Unie om op zo'n essentieel onderdeel van het gemeenschappelijk buitenlands beleid de eenheid te herstellen. Wat is in beide gremia gebeurd om op dit punt tot overeenstemming te komen? In wezen moet het gaan om het inruilen van de huidige economische sancties voor een pakket sancties dat is toegespitst op de financiële tegoeden van Saddam Hoessein c.s., op het niet-verlenen van visa aan Saddam Hoessein c.s. en op het effectief aanpakken van het militair vermogen van Saddam Hoessein, met name inzake het creëren van massavernietigingswapens. Is de minister bereid om ten volle voor dat doel te gaan strijden? Thans is sprake van een absolute patstelling, hetgeen een verslechtering van de humanitaire situatie van de Iraakse bevolking met zich brengt en evenmin kansen biedt op een politieke doorbraak voor een effectief regime tegen het militair vermogen van Irak. Wat was de inzet van het gesprek tussen Kofi Annan en de Iraakse regering dat november 2000 plaatsvond? Kennelijk bestaat thans geen vooruitzicht op een begin van overeenstemming tussen de Verenigde Naties en Irak. Welke wijzigingen zijn opgetreden na de brief van 11 december 2000 van de minister? Zijn de VN nog steeds niet in staat om de humanitaire situatie in Irak te monitoren? Hoe verloopt de uitvoering van het«Olie-voor-voedselprogramma»? Is het dispuut tussen de VN en Irak over de 5%-toeslag op de olieprijs inmiddels opgelost?
De heer Weisglas (VVD) is het zeer eens met de belangrijkste invalshoek van de sanctienotitie, namelijk dat bij het nemen van sancties steeds een balans moet worden gevonden tussen legitimiteit, proportionaliteit en effectiviteit. De nadruk ligt daarbij op het voorkomen van ongewenste effecten van sancties. De sancties dienen dan ook zo gericht mogelijk te worden ingezet zonder de bevolking onnodig te treffen, hoe moeilijk dat ook is. Uitgangspunt bij het gebruik van het sanctie-instrument moet zijn dat een economische boycot in het algemeen contraproductief werkt, omdat groei, welvaart en werkgelegenheid in het betrokken land daaronder zullen lijden. Een boycot veroorzaakt ook isolement van een land, hetgeen ook de mogelijkheden tot beïnvloeding en voor kritische contacten bemoeilijkt. In dat kader bevestigt hij dat vanuit de liberale visie moet worden gepleit voor het versterken van de economische middenklasse als motor van veranderingen. Daar komt bij dat contacten met buitenlandse ondernemingen in het algemeen leiden tot een positieve invloed op de mensenrechtensituatie in de landen waar die ondernemingen werken. Derhalve dient men terughoudender te zijn met de toepassing van het sanctie-instrument dan de afgelopen jaren is gebeurd. Dat laat onverlet dat er situaties zijn waarin sancties noodzakelijk blijven, zoals bij Irak. In die gevallen is in de notitie voor een juiste benadering gekozen.
Hij onderschrijft voorts de stelling in de notitie dat sancties een noodzakelijk kwaad zijn ingeval politieke en diplomatieke beïnvloedingsmiddelen niet werken. Het treffen van sancties mag nooit zijn bedoeld voor het oppoetsen van het eigen blazoen van een land of een politieke stroming uit een land. Het is een goede zaak dat in de notitie niet wordt gesproken van het totaal verbreken van de diplomatieke betrekkingen als sanctiemiddel, omdat dit het voeren van een kritische dialoog tussen landen geheel onmogelijk maakt. Een goede afstemming van sancties met andere instrumenten en doelstellingen van het buitenlands of totale regeringsbeleid is van groot belang. Te betreuren is dat niet in de notitie staat dat bij het instellen van sancties expliciet moet worden gekeken naar de negatieve effecten daarvan voor het Nederlandse bedrijfsleven. Desgevraagd geeft hij aan zeer terughoudend te staan tegenover compensatie van dat bedrijfsleven voor negatieve effecten van sancties.
De heer Weisglas vindt het van groot belang dat sancties door zoveel mogelijk landen, ten minste de EU-landen, worden ingesteld, omdat dit de effectiviteit vergroot en de kans op ontduiking verkleint. Als regel zou Nederland niet eenzijdig sancties moeten instellen, ook als het gaat om sancties op het gebied van sport en cultuur. Overigens zijn culturele sancties in het algemeen gesproken geen erg goed middel. Het toetsen van de effectiviteit van sancties is cruciaal. Dat betreft allereerst de naleving van sancties. Welke sancties kunnen bijvoorbeeld worden getroffen tegen sanctieschenders, met name ook gezien de problemen rond de VN-sanctiecomités en de uitvoering van sancties door EU-lidstaten? Het is moeilijk om vast te stellen dat het politieke doel van sancties bereikt is, want daarover blijven altijd interpretatieverschillen mogelijk. Volgens de notitie gaat het vooral ook om een politieke signaalwerking, hetgeen al duidt op het gebrek aan meetbare, harde politieke effecten van sancties in het algemeen. Ook dat vormt reden om in het algemeen terughoudend te zijn met het instellen van sancties. Desgevraagd deelt hij mede dat hij zich kan vinden in een aantal onderdelen uit het rapport-Bossuyt.
Tot slot memoreert hij dat ook een duidelijke exitstrategie bij sancties van groot belang is. Het kerndilemma van het sanctiebeleid is dat regimes de nadelen van sancties afwentelen op onschuldige groepen in de bevolking of zelfs de bevolking misbruiken ten behoeve van externe propaganda. Met het oog daarop moeten sancties gericht en selectief worden ingezet. Dat laat onverlet dat de fractie van de VVD haar opvatting ten aanzien van sancties tegen Irak niet heeft veranderd, want deze opstelling past bij hetgeen in de onderhavige notitie is gesteld. De VVD is het ook eens met de laatste brieven van de regering op dit punt.
De minister van Buitenlandse Zaken ziet sancties inderdaad als een noodzakelijk kwaad. Zij vormen een belangrijke tussenweg om te voorkomen dat in bepaalde gevallen moet worden overgegaan tot militair ingrijpen. Als zodanig zijn sancties een goed middel om het nakomen van internationale normen af te dwingen. Het is evenzeer goed om het sanctiemechanisme tegelijkertijd in te zetten met een traject van politieke druk en diplomatieke middelen. Uit de ervaringen uit de jaren negentig, waarin veel sancties zijn ingesteld, blijkt dat de inzet van het sanctiemiddel goed moet worden afgewogen. Sancties dienen zo gericht en selectief mogelijk te worden ingezet, juist om ongewenste humanitaire neveneffecten te minimaliseren en de effectiviteit te maximaliseren. Feit is echter dat sancties altijd pijn zullen veroorzaken, want dat is inherent aan het instrument. Anders kan het instrument ook geen effect sorteren.
Vervolgens memoreert hij dat het debat over de humanitaire gevolgen van de sancties tegen Irak een nieuwe impuls heeft gegeven aan de internationale discussie over het sanctiemiddel. Naar het oordeel van de regering is dat ook terecht, omdat continu moet worden bekeken of sancties legitiem, proportioneel en effectief zijn. Men dient zich echter te realiseren dat ook bij de inzet van gerichte sancties bepaalde beperkingen blijven bestaan. Ongewenste neveneffecten voor de burgerbevolking zijn moeilijk volledig uit te sluiten. Ook hier geldt echter dat het criterium van de proportionaliteit sterk in de gaten moet worden gehouden.
Het is voorts juist dat er problemen optreden bij de handhaving en naleving van sancties. Op dat punt dienen dan ook bepaalde verbeteringen te worden gerealiseerd. Ook hierbij is het van belang dat het debat in het kader van de Verenigde Naties wordt gevoerd. De ondersecretaris-generaal voor ontwapeningsaangelegenheden heeft onlangs gesteld dat, naast internationale organisaties, ook regionale organisaties een belangrijke rol kunnen spelen bij de naleving en monitoring van sancties. De grootste verantwoordelijkheid voor de uitvoering en implementatie van het sanctiemechanisme ligt bij nationale overheden. Dan doen zich vaak gebreken voor op het gebied van de douane, grenscontrole, databases en transportsystemen. Derhalve dient de internationale gemeenschap individuele staten die de politieke bereidheid hebben om sancties te respecteren maar daarvoor de praktische uitvoeringscapaciteit ontberen, financiële en technische hulp te bieden bij het nakomen van hun verplichtingen krachtens internationale sanctieregimes. Nederland wil daar zeker aan bijdragen. In dezen gaat het dan om de aanneming van nationale wetgeving die ook strafrechtelijke vervolging van overtreders van sancties mogelijk maakt. In VN-verband wordt gewerkt aan de opstelling van modelwetgeving hiervoor. Ook de uitwisseling van informatie tussen nationale overheden, het gebruik van nationale en internationale lijsten van wapenproducten en -handelaren, verbeterde douanediensten en een verbeterde vergunningverlening zijn in dezen van groot belang.
In het algemeen onderschrijft minister Van Aartsen dat het van groot belang is dat Nederland bij het treffen van sancties zoveel mogelijk in multilateraal verband opereert. De inspanningen voor een verbetering van het mechanisme moeten dan ook vooral op het multinationale vlak, met name in VN-kader, worden gericht. Hij sluit niet uit dat Nederland bij bepaalde sancties voorop zal lopen, maar dan wel gericht op sancties die de EU of de VN als geheel nemen. Bij de instelling van een wapenembargo voor het Grote-Merengebied heeft Nederland in de EU het debat geopend; het Zweedse voorzitterschap zal in dezen met voorstellen komen. Nederland heeft tijdens zijn lidmaatschap van de Veiligheidsraad een actieve bijdrage geleverd aan de discussie over het sanctievraagstuk en zal dat ook blijven doen.
Het is te betreuren dat vertraging is opgetreden bij het uitbrengen van het rapport van de werkgroep-Chowdhury. Bij het Kamerdebat van begin september 2000 werd nog verwacht dat de werkgroep in november 2000 zou rapporteren. De heer Koenders had evenwel gelijk, want de werkgroep bleek inderdaad meer tijd nodig te hebben. Volgens de laatste meldingen zal dit rapport eind januari worden uitgebracht, maar de ervaring leert dat dit niet waarschijnlijk is. De discussie over het belang van meer transparantie in de besluitvorming van de sanctiecomités is echter reeds vergevorderd. Onderkend wordt dat het belangrijk is om zich voorafgaand aan de instelling van sancties rekenschap te geven van de impact ervan, ook voor derdelanden, alsmede om voorwaarden te stellen voor opschorting of opheffing van sancties. Nederland is in de werkgroep als waarnemer vertegenwoordigd. In de tussenrapportage van de werkgroep is al het nodige te vinden van hetgeen ook in de sanctienotitie van het kabinet wordt gesteld. Nederland heeft de afgelopen twee jaar deelgenomen aan het zogenaamde Bonn-Berlijnproces, een forum van experts dat zich heeft gebogen over de effectiviteit van wapenembargo's en visumrestricties. Dat proces zal in navolging van het Interlakenproces uiteindelijk resulteren in een aantal concrete aanbevelingen aan de SGVN, alsmede aan de werkgroep-Chowdhury. Nederland, Canada, de Verenigde Staten en Argentinië hebben zich, gelet op ervaringen met de sancties tegen Irak en de FRJ, in de werkgroep toegespitst op vraagstukken die te maken hebben met het daadwerkelijk raken van de groep waarop de sancties zijn gericht, het zo goed mogelijk uitsluiten van humanitaire gevolgen en de versterking van het VN-secretariaat ter ondersteuning van het sanctiemechanisme.
Mede dankzij de Nederlandse inbreng in de Veiligheidsraad is in mei 1999 een onafhankelijk expertpanel ingesteld inzake de sancties tegen Angola: de commissie-Fowler. Op 21 december 2000 heeft de commissie concrete aanbevelingen gedaan voor het effectiever maken van het sanctieregime tegen Angola, die door Nederland worden gesteund. Uit de rapportage van Fowler komen tamelijk gefundeerde bewijzen naar voren van ontduiking van de sancties door Burkina Faso, de Oekraïne en Rwanda. Nederland zal zich naar aanleiding van het rapport beraden over de wijze waarop dit in de bilaterale contacten met Burkina Faso aan de orde wordt gesteld. De minister heeft het onderhavige punt ook expliciet aan de orde gesteld tijdens een gesprek met zijn collega uit Burkina Faso. Voorts heeft een expertpanel zich uitgesproken over een reeks concrete aanbevelingen inzake het sanctieregime tegen Sierra Leone, die Nederland ook voluit steunt.
Vervolgens merkt de minister op dat de sanctienotitie op belangrijke onderdelen aansluit bij het rapport-Bossuyt, zoals het verder uitwerken en toepassen van «smart sanctions» en het toepassen van een streng toetsingskader bij de evaluatie van sancties aan de hand van de criteria van legitimiteit, opportuniteit en effectiviteit. Nederland steunt de conclusie van Bossuyt dat de VN bij het instellen van sancties altijd een humanitaire uitzondering moeten opnemen en dat de sancties altijd in overeenstemming moeten zijn met het internationale humanitaire recht.
Hij is het niet eens met de stelling van Bossuyt dat de sancties tegen Irak in strijd zijn met het internationale humanitaire recht. Het beleid is immers gestoeld op resoluties van de Veiligheidsraad, de hoogste vorm van internationaal recht. Sinds de inwerkingtreding van de sancties heeft de Veiligheidsraad in toenemende mate aandacht geschonken aan de humanitaire situatie. Dat heeft het debat van de afgelopen jaren in internationaal verband ook opgeleverd. Derhalve is ook het humanitaire «Olie-voor-voedselprogramma» ingesteld, waaraan Irak overigens tot 1996 überhaupt niet wilde meewerken. Uiteraard moeten humanitaire overwegingen ten volle meespelen in de afwegingen van de VN en de Veiligheidsraad en dat is ook zeker het geval. In het rapport-Bossuyt wordt de verantwoordelijkheid van het Iraakse regime voor het niet meewerken aan de uitvoering van het humanitaire programma onvoldoende aan de kaak gesteld. Het feit dat Irak resolutie 1284 blijft verwerpen komt bijvoorbeeld niet aan de orde. Alle mogelijkheden, ook in financieel opzicht, die de VN hebben aangereikt, worden door Irak terzijde gelegd. Namens alle leden van de Veiligheidsraad heeft de SGVN in november 2000 op de Iraakse regering een dringend beroep gedaan om zich te houden aan resolutie 1284, zodat UNMOVIC inspecties kan uitvoeren en vervolgens eventueel kan worden besloten tot opschorting van de sancties. Het gesprek heeft evenwel niet tot succes geleid, maar het zal eind februari 2001 worden vervolgd. De sleutel is in hoge mate in handen van het Iraakse regime zelf.
Het aantal «holds» is in de afgelopen periode gestegen van 1,6 mld. naar 3,1 mld. dollar. Reden daarvoor is dat de omvang van het programma enorm is toegenomen. Bij meer dan de helft van de contracten ontbreekt het aan voldoende informatie, hetgeen ook te wijten is aan de Iraakse regering. Daardoor bestaat de verdenking van «dual use». Helaas doet zich dat ook voor bij een aantal aanvragen voor medicijnen. Feit is dat het aantal «holds» onacceptabel hoog is. De Nederlandse regering heeft dit thema aan de orde gesteld in de gesprekken met president Clinton in september 2000. Nederland zal bij de Amerikaanse administratie ook blijven aandringen op terugbrenging van het aantal «holds». Een en ander is tevens aan de orde gekomen in gesprekken met de ministers van buitenlandse zaken van de VS en het Verenigd Koninkrijk, alsmede in gesprekken die de PVVN en de Nederlandse ambassadeur in hun gremia hebben gevoerd. Het is evenwel niet eenvoudig om iets te doen aan dit probleem, gezien de ontbrekende informatie en het risico van «dual use». Helaas heeft de ervaring ook geleerd dat het risico van «dual use» niet kan worden uitgesloten. Overigens is besloten dat het sanctiecomité, afgaande op eigen bronnen, ook zelf contracten kan voorzien van de benodigde informatie, opdat oponthoud zoveel mogelijk kan worden voorkomen. In de verlengingsresolutie van de «Olie-voor-voedselresolutie» worden de leden van het sanctiecomité ook uitdrukkelijk opgeroepen om het aantal «holds» naar beneden te brengen. De notificatielijsten zijn uitgebreid met contracten voor de energie- en huisvestingssector, maar daarvoor geldt eveneens dat Irak geen contracten wilde afsluiten. Het aantal VN-waarnemers voor het toezicht op in Irak gearriveerde goederen is uitgebreid, want ook dat kan «dual use» voorkomen.
In het gesprek met president Clinton in september is eveneens gesproken over het regelmatig aan de Veiligheidsraad rapporteren over de acties in de «no-fly zones». Het thema is ook besproken met de toenmalige minister van buitenlandse zaken en de toenmalige «national security advisor». Op deze suggestie werd echter niet positief gereageerd, al zag men wel de voordelen ervan. De VS kwalificeren evenwel alle militaire acties als geheim. Nederland zal het thema echter aan de orde blijven stellen, hoewel niet mag worden verwacht dat de nieuwe administratie in dezen een andere opvatting zal innemen. Een en ander zal ook in de contacten aan de orde worden gesteld met de EU-lidstaten die permanent lid zijn van de Veiligheidsraad.
Voorts merkt de minister op niet te beschikken over harde bewijzen voor het bericht dat Irak een tweetal fabrieken heeft gebouwd voor de productie van massavernietigingswapens. Naar zijn idee beschikt ook de Amerikaanse regering niet over dergelijke harde bewijzen, maar is in dezen slechts sprake van een vermoeden. Duidelijk is wel dat dit punt scherp in de gaten zal moeten worden gehouden. Ook ingeval van de sancties tegen Irak is de naleving van het sanctieregime van belang. Nederland levert een bijdrage aan de «multi interception force». Een Nederlands bedrijf houdt bij hoeveel olie Irak dagelijks exporteert. In alle relevante resoluties zijn de VN-lidstaten opgeroepen om het sanctieregime na te leven. Vanwege de gigantische omvang van de grenzen van Irak is het echter helaas onmogelijk om smokkel geheel te voorkomen. Het bericht over de pijplijn met Syrië is niet bevestigd. Jordanië is voor 100% afhankelijk van de import van Iraakse olie; het sanctieregime had dan ook geweldig grote consequenties voor de Jordaanse economie. Met toestemming van de VN heeft Irak inmiddels een regeling mogen treffen met Jordanië voor de export van olie tegen een zeer lage prijs. Wat betreft de smokkel tussen Turkije en Irak, is inderdaad sprake van een reëel probleem. De Turkse regering is hier op bilaterale wijze ook op aangesproken. Het is goed om hieraan in de komende periode op basis van nadere informatie aandacht te blijven schenken. Het sanctieregime verbiedt alle financiële transacties met Irak, hetgeen ook is geïmplementeerd in de Nederlandse sanctiewet. Alle buitenlandse tegoeden van Irak zijn bevroren. Details op dit punt kunnen met de minister van Financiën worden besproken.
Tot slot bevestigt de minister, ingaande op de motie-Koenders/Hoekema, dat regering en Kamer op zichzelf de doelstelling rond het instellen van «smart sanctions» delen. Nederland is mede de architect geweest van resolutie 1284 van december 1999, gesteund door alle leden van de Veiligheidsraad en bedoeld om te komen tot nog intelligentere en nog meer gerichte sancties tegen Irak. In het sanctiecomité heeft Nederland ook een belangrijke rol gespeeld bij de vormgeving en de verbetering van het «Olie-voor-voedselprogramma», hetgeen het afgelopen halfjaar van positieve invloed is geweest op de levensomstandigheden van de Iraakse bevolking. De kern van het in gang gezette sanctieregime was het voorkomen dat Irak vrijelijk de beschikking kreeg over middelen die kunnen worden aangewend voor massavernietigingswapens. Daarin is het sanctieregime geslaagd, want de olie-inkomsten van Irak worden gestort op de door de VN beheerde rekening. Het sanctieregime is op dit moment ook de enige waarborg tegen de herbewapening van Irak, zeker nu Irak blijft weigeren wapeninspecteurs toe te laten. De Nederlandse regering heeft gekozen voor het primaat van de werkzaamheden van de werkgroep-Chowdhury, omdat daarin alle thema's aan de orde komen voor de ontwikkeling van plannen voor intelligente sancties. Derhalve vond de regering het niet verstandig om daarnaast plannen in die richting te ontwikkelen, zoals in de motie wordt gevraagd. Dat zou ook op weinig begrip hebben kunnen rekenen bij de internationale gemeenschap, gezien de Nederlandse opstelling ten opzichte van resolutie 1284. Tot op de dag van vandaag is sprake van tegenwerking van de Iraakse regering bij het opzetten van de «cash component». Irak weigert ook mee te werken aan resolutie 1302, bedoeld om een commissie van experts in te stellen die in Irak onderzoek doet naar de humanitaire situatie. In dat kader is het volgens de regering een illusie dat de instelling van een gecontroleerd investeringsfonds, zoals in de motie wordt gevraagd, wél op de instemming van de Iraakse regering kan rekenen. Irak legt immers sterk de nadruk op de eigen soevereiniteit. Daar komt bij dat er reeds miljarden dollars klaarliggen die kunnen worden ingezet voor onderwijs en infrastructuur in Irak, maar ook daaraan wenst Irak niet mee te werken.
Mevrouw Karimi (GroenLinks) constateert dat de minister niet wil inzien dat het Iraakse regime zijn eigen bevolking in gijzeling heeft genomen. Het is nu zaak om de impasse te doorbreken en in eerste instantie te denken aan de bevolking van Irak. Het blijkt dat een meerderheid van de Kamer problemen heeft met het sanctiebeleid tegen Irak. De minister dient openheid te geven over de wijze waarop hij daarmee in het vervolg wil omgaan.
De heer Van Bommel (SP) concludeert dat de regering de motie-Koenders/Hoekema wel kan maar niet wil uitvoeren. Reden daarvoor is immers de inschatting van de regering rond haar eigen geloofwaardigheid. Op dit punt verschilt de regering van mening met een Kamermeerderheid.
Voorts krijgt hij graag nog antwoord op zijn pleidooi voor de instelling van een VN-subcommissie voor de toetsing van sancties op de criteria van legitimiteit, proportionaliteit en effectiviteit.
Tot slot bestrijdt hij de conclusie van de minister dat het sanctieregime tegen Irak is geslaagd. Er bestaat immers geen zicht op of Irak niet over middelen beschikt om massavernietigingswapens te kunnen maken. Is de minister bereid om zijn stelling in dezen te nuanceren?
De heer Koenders (PvdA) is niet overtuigd van de argumentatie van de regering inzake de vraag waarom zij de motie-Koenders/Hoekema niet kan uitvoeren. In de motie wordt immers niet gevraagd om opheffing van resolutie 1284. Hij blijft er ook bij dat het beleid in onvoldoende mate tot resultaten heeft geleid, want er is geen wapeninspectieregime en er bestaat onvoldoende duidelijkheid over de omvang van de smokkel. Verder wordt in de motie duidelijk gesproken van «met het oog op discussies in de Veiligheidsraad». Gezien de impasse waarvan nu met de werkgroep-Chowdhury sprake is, was een dynamisering van de discussie juist van belang geweest. Tevens is onduidelijk waarom een investeringsfonds een probleem zou zijn, gezien het feit dat juist Kofi Annan een dergelijk fonds in discussie wil brengen. Hij verzoekt de minister om de Kamer in te lichten over de uitkomsten van de rapportage-Chowdhury inzake het sanctieregime tegen Irak. Ook als de werkgroep niet eind januari rapporteert, kan de Kamer duidelijk worden gemaakt wat daarvoor de redenen zijn. Dan kan de Kamer bezien in hoeverre andere stappen van de Nederlandse regering zinnig zijn.
De heer Hoekema (D66) is erover teleurgesteld dat de minister nog steeds van mening is dat het kabinet de motie-Koenders/Hoekema niet kan uitvoeren. Resolutie 1284 is er gekomen omdat resolutie 687 niet meer kon worden uitgevoerd, maar ook deze resolutie werkt niet of nog niet. De effectiviteit van het sanctieregime tegen Irak is twijfelachtig. Daarom moet Nederland creatief nadenken over wezenlijke aanpassingen, veranderingen en verbeteringen in resolutie 1284, waar de meerderheid van de Kamer om heeft gevraagd. Derhalve vraagt hij de minister om opnieuw te rapporteren over uitvoering van de motie, met name ook in relatie tot het standpunt van de regering over het nog uit te brengen rapport-Chowdhury.
De heer Weisglas (VVD) gaat ervan uit dat de sanctienotitie na dit overleg voor de regering leidraad zal vormen bij haar sanctiebeleid en dat er in het algemeen gesproken een grotere terughoudendheid zal zijn bij de toepassing van het sanctie-instrument. In de debatten op 31 augustus en 6 september 2000 heeft de VVD-fractie met zeer veel argumenten naar voren gebracht waarom zij de motie-Koenders/Hoekema niet wilde steunen. Deze argumentatie is nog steeds van kracht. Derhalve heeft de VVD er ook alle begrip voor dat de minister de motie niet kan uitvoeren.
De minister onderkent dat het belangrijk is om goed na te denken voordat sancties worden ingezet en om daarbij dan ook het goede instrumentarium te gebruiken. Wat dat betreft, ademt de notitie inderdaad een zekere terughoudende geest uit.
Er liggen, zoals gezegd, al vele miljarden dollars op de plank om iets te doen aan onderwijs en infrastructuur in Irak. Dat geschiedt nu niet vanwege de tegenwerking van het Iraakse regime. Het kabinet kon, gegeven zijn positie in de Veiligheidsraad en zijn investeringen in het tot stand brengen van resolutie 1284, niet overgaan tot uitvoering van de motie. De internationale gemeenschap zou het immers niet hebben begrepen als Nederland daarnaast op een ander spoor zou inzetten. Nederland heeft alle kaarten gezet op een verdere verbetering en verfijning van het sanctieregime en op de werkzaamheden van de werkgroep-Chowdhury.
Tot slot zegt hij toe dat Nederland zich zal blijven inzetten voor het zoeken naar (creatieve) oplossingen voor het onderhavige probleem, ook nu Nederland niet meer in de Veiligheidsraad is vertegenwoordigd. De Kamer zal ook worden ingelicht over de voortgang die de werkgroep-Chowdhury boekt. Wellicht dat de SGVN in februari wel een doorbraakje kan bereiken in de gesprekken met de Iraakse regering. De echte doorbraak is pas een feit als Irak resolutie 1284 uitvoert.
Samenstelling: Leden: Blaauw (VVD), Weisglas (VVD), Van den Berg (SGP), Ter Veer (D66), Van Middelkoop (RPF/GPV), Valk (PvdA), Apostolou (PvdA), Hillen (CDA), Verhagen (CDA), ondervoorzitter, Hessing (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Hoekema (D66), Marijnissen (SP), M. B. Vos (GroenLinks), Dijksma (PvdA), Van den Doel (VVD), Koenders (PvdA), De Boer (PvdA), voorzitter, Verburg (CDA), Karimi (GroenLinks), Timmermans (PvdA), Remak (VVD), Wilders (VVD), Molenaar (PvdA) en De Pater-van der Meer (CDA).
Plv. leden: Dijkstal (VVD), Van Baalen (VVD), De Graaf (D66), Van 't Riet (D66), Rouvoet (RPF/GPV), Zijlstra (PvdA), Belinfante (PvdA), Leers (CDA), Eurlings (CDA), Cherribi (VVD), De Haan (CDA), Scheltema-de Nie (D66), Van Bommel (SP), Harrewijn (GroenLinks), Gortzak (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Albayrak (PvdA), Van Oven (PvdA), Visser-van Doorn (CDA), Rosenmöller (GroenLinks), Bussemaker (PvdA), Patijn (VVD), Balemans (VVD), Duivesteijn (PvdA) en Van den Akker (CDA).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27477-2.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.