Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum indiening
Tweede Kamer der Staten-Generaal2000-200127472 nr. 6

27 472
Aanpassing van wetten in verband met de vervanging van de gulden door de euro (Aanpassingswet euro)

nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 26 april 2001

Inleiding

Wij hebben met belangstelling kennis genomen van de vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de PvdA, de VVD, het GPV en de RPF in het verslag. We namen kennis van de opmerking van de leden van de fracties van het GPV en de RPF dat het hier een voorstel betreft waar moeilijk bezwaren tegen kunnen bestaan, omdat het nu eenmaal moet gebeuren. Dit laatste kunnen wij slechts beamen. De euro doet immers op 1 januari 2002 zijn intrede als nationale munt. De bedragen in onze wet- en regelgeving dienen op die datum «klaar te liggen voor gebruik.»

Wij zullen graag het nodige doen aan het wegnemen van het voorbehoud van de aan het woord zijnde leden en hopen met deze nota een zo volledig mogelijk antwoord te geven op de gestelde vragen en opmerkingen.

De nota van wijziging zal de Kamer in mei bereiken. Wij hebben ervoor gekozen deze nota later toe te zenden dan deze nota naar aanleiding van het verslag. De reden is dat wij nog zoveel mogelijk actuele wijzigingen willen opnemen in het wetsvoorstel. Ook de bedragen van de boetemaxima en boetetarieven die op grond van het kabinetsbesluit van 9 maart jl. naar beneden zijn afgerond, zullen in de nota van wijziging worden opgenomen.

De voorbereiding van het wetsvoorstel

De leden van de fractie van de PvdA zouden graag een toelichting willen hebben op het te volgen traject van de lagere regelgeving, zoals de algemene maatregelen van bestuur en de ministeriële regelingen.

Zowel de amvb's als de ministeriële regelingen en beleidsregels hebben inmiddels de fase van inventarisatie en omzetting van de guldenbedragen in eurobedragen achter de rug. Bedragen in nieuwe of gewijzigde regelingen worden vanzelfsprekend hieraan toegevoegd. De procedures van beide regelingen lopen uiteen. De informatie en planning van beide procedures treft u hieronder aan.

Algemene maatregelen van bestuur

Het voorstel tot aanpassing van de bedragen in de algemene maatregelen van bestuur van alle departementen zal naar analogie van het wetsvoorstel in een verzamel-amvb worden opgenomen. Het ligt in de bedoeling dit voorstel in de zomer (juli/augustus), na bespreking in de ministerraad, aan de Raad van State voor advies voor te leggen. In het nader rapport kunnen de meest actuele gegevens dan nog worden meegenomen. De publicatie van de bedragen in de algemene maatregelen van bestuur in het Staatsblad is voorzien voor het najaar. Algemene maatregelen van bestuur die niet via de verzamel-amvb worden omgezet, bijvoorbeeld omdat zij jaarlijks geïndexeerd worden en de nieuwe bedragen nog niet bekend zijn ten tijde van behandeling van de verzamel-amvb, zullen door de departementen zelf tijdig worden omgezet.

Ministeriële regelingen

De bedragen in de ministeriële regelingen en de beleidsregels die de ministeries hebben geïnventariseerd en omgezet in eurobedragen, zullen per ministerie worden gebundeld. In de zomer zal een laatste check uitgevoerd worden op nieuwe en gewijzigde bedragen. Publicatie van deze bedragen per ministerie zal naar verwachting plaats vinden in oktober. Ministeriële regelingen die later tot stand komen of gewijzigd worden zullen uiteraard op een later tijdstip (voor 1 januari 2002) apart worden gepubliceerd.

De leden van de fractie van de PvdA wilden weten of de regering een garantie kan geven dat de juridische beroepsgroepen tijdig vóór 1 januari 2002 de beschikking hebben over de nieuwe eurobedragen.

Ons streven is er vanaf het begin van de euro-operatie op gericht geweest de bedragen in wet- en regelgeving zo tijdig aan te passen dat ook de verwerking van deze bedragen in bijvoorbeeld wetboeken en geautomatiseerde systemen op een zodanig tijdstip vóór 1 januari 2002 heeft kunnen plaatsvinden dat beroepsgroepen er vanaf de invoering van de euro mee kunnen gaan werken.

Om die reden heeft het kabinet in een vroegtijdig stadium de Beleidsbrief1 opgesteld met daarin de uitzonderingen op de regel dat zoveel mogelijk technisch omgerekend dient te worden. Deze brief is in februari 2000 aan de Tweede Kamer ter besluitvorming voorgelegd.

De verschillende juridische beroepsgroepen kunnen nu al een beroep doen op de departementen voor informatie over de eurobedragen in wet- regelgeving. Hierbij geldt uiteraard het voorbehoud dat deze bedragen niet definitief zijn.

Medewerkers van het ministerie van Justitie hebben inmiddels contact opgenomen met juridische uitgeverijen om zich te informeren over het tijdstip waarop en de vorm waarin het beschikbare euromateriaal kan worden geleverd. Het overleg hierover is nog gaande.

De leden van de fractie van de PvdA vroegen ons naar het verloop van de voorlichting over de euro. Hun aandacht gaat daarbij vooral uit naar groepen die moeilijk te bereiken zijn en/of taalmoeilijkheden hebben, gezien de minder goede ervaringen die zich hebben voorgedaan bij de belastingherziening.

Het hart van de geïntegreerde euro-voorlichtingscampagne van het Nationaal Forum voor de introductie van de euro wordt gevormd door massamediale activiteiten voor het brede publiek en ondernemers. Om te waarborgen dat de kwetsbare en moeilijk bereikbare doelgroepen: oudere ouderen, mensen met een handicap (visueel, auditief en verstandelijk), etnische minderheden, asielzoekers en dak- en thuislozen goed worden bereikt door de campagne, zoeken de corresponderende werkgroepen constant samenwerking met de betrokken ministeries en belangenorganisaties die de doelgroepen vertegenwoordigen.

Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport neemt deel aan de VORA-werkgroep euro en aan de werkgroepen oudere ouderen en mensen met een handicap van het Voorlichtersforum van het Nationaal Forum. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is vertegenwoordigd in de werkgroep etnische minderheden. De coördinatie van de voorlichting geschiedt door het ministerie van Financiën.

In samenwerking met deze organisaties worden de algemene campagneboodschappen voor het brede publiek op maat vertaald naar de kwetsbare groepen. Eén van de uitgangspunten daarbij is dat gebruikers de informatie steeds op dezelfde wijze en plaatsen aantreffen, waar zij normaliter ook gewend zijn hun informatie te halen. Voorbeelden hiervan zijn: brochures in braille voor blinden, een cd-rom in gebarentaal voor doven en slechthorenden, bezoeken aan etnische festivals en ondernemers, lezingen door een etnisch promotie-team en advertenties in de daklozenkranten.

De voorlichting aan asielzoekers over allerhande zaken die het verblijf in Nederland betreffen vindt groepsgewijs plaats in de Opvang- en asielzoekerscentra. Elke asielzoeker krijgt een informatiemap, waarin naast algemene informatie ook gewenningsinformatie over de euro is opgenomen. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers verspreidt van 1 juli 2001 tot de invoering van de euro een aparte factsheet die informatie geeft over de overgang naar de euro.

Momenteel wordt door de Nederlandsche Bank de mogelijkheid onderzocht om op meerdere beveiligde locaties vanaf september oefensessies voor kwetsbare groepen met de euromunten enbiljetten te houden.

De leden van de fracties van GPV en RPF vroegen wat de gevolgen zijn voor de verdere fases in het proces wanneer wezenlijke wijzigingen zouden worden doorgevoerd in het wetsvoorstel, zou de regering dan in tijdsnood komen?

Wezenlijke wijzingen die nu nog doorgevoerd worden zouden zeer grote gevolgen kunnen hebben. Zoals blijkt uit de beantwoording van de vorige vraag, is de voorlichting reeds in volle gang. Uit verzoeken aan de verschillende ministeries is gebleken dat veel bedrijven en instellingen nu reeds behoefte hebben aan de bedragen zoals zij volgend jaar in euro gaan luiden. Wijzigingen in een laat stadium zouden kunnen betekenen dat een deel van de voorlichting opnieuw zou moeten plaatsvinden.

Eventuele wijzigingen zouden ook grote gevolgen kunnen hebben op het gebied van de automatisering. Veel tijd en geld is reeds gestoken in het euro-klaar maken van verschillende automatiseringssystemen. Wijziging van de bedragen kan in sommige gevallen betekenen dat het proces weer opnieuw gestart moet worden.

De kosten van de wijziging van de boetetarieven zijn nog niet doorberekend. De Tweede Kamer zal in een later stadium hiervan op de hoogte worden gesteld.

De afgevaardigden van het GPV en de RPF vroegen in hoeverre wij een verantwoordelijkheid voelen voor een tijdige aanpassing van de regelgeving van de medeoverheden en de daaraan gelieerde organisaties, voor zover die te laat mochten zijn met hun aanpassingen.

Mede-overheden zijn uiteraard zelf verantwoordelijk voor de aanpassing van de eigen regelgeving. Het kabinet acht zich, met name in de persoon van de ministers van Financiën (coördinerend minister voor de euro-invoering), van BZK en van SZW evenwel betrokken bij de soepele invoering van de euro bij gemeenten. Het gaat daarbij vooral om een katalyserende en faciliterende rol, die overigens in nauwe samenwerking met de VNG wordt ingevuld. Voorbeelden van activiteiten waarbij ruim aandacht wordt besteed aan de aanpassing van de regelgeving (inclusief tarieven) zijn de samen met gemeenten opgestelde handreiking strategische uitgangspunten en de recentelijk weer georganiseerde regionale eurogemeentedagen. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeft i.s.m. de rijksoverheid bovendien onlangs een circulaire naar de leden gezonden waarin nadrukkelijk aandacht is gevraagd voor de juridische aspecten van de invoering van de euro. Daarbij is een model opgenomen voor een verzamelbesluit voor het aanpassen van de desbetreffende lokale regelgeving. Bij de omzetting wordt hetzelfde uitgangspunt gehanteerd als bij het Rijk, dat wil zeggen zo min mogelijk financiële consequenties voor de burgers, wat wordt bereikt door zoveel mogelijk technisch om te zetten.

Wij hebben er daarom alle vertrouwen in dat de medeoverheden op dit punt zorgvuldig zullen handelen.

Mocht in een enkel geval toch niet tijdig aanpassing plaatsvinden, dan moeten vanaf 2002 de nog in regelgeving en contracten voorkomende guldenbedragen op grond van EU-verordening 1103/97 worden gelezen als eurobedragen volgens de officiële omrekenregels. Die verordening is in Nederland rechtstreeks van toepassing. Tijdige omzetting van regelgeving is echter gewenst, om verwarring te voorkomen en duidelijk te kunnen communiceren naar burgers en bedrijfsleven.

Algemene aanpak bij omzetting

De leden van de fracties van de RPF vroegen of verwacht kan worden dat over een paar jaar de «ongelukkige» gebroken bedragen, alsnog worden afgerond tot hele bedragen?

Het alsnog afronden van de «ongelukkige» gebroken bedragen ligt niet in de lijn der verwachting. Het zou in strijd met de regels van de technische omzetting zijn om bedragen binnen een paar jaar alsnog af te ronden met als enige reden tot een rond bedrag te komen, dat beter hanteerbaar is. Het is evenwel mogelijk dat in het kader van een toekomstige beleidsmatige verhoging er tevens voor gekozen wordt het bedrag mooi af te ronden, indien de regels van deze verhoging dit toestaan.

De GPV en RPF fracties vroegen wie of wat bepaalt op welke hoogte de zogenaamde grens- en drempelbedragen worden afgerond en welke afrondingsregels daarbij gehanteerd worden.

In de beleidsbrief wordt aangegeven hoe met grens- en drempelbedragen wordt omgegaan. Grens- en drempelbedragen zijn afgerond indien de uitvoeringspraktijk dit vergt en burgers of bedrijven daarvan geen financieel nadeel van enige omvang zouden kunnen ondervinden. Dit laatste wordt onder andere bereikt door geen te betalen of te ontvangen bedragen af te ronden. In de beleidsbrief staat tevens aangegeven dat er geen afronding plaatsvindt indien de burgers daardoor aanspraken zouden kunnen verliezen.

Waar afronding heeft plaatsgevonden zal dit derhalve hebben geleid tot een gelijkblijvende of vergrote kring van rechthebbenden. Een vergroting zal echter in alle gevallen slechts marginaal zijn, dit mede met het oog op het ook voor de overheid budgettair neutraal laten verlopen van de omzettingsoperatie. Dit wordt bewerkstelligd door de afrondingsverschillen zo klein mogelijk te houden.

De leden van de Partij van de Arbeid wilden graag informatie over een aantal te indexeren bedragen. In de eerste plaats gaat het hen om de boetetarieven.

Wat de boetetarieven betreft, vindt dit jaar een indexering plaats van 3,5%. Een volgende indexering is voorzien voor 2004. Naar aanleiding van het besluit in de ministerraad van 9 maart jl. worden de aanpassingen van de boetetarieven aan de euro opnieuw vastgesteld. Zodra hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden, zal de Tweede Kamer worden geïnformeerd.

De griffierechten in civiele en handelszaken zijn voor het laatst geïndexeerd begin 1997. Een nieuwe aanpassing is voorzien voor dit jaar. De omzetting van deze bedragen zal, na indexering, technisch geschieden.

Indexering van de bedragen voor alimentatie gebeurt jaarlijks in november op basis van het prijsindexcijfer; voor de rechtsbijstand eenmaal per half jaar per 1 juli en 1 januari.

De leden van de VVD-fractie vroegen waarom in het wetsvoorstel in paragraaf 4.3 en in hoofdstuk 3 niet wordt gesproken over aanpassingen op het terrein van speelautomaten.

In de beleidsbrief is een specifieke beleidsbeslissing voorgelegd op het terrein van de speelautomaten. Bij speelautomaten mag de maximale inzet per spel thans niet meer bedragen dan één kwartje. Voorgesteld is om in verband met de invoering van de euro te kiezen voor een maximuminworp van 20 eurocent. De redenen voor deze keuze zijn in de beleidsbrief uiteengezet.

Deze beleidsbeslissing heeft gevolgen voor het Speelautomatenbesluit 2000, dat is gebaseerd op de Wet op de Kansspelen. In de Wet op de Kansspelen is echter niet de minimuminzet per spel opgenomen, maar uitsluitend de mogelijkheid deze inzet bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te stellen. De Wet op de Kansspelen behoeft in dit verband dus geen aanpassing.

Door de leden van de VVD werden wij gewezen op een onjuistheid in de memorie van toelichting. De door hen aangehaalde passage in paragraaf 4.3 dient als volgt te worden gelezen: «Voorgesteld wordt om in afwijking van het onder b gestelde in en overeenstemming met het in paragraaf 4.2 onder c gestelde, maximum boetes na omzetting rekenkundig af te ronden op hele euro's».

De leden van de VVD-fractie zouden graag een toelichting ontvangen omtrent het feit dat er in de wet niet meer terug wordt gekomen op de punten fiscaliteit en eigen bijdrage terwijl deze wel in de beleidsbrief worden genoemd. Zijn er nog andere punten die wel in de beleidsbrief genoemd worden maar niet in de wet terugkomen?

In de beleidsbrief wordt getracht een overzicht te geven hoe de regering te werk wil gaan bij de aanpassing van alle wet- en regelgeving en welke beleidsbeslissingen daarbij zijn genomen. Het wetsvoorstel heeft slechts betrekking op guldenbedragen in de Nederlandse wetten in formele zin. Aanpassing van de fiscale wet- en regelgeving aan de invoering van de euro volgt, zoals is aangegeven in de brief aan de Tweede Kamer van 7 april 19991, in een apart wetgevingstraject. Het desbetreffende wetsvoorstel zal in september aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Daarmee kan dit wetsvoorstel worden gecoördineerd met het Belastingplan 2002. Overigens bevatten de Wet Inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 reeds in euro luidende bedragen.

Ook bedragen uit lagere regelgeving staan wel genoemd in de beleidsbrief, maar zijn niet in het wetsvoorstel opgenomen. Voorbeelden hiervan zijn: de eigen bijdrage in de thuiszorg, de intramurale eigen bijdragen (worden genoemd in bijdrage-besluit Zorg en bijdrage-regeling Zorg) en de tarieven uit het speelautomatenbesluit. Deze zullen bij (verzamel-)AMvB of ministeriële regeling gewijzigd worden. Ook de huursubsidie die expliciet in de beleidsbrief wordt genoemd, is niet in het wetsvoorstel opgenomen. De huursubsidiebedragen zullen op een ander tijdstip (1 juli 2002) worden aangepast, volgens de hoofdregel uit de beleidsbrief (technisch omrekenen).

De leden van de fracties van RPF en GPV wilden van de regering weten waarom de aanpassing van de boetemaxima in euro plaatsvindt door de huidige bedragen te delen door twee, wat neerkomt op een verhoging van 10%. Waarom wordt er op het terrein van Sociale Zaken van de beslissing van boetebedragen afgeweken en wel weer consequent de hoofdregel toegepast?

In de beleidsbrief is uiteengezet wat de motivering is om de genoemde omzettingsberekening toe te passen op de boetemaxima. Inmiddels heeft op basis van het kabinetsbesluit van 9 maart jl. een herberekening van deze boetemaxima en de bedragen die hiervan afgeleid zijn, plaatsgevonden, waarbij de bedragen naar beneden afgerond zijn na technische aanpassing aan de euro. De aldus verkregen boetebedragen zullen in de nota van wijziging die de Kamer binnenkort kan verwachten, worden opgenomen. Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid had reeds haar boetebedragen technisch omgezet, deze bedragen behoeven niet veranderd te worden.

Ter informatie volgen hier de maximumbedragen in de verschillende boetecategorieën van artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht. Ter vergelijking zijn de bedragen opgenomen, zoals voorgesteld in de Beleidsbrief.

CategorieGuldensin euro's cf beleidsbrief%-verschilNieuw voorstel%-verschil
Eerste500250+ 10%225– 1%
Tweede5 0002 500+ 10%2 250– 1%
Derde10 0005 000+ 10%4 500– 1%
Vierde25 00012 500+ 10%11 250– 1%
Vijfde100 00050 000+ 10%45 000– 1%
Zesde1 000 000500 000+ 10%450 000– 1%

Zoals ook in de Beleidsbrief is uiteengezet, gaat het om maximumbedragen die gemakkelijk te onthouden moeten zijn. De daadwerkelijk opgelegde boeten liggen veelal (aanzienlijk) onder het maximum.

Budgettaire gevolgen en gevolgen voor de burger

De leden van de PvdA-fractie vroegen of er een inschatting te maken is van de financiële effecten van de afgeronde bedragen voor zowel de overheid, het bedrijfsleven als de burger. Ook de leden van de GPV en RPF fracties vroegen naar de kosten voor het Rijk in verband met de afrondingen en naar de eventuele gevolgen hiervan voor de rijksbegroting.

Voor de Rijksoverheid is het uitgangspunt dat de invoering van de euro een financieel neutraal effect zal hebben zowel voor burger en bedrijfsleven als voor de overheid. Bij de omzetting van bedragen wordt het uitgangspunt uit de beleidsbrief gehanteerd. In deze brief wordt in paragraaf B6 ingegaan op de financiële gevolgen van afronden. Hoofdregel is dat bedragen zoveel mogelijk technisch worden omgerekend van de gulden naar euro en dat er waar mogelijk niet ten nadele van de burger of bedrijfsleven zal worden omgerekend. Zeer beperkte financiële gevolgen kunnen optreden bij de omzetting van kleine bedragen waar om uitvoeringstechnische redenen afronding wordt voorgesteld op hele euro's of eurodubbeltjes. Vergelijkbare effecten kunnen optreden in die gevallen waarin bestaande wettelijke afrondingsregels zijn gehandhaafd. Deze gevolgen kunnen zowel positief als negatief zijn voor de burger en het bedrijfsleven.

Een waterdichte garantie dat in individuele gevallen geen nadeel wordt ondervonden is evenwel niet te geven.

Dat de overheid de nakoming van haar beloften met betrekking tot gevolgen voor de burger serieus neemt kan ook afgeleid worden uit de veranderingen van de boete-maxima in het Wetboek van Strafrecht, waarbij, om alle schijn van nadelige gevolgen voor de burger/wetsovertreder weg te nemen, de regering besloten heeft de schijnbare verhoging niet door te laten gaan.

Wat betreft de financiële gevolgen voor de rijksoverheid kan gemeld worden dat zowel bij de afronding op hele euro's, als bij de handhaving van bestaande afrondingsregels de budgettaire effecten per regeling voor de overheid zodanig zijn – meest in de orde van grootte van enige duizenden, soms enige tienduizenden guldens – dat zij binnen de bestaande budgetten van de departementen kunnen worden opgevangen, aanpassing van de Rijksbegroting zal dan ook niet nodig zijn.

De leden van de PvdA-fractie vroegen ons op termijn een inschatting te maken van de effecten die een verhoging van de competentiegrens in civiele zaken op de toeloop bij de kantonrechter kan hebben.

Het Wetenschappelijk onderzoek- en documentatiecentrum (WODC) onderzoekt de gevolgen van de competentiegrensverschuiving die per 1 januari 1999 plaatsvond. Toen gingen handelszaken met een financieel belang tussen f 5 000,– en f 10 000,– over van de rechtbank naar het kantongerecht. Op basis van de huidige onderzoeksresultaten van het WODC kan worden afgeleid dat bij de hogere competentiegrens van de kantonrechter na invoering van de euro er zo'n 1400 zaken bij de rechtbank zullen verdwijnen die terecht komen bij de kantonrechter. Op basis van de voorlopige resultaten van het lopende onderzoek van het WODC kan bovendien rekening worden gehouden met een aanzienlijke «aanzuigende werking» vanwege de lagere drempel bij de kantonrechter. De inschatting van de onderzoekers is dat het aantal zaken voor de kantonrechter zo'n 50 tot 100% hoger zal liggen dan de te verwachten 1400 zaken en uit zal komen tussen 2100 en 2800.

De leden van de VVD-fractie vroegen of de regering kan toelichten of er al zicht is op eventuele cumulatie van effecten en of de regering zou kunnen toelichten welke maatregelen zij denkt te nemen indien er substantiële koopkrachteffecten optreden.

De invoering van de euro binnen de Nederlandse wet- en regelgeving zal (zoals reeds eerder vermeld) zoveel mogelijk budgettair neutraal verlopen, met daarbij als hoofdregel dat de burger nauwelijks tot geen (financieel) nadeel van de omzetting naar de euro mag ondervinden. Eventuele (gecumuleerde) effecten op bijvoorbeeld de koopkracht zullen dan ook (indien aanwezig) naar verwachting marginaal en positief voor de burger zijn. Met het oog op de geringe omvang en het voordeel voor de burger van deze eventuele effecten, heeft de regering het niet nodig geacht met betrekking tot deze effecten maatregelen te treffen.

Opzet van het wetsvoorstel en memorie van toelichting

De PvdA-fractie heeft ons de vraag gesteld of het mogelijk is dat er nog bedragen worden afgerond die niet vermeld zijn in de beleidsbrief.

Wij gaan ervan uit dat dit slechts in zeer uitzonderlijke situaties kan voorkomen. Bij alle ministeries heeft in het begin van de omzettingsoperatie een inventarisatie plaatsgevonden van de aan te passen bedragen in wetten, amvb's en ministeriële regelingen. Bij de omzettingen van de bedragen is uitgegaan van de door de ministeries van Financiën en Justitie opgestelde vuistregels. Belangrijk uitgangspunt daarbij is dat de aanpassing van de guldenbedragen in eurobedragen in principe een technische is. Als er toch afrondingen moeten plaatsvinden, dan is een goede motivering nodig waarom de afronding plaatsvindt en waarom in de voorgestelde mate. Deze uitzonderingen op de regel van technische omzettingen zijn destijds bijeengebracht in de beleidsbrief die begin februari 2000 naar de Tweede Kamer is gestuurd en waarover de vaste Kamercommissie van Financiën en van Justitie met de ministers van Financiën en van Justitie op 29 juni 2000 een algemeen overleg hebben gevoerd. Mocht het zo zijn dat er toch nog bedragen zijn die afgerond moeten worden, bijvoorbeeld in nieuwe of te wijzigen wet- of regelgeving of omdat ze om de een of andere reden niet meegenomen zijn in de inventarisatieronde, dan zullen wij tijdig een aanvulling op de beleidsbrief aan de Tweede Kamer doen toekomen. De regels en uitzonderingen uit de beleidsbrief zullen uiteraard van toepassing blijven.

De leden van de PvdA-fractie hadden ook nog enkele vragen over het gebruik van eurobedragen in nieuwe wetgeving en de vormgeving van de begrotingsvoorbereiding 2002.

Op de vragen van de PvdA-fractie of nu al in nieuwe of gewijzigde wetgeving bedragen in euro worden opgenomen, luidt het antwoord bevestigend. Het ijkpunt voor de invoering van de euro ligt voor de overheid, en dus ook voor bedragen in weten regelgeving, op 1 januari 2002. Dat betekent in theorie dat bij inwerkingtreding van wetgeving na 1 januari 2002 alle bedragen in euro's luiden en bedragen van wetgeving die daarvóór, in 2001, in werking is getreden, in guldens. Dat kan betekenen dat wetgeving die in 2001 in werking is getreden per 1 januari 2002 alweer moet worden aangepast. Wij zijn van mening dat dit een omslachtige procedure is. Om te voorkomen dat er dubbel werk wordt gedaan, heeft de Juridische Interdepartementale Werkgroep Euro (JIWE) gekozen voor een praktische oplossing. Deze komt er in het kort op neer dat bedragen in een nieuwe of nieuw op te stellen regeling in euro worden vastgesteld. Voorwaarde daarbij is dat de regeling voor onbepaalde tijd gaat gelden en dat deze na 1 januari 2001 in werking treedt. Bij of krachtens de regeling worden tevens equivalente bedragen in guldens vastgesteld tot 1 januari 2002.

Met betrekking tot de begrotingsvoorbereiding kan het volgende gemeld worden:

Op Prinsjesdag 2001 zullen de departementale ontwerpbegrotingen 2002, conform het communicatie-uitgangspunt zoals dat door de Ministerraad is vastgesteld, geheel in euro worden ingediend. Er zullen dan geen guldenbedragen meer in de begroting voorkomen (zie ook de brief van de Minister van Financiën, d.d. 20 mei 1999, kamerstuk 26 200, nr. 37). De begrotingen hebben immers betrekking op 2002.

De ambtelijke en bestuurlijke voorbereiding van de ontwerpbegroting 2002, de Miljoenennota 2002 en de overige stukken vindt nog geheel in guldens plaats. De belangrijkste reden hiervoor is dat de onderliggende (begrotings)administraties tot eind 2001 alleen guldeninformatie bevatten. Na besluitvorming over de begrotingen in de Ministerraad zullen de departementale ontwerpbegrotingen worden omgezet van gulden naar euro. Deze worden achtereenvolgens aangeboden aan de Raad van State en de Staten-Generaal.

Eind december 2001 (of begin januari 2002) zullen alle (begrotings)administraties binnen de rijksoverheid worden geconverteerd van gulden naar euro.

Geldboetecategorieën wetboek van strafrecht

De leden van de GPV- en de RPF-fractie vroegen naar de argumenten voor verhoging van de boetemaxima.

Wij verwijzen deze leden naar de aanpassingen die inmiddels hebben plaatsgevonden naar aanleiding van het kabinetsbesluit van 9 maart jl. Een en ander wordt uitgewerkt in de nota van wijziging op dit wetsvoorstel die de Kamer binnenkort zal bereiken. Een gewijzigd voorstel voor de boetecategorieën in het Wetboek van Strafrecht is eerder ook in deze nota opgenomen.

Voorts signaleerden deze leden een onjuist bedrag in het hoofdstuk Justitie. Dit bedrag is inderdaad niet juist weergegeven en zal bij nota van wijziging worden gecorrigeerd.

De leden van de fracties van GPV en RPF vroegen of de minimumboete, in het aanhangige voorstel nog op 5 euro, maar volgens het voorstel in de nota van wijziging op 2 euro gesteld, niet in zijn geheel kan worden geschrapt. Tevens vragen zij naar de omvang van de mogelijke financiële opbrengst van de omzetting van de boetebedragen.

Het strookt niet met de systematiek van het Wetboek van Strafrecht om het strafminimum af te schaffen. Er is voor gekozen om één algemeen strafminimum te hebben en per delict bepaalde strafmaxima. De minimale geldboete is thans 5 gulden. Het voorstel is daarvan 2 euro te maken. De minimale vrijheidsstraf is één dag. Het zou tegen de systematiek ingaan indien de minimumstraf geheel zou komen te vervallen.

De opbrengst van de boetetarieven zal na bijstelling in de zin van het kabinetsbesluit van 9 maart jl. in een later stadium aan de Tweede Kamer worden voorgelegd

De leden van de VVD-fractie hebben ons een nadere motivering gevraagd voor de stelling dat het beslag op celcapaciteit voor vervangende hechtenis zal verminderen.

Deze vermindering was het gevolg van de afronding van de bedragen in artikel 24 c Wetboek van Strafrecht, zoals nu nog vermeld in het wetsvoorstel. In de nota van wijziging die de Kamer binnenkort tegemoet kan zien, zijn deze bedragen naar aanleiding van de bijstelling van de boetemaxima op grond van het kabinetsbesluit van 9 maart jl. eveneens aangepast. Het beslag op celcapaciteit zal derhalve niet verminderen.

Afronding

De leden van de VVD-fractie vroegen zich af of de aanpassing van de afrondingseenheid gevolgen heeft voor het aantal ziekenfondsverzekerden.

Artikel 3a, derde lid, van de Ziekenfondswet, bepaalt nu ten aanzien van de loon- en inkomensgrenzen dat deze worden afgerond op een veelvoud van f 100. Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport stelt voor om de afronding met ingang van het jaar 2002 om zetten in EUR 50. Afronding op EUR 50 naar boven benadert de huidige regeling het meest. Het verschil tussen een afronding op f 100 en een afronding op EUR 50 (x koers 2,20371 = f 110) bedraagt f 10,–.

Voor wat betreft de loon- en inkomensgrens Ziekenfondswet geldt dat nu ook al wordt afgerond, waardoor bepaalde personen net wel of net niet binnen het systeem vallen. Dit is inherent aan dit systeem. In theorie is het mogelijk dat iemand door het afrondingsverschil van f10,- net wel of net niet recht heeft op ziekenfondsverzekering. Het gaat hierbij echter om dusdanig kleine getallen dat effecten hiervan, zowel in aantallen verzekerden als kosten, nauwelijks meetbaar zijn.

De systematiek bij het bepalen van de loon- en inkomensgrenzen in de Ziekenfondswet voor het jaar 2002 is als volgt:

• Uitgangspunt is de onafgeronde loon-/inkomensgrens voor het jaar 2001

• Loon-/inkomensgrens wordt geïndexeerd voor het jaar 2002

• Dit geïndexeerde onafgeronde guldenbedrag wordt technisch omgezet naar euro's

• Het technisch omgerekende euro-bedrag wordt afgerond op 50 euro naar boven.

In de toelichting van de regeling zal de omzettingssystematiek worden beschreven en tevens het guldenbedrag (euro loon-/inkomensgrens voor het jaar 2002 technisch omgerekend naar een onafgerond guldenbedrag) worden vermeld.

Conclusie kan zijn dat deze wijze van omzetting gunstig is voor de burger. Er zullen geen mensen zijn die eerst binnen de grenzen van de wet vielen en na omzetting daarbuiten.

De Minister van Financiën,

G. Zalm


XNoot
1

Kamerstukken II, 2000–2001, 27 042.

XNoot
1

Kamerstukken II 1999–2000, 25 107, nr. 32, onder punt III.4.