nr. 5
BRIEF VAN DE MINISTER VOOR ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 6 maart 2001
Langs deze weg wil ik U informeren over de stand van zaken bij het Centrum
tot Bevordering van de Invoer uit Ontwikkelingslanden (CBI), de in Rotterdam
gevestigde batenlastendienst (agentschap) van het Ministerie van Buitenlandse
Zaken.
Ik doe dat om twee redenen: (1) Beleidsmatig. Aan
CBI en zijn instrumentarium heb ik tijdens recent overleg, zowel met de Kamer
als met vertegenwoordigers van maatschappelijke groeperingen, in verband met
de notitie «Ondernemen tegen Armoede» kort aandacht besteed. Ik
benadrukte bij die gelegenheden ook het belang van het CBI-instrumentarium
voor het stimuleren van het ondernemerschap in ontwikkelingslanden. In deze
brief wil ik dit kort uitwerken. (2) Beheersmatig.
CBI's functioneren als batenlastendienst kwam in het afgelopen jaar in een
kritisch daglicht te staan door bevindingen van de Algemene Rekenkamer die
in mei jl. een aantal beheersmatige tekortkomingen signaleerde. Ik wil de
Kamer graag tussentijds informeren over wat hier aan gedaan wordt.
Ad 1. Beleid
Het mandaat van CBI is bij te dragen aan de economische ontwikkeling van
een aantal ontwikkelingslanden door duurzame versterking van de concurrentiepositie
van bedrijven uit die landen op de internationale en met name de Westeuropese
markt. De Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluaties (IOB) van
dit ministerie constateerde in haar rapport van oktober 1999 dat het CBI-programma
consistent was met de beide hoofddoelstellingen van het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid,
t. w. economische verzelfstandiging en armoedebestrijding, en daaraan in positieve
zin heeft bijgedragen. De IOB had ook wel enige kritiek op het programma en
CBI heeft, mede naar aanleiding van deze kritiek, op (verdere) kwaliteitsverbetering
gerichte maatregelen genomen. Ik noem hieronder drie maatregelen.
Strengere selectiecriteria. CBI heeft op basis
van nader onderzoek strengere selectiecriteria ontwikkeld ten
aanzien van bedrijven in ontwikkelingslanden die van CBI's diensten gebruik
willen maken. Hierdoor is het selectieproces beter gefundeerd en transparanter
geworden en kan CBI beter dan voorheen vaststellen welke assistentie noodzakelijk
is. Als gevolg hiervan is het aantal bedrijven dat tijdens de procedure afvalt
sterk gedaald. Ook ten aanzien van de ontwikkelingslanden zelf en het door
hun regeringen gevoerde beleid heeft CBI strengere selectiecriteria ontwikkeld.
Als gevolg hiervan is het aantal door CBI geassisteerde ontwikkelingslanden
verminderd.
Meer maatwerk. De door CBI te verlenen assistentie
wordt op specifieke haalbaarheidsstudies, die op de concrete behoeftes van
de afzonderlijke bedrijven ingaan, gebaseerd.
Hogere eigen bijdragen. Van de deelnemers
aan CBI's programma's en de recipiënten van CBI-assistentie wordt meer
dan voorheen een eigen bijdrage verlangd. Dit versterkt de betrokkenheid en
de motivatie van deze bedrijven. Bijkomend effect is dat CBI hogere inkomsten
heeft.
Vermeldenswaard, maar geen deel van genoemd «verbetertraject»
uitmakend, zijn CBI's relatief nieuwe activiteiten gericht op voorlichting
aan overheden en bedrijven uit ontwikkelingslanden over de vele non-tarifaire
belemmeringen waar zij mee te maken krijgen als zij naar de Europese Unie
willen exporteren. Deze belemmeringen worden gevormd door de in omvang en
complexiteit nog dagelijks groeiende EU wet- en regelgeving t.a.v. kwaliteit,
milieu, veiligheid, gezondheid, arbeidsomstandigheden, etc. Zonder adequate
assistentie op deze terreinen is het voor exporteurs uit ontwikkelingslanden
vrijwel onmogelijk een duurzaam aandeel op de EU-markt te verwerven. Aan deze
non-tarifaire belemmeringen wordt in EU-verband nog weinig aandacht besteed
en CBI heeft hierover contact met de Europese Commissie opgenomen. Ook stelt
CBI de opgedane kennis ter hand van de Nederlandse onderhandelaars in handelspolitieke
fora.
Ad 2. Beheer
De kritiek van de Algemene Rekenkamer op het functioneren van CBI als
batenlastendienst is ter harte genomen. Het beheersmatige verbetertraject
is vorig jaar in nauwe samenwerking met de betrokken directies van het moederdepartement
en het ministerie van Financiën in gang gezet en wordt nu aan de hand
van een compact plan van aanpak en een strak tijdschema met voortvarendheid
voortgezet. Inzet en doel is om op korte termijn alsnog aan de instellingsvoorwaarden
voor een batenlastendienst te kunnen voldoen. Het gaat om een groot aantal
uiteenlopende maatregelen, voornamelijk op financieel-administratief terrein.
Ik noem hierna enkele van deze maatregelen:
– er is externe expertise aangetrokken om CBI op het gebied van
het batenlastenstelsel te coachen en te assisteren; CBI is al enkele jaren
een batenlastendienst maar bleek in de praktijk nog weinig vertrouwd met dit
stelsel te zijn;
– voor CBI's financiële sturing wordt een hooggekwalificeerde
controller aangetrokken; als voorlopige maatregel is een interim controller
aangesteld;
– voor het beheer van de financiële administratie heeft CBI
een nieuw contract met een accountantskantoor gesloten; CBI stelt hierin aanzienlijk
zwaardere eisen dan in het vorige contract;
– er vindt een aantal trainingen voor de CBI-medewerkers plaats,
o.a. inzake financieel beheer in een batenlastendienst;
– met het oog op het genereren van meer en betere informatie t.b.v.
de dagelijkse bedrijfsvoering heeft CBI een systeem van tijdschrijven ingevoerd,
een nieuwe grootboekadministratie, contractenregister, verplichtingenadministratie
en financieel archief; hiertoe werd een krachtig softwarepakket
voor de financiële administratie aangeschaft en geïntroduceerd;
hiermee zal CBI zijn financiële administratie geheel naar eigen behoefte
kunnen inrichten en o.a.. in staat zijn exacte kostprijzen voor zijn produkten
te bepalen;
– CBI voert nu een scherper inkoopbeleid, met systematisch gebruik
van concurrerende offertes; als gevolg hiervan konden in korte tijd aanzienlijke
kostenbesparingen worden gerealiseerd;
– gewerkt wordt nog aan nieuwe raamafspsraken tussen departement
en CBI die CBI's status van batenlastendienst verder zullen formaliseren.
Het voorgaande geeft mij aanleiding te constateren dat het CBI niet alleen
springlevend is en nuttig werk doet maar ook dat, waar verbeteringen noodzakelijk
waren, hard aan dit verbetertraject wordt gewerkt. Er is vooruitgang geboekt
maar er zal – zoveel mogelijk in de loop van dit jaar – nog veel
gedaan moeten worden.
De Minister voor Ontwikkelingssamenwerking,
E. L. Herfkens