Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2000-200127451 nr. 11

27 451
Koers BVE

nr. 11
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAPPEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 11 juli 2001

Via deze «beroepsbrief» willen we de Kamer informeren over het belang van de «beroepskolom» en de wijze waarop we deze ontwikkeling willen stimuleren. Het gedachtegoed van deze brief is gebaseerd op het advies van de commissie Boekhoud en de analyse van de Stuurgroep Impuls Beroepsonderwijs en Scholing.

Twee documenten die we hierbij graag aanbieden.1

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

Mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs,

L. M. L. H. A. Hermans

Beroepsonderwijs loont

1 Inleiding

Een nieuw elan

In de afgelopen jaren is hard gewerkt om de positie van het vmbo, het mbo en het hbo te versterken. In de komende periode gaan we hiervan de vruchten plukken. Nu de invoering van het vmbo goed op streek is, wordt duidelijk dat het geheel meer is dan de som der delen. Er is een «beroepsonderwijs-kolom» – kortweg de «beroepskolom» – ontstaan die leidt tot een nieuw elan. Het motiveert ons, sociale partners en onderwijsinstellingen om te komen tot nieuwe vormen van samenwerking. Ons doel is om gezamenlijk – vanuit een complementaire verantwoordelijkheid voor onderwijs en scholing – een sterke en flexibele infrastructuur te ontwikkelen. Een structuur die met een aanbod op maat uiteenlopende groepen – in het initiële beroepsonderwijs en in de postinitiële scholingstrajecten – uitstekend kan bedienen.

De «beroepsbrief»

Via deze «beroepsbrief» willen we de Kamer informeren over het belang van de beroepskolom en de wijze waarop we deze ontwikkeling willen stimuleren. Dit doen we door het analyseren van de kwalificatiewinst1 die in het initiële traject te behalen valt (paragraaf 3). En door het beschrijven van de investeringsthema's die moeten worden uitgewerkt (paragraaf 4). Het gedachtegoed van deze brief is gebaseerd op het advies van de commissie Boekhoud2 en de analyse van de Stuurgroep Impuls Beroepsonderwijs en Scholing3.

Beroepsonderwijs staat hoog op de agenda

Niet alleen binnen, maar ook buiten «onderwijsland» – in de SER, in de Stichting van de Arbeid, in de Europese Raad – wordt het belang van het beroepsonderwijs onderkend. Zo heeft de Europese Raad van Lissabon de ambitie uitgesproken van Europa de meest dynamische en competitieve regio in de wereld te maken. De beleidsstrategie van de Raad onderstreept het belang van kennis, innovatie en sociale cohesie. Dit betekent dat we moeten zorgen voor een goed opgeleide en breed inzetbare beroepsbevolking, een goede onderzoeksinfrastructuur en een goed innovatieklimaat.

Extra middelen

De Nederlandse regering onderschrijft de doelstellingen van «Lissabon» en ambieert een plaats in de kopgroep van Europa. Zowel in de voorjaarsnota van 2000 als van 2001 zijn extra middelen vrijgemaakt om de positie van het beroepsonderwijs te versterken4. Voor de resterende regeerperiode gaat het om een bedrag van een half miljard5. We zien dit als een eerste stap. Afhankelijk van de substantiële bijdrage die sociale partners aan beroepsonderwijs en scholing leveren, overweegt de rijksoverheid met ingang van 2002 een tweede tranche. De kunst zal zijn om met deze extra middelen vernieuwingen op gang te brengen, die uiteindelijk hun weerslag hebben op de inzet van het totale budget.

2 Denken in schoolloopbanen

Doorstroomagenda beroepsonderwijs

De commissie Boekhoud benadrukt het belang van goede samenwerkingsrelaties tussen onderwijsinstellingen onderling en met de (leer)bedrijven in de regio. De overheid zou partijen die echte samenwerkingsrelaties aangaan over de hele breedte van de beroepskolom moeten ondersteunen. Samenwerken alleen is echter niet genoeg. Om de gewenste kwalificatiewinst te bereiken is volgens de commissie een cultuuromslag noodzakelijk. Niet de instellingen maar de (onderwijs)loopbanen van leerlingen moeten centraal staan. Of zoals Boekhoud dat zelf zo treffend verwoordt: «Er wordt veel gepraat en afvergaderd in allerlei zaaltjes over de aansluitingsproblematiek. Prachtige afspraken worden daar gemaakt en daarna gaat iedereen zijns weegs. In de praktijk verandert er heel weinig. (...) We moeten de schoolloopbanen van leerlingen als uitgangspunt nemen en gezamenlijk een goed aanbod doen. Zolang het instituutsdenken uitgangspunt is, zullen er altijd problemen ontstaan bij de overgang van de ene school naar de andere. Afspraken maken is niet voldoende. Scholen moeten gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen, dwars door het hele stelsel heen (...) Dit betekent ook dat je mensen daarvoor in moet zetten. Dat je niet alleen moet praten over de aansluiting op het niveau van de leerstof. De totale pedagogisch-didactische aanpak moet ter discussie staan».1

Het advies van de commissie Boekhoud is integraal overgenomen in de (tussen)rapportage van de Stuurgroep Impuls Beroepsonderwijs en Scholing, Naar een stevig fundament voor de kennissamenleving, van 23 maart 2001. In deze rapportage – opgesteld in aanloop naar de voorjaarsnota 2001 en de Kaderbrief 2002 – doen onderwijsinstellingen, sociale partners en overheid voor het eerst gezamenlijk voorstellen om het beroepsonderwijs breder te positioneren en de scholingsinspanningen voor werkenden en werkzoekenden te intensiveren.

3 Alle talenten ontwikkelen

Een open bestel met een herkenbare pedagogiek en didactiek

Jongeren en volwassenen die zich verder willen ontwikkelen, moeten een leeromgeving kunnen kiezen die de meeste kansen biedt om hun talenten te ontplooien. Soms is dat een meer theoretische leerweg, soms een meer praktijkgerichte leerweg. Beide leerwegen zullen zich steeds meer gaan profileren met een eigen herkenbare pedagogiek en didactiek, waarin een goede balans is gezocht tussen leren in de theorie en leren in de praktijk. Om een weloverwogen keuze te kunnen maken, is het van belang dat leerlingen (en hun ouders) zich reeds in het basisonderwijs een goed beeld kunnen vormen van de belangrijkste kenmerken van deze leerwegen en – niet onbelangrijk – van het kwalificatieniveau waarvoor wordt opgeleid. Maatwerk voor leerlingen begint reeds in het basisonderwijs.

Het is wel zaak te bewaken dat het gaat om een open bestel, waarin leerlingen op verschillende momenten in het onderwijstraject de oversteek kunnen maken van het beroepsonderwijs naar het algemeen vormend

onderwijs en andersom. De samenhang binnen de beroepskolom mag uiteraard niet ten koste gaan van de samenhang binnen het voortgezet onderwijs. In een ideale situatie kiezen leerlingen voor de leeromgeving die bij hen past (theoretisch dan wel praktisch gericht) en leren zij in de tijd die daarvoor staat. Of scheppen ze de tijd die ze nodig hebben door al «stapelend» een hoger kwalificatieniveau te bereiken2.

Op weg naar een kenniseconomie

De economie is in de afgelopen jaren flink gegroeid. Kijken we naar de factoren die dit mogelijk hebben gemaakt, dan zien we dat de toegenomen werkgelegenheid een belangrijk rol heeft gespeeld. We hebben op het gebied van arbeidsparticipatie een behoorlijk inhaalslag gemaakt. De verwachting is dat deze participatie in de komende jaren – mede als gevolg van vergrijzing en ontgroening – niet meer dezelfde bijdrage aan de groei kan leveren als voorheen. Om de economie toch op peil te houden zijn twee zaken van belang: de groei van de arbeidsproductiviteit, door het stimuleren van kennisontwikkeling en de groei van de werkgelegenheid, door het vergroten van de arbeidsparticipatie van specifieke aandachtsgroepen. Onderwijs en scholing zijn in beide gevallen van belang.

Een startbewijs voor de arbeidsmarkt

Opleidingsniveau speelt een belangrijke rol bij de kansen van een individu op de arbeidsmarkt. Als startbewijs geldt in het algemeen een kwalificatie op niveau twee van het mbo. Het wordt des te belangrijker om dit minimumniveau te waarborgen, nu de opleidingseisen toenemen als gevolg van technologische ontwikkelingen. Dit uit zich in een verschuiving van de vraag naar hogere opleidingsniveaus. Met als gevolg tekorten aan hoger opgeleiden die alleen opgelost kunnen worden via een tweesporenbeleid: investeren in kwaliteit en rendement van het initiële beroepsonderwijs en de opscholing van werkenden en werkzoekenden via postinitiële scholingstrajecten. Daarbij gaat het niet alleen om het opleidingsniveau, maar ook om het up-to-date houden van kennis, kunde en vaardigheden. Immers, in een kenniseconomie wordt de inzetbaarheid van individuen – hun employability – bepaald door hun mogelijkheden om te leren en te blijven leren. Het initieel onderwijs legt het fundament voor het leervermogen en de leermotivatie van mensen1. Tegelijkertijd zien we dat competenties als communicatieve vaardigheden, het vermogen om samen te werken en het probleemoplossend vermogen, vooral in de praktijk worden geleerd. Het belang van «leren in de praktijk» en het«blijven leren op de werkplek» zal dan ook toenemen.

Ruimte voor kwalificatiewinst

Als gevolg van de stabiele demografische ontwikkeling blijft de omvang van de komende generaties jongeren vrijwel gelijk. De verwachting is dat het aantal vwo-leerlingen niet of nauwelijks en het aantal havo- en vmbo-leerlingen slechts bescheiden zal groeien. Kijken we naar de doorstroompercentages, dan zien we dat ook vanuit die invalshoek de groei vanuit havo en vwo bescheiden zal zijn. De doorstroom van havo-gediplomeerden naar het hbo is in de afgelopen jaren reeds flink gegroeid, tot 70 procent in 1999. En van de vwo-ers met een diploma stroomde in dat jaar 27 procent door naar het hbo (en 65% naar de universiteit)2. De ruimte voor kwalificatiewinst zit met name in de beroepskolom. Door een verbeterd intern rendement, met behoud van de huidige doorstroompercentages – met name in het mbo – kan het beroepsonderwijs een aanzienlijke bijdrage leveren aan de opscholing van de beroepsbevolking.

Om een goed beeld te krijgen van de winst die in een sterke beroepskolom gerealiseerd kan worden, zijn in bijlage 1 de beschikbare rendements- en doorstroomgegevens geanalyseerd. Deze analyse onderstreept het belang van een stevige «leerlingenstroom» vanuit het vmbo via het mbo naar het hbo. De commissie Boekhoud berekende in haar advies dat terugdringen van het rendementsverlies met 1/3, mét behoud van de huidige doorstroompercentages, kan leiden tot een kwalificatiewinst van 25 procent1.

4 Investeren in de beroepskolom

Zowel de Stuurgroep Impuls Beroepsonderwijs en Scholing als de commissie Boekhoud beschrijven een aantal thema's die een belangrijke rol spelen bij het versterken van de positie van het beroepsonderwijs als geheel en de schakels tussen de sectoren. Wij onderschrijven het belang van deze thema's, zoals blijkt uit de keuzes die bij de verdeling van de impulsmiddelen zijn gemaakt (paragraaf 5).

Doorstroom vereist samenwerken

Eén van de kernpunten van de commissie Boekhoud is dat onderwijsinstellingen, leerbedrijven (en leerlingen zelf) gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor succesvolle schoolloopbanen. In de praktijk betekent dit dat partijen op brede schaal meer met elkaar moeten samenwerken. Samenwerking die alleen succesvol kan zijn als men zich daadwerkelijk wil inspannen om de gewenste kwalificatiewinst te realiseren. Activiteiten kunnen variëren van het samenstellen van kernteams van docenten uit verschillende onderwijssectoren, tot het gezamenlijk inrichten en gebruiken van faciliteiten als lokalen en machines.

Een aantrekkelijke leeromgeving

Hoogwaardig onderwijs gedijt alleen in een aantrekkelijke en goed toegeruste leeromgeving. Huisvesting en inventaris moeten in orde zijn. De ICT-voorzieningen vormen een belangrijk aandachtspunt. De onderwijsvernieuwing van de jaren negentig heeft het frontaal klassikaal onderwijs aangevuld met probleemgestuurd onderwijs en projectonderwijs, duale onderwijsvormen, zelfstandig werken en competentieleren. Deze ontwikkelingen vereisen een infrastructuur op het gebied van informatie- en communicatietechnologie, deskundige docenten en goede educatieve software.

Een herkenbare pedagogiek en didactiek

Leerlingen moeten hun talenten kunnen ontwikkelen op basis van een pedagogiek en didactiek die rekening houdt met de oriëntatieverschillen in de wijze waarop zij leren. Sommigen leren zoals gezegd beter in een meer theoretische omgeving, anderen in een meer praktische omgeving. Beide varianten stellen eigen eisen aan bijvoorbeeld het leerproces of het vaststellen van het leerrendement.

De recente voorstellen om de praktijkcomponent in het vmbo te versterken door het ontwikkelen van leerwerktrajecten zijn een doorbraak. Het belang van het leren in de praktijk krijgt hierdoor ook in het vmbo een belangrijke stimulans. De aantrekkelijkheid van de beroepskolom neemt toe als er meer duale leerwegen komen, met een stevige, herkenbare en onderwijskundige onderbouwing.

Doorlopende leerwegen

Door programma's van opleidingen beter op elkaar te laten aansluiten, of door ze – nog een stap verder – te integreren tot een gezamenlijke leerweg met tussentijdse kwalificatiemomenten, ontstaan aantrekkelijke doorlopende leerwegen. Een bijkomend effect kan zijn dat programma's worden verkort. Het belang van de leerling staat centraal. Het gaat er om dat ze gemotiveerd blijven, doordat ze instromen op het juiste niveau, doordat programma's aansluiten en doordat leerlingen die verder willen leren kunnen kiezen uit een aantrekkelijk onderwijsaanbod. De ontwikkeling van assessment (welke competenties heeft de leerling al) en van een transparante accreditatie- en kwalificatiestructuur (welke competenties moet de leerling nog verwerven) ondersteunen dit proces.

Het flexibiliseren van leerroutes

In de toekomst zullen steeds meer mensen tijdens hun loopbaan op zoek gaan naar mogelijkheden om zich verder te scholen. Leerperioden wisselen af met werkperioden. Juist door die flexibilisering van leerroutes – en omdat werken en leren in alle curricula samenhangen – leent het beroepsonderwijs zich bij uitstek voor een centrale rol in een «leven lang leren». Werkervaring zal steeds meer in het licht staan van elders verworven competenties (EVC). Wel is het zaak om de toetsing en afsluiting zodanig te organiseren dat de kwaliteit gewaarborgd is en de doorstroom binnen en tussen opleidingen soepel kan verlopen.

Meer en deskundig personeel

Voldoende en kwalitatief goed (onderwijzend) personeel is cruciaal voor de kwaliteit van het onderwijs. Naast het vergroten van de aantrekkelijkheid van het beroep, zal er geïnvesteerd moeten worden in de vakinhoudelijke en pedagogisch-didactische competenties van docenten en hun deskundigheid op het terrein van ICT. Het kabinet heeft in het voorjaar van 2001 extra geld beschikbaar gesteld om de positie op de arbeidsmarkt van onderwijs te verbeteren (commissie Van Rijn). Verruiming van de mogelijkheden voor functiedifferentiatie, verkorting van carrièrepatronen en scholing zijn belangrijke maatregelen die zijn afgesproken.

5 Hoe gaan we verder?

In de resterende regeerperiode (2001–2002) van het kabinet is in totaal 500 miljoen extra uitgetrokken voor het versterken van de positie van het beroepsonderwijs. De exacte verdeling van de middelen wordt gepresenteerd in de begroting voor 2002. Uitgaande van bovengenoemde thema's zijn keuzes gemaakt en accenten gelegd, waarbij de prioriteit is gelegd bij het vmbo, als fundament van de beroepskolom.

Voor het vmbo ligt het accent op het actieprogramma vmbo en het verbeteren van de doorstroom, de invoering van de leerwerktrajecten en het bevorderen van maatwerk en flexibiliteit en extra middelen voor inventaris. Voor de benodigde investeringen in de huisvesting moeten instellingen een beroep doen op de gemeentefondsen.

Binnen het mbo ligt het accent op het verbeteren van de doorstroom, het ontwikkelen van portfolio en ontwikkelgerichte assessments, de invoering van kerncompetenties in de kwalificatiestructuur en het verbeteren van de kwaliteit van de beroepspraktijkvorming. Daarnaast staan het verbeteren van de kwaliteit van de examinering en versterking van de publieke verantwoording op de agenda.

Binnen het hbo gaat het vooral om het verbeteren van de doorstroom, het ontwikkelen van assessment en evc, het verbeteren van de stages en duale trajecten en het versterken van de positie van hbo-instellingen in de regionale kennisinfrastructuur.

Voor de beroepskolom als geheel tenslotte gaat het om meer flexibiliteit en maatwerk en om het versterken van de samenwerkingsrelaties in de regio (tussen scholen onderling en tussen scholen en bedrijven). Met als doel het realiseren van kwalificatiewinst, waarbij onderwijsinstellingen zich (gezamenlijk) zullen ontwikkelen tot kenniscentra voor een leven lang leren.

Deze extra investeringen leveren een belangrijke bijdrage aan het versterken van de positie van het beroepsonderwijs. Tegelijkertijd zal blijken – zoals dat ook reeds duidelijk is geformuleerd door de commissie Boekhoud en de Stuurgroep Impuls Beroepsonderwijs en Scholing – dat de ambities verder reiken. Uiteindelijk zullen onderwijsinstellingen en (leer)bedrijven gezamenlijk de gewenste kwalificatiewinst moeten realiseren, door de impulsmiddelen (doelmatig) te bundelen met de reguliere rijksbijdrage van de onderwijsinstellingen en de inzet van sociale partners.

Richting, ruimte en rekenschap

We willen partijen in de regio stimuleren samenwerkingsrelaties aan te gaan en heldere afspraken te maken over de kwalificatiewinst die men wil realiseren. Om inzicht te krijgen in de mate waarin – op landelijk niveau – kwalificatiewinst wordt geboekt, wordt een monitor ingericht, voorafgegaan door een nulmeting. Over de opzet van deze nulmeting en monitor worden met partners bestuurlijke afspraken gemaakt. Op basis van deze nulmeting zal worden bepaald op welke wijze kwalificatiewinst in kaart kan worden gebracht1. Voortbouwend op de resultaten van deze nulmeting vinden we het van belang dat er streefwaarden worden vastgesteld2, waarbij ook de ontwikkeling van de verblijfsduur wordt bezien3.

6 Tot slot

We staan midden in de ontwikkeling van de beroepskolom. Het is duidelijk dat het hier gaat om een traject van jaren, dat blijvende inzet vereist van veel mensen. De huidige investeringen beschouwen we als een eerste stap voor het realiseren van de meest urgente zaken. Want: investeren in beroepsonderwijs loont.

In deze brief hebben we aangegeven welke thema's van belang zijn en in welke richting we het beleid verder willen uitwerken. Meer aandacht voor communicatie is hierbij belangrijk. Niet zozeer in de vorm van een nieuwe campagne, maar vooral door veel directer met betrokkenen te communiceren over de vernieuwingen in het beroepsonderwijs. We zijn dan ook verheugd over het initiatief van Colo, HBO-raad, Bve Raad en VVO om in september de opening van het «beroepsjaar» te organiseren. Vanuit OCenW ondersteunen we dit initiatief. Het is illustratief voor het elan dat groeit en een mooie gelegenheid om het beroepsonderwijs voor een breder publiek te presenteren.

BIJLAGE 1 Overzicht rendements- en doorstroomgegevens beroepskolom 1999

kst-27451-11-1.gif

Beknopte analyse

Rendements- en doorstroomgegevens voor het vmbo

Het vmbo – het fundament van de beroepskolom – biedt een doorstoomkwalificatie naar niveau twee (startkwalificatie), drie en vier van het mbo. De sector scoort goed met een rendement van 95 procent en een doorstroom van 82 procent. Deze cijfers zijn echter gebaseerd op de cijfers voor het vbo en de mavo in 1999. Vanaf 1 augustus 2003 stromen de eerste leerlingen door vanuit het vmbo. Pas op dat moment zal blijken hoe de doorstroom vanuit de nieuwe leerwegen zich zal ontwikkelen1. Ruimte voor kwalificatiewinst zit op dit moment vooral in het binnenboord houden van de leerlingen (in totaal acht procent) die nu als voortijdig schoolverlater (gediplomeerd en ongediplomeerd, zonder startkwalificatie) uitstromen naar de arbeidsmarkt. Belangrijk aandachtspunt in het kader van de gewenste opscholing van de beroepsbevolking is de ontwikkeling van de doorstroom naar niveau drie en vier van het mbo. De ontwikkeling van deze stroom heeft direct gevolgen voor de beoogde kwalificatiewinst op mbo- en hbo-niveau.

Rendements- en doorstroomgegevens voor het mbo

Het mbo biedt een doorstroom- en een beroepskwalificatie op vier niveaus, waarvan het hoogste niveau aansluit op het hbo. Kijken we naar de rendements- en doorstroomgegevens van deze sector, dan valt een aantal zaken op. Het rendement van de opleidingen op niveau 1 en 2 (56 procent) is te laag2. Het rendement op de niveaus 3 en 4 is hoger (66 procent, vergelijkbaar met het hbo), maar nog niet hoog genoeg.

De doorstroomcijfers zien er beter uit. De interne doorstroom van startkwalificatieniveau naar niveau drie is 23 procent. Een deel van deze doorstroom is wellicht te verklaren door leerlingen die «voorzichtigheidshalve» te laag zijn ingestroomd. Tegelijkertijd is het bemoedigend dat leerlingen alsnog kiezen voor een opleiding op een hoger niveau. De doorstroom naar het hbo is relatief hoog (37 procent van het totaal aantal gediplomeerde op niveau drie en vier), zeker als je bedenkt hoe de arbeidsmarkt aan mbo-ers trekt.

Rendements- en doorstroomgegevens voor het hbo

Het hbo, tot slot, biedt na invoering van de bachelor en master een kwalificatie op twee niveaus. Het rendement van de sector ligt op 65 procent en staat onder druk als gevolg van het groeiend tekort aan hoger opgeleiden op de arbeidsmarkt. Kijken we naar de instroomkant, dan zien we dat de groeimogelijkheden voor het hbo met name liggen in de instroom uit het mbo.


XNoot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

XNoot
1

Kwalificatiewinst staat voor meer gekwalificeerden op een hoger niveau door een verbeterd intern, numeriek rendement plus een verhoogde doorstroom binnen de beroepskolom. Hierbij gaat het zowel om het kwalificeren van zogenaamde «kansarme» leerlingen, die alleen met extra begeleiding in staat zijn een startkwalificatie te behalen, als het kwalificeren van «getalenteerde» leerlingen, die via maatwerk gestimuleerd kunnen worden om verder te leren. In: doorstroomagenda beroepsonderwijs (2001), p. 3.

XNoot
2

Op verzoek van de minister van OCenW heeft de commissie Boekhoud een Doorstroomagenda beroepsonderwijs opgesteld. Het advies van de commissie is op 8 maart 2001 aan de minister aangeboden, aangevuld met een addendum «De doorstroomagenda in de praktijk» op 9 april 2001.

XNoot
3

In het Voorjaarsoverleg 2000 is door sociale partners met de notitie Meer prioriteit voor het beroepsonderwijs de noodzaak van extra impulsen voor het beroepsonderwijs aan de orde gesteld. De beroepsonderwijskolom heeft hierop gereageerd met de notitie Naar een herwaardering van het beroepsonderwijs en scholing. In het Najaarsoverleg van 2000 is de Stuurgroep Impuls Beroepsonderwijs en Scholing ingericht. In deze stuurgroep werken de rijksoverheid (OCenW, SZW en EZ), instellingen voor beroepsonderwijs en sociale partners samen aan het formuleren van aanbevelingen voor de versterking van de beroepskolom; het vormgeven van de complementaire verantwoordelijkheid van onderwijsinstellingen en sociale partners voor beroepsonderwijs en scholing; en additionele maatregelen op het gebied van scholing van werkenden en werkzoekenden. De stuurgroep heeft in maart 2001 de tussenrapportage «Naar een stevig fundament voor de kennissamenleving» opgesteld.

XNoot
4

In de voorjaarsnota van 2000 is in totaal 200 miljoen vrijgemaakt voor de beroepskolom: 100 miljoen voor 2000 en 100 miljoen voor 2001. In de voorjaarsnota 2001 is – voor de resterende regeerperiode – in totaal een half miljard vrijgemaakt: 200 miljoen voor 2001 en 300 miljoen voor 2002. Deze 300 miljoen kan worden gezien als het begin van een structurele reeks.

XNoot
5

Aanvullend komen ook voor scholing – in het bijzonder voor scholing van kwetsbare groepen – in 2002 extra middelen beschikbaar. Het kabinet is voornemens om 100 miljoen beschikbaar te stellen om de werkgever een extra tegemoetkoming te verstrekken in geval van scholing van (voormalig werkloze) werkenden naar een startkwalificatie. Ook voor herintreders wordt in verband met te maken extra kosten voor scholing en begeleiding een afdrachtsvermindering voor werkgevers ingevoerd. Hiermee is in 2002 75 miljoen gemoeid, oplopend naar structureel 185 miljoen. Daarenboven heeft het kabinet toegezegd dat op korte termijn circa 650 miljoen aan ESF-middelen beschikbaar komt. Zowel de sectorfondsen als de gemeenten kunnen van dit budget gebruik maken. In het beleidskader 2001 zal vooralsnog geen budgetbeperking gelden voor aanvragen van zowel de sectorfondsen voor scholing van werkenden als voor de gemeenten. In: Brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer, resultaten Voorjaarsoverleg (2001).

XNoot
1

Uitleg (2001), nummer 16, pag. 8.

XNoot
2

Leijnse e.a. benadrukken dat als het beroepsonderwijs een reëel alternatief wil zijn voor leerlingen die «hogerop» willen, de nominale opleidingsduur moet worden bekort, door een betere afstemming van vmbo en mbo als van mbo en hbo. In: Naar een herwaardering van het beroepsonderwijs en scholing (2001), pag. 12. Met de invoering van het onderwijsnummer wordt het mogelijk om informatie over de gemiddelde studieduur van de verschillende leerwegen in de beroepskolom te verzamelen, zodat zicht ontstaat op de duur (en de doelmatigheid) van opleidingsroutes.

XNoot
1

De Grip (2000), pag. 18.

XNoot
2

Referentieraming OCenW (2000).

XNoot
1

Doorstroomagenda in de praktijk (2001), pag. 3.

XNoot
1

Opties zijn bijvoorbeeld een cohortstudie of een periodieke panelmeting.

XNoot
2

De commissie Boekhoud pleit voor het formuleren van streefcijfers voor rendement en doorstroom op regionaal niveau, rekening houdend met de eigen beginsituatie. Met als landelijke richtlijn verminderen van het rendementsverlies in vmbo, mbo en hbo met tenminste 1/3 en behoud van de doorstroompercentages zoals die in 1999 landelijk werden gerealiseerd.

XNoot
3

Met de invoering van het onderwijsnummer wordt het mogelijk om informatie over de gemiddelde studieduur van de verschillende leerwegen in de beroepskolom te verzamelen, zodat zicht ontstaat op de duur (en de doelmatigheid) van opleidingsroutes.

XNoot
1

De commissie Boekhoud heeft bij het berekenen van mogelijke kwalificatiewinst het fictieve rendement van het vmbo gesteld op 80%. In: De doorstroomagenda in de praktijk (2001), pag. 13.

XNoot
2

De vigerende rendementscijfers voor het mbo geven een sterk vertekend beeld, in die zin dat daarbij geen rekening wordt gehouden met een overstap naar het leerlingwezen (bbl) en met een overstap naar het deeltijd mbo of gewoonweg naar een andere mbo-opleiding waar alsdaar een diploma wordt behaald. In: Leijnse e.a., Naar een herwaardering van het beroepsonderwijs en scholing(2001), pag. 11.