nr. 3
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 oktober 2000
Overeenkomstig mijn toezegging tijdens de interpellatie op 12 oktober
2000 inzake de beantwoording van schriftelijke vragen over tabaksreclame op
en de daaropvolgende gedachtewisseling over de motie van het lid Marijnissen,
TK, 2000–2001, 27 437, nr. 1, doe ik u hierbij – na bespreking
in het kabinet – mijn zienswijze op die motie toekomen.
Zoals tijdens de interpellatie al naar voren is gebracht, wordt het verkeer
tussen beide Kamers der Staten-Generaal enerzijds en de ministers en de staatssecretarissen
anderzijds geregeerd door artikel 68 van de Grondwet. Dat artikel bepaalt
dat de door een of meer leden van de Kamers verlangde inlichtingen worden
gegeven, indien het verstrekken daarvan niet in strijd is met het belang van
de staat. Hieronder zal worden betoogd waarom het naar mijn oordeel niet wenselijk
is dat overeenkomstig de strekking van de motie de gevraagde correspondentie
wordt overgelegd.
De verschillende onderdelen van de rijksoverheid – de ministerie
en ook de dienstonderdelen daar binnen – hebben ieder hun specialisatie.
In de huidige complexe samenleving zijn er weinig beleidsonderwerpen meer
te noemen waarbij de inbreng vanuit één ministerie voldoende
is. Voor een goede afweging van alle relevante aspecten van een beleidsvoorstel
is het dan ook essentieel dat alle betrokken ministeries vanuit hun expertise
in de voorbereiding hun bijdrage leveren. De voorbereidende gedachtewisseling,
binnen en tussen ministeries, moet evenwel net als de gedachtewisseling in
de ministerraad in beslotenheid kunnen plaatsvinden om alle relevante in het
geding zijnde belangen te kunnen wegen. Op grond daarvan wordt een besluit
genomen waarop de regering dan tegenover de Kamers aanspreekbaar is en verantwoording
aflegt.
Het spreekt voor zich dat de Kamer in die fase inzicht dient te krijgen
in alle relevante feiten en argumenten die ten grondslag liggen aan een kabinetsstandpunt.
Daar kunt u het kabinet ook te allen tijde op aanspreken.
In de motie ligt de suggestie besloten dat het ongewenst en zelfs onoorbaar
zou zijn dat een ander departement zich zou bemoeien met de totstandkoming
van volksgezondheidsbeleid. Uit het bovenstaande moge duidelijk zijn dat het
kabinet deze suggestie in het geheel niet deelt.
Bij het woord inlichtingen in artikel 68 van de Grondwet wordt naar mijn
mening overigens gedoeld op feiten en omstandigheden, niet op opvattingen
of meningen van personen, althans niet op opvattingen of meningen van andere
personen dan de minister zelve. In die zin staat m.i. niet vast dat de motie
vraagt om inlichtingen als bedoeld in dat artikel. Ik wil daar overigens onmiddellijk
aan toevoegen dat dit argument voor mij niet het zwaarst weegt of dat er anderszins
redenen zouden zijn waarom geheimhouding van de in de motie bedoelde correspondentie
gewenst zou zijn. Het zijn met name de hiervoor genoemde argumenten die aanvaarding
en uitvoering van de motie naar de mening van het Kabinet zeer bezwaarlijk
maken.
Los van het bovenstaande roept namelijk ook de formulering van de motie
bezwaren bij mij op. In de tweede alinea wordt gesteld «dat ter zake
doende informatie de Kamer niet heeft bereikt». Allereerst wordt geen
inzicht gegeven in de vraag waarom er sprake is geweest van «ter zake
doende informatie», of naar welke maatstaven gemeten bepaalde informatie
de Kamer niet heeft bereikt. Ik ben van mening dat ik de Kamer steeds naar
behoren heb geïnformeerd over hoe het regeringsbeleid op de bedoelde
beleidsterreinen luidde.
Voorts is de stelling feitelijk onjuist. Zoals ik hierboven al heb aangegeven,
speelt de voorgeschiedenis in het beleidsproces, de aanloop naar de beleidsmatige
inzet, geen rol in het debat tussen Kamer en regering en is daarmee niet ter
zake doend. Het is het beleid zelf wat ter discussie moet worden gesteld.
Tenslotte spreekt ook uit de in de motie gekozen bewoordingen een (zeker)
gebrek aan vertrouwen in de juistheid en volledigheid van de door mij gegeven
antwoorden op kamervragen en andere uiteenzettingen op de meerbedoelde beleidsterreinen.
Ik betreur dat, maar ik moet ook zeggen dat dat gebrek aan vertrouwen wat
mij betreft elke grondslag mist.
Het is om bovenstaande redenen dat ik het aanvaarden van de motie ten
sterkste moet ontraden.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E. Borst-Eilers