Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2023-2024 | 27428 nr. E |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2023-2024 | 27428 nr. E |
Aan de voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
Cc: Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Brussel, 21 februari 2024
De Commissie dankt de Eerste Kamer voor haar advies over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende met bepaalde nieuwe genomische technieken verkregen planten en de daarvan afgeleide levensmiddelen en diervoeders, en tot wijziging van Verordening (EU) 2017/625 (COM(2023) 411 final).
Dit voorstel maakt deel uit van een breder pakket van ambitieuze maatregelen voor een duurzaam gebruik van natuurlijke plantaardige en bodemhulpbronnen, die ook de veerkracht van de voedselsystemen en de landbouw in de EU zullen versterken1. Meer in het bijzonder is het voorstel gericht op het handhaven van een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu in overeenstemming met het voorzorgsbeginsel, op het mogelijk maken van de ontwikkeling en het op de markt brengen van planten en plantaardige producten die bijdragen tot de innovatie- en duurzaamheidsdoelstellingen van de Europese Green Deal en de «van boer tot bord»- strategie en de biodiversiteitsstrategie, en op het waarborgen van de doeltreffende werking van de interne markt en het versterken van het concurrentievermogen van de agrovoedingssector op EU- en mondiaal niveau.
Het voorstel zou twee categorieën van met behulp van bepaalde nieuwe genomische technieken (NGT’s) verkregen planten vaststellen: NGT-planten die vergelijkbaar zijn met van nature voorkomende of conventioneel geteelde planten (NGT-planten van categorie 1 in het voorstel) en NGT-planten met complexere wijzigingen (NGT-planten van categorie 2 in het voorstel). Voor elke categorie zouden verschillende vereisten gelden, aangepast aan de kenmerken en het risicoprofiel ervan.
De Commissie heeft de in het advies gestelde vragen zorgvuldig geanalyseerd en wenst de volgende verduidelijkingen te verstrekken.
Er wordt bezorgdheid geuit omtrent de basis voor de analyse door de Commissie van de potentiële voordelen van NGT’s en de rol van technologie bij het bereiken van duurzaamheidsdoelstellingen, omtrent de toenemende afhankelijkheid van landbouwers van grote ondernemingen en omtrent de scheiding van NGT- en niet- NGT-gewassen.
In de «van boer tot bord»-strategie wordt erkend dat voor het aanpakken van de uitdagingen waarmee onze voedselsystemen worden geconfronteerd, een scala aan reacties en instrumenten nodig is, waaronder innovatie en meer in het bijzonder innovatie op het gebied van biotechnologie. NGT’s kunnen de ontwikkeling van verbeterde plantenrassen versnellen en preciezer maken, waardoor kenmerken ontstaan die een duurzaam en veerkrachtig agrovoedingssysteem in de EU kunnen ondersteunen. Talrijke wetenschappelijke instanties (waarnaar wordt verwezen in de effectbeoordeling bij het voorstel2) maken melding van de toenemende precisie van bepaalde NGT’s in vergelijking met conventionele veredelingsbenaderingen. Wijzigingen die met conventionele veredelingstechnieken worden geïntroduceerd, treden willekeurig op, terwijl bepaalde NGT’s wijzigingen in DNA-sequenties precies op een gekozen locatie kunnen aanbrengen. Als gevolg daarvan maakt de toepassing van NGT’s op plantenveredeling het mogelijk planten aanzienlijk sneller te ontwikkelen dan met conventionele veredelingsmethoden.
Wat de potentiële toepassingen van NGT’s betreft, heeft de Commissie eigen onderzoek verricht om de ontwikkelingspijplijn van NGT’s in kaart te brengen met betrekking tot gewassoorten, kenmerken en stadia van het onderzoeks- en ontwikkelingsproces. Om de ontwikkeling van NGT’s te beoordelen en inzicht te krijgen in de huidige stand van de wetenschappelijke kennis, heeft het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (JRC) van de Commissie een analyse verricht van de meest recente wetenschappelijke ontwikkelingen3 en de markttoepassingen met betrekking tot NGT’s4. In de effectbeoordeling bij het voorstel (zie de punten 1.1 en 1.4 en bijlage 7) zijn de gegevens uit die analyse aangevuld met informatie uit de EU-Sage-databank (waarin collegiaal getoetste literatuur over NGT-toepassingen wordt bijgehouden)5, recente werkzaamheden van de Voedsel- en Landbouworganisatie6 en openbaar beschikbare informatie van regelgevende instanties in niet-EU-landen7.
Het JRC-verslag illustreert het brede scala aan kenmerken en plantensoorten die het voorwerp zijn van onderzoek met NGT’s. Dit wordt bevestigd door de gegevens van EU- Sage en de Voedsel- en Landbouworganisatie (zie bijlage 7 bij de effectbeoordeling). Door NGT geïnduceerde resistentie tegen ziekten is gericht tegen een breed scala aan pathogenen en plaagorganismen. Tolerantie voor abiotische druk wordt op grote schaal onderzocht en omvat resistentie tegen droogte, saliniteit en hittestress. Gemodificeerde samenstelling gaat verder dan het zetmeel- en oliegehalte: veel gewassen in ontwikkeling hebben betere voedingseigenschappen (vezels, vitaminegehalte) in combinatie met een reductie van potentieel schadelijke verbindingen (toxinen, allergenen, waaronder gluten, acrylamide enz.). Een andere doelstelling van het lopende onderzoek is het behalen van hogere en stabielere opbrengsten. Wat de doelsoorten betreft, bestrijkt het onderzoek naar NGT’s een breder scala aan plantengroepen dan genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s) op basis van gevestigde genomische technieken (d.w.z. transgenese). Terwijl laatstgenoemde technieken voornamelijk betrekking hebben op een beperkt aantal granen (mais, rijst) en oliehoudende gewassen en vezelgewassen (sojabonen, katoen, koolzaad), hebben de eerstgenoemde technieken betrekking op meer gewassen, gaande van granen over fruit en peulvruchten tot groenten.
Om een gedetailleerder en vollediger beeld te krijgen van de potentiële impact van NGT- planten, heeft het JRC in het kader van de effectbeoordeling (zie bijlage 7) drie casestudy’s verricht om de potentiële positieve of negatieve effecten van NGT-planten op de sociale, ecologische en economische dimensies van duurzaamheid te onderzoeken aan de hand van de beste beschikbare wetenschappelijke gegevens. Het gaat bijvoorbeeld om een aardappelras met duurzame resistentie tegen de aardappelziekte, dat reeds in veldproeven in Nederland is getest en dat het mogelijk zou maken het gebruik van fungiciden met 50–80% te verminderen, waardoor de milieudruk op zoetwatersystemen zou dalen en landbouwers kosten zouden kunnen besparen. Een andere casestudy over een in Spanje geteste tarwe met een laag glutengehalte zou een veilig en goedkoper alternatief voor glutenvrije producten kunnen bieden voor mensen met een gevoeligheid voor non-coeliakie-tarwesensitiviteit. Volgens de ramingen van het JRC8 zijn conventionele glutenvrije producten gemiddeld 200% duurder, maar zouden producten op basis van deze tarwe met een laag glutengehalte slechts 30% duurder zijn.
Zoals blijkt uit de effectbeoordeling bij het voorstel, zijn NGT’s niet inherent gunstig voor grootschalige landbouw. Ze vergen aanzienlijk lagere onderzoeks- en ontwikkelingskosten en kunnen daarom op een veel groter aantal gewassen worden toegepast dan bij gevestigde genomische technieken het geval is. Dit kan kleine en middelgrote ondernemingen in de veredelingssector ondersteunen, landbouwers meer keuze bieden en gunstig zijn voor de agrobiodiversiteit. Wat de instandhouding en het duurzame gebruik van agrobiodiversiteit betreft, bevat het voorstel voor een herziening van de wetgeving inzake het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal9, dat eveneens op 5 juli 2023 is aangenomen, bepalingen ter ondersteuning van de toename van de biodiversiteit van gewassen, door middel van vereenvoudigde regels voor instandhoudingsrassen en heterogeen materiaal, specifieke afwijkingen voor netwerken voor de instandhouding van zaden en de uitwisseling van zaaigoed tussen landbouwers, aangepaste regels voor het testen van biologische rassen en minder strenge regels inzake markttoegang voor rassen voor amateurtuiniers.
In het advies wordt ook gevraagd hoe deze technologische oplossingen met het voorzorgsbeginsel in overeenstemming kunnen worden gebracht. De in het voorstel vervatte regels handhaven een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu. Het voorstel is gebaseerd op de huidige wetenschappelijke kennis over de veiligheid van NGT-planten. De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft geconcludeerd dat er geen nieuwe gevaren zijn die specifiek verband houden met de genoommodificatie die via bepaalde NGT’s tot stand wordt gebracht in vergelijking met conventionele veredeling of gevestigde genomische technieken. De EFSA is van mening dat het soort wijzigingen dat met bepaalde NGT’s wordt geïntroduceerd, ook op natuurlijke wijze of via conventionele veredeling kan plaatsvinden. De bovenstaande conclusies rechtvaardigen een evenredige aanpak op basis van de verschillende risicoprofielen die voortvloeien uit de verscheidenheid aan NGT’s en aan daarmee verkregen planten, waarbij ervoor wordt gezorgd dat alle NGT- planten op de EU-markt even veilig zijn als conventioneel geteelde rassen. Dit is volledig verenigbaar met het voorzorgsbeginsel. Bovendien beoogt het voorstel, door de regeldruk aan te passen aan het risiconiveau, innovatie te ondersteunen en de komst op de EU-markt van veilige planten en plantaardige producten voor landbouwers en consumenten te faciliteren.
Wat betreft de bezorgdheid over ggo-vrije productie, co-existentie en keuzevrijheid voor de consument, zouden NGT-planten van categorie 1 waarvoor is geverifieerd dat ze vergelijkbaar zijn met conventioneel geteelde planten, als conventionele planten worden behandeld en aan dezelfde regels worden onderworpen. Het verplicht stellen van het ggo-etiket voor dergelijke planten zou niet correct weerspiegelen dat hetzelfde product op conventionele wijze kan worden verkregen. De Commissie is van mening dat plantaardige producten met soortgelijke genetische modificaties niet mogen worden onderworpen aan verschillende etiketterings- en traceerbaarheidsvereisten naargelang van de techniek die is gebruikt om ze te verkrijgen. Niettemin stelt de Commissie voor de zaden van dergelijke NGT-planten te etiketteren, zodat ggo-vrije toeleveringsketens deze kunnen uitsluiten. Consumenten die NGT-planten willen mijden, kunnen vertrouwen op het biologische etiket, aangezien de biologische sector geen met behulp van NGT’s verkregen planten mag gebruiken. Om het risico van accidentele aanwezigheid van NGT- planten in biologische producten tot een minimum te beperken, kan de biologische sector vertrouwen op de voorschriften inzake biologische traceerbaarheid en de preventieve maatregelen waarin is voorzien in de verordening biologische producten10.
NGT-planten van categorie 2, die complexere wijzigingen dan NGT-planten van categorie 1 bevatten, zouden onderworpen blijven aan een risicobeoordeling en vergunning, aan de huidige traceerbaarheids- en etiketteringsvoorschriften van de ggo- wetgeving en aan de coëxistentiemaatregelen die alle lidstaten zouden moeten vaststellen.
In het advies wordt opgemerkt dat de Commissie in het kader van een bredere marktanalyse het effect zal beoordelen dat het octrooieren van planten en de daarmee samenhangende licentie- en transparantiepraktijken kunnen hebben op innovatie op het gebied van plantenveredeling, op de toegang van telers tot genetisch materiaal en genetische technieken en op de beschikbaarheid van zaden voor landbouwers, alsook op het algemene concurrentievermogen van de biotechindustrie van de EU, maar dat de publicatie van de resultaten in 2026 te laat is. De Commissie is zich terdege bewust van de door bepaalde belanghebbenden geuite zorgen en zal deze kwestie onderzoeken en zo nodig actie ondernemen om te zorgen voor het noodzakelijke evenwicht tussen de bescherming van innovatie en de toegang tot en de voordelen van innovatieve technologieën. Alle toekomstige maatregelen op dit gebied moeten echter stevig worden geschraagd door gegevens over het octrooilandschap en de effecten ervan, en de aangekondigde studie van de Commissie is daartoe noodzakelijk.
In het advies wordt ook bezorgdheid geuit over de gevolgen van het voorstel voor de veeteelt en over het risico dat het voorstel een verdere uitbreiding van de industriële veeteelt in de hand zou werken. Zoals eerder vermeld, omvat de onderzoeks- en ontwikkelingspijplijn van ontwikkelaars veel meer soorten gewassen dan mais en sojabonen en heeft ze betrekking op een grote verscheidenheid aan kenmerken. Sommige kenmerken en soorten zijn relevant voor de veeteelt en de gegevens waarover de Commissie beschikt – de door het JRC uitgevoerde studie over markttoepassingen en informatie over NGT-producten die de markt in niet-EU-landen bereiken – wijzen er niet op dat een verdere intensivering van de veeteelt een belangrijke doelstelling is van onderzoek en ontwikkeling met betrekking tot NGT’s. Voorts bevat het voorstel stimulansen voor de ontwikkeling van NGT-kenmerken die bijdragen tot economische, ecologische of sociale duurzaamheidsdoelstellingen (opgenomen in bijlage III bij het voorstel).
In het advies wordt ook gevraagd waarom de Commissie heeft besloten niet de mogelijkheid van een «opt-out» op te nemen voor alle levensmiddelen en diervoeders die met NGT-planten worden geproduceerd. Om ervoor te zorgen dat NGT-planten kunnen bijdragen tot de duurzaamheidsdoelstellingen van de Europese Green Deal, de «van boer tot bord»-strategie en de biodiversiteitsstrategie, moet de teelt en het in de handel brengen van veilige NGT-planten in de EU worden vergemakkelijkt. Dit vereist voorspelbaarheid voor telers en landbouwers met betrekking tot de mogelijkheid om dergelijke planten in de EU te telen en in de handel te brengen. In dit verband is de Commissie van mening dat de mogelijkheid voor de lidstaten om maatregelen te nemen om de teelt of het in de handel brengen van onder het voorstel vallende NGT-planten op hun gehele grondgebied of een deel daarvan te beperken of te verbieden, deze doelstellingen zou ondermijnen.
In het advies wordt ook ingegaan op kwesties in verband met de gevolgen voor ontwikkelingslanden en de toegang tot door octrooien beschermde technologie in crisissituaties. Het initiatief heeft geen betrekking op kwesties in verband met de toepassing van de wetgeving inzake intellectuele-eigendomsrechten op NGT-planten. Zoals hierboven vermeld, zal de Commissie in haar geplande studie de gevolgen van octrooien op dit gebied echter grondig onderzoeken. Naast de octrooiaspecten kunnen NGT’s relevant zijn in lage- en middeninkomenslanden, die baat zouden hebben bij de adaptatie van traditionele, lokale gewassoorten zodat ze bestand zijn tegen veranderende klimaatomstandigheden. Een stimulerend kader in de EU kan ook het gebruik in die landen ondersteunen. In een van de casestudy’s van het JRC voor de effectbeoordeling (bijlage 7) werd onderzocht hoe een virusresistente mais – die momenteel in ontwikkeling is – kleine landbouwbedrijven in Oost-Afrika kan ondersteunen.
In het advies worden vragen gesteld over het toepassingsgebied van het voorstel en over gedifferentieerde eisen voor verschillende soorten planten. Het voorstel heeft betrekking op NGT-planten; op levensmiddelen die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met NGT-planten of die ingrediënten bevatten die zijn geproduceerd met NGT-planten; op diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit of zijn geproduceerd met NGT-planten en op andere producten dan levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit NGT-planten. In dit verband bestrijkt het hetzelfde toepassingsgebied en maakt het hetzelfde onderscheid als de ggo-wetgeving van de EU nu.
Voor NGT-planten van categorie 1 (die conventioneel hadden kunnen worden verkregen) voorziet het voorstel in een verificatieprocedure op basis van eenzelfde criteria, zonder onderscheid voor de verschillende typen planten. Deze procedure zal plaatsvinden op nationaal niveau wanneer de verificatie plaatsvindt vóór de uitvoering van veldproeven, en op EU-niveau in de andere gevallen. Voor NGT-planten van categorie 2 gelden, aangezien zij onderworpen blijven aan vergunning en risicobeoordeling, verschillende voorschriften (zoals vandaag in de ggo-wetgeving) voor doelbewuste introductie voor andere doeleinden dan het in de handel brengen, voor het in de handel brengen van andere producten dan levensmiddelen en diervoeders, en voor levensmiddelen en diervoeders. Wat de etikettering betreft, wordt geen onderscheid gemaakt tussen eenjarige of blijvende planten, tussen gewassen voor voedingsdoeleinden en niet voor voeding bestemde gewassen en tussen voedings- en voedertoepassingen, aangezien er geen verschillen zijn die een dergelijk onderscheid rechtvaardigen.
Wat betreft de vraag waarom de Commissie het aanvaardbaar acht dat NGT’s worden gebruikt voor producten zoals sierbloemen, ziet de Commissie geen reden om het introduceren en het in de handel brengen van met behulp van biotechnologie verkregen sierplanten te verbieden, mits zij voldoen aan de toepasselijke wettelijke voorschriften.
Dergelijke sierplanten (van de bloementeelt afkomstige planten, struiken, bomen en loofplanten voor gebruik binnenshuis en buitenshuis) zijn belangrijk voor het verfraaien, decoreren en verbeteren van de omgeving in particuliere en openbare ruimten en vormen een cruciaal onderdeel van de groene infrastructuur11. Bovendien wordt het kweken van siergewassen meestal uitgevoerd door kleine en middelgrote ondernemingen, die – als begunstigden van regelgevende stimulansen in verband met de toelating van NGT- planten – positieve effecten kunnen hebben op het gebied van het sturen van onderzoek en ontwikkeling naar kenmerken met duurzaamheidspotentieel, waaronder het reduceren van het pesticidengebruik.
In het advies wordt ook bezorgdheid geuit over het mogelijke optreden van schadelijke effecten van NGT-planten van categorie 1 in de toekomst en over de wijze waarop dergelijke effecten zouden worden gedetecteerd en gemonitord. Het voorstel voorziet in een monitoringprogramma om informatie te verzamelen voor de beoordeling van de prestaties van de wetgeving bij het bereiken van de doelstellingen ervan. In de effectbeoordeling (punt 9) is een brede reeks indicatoren vastgesteld die periodiek door de Commissie zullen worden geëvalueerd. De indicatoren zullen de monitoring ondersteunen van potentiële gezondheids- of milieurisico’s van NGT-planten en daarmee verband houdende NGT-producten, van de ecologische, economische en sociale duurzaamheidseffecten van NGT-planten en van het effect op de biologische landbouw en de acceptatie van NGT-producten door de consument.
Wat de vragen over de handhaving van de wetgeving betreft, zijn NGT-planten onderworpen aan de bepalingen van de verordening officiële controles12. De lidstaten stellen de prioriteiten, frequentie en intensiteit van de officiële controles vast op basis van het risico.
In het advies wordt ook bezorgdheid geuit over een mogelijke toename van het aantal dierproeven als het voorgestelde regelgevingsstelsel wordt ingevoerd. Het voorstel bevat specifieke regels om de regelgevingsvereisten aan te passen aan de verschillende risicoprofielen van NGT-planten. De beoordeling van de veiligheid van levensmiddelen en diervoeders is alleen relevant voor planten van categorie 2, en 90-daagse vervoederingsstudies zijn niet verplicht, maar alleen vereist als de kenmerken van het product een dergelijke beoordeling noodzakelijk maken. De Commissie acht het niet waarschijnlijk dat dit zal leiden tot een toename van het aantal dierproeven. Integendeel, het voorstel voorziet niet in een risicobeoordeling voor NGT-planten van categorie 1 (dus is er geen behoefte aan vervoederingsstudies) en staat een op maat gesneden respons op het risicoprofiel van NGT-planten van categorie 2 toe.
In het advies wordt de Commissie verzocht de wetenschappelijke basis te verschaffen voor de criteria ter bepaling van de gelijkwaardigheid van planten van categorie 1 met conventionele planten, met name de drempel van twintig wijzigingen. De motivering van de gelijkwaardigheidscriteria is aan de lidstaten gepresenteerd in een door de Commissie opgesteld technisch document, dat openbaar beschikbaar is13. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat het totale aantal mutaties in één plant als gevolg van conventionele veredelingsmethoden hoog kan zijn – doorgaans 30 tot 100 mutaties – maar gezien de relatieve nieuwheid van NGT-planten en de geringere waarschijnlijkheid dat bepaalde combinaties van mutaties met conventionele methoden worden bereikt, heeft de Commissie een conservatieve benadering gevolgd bij het vaststellen van de drempel.
In het advies wordt uiting gegeven aan de bezorgdheid dat het voorstel in strijd zou kunnen zijn met artikel 114, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat een hoog niveau van consumentenbescherming vereist voor alle maatregelen die de werking van de interne markt tot doel hebben. De Commissie is van oordeel dat het voorstel een hoog niveau van consumentenbescherming zou waarborgen. Het zou niet alleen waarborgen dat NGT-producten veilig zijn, maar ook de keuze voor de consument van veilige en duurzame producten vergroten en tegelijkertijd transparantie bieden aan de toeleveringsketens die geen NGT’s kunnen of willen gebruiken, door te voorzien in de etikettering van zaaizaad van NGT-planten van categorie 1. Zoals hierboven is uiteengezet, acht de Commissie het echter niet passend om NGT-planten die van nature kunnen voorkomen of door conventionele veredeling kunnen worden verkregen, als ggo’s te etiketteren. Dit is dezelfde benadering als die welke in het verleden is gevolgd voor van de vereisten van de ggo-wetgeving vrijgestelde ggo’s, zoals de producten van willekeurige mutagenese, die nu al niet als ggo’s worden geëtiketteerd.
In het advies wordt ook ingegaan op de definitie van «NGT-plant» en «genenpool van kwekers» en wordt gesteld dat het gebruik van NGT’s de genenpool van kwekers groter zal maken, met de mogelijke introductie van vreemd genetisch materiaal in een NGT- plant tot gevolg. De genenpool van kwekers is de totale genetische informatie die beschikbaar is voor conventionele veredeling, ook die van ver verwante plantensoorten die kunnen worden gekruist met geavanceerde kweektechnieken die nu al niet onder de ggo-wetgeving vallen. Daarom wordt in het voorstel een introductie van genetisch materiaal die vandaag niet door conventionele veredelingstechnieken kan worden bereikt, buiten beschouwing gelaten.
De hierboven geformuleerde opmerkingen zijn gebaseerd op het voorstel van de Commissie. Dit voorstel doorloopt momenteel het wetgevingsproces, waarbij zowel het Europees Parlement als de Raad is betrokken, en kan dus door hen worden gewijzigd.
Het advies van de Eerste Kamer is tijdens de lopende onderhandelingen van de medewetgevers ter beschikking gesteld van de vertegenwoordigers van de Commissie en zal als input dienen voor deze besprekingen.
De Europese Commissie hoopt dat zij met de toelichting in dit antwoord voldoende is ingegaan op de in de Eerste Kamer aan de orde gestelde punten en zij kijkt ernaar uit de politieke dialoog in de toekomst voort te zetten.
Uitvoerend vicevoorzitter, Maroš Šefčovič
Lid van de Commissie, Stella Kyriakides
– Mededeling «Duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen» (COM(2023) 410 final),
– Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de productie en het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal in de Unie, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2016/2031, (EU) 2017/625 en (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 66/401/EEG, 66/402/EEG, 68/193/EEG, 2002/53/EG, 2002/54/EG, 2002/55/EG, 2002/56/EG, 2002/57/EG, 2008/72/EG en 2008/90/EG (COM(2023) 414 final),
– Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de productie en het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2016/2031 en (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 1999/105/EG van de Raad (COM(2023) 415 final) en
– Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen (COM(2023) 420 final), Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake bodemmonitoring en -veerkracht (COM(2023) 423 final).
European Commission, Joint Research Centre, Broothaerts, W., Jacchia, S., Angers, A. et al., New genomic techniques – State-of-the-art review, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2021, https://data.europa.eu/doi/10.2760/710056
European Commission, Joint Research Centre, Parisi, C., Rodríguez-Cerezo, E., Current and future market applications of new genomic techniques, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2021, https://data.europa.eu/doi/10.2760/02472
Food and Agriculture Organisation of the United Nations (FAO), 2022. Gene editing and agrifood systems. Rome. ISBN 978-92-5-137417-7, https://doi.org/10.4060/cc3579en
Bijvoorbeeld, https://www.aphis.usda.gov/aphis/ourfocus/biotechnology/regulatory- processes/confirmations/responses/cr-table
Sánchez, B., Barro, F., Smulders, M. J. M. et al. 2023. Socioeconomic impact of low-gluten, celiac-safe wheat developed through gene editing, EUR 31.380 EN, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, Luxemburg. https://doi.org/10.2760/280847
https://food.ec.europa.eu/plants/plant-reproductive-material/legislation/future-eu-rules-plant-and-forest- reproductive-material_nl
Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PB L 150 van 14.6.2018, blz. 1).
Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-27428-E.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.