Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 september 2012
Graag informeer ik u mede namens de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw
en Innovatie over de Beleidsregel met betrekking tot het verstrekken van locatiegegevens
bij de aanvraag om een vergunning voor een veldproef met een genetisch gemodificeerd
gewas, en enige aan de vergunning te verbinden voorschriften (Beleidsregel locatie
veldproef gg-gewassen) (Staatscourant nr. 19553, 2012).*)
De beslissing om deze beleidsregel op te stellen, is gelegen in het feit dat de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling bestuursrechtspraak)
in 2009 in een aantal beroepszaken vier vergunningen voor kleinschalige veldproeven
(categorie 1) heeft vernietigd. Als gevolg van deze uitspraken was het noodzakelijk
om het vergunningenbeleid voor veldproeven met genetisch gemodificeerde gewassen (gg-gewassen)
te herzien.
Het herziene vergunningenbeleid zoals neergelegd in de beleidsregel komt in de plaats
van het tot voorkort gevoerde beleid met betrekking tot het openbaar maken van de
locaties van veldproeven (Kamerstukken II, 2006–2007, 27 428, nr. 88). Bij dit zogenoemde tweesporenbeleid werd de exacte locatie van de veldproef op
verzoek van de aanvrager van een veldproefvergunning niet openbaar gemaakt. Een globale
kaart, waarop de aangevraagde locatie van de veldproef werd aangeduid als een maximaal
100 maal groter gebied, werd met de aanvraag voor een vergunning ter inzage gelegd
bij het Ministerie van IenM en openbaar gemaakt via de website www.rijksoverheid.nl/biotechnologie. Dit beleid was erop gericht om enerzijds een hindernis op te werpen voor veldproefvernielingen
en anderzijds belanghebbenden voldoende informatie te bieden over de veldproeven.
Vernielingen van veldproeven uit weerstand tegen gg-gewassen leiden in grote delen
van Europa al jaren tot financiële schade voor bedrijven en onderzoeksinstellingen
en zijn deels verantwoordelijk voor het slechte Europese ontwikkelingsklimaat voor
gg-gewassen. Het in Nederland gevoerde tweesporen-beleid heeft gezorgd voor een afname
van het aantal veldproefvernielingen in ons land.
Op 17 februari 2009 heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen een
arrest gewezen over de vraag op welk detailniveau gegevens onder meer met betrekking
tot de geografische locatie moeten worden overgelegd bij een verzoek om een vergunning
voor een veldproef met een gg-gewas (zaak C-552/07, Sausheim). Daarop zijn enige
uitspraken over dit onderwerp gevolgd van de Raad van State.
Eind 2009 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak vier veldproefvergunningen vernietigd
in beroepszaken die waren aangespannen tegen vergunningen voor kleinschalige veldproeven
(categorie 1) met maïs, waarbij een isolatieafstand van 400 meter gehanteerd werd.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in die zaken bepaald dat bij de aanvragen om
een vergunning informatie over de precieze geografische ligging van de percelen waarbinnen
de proefobjecten zijn gelegen, moet worden overgelegd. Dit omdat bij de uitvoering
van de veldproef isolatieafstanden in acht genomen moeten worden, welke gelegen kunnen
zijn op percelen welke aan derden toebehoren.
In april 2010 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak gedaan in drie andere
veldproefzaken. Deze betroffen grotere veldproeven (categorie 2 en 3), waarbij geen
isolatieafstand werd gehanteerd. In deze uitspraken zijn de vergunningen en het gevoerde
beleid inzake de locatiegegevens van veldproeven in stand gebleven.
De herziening van het vergunningenbeleid heeft geleid tot een wijziging in de gevraagde
gegevens voor een veldproefvergunning, waarbij een onderscheid wordt gemaakt in de
categorie van de veldproef zoals ingedeeld door de COGEM1.
Voor categorie 1-veldproeven bevat de vergunningaanvraag zowel een topografische kaart
als een kadasterkaart, met hierop ingetekend de geografische ligging van het kadastrale
perceel waarbinnen het proefobject is gelegen. Wanneer een isolatieafstand in acht
genomen moet worden, moet ook de attenderingszone (= het maximale gebied waar de isolatiezone
gedurende de looptijd van de vergunning kan liggen) worden ingetekend. Ook moet in
dat geval inzicht in de zeggenschap van de aanvrager over de percelen binnen de attenderingszone
worden geboden. Het bevoegd gezag zal de isolatieafstand beoordelen met behulp van
de attenderingszone. Bij de herziening van het beleid is ook de naleving van de vergunningvoorschriften
inzake de isolatiezone betrokken.
Voor categorie 2- en 3-veldproeven bevat de vergunningaanvraag de grootte van de aangevraagde
locatie en een topografische kaart waarop een raster is ingetekend dat maximaal 100
maal zo groot is als de aangevraagde locatie.
Met het aangepaste beleid over de openbaarheid van veldproeflocaties meen ik tegemoet
te komen aan de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak. Uit een oogpunt van
transparantie is het nieuwe beleid neergelegd in een beleidsregel.
De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,
J. J. Atsma
*) Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer