27 414
Intrekking van de Wet tegemoetkoming studiekosten en vervanging door de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten)

nr. 5
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 14 november 2000

Graag wil ik de leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen danken voor de waardering die zij voor het wetsvoorstel uitspreken. De verhoging en de uitbreiding van de tegemoetkoming en het eenvoudiger en toegankelijker maken van de wet vinden brede steun bij de Commissie.

1. ALGEMEEN

Aansluiting op de WSF 2000

De leden van de fractie van de PvdA vragen of met de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) en straks de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) de aansluiting van tegemoetkoming studiekosten op studiefinanciering naadloos is.

De WTOS en de WSF 2000 zijn wetten die elk betrekking hebben op een specifieke doelgroep. Zij bevatten verschillende voorzieningen en normbedragen. In deze wetten zijn maatregelen getroffen zodat de leerling de overstap van WTOS naar WSF 2000 zonder problemen en hiaten kan maken. Voor leerlingen die van de WTOS overgaan naar de WSF 2000 is de aansluiting dus naadloos.

Artikel 2.3 van de WSF 2000 regelt de instroom in het beroepsonderwijs (bol) en het hoger onderwijs en de afbakening met de Wet tegemoetkoming studiekosten (WTS) en de kinderbijslag. Vanaf het moment dat de studerende aanspraak heeft op studiefinanciering bestaat geen aanspraak meer op tegemoetkoming ingevolge de WTS (en ook niet meer op kinderbijslag). De systematiek van de WTOS wijkt niet af van die van de WTS, evenmin als de systematiek van de WSF 2000 van die van de WSF afwijkt. De WTS sloot aan op de Wet op de studiefinanciering (WSF). Derhalve is nog steeds sprake van dezelfde aansluiting tussen WTOS en WSF 2000. Samenloop en aansluiting van onderwijssoorten alsmede verrekening van de onderwijsbijdrage bij instroom uit de WTOS in de loop van het studiejaar in de WSF 2000 is geregeld in de artikelen 2.20 en 2.21 van de WSF 2000, waarbij artikel 2.3 van de WTOS en artikel 2.3 van de WSF 2000 over de leeftijd voor de uitstroom uit de WTOS en de instroom in de WSF 2000 en vice versa bepalend zijn.

Grenslanden

De leden van de fractie van de PvdA vragen of deze aansluiting ook naadloos is voor scholieren/studenten die in Nederland wonen maar een opleiding over de grens volgen en vice versa.

Aanspraak ingevolge hoofdstuk 3 van de WTOS (vo 18- en bol 18-) bestaat indien de aanvrager (wettelijke vertegenwoordiger) een nationaliteit van een EER-land heeft. De nationaliteit van het kind en de woonplaats van de aanvrager zijn daarbij niet relevant. Dit betekent dat iemand met de nationaliteit van een EER-land die «over de grens» woont en een kind heeft, ongeacht diens nationaliteit, dat in Nederland op school gaat, in aanmerking kan komen voor tegemoetkoming op grond van de WT(O)S. Aanspraak bestaat alleen voor onderwijs dat in Nederland wordt gevolgd. Immers, de Nederlandse onderwijswetten hebben voor de werking van de WTOS territoriale werking. Dat betekent dat een Nederlander die een kind heeft dat «over de grens» een opleiding volgt, geen aanspraak op tegemoetkoming op grond van de WTOS heeft.

Hardheidsclausule in de LCW

In welke gevallen kan gebruik worden gemaakt van de hardheidsclausule in de Les- en cursusgeldwet (LCW), zo vragen de leden van de fractie van de PvdA. Tevens vragen zij of deze hardheidsclausule in gevallen van uitzonderlijk hoge kosten voor een opleiding uitkomst kan bieden.

Een hardheidsclausule is bedoeld om uitkomst te bieden in bijzondere gevallen waarin onverkorte toepassing van de wet een apert onbillijke uitwerking zou hebben. Niet is aan te geven wanneer van zo'n situatie sprake is. Het gaat immers om niet in de wet voorziene gevallen, waarbij de kennelijke hardheid veelal pas in de uitvoeringspraktijk zal blijken. De IB-Groep zal, wanneer zich een aantal vergelijkbare gevallen voordoet waarin de hardheidsclausule is toegepast, ter zake een beleidsregel vaststellen. Deze zal openbaar worden gemaakt. Belanghebbenden die in soortgelijke omstandigheden verkeren, kunnen zo inschatten of zij met een gerede kans op succes een beroep op de hardheidsclausule kunnen doen. De reden om in de LCW een hardheidsclausule op te nemen, is erin gelegen dat het mogelijk moet zijn om in bijzondere gevallen een ruimere vrijstelling te verlenen dan thans op grond van het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeld 2000 (ULCW 2000) mogelijk is. Ook moet in uitzonderlijke gevallen kunnen worden afgeweken van de harde data die in het ULCW 2000 worden gesteld ten aanzien van de inschrijving.

De hardheidsclausule van de LCW is niet bedoeld om een lesgeldplichtige vrij te stellen van het betalen van lesgeld vanwege het feit dat de overige opleidingskosten uitzonderlijk hoog zijn. De hardheidsclausule van de WTOS biedt hier evenmin uitkomst. Zij heeft eenzelfde achtergrond als de hardheidsclausule van de LCW, namelijk het voorzien in situaties waarin ouders op grond van de wet niet voor tegemoetkoming in aanmerking zouden komen, maar omwille van redenen van redelijkheid en billijkheid toch een aanspraak behoren te hebben. De hardheidsclausule is er niet voor bedoeld om, in individuele gevallen, het normbedrag aan te passen aan de werkelijke kosten.

Gemeentelijke regelingen

De leden van de fractie van de PvdA informeren naar de variëteit aan gemeentelijke regelingen voor tegemoetkoming in de verschillende schoolkosten.

In 1999 heeft Regioplan Onderwijs en Arbeidsmarkt BV onderzoek verricht naar gemeentelijke regelingen op het gebied van tegemoetkoming in de schoolkosten van twaalf- tot achttienjarigen. Bij brief van 2 november 1999 (kamerstukken II, 1999–2000, 26 346, nr. 12) heb ik de Kamer hierover geïnformeerd. Uit dit onderzoek blijkt dat een groeiend aantal gemeenten een regeling kent om ouders tegemoet te komen in de schoolkosten. In 1999 ging het om 75% van alle gemeenten, tegen 30% in 1997. De regelingen staan open voor huishoudens die aangewezen zijn op 1 à 1,25 maal het wettelijk minimum inkomen.

Meestal komen diverse soorten studiekosten voor vergoeding in aanmerking. In deze regelingen is niet omschreven om welke kostenposten het gaat, of is een groot aantal kostenposten genoemd. Een kwart van de regelingen heeft uitsluitend betrekking op specifieke schoolkosten, waarbij het met name gaat om reiskosten en kosten van excursies. Alleen als ouders van schoolgaande kinderen deze specifieke kosten maken, kunnen zij in aanmerking komen voor een tegemoetkoming. Bij tweederde van de regelingen wordt een standaard bedrag toegekend, variërend van f 100,– tot f 300,– per kind per jaar. De overige regelingen voorzien in een vergoeding van feitelijk gemaakte kosten, veelal tot een bepaald maximum.

Kostenstijgingen in het onderwijs

De leden van de fractie van het CDA vragen hoe de regering de situatie beoordeelt dat in 1999 nog niet alle kostenverhogingen voor de tweede fase en het vmbo zijn meegeteld, of het mogelijk en wenselijk is de kostenstijgingen in het voortgezet onderwijs (vo) in de komende jaren te beperken en zo ja, langs welke weg de regering dit wil bereiken.

In mijn brief van 2 november 1999 (kamerstukken II, 1999–2000, 26 346, nr. 12) heb ik de Kamer de uitkomsten van het Nibud-onderzoek meegedeeld. Het onderzoek had betrekking op de kosten verbonden aan het volgen van vo en bol in het schooljaar 1998–1999. Het studiehuis was toen pas ten dele geïmplementeerd en het samengaan van vbo en mavo in het vmbo juist in gang gezet.

De kostenstijgingen in de bovenbouw van het vo zijn van tijdelijke aard. Na de invoering van nieuwe methoden, boeken en leermiddelen in verband met het studiehuis zullen de schoolkosten in deze sector zich stabiliseren. Dit neemt niet weg dat er in kostenniveau een verschil zal blijven bestaan tussen bovenbouw en onderbouw. In het wetsvoorstel is hiermee rekening gehouden in de vorm van een extra tegemoetkoming voor de bovenbouw van het vo.

Op dit moment wordt onderzoek gedaan naar de schoolkosten in het schooljaar 2000–2001. Na afloop van dit onderzoek zal ik de Kamer van de uitkomsten van dit onderzoek op de hoogte brengen.

Overigens is de beheersing van schoolkosten, waaronder de kosten van boeken en leermiddelen, primair een verantwoordelijkheid van de schoolbesturen. Op het niveau van deze kosten kunnen ouders via hun recht van medezeggenschap invloed uitoefenen. De regering speelt hierin geen leidende rol: zij legt kerndoelen en examenprogramma's vast, maar laat scholen vrij in de keuze van de leermiddelen. Ook op de kosten van schoolboeken heeft de overheid geen directe invloed. Wel dringt zij er bij zowel aanbieders als gebruikers op aan de kosten van schoolboeken bij hun keuze in overweging te nemen.

Kostendekkendheid en lagere inkomens

Acht de regering de kostendekkendheid van de WTOS nu en voor de komende jaren voor de lagere inkomens voldoende gewaarborgd, zo vragen de leden van de fractie van het CDA.

De in de WTOS opgenomen normbedragen zijn vastgesteld op een gemiddeld kostendekkend niveau. Uitgangspunt daarbij is dat de noodzakelijke kosten worden vergoed. De kosten die dat niveau te boven gaan, behoren voor rekening van de ouders te blijven. Waar het gaat om beheersing van die extra kosten is primair een taak weggelegd voor schoolbesturen en ouders.

Het gemiddeld kostendekkend niveau van de normbedragen is geïndiceerd door de uitkomsten van eerdergenoemd Nibud-onderzoek. Ingevolge artikel 11.1 van dit wetsvoorstel zullen de normbedragen jaarlijks worden geïndexeerd. Ik zal de ontwikkeling van de schoolkosten daarom blijven volgen.

2. HOOGTE TEGEMOETKOMING SCHOOLKOSTEN

Differentiatie in de bol

De leden van de fractie van de PvdA vragen waarom een differentiatie van de kostendekkendheid in de berekening van de vergoeding in de bol technisch niet uitvoerbaar is, op welke problemen de IB-Groep stuit en wat er voor nodig is om dit technisch wel uitvoerbaar te maken.

Binnen de bol zijn meer dan 1000 opleidingen op verschillende niveaus mogelijk. Gestreefd is naar een stelsel dat voor deelnemers aan dit onderwijs zo flexibel mogelijk is. Ik hecht eraan die flexibiliteit in stand te laten. Daarnaast wisselt een aanzienlijk percentage van de deelnemers tussentijds van opleiding. Mede hierom kies ik voor een robuust systeem van normvergoedingen. Nog afgezien van de technische complicaties acht ik een verfijnde differentiatie van normbedragen binnen de bol ongewenst.

Sinds de invoering van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) registreert de IB-Groep uitsluitend aan welk ROC een bol-deelnemer is ingeschreven en op welk van de vijf niveaus hij onderwijs volgt. Voor de uitvoering van de WTS is de opleiding niet relevant en wordt dan ook niet geregistreerd. Indien niettemin bij de IB-Groep voor elke deelnemer registratie van de specifieke opleiding gewenst zou zijn, moeten in alle geautomatiseerde toekenningssystemen voorzieningen worden getroffen. Het opzetten en actueel houden van een dergelijke registratie brengt grote inspanningen mee, niet alleen voor de IB-Groep maar ook voor de ROC's, die deze gegevens moeten uitwisselen met de IB-Groep. Deze gegevensuitwisseling is moeilijk beheersbaar en in de registratie bevinden zich gegevens die moeilijk controleerbaar zijn. Dit verdraagt zich slecht met de WEB die beoogt uitvoeringslasten en uitvoeringsbelasting bij ROC's te reduceren.

Bol en reiskosten

De leden van de fractie van de PvdA vragen in het kader van motie 5 op welke manier wat de reiskosten betreft tegemoet wordt gekomen aan de kostendekkendheid in de bol. Verder vragen deze leden waarom het niet mogelijk is om op decentraal niveau het grootste gedeelte van de uitvoering en controle op de reiskosten in de bol plaats te laten vinden. Tevens vragen zij of hun plan ook f 15 mln zou kosten. Indien bovenstaande niet mogelijk blijkt, biedt dan volgens de minister de hardheidsclausule van de LCW wellicht uitkomst voor leerlingen en deelnemers die onvermijdelijk hoge reiskosten moeten maken, zo vragen deze leden.

Thans onderzoek ik de mogelijkheden voor een reiskostenvoorziening in de bol. Het gaat hier om een complexe problematiek waarbij de voor- en nadelen van verschillende voorstellen tegen elkaar moeten worden afgewogen en waarbij lastige keuzes moeten worden gemaakt. In het onderzoek worden de verschillende voorstellen voor een reisvoorziening, waaronder de bovenbedoelde maatwerkvergoeding door de IB-Groep of de instellingen, getoetst aan verschillende randvoorwaarden, waaronder het beperken van de over- of ondercompensatie, het voorkomen van armoedeval, de technische uitvoerbaarheid, de fraudebestendigheid en budgettaire mogelijkheden. Niettemin zal een afzonderlijke vergoeding voor de reiskosten in de WTOS deze wet compliceren, terwijl het streven naar eenvoud bij de te maken keuzes voor een reisvergoeding een belangrijk criterium blijft. In de WTOS wordt gewerkt met genormeerde bedragen, hetgeen betekent dat er wordt geabstraheerd van de feitelijke situatie. Deze overweging is een aandachtspunt dat meeweegt in het onderzoek naar mogelijke alternatieven voor een reiskostenvergoeding in de WTOS. Ik verwacht dat de resultaten van mijn onderzoek naar een reiskostenvergoeding in de WTOS bij de plenaire behandeling beschikbaar zullen zijn.

Tijdens het notaoverleg in de Tweede Kamer heb ik aangegeven dat de bedoeling van de motie Mosterd (onderzoek naar een reiskostenvergoeding bij afstanden van meer dan 15 km) sympathiek is, maar dat de uitvoering ervan op bezwaren zou kunnen stuiten. Uit intensief overleg met de IB-Groep blijkt dat deze maatregel voor de bol inderdaad onherroepelijk tot forse uitvoeringsproblemen bij de IB-Groep leidt.

In de memorie van toelichting heb ik reeds aangegeven dat een reisvoorziening in de bol die uitgaat van de werkelijke reisafstand, een uitgebreide registratie vergt die moeilijk is op te bouwen en te beheren. Uitvoering op decentraal niveau is wellicht mogelijk, maar leidt tot een verlegging van het probleem naar de scholen. Uiteraard registreren instellingen gegevens over opleidingen, locaties en voortgang van de deelnemers. Echter, met name de koppeling van deze gegevens met de reisafstand en de controle hiervan veroorzaken problemen in de uitvoering. Dit zijn gegevens die voortdurend wijzigen omdat bijvoorbeeld opleidingen (tijdelijk) worden verplaatst en locaties worden opgeheven. Met name in de bol wisselen veel deelnemers tijdens hun studie van opleiding, hetgeen ook weer tot wijziging van de onderwijslocatie kan leiden.

Bovendien ontstaat door decentrale uitvoering, naast de administratieve last, ook een financiële relatie tussen deelnemer en instelling met een bijbehorende financiële administratie.

Ten slotte merk ik op dat de IB-Groep in het verleden bij een reisafstand van meer dan 8 km een reiskostenvergoeding verstrekte. Dit stuitte echter maatschappelijk op grote weerstand; het aantal bezwaar- en beroepschriften bij de IB-Groep was zeer groot. Juist om die reden is een dergelijke systematiek van reiskostenvergoeding in 1996 bij de invoering van de WTS verlaten. Ik meen dat de scholen van dit soort problemen moet worden gevrijwaard.

In vergelijking met een vergoedingsystematiek door de IB-Groep zal decentrale uitvoering geen winst opleveren, aangezien de totale uitvoeringslast niet aanzienlijk zal verminderen. De administratieve last voor de IB-Groep zal weliswaar afnemen, maar zal deze last – zoals opgemerkt – tegelijkertijd overgaan naar de verschillende instellingen. De administratieve winst die de instellingen hebben geboekt door de invoering van de WEB, gaat hiermee verloren.

De f 15 mln die is gemoeid met de uitvoering van de motie Mosterd, is gebaseerd op het verhogen van de normbedragen in de WTOS met een vast bedrag van f 250,– voor leerlingen in de bol en het vo met een reisafstand van meer dan 15 km. Daarbij is nog geen rekening gehouden met de uitvoeringskosten van deze maatregel. Decentrale uitvoering zal extra kosten met zich meebrengen, afhankelijk van de hoogte van de reiskostenvergoeding, de wijze van uitvoering en de eventuele keuze van een afstandgrens. Onder de WTOS zal niet met succes een beroep op de hardheidsclausule kunnen worden gedaan om een extra tegemoetkoming te ontvangen wegens hoge reiskosten, evenmin als dit thans onder de WTS het geval is.

Vrijwillige ouderbijdrage

De leden van de fractie van het CDA vragen hoe groot het aandeel van de vrijwillige ouderbijdrage is – procentueel en absoluut – in het totaal van de door het Nibud onderzochte schoolkosten (bestaande uit de vrijwillige ouderbijdrage, de boeken en de overige benodigdheden en de excursies).

In het schooljaar 1998–1999 bedroeg de (vrijwillige) ouderbijdrage gemiddeld f 171,– voor het vbo, f 203,– voor het mavo, f 216,– voor het havo en f 185,– voor het vwo. In relatie tot de totale schoolkosten was dit respectievelijk 17,1%, 19,5%, 19,3% en 14,9%.

Gemiddelde kostendekkendheid en lagere inkomens

De leden van de fractie van het CDA vragen of in geval van grote verschillen in kostendekkendheid tussen de schoolsoorten bij toepassing van het begrip gemiddeld kostendekkend voor individuele leerlingen of ouders ernstige problemen kunnen ontstaan. Daarnaast vragen zij hoe de WTOS kostendekkend is voor de lagere inkomens, bijvoorbeeld in verband met de reiskosten.

In hoofdstuk 1 heb ik onder het kopje «Kostendekkendheid en lagere inkomens» reeds aangegeven dat de tegemoetkoming is vastgesteld op een niveau dat gemiddeld kostendekkend is voor de noodzakelijke kosten. Waar de gemiddelde kosten per schoolsoort hoger zijn dan in andere schoolsoorten, bijvoorbeeld de bol in vergelijking met het vo, biedt een hoger normbedrag uitkomst. Ook wordt het normbedrag met f 150,– verhoogd als de leerling in de bovenbouw onderwijs volgt.

Op de reiskosten is hierboven ingegaan onder het kopje «Bol en reiskosten».

Armoedeval en fiscalisering

De leden van de fractie van het CDA zijn van oordeel dat de armoedevallen via fiscalisering zouden moeten worden bestreden.

In de nadere fiscale verkenning, zoals die door het kabinet is aangekondigd, kunnen de voorstellen van de CDA-fractie betrokken worden in de te maken bredere analyse over bestrijding van de armoedeval, mede in relatie tot fiscalisering van inkomensafhankelijke regelingen. het kabinet zal in de aangekondigde «Verkenning belasting- en premieheffing» concrete maatregelen schetsen in het kader van de meerjarige aanpak van de armoedeval. Daarbij zullen ook fiscaliseringsvarianten aan de orde komen. Wel wijs ik op de mogelijkheden die een specifieke regeling kunnen bieden. Daarbij is het immers mogelijk om specifieke maatregelen te treffen om de toegankelijkheid van het onderwijs te waarborgen.

Werkelijke kosten in 2001

De leden van de fractie van het CDA vragen of de werkelijke kosten in 2001 overeen zullen stemmen met de kosten die in tabel 2 op blz. 7 van de memorie van toelichting worden voorspeld.

De in tabel 2 genoemde gemiddelde kosten zijn ontleend aan het Nibud-onderzoek uit 1999. Het gaat hier niet om een voorspelling maar om werkelijke kosten in het schooljaar 1998–1999. Op basis van deze kosten zijn de normbedragen vastgesteld. Aangenomen dat de ontwikkeling van schoolkosten gemiddeld gelijke tred houdt met die van de (overige) consumentenprijzen, zullen deze kosten in 2001 en volgende jaren licht stijgen. Aangezien ook de normbedragen jaarlijks zullen worden aangepast aan de hand van h, zal de tegemoetkoming gemiddeld kostendekkend blijven.

Uitvoering motie Mosterd c.s.

De leden van de fractie van het CDA vragen de minister met een passende oplossing te komen ter uitvoering van de motie Mosterd c.s. en vragen of de fraudegevoeligheid en de administratieve last van deze maatregel zo'n probleem is.

Op de motie-Mosterd is ingegaan bij het kopje «Bol en reiskosten» aan het begin van dit hoofdstuk. Daarnaast is op blz. 7 van de memorie van toelichting reeds aangegeven dat de last voor de IB-Groep en de ROC's onaanvaardbaar groot is en niet tot het beoogde resultaat zal leiden.

Vervoerskosten en fiscalisering

De leden van de fractie van het CDA vragen waarom, wanneer de motie Mosterd c.s. moeilijk uitvoerbaar is, de vervoerskostenoplossing dan niet via een heffingskorting in de inkomstenbelasting wordt gezocht.

Dit is geen oplossing van het probleem van de uitvoerbaarheid. De uitvoeringsproblematiek bij de vervoerkosten betreft vooral de bepaling van de hoogte van de vergoeding wanneer deze gebaseerd wordt op individuele gegevens (zoals reisafstand) alsook de controle van deze gegevens. Deze problematiek verandert niet in een systeem van een (inkomensafhankelijke) heffingskorting via de inkomstenbelasting; ook dan zullen dezelfde gegevens opgevraagd en gecontroleerd moeten worden.

Bol 18- en WSF 2000

Daarnaast stellen de leden van de fractie van het CDA dat de hele vervoerskostenproblematiek van de bol 18– opgelost zou kunnen worden door de bol 18– onder te brengen onder de WSF 2000. Zij vragen waarom de regering dit niet heeft gedaan.

Voor het onderbrengen van de bol-deelnemers jonger dan 18 jaar in de WSF 2000 zijn de kosten erg hoog, omdat zij dan aanspraak krijgen op een gift in de vorm van een basisbeurs met OV-studentenkaart, een aanvullende beurs alsmede een rentedragende lening. De uitgaven voor de WSF 2000 zouden daardoor toenemen met ongeveer f 750 mln. Daar tegenover zou een kostenbesparing in de WTOS staan van ca. f 170 mln. Het onderbrengen van de bol 18– in de WSF 2000 zou per saldo dus ongeveer f 580 mln kosten. Daarnaast is er voor deelnemers die onder de WSF 2000 vallen geen aanspraak op kinderbijslag. Dit zou voor de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een besparing opleveren. Het onderbrengen van de bol-deelnemers jonger dan 18 jaar in de WSF 2000 heeft dus zodanig verstrekkende gevolgen, dat deze keuze niet gemaakt kan worden zonder dat de studiefinanciering voor deelnemers in de bol in zijn geheel wordt heroverwogen.

Boekenfondsen

De leden van de fractie van D66 vragen of inzicht kan worden gegeven in de mate waarin de kosten voor de tweede fase omlaag gaan wanneer gebruik wordt gemaakt van boekenfondsen.

Blijkens het Nibud-onderzoek uit 1999 maakt 76% van de ouders van kinderen op het vo gebruik van een boekenfonds. In de onder- en bovenbouw van het vo tezamen bedragen de kosten voor schoolboeken bij een boekenfonds gemiddeld f 395,– per jaar en zonder een boekenfonds gemiddeld f 536,– per jaar. Voor de tweede fase havo en vwo bedragen de gemiddelde kosten bedragen respectievelijk f 301,– en f 454,– per jaar. Hiervoor ontbreken vergelijkbare cijfers voor gevallen waarin geen gebruik wordt gemaakt van een boekenfonds. Het is daarom niet mogelijk over het verschil tussen beide een exacte berekening uit te voeren.

Bol op gemeentelijke niveau; onderwijsnummer

De leden van de fractie van D66 willen dat voor de problematiek omtrent de differentiatie in de bol en de reiskostenproblematiek in de bol algemeen geldende oplossingen gevonden worden, die leerlingen niet afhankelijk maken van het beleid van een individuele gemeente. Deze leden vragen of het in te voeren onderwijsnummer op termijn wellicht uitkomst kan bieden voor deze problemen.

Over de differentiatie in de bol ben ik hierboven ingegaan onder het kopje «Differentiatie in de bol». Daarin is aangegeven dat, gezien de variatie in de bol-opleidingen, is gekozen voor een robuust systeem van normvergoedingen; een verfijning van normbedragen voor de bol is ongewenst. Het in te voeren onderwijsnummer zal de technische complicaties omtrent de differentiatie die de bol met een groot aantal opleidingen op verschillende niveaus met zich meebrengt, ook niet wegnemen. Hetzelfde geldt voor het onderwijsnummer in relatie tot de reiskostenproblematiek. Bij een dergelijk systeem zullen gegevens omtrent opleiding, onderwijslocatie en afstand huis–school gekoppeld moeten worden aan het onderwijsnummer. De administratieve last en de controle blijft daarbij bestaan.

Verschil tegemoetkoming en gemiddelde werkelijke kosten

De leden van de fractie van de SGP vragen hoe na de verhogingen van de tegemoetkoming bij de bovenbouw van het vwo nog steeds sprake is van een groot negatief verschil tussen de tegemoetkoming en de gemiddelde werkelijke kosten. Ook vragen zij of hier sprake is van een structureel groot verschil en zo ja, waarom niet een specifieke verhoging van de tegemoetkoming voor de bovenbouw van het vwo is voorgesteld.

Het verschil in kosten tussen onder- en bovenbouw is vooral toe te schrijven aan twee factoren: de aanschaf van meer boeken en leermiddelen in verband met de invoering van het studiehuis, en deelname aan schoolactiviteiten, waaronder buitenlandse reizen en excursies. Een differentiatie in normbedragen tussen onder- en bovenbouw is daarom gerechtvaardigd. De kosten van deelname aan schoolactiviteiten in de bovenbouw zijn in het vwo hoger dan die in de bovenbouw van het havo. Deze kosten hangen samen met keuzes van ouders en schoolbesturen en lenen zich bij uitstek voor beheersing op schoolniveau. Mede hierom acht ik een nader onderscheid in normbedragen tussen vwo en havo ongewenst.

Overzicht van verschillende regelingen inzake tegemoetkoming

Voorts vragen deze leden naar een zo helder en uitgebreid mogelijk overzicht van de verschillende regelingen die zich bij leerlingen in één klas kunnen voordoen. Tevens vragen zij hoe de regering de soms aanzienlijke verschillen in tegemoetkoming beoordeelt.

In één klas kunnen vo-scholieren 18– en 18+ zitten. Voor deze scholieren gelden onderscheidenlijk de hoofdstukken 3 en 4 van de WTOS.

In één klas kunnen bol-deelnemers 18– en 18+ zitten. Voor deze deelnemers gelden onderscheidenlijk hoofdstuk 3 van de WTOS en hoofdstuk 4 van de WSF 2000.

Deze bedragen zijn afgerond, naar de maatstaf van 2000 en op jaarbasis weergegeven. De kinderbijslag wordt voor 18+ vervangen door een basistoelage of basisbeurs.

Aanspraken voor vo-scholieren 18– en 18+ en bol-deelnemers 18– en 18+

onderbouw vo18–18+ thuiswonend18+ uitwonend
tegemoetkoming WTOS (inkomensafhankelijk)f 1 084,–f 1 084,–f 1 084,–
    
kinderbijslag/basistoelage (inkomensonafhankelijk)kinderbijslagbasistoelage:f 2 180,–basistoelage: f 5 083,–
    
bovenbouw vo18–18+ thuiswonend18+ uitwonend
tegemoetkoming WTOS (inkomensafhankelijk)f 1 234,–f 1 234,–f 1 234,–
    
kinderbijslag/basistoelage (inkomensonafhankelijk)kinderbijslagbasistoelage: f 2 180,–basistoelage: f 5 083,–
    
bol18–18+ thuiswonend18+ uitwonend
tegemoetkoming WTOS (inkomensafhankelijk)f 1 572,–
    
studiefinanciering WSF 2000 (inkomensonafhankelijk)basisbeurs: f 1 305,–basisbeurs:f 4 905,–
    
kinderbijslag (inkomensonafhankelijk)janeenneen
    
OV-studentenkaart (inkomensonafhankelijk)neenjaja
    
aanvullende beurs/lening (inkomensafhankelijk)neenjaja
    
basislening (inkomensonafhankelijk)neenjaja

Uitvoeringsproblemen

De leden van de fractie van de SGP vragen waarom de regering niet heeft gezocht naar alternatieven voor de uitvoeringsproblemen van de reiskostenvergoeding, wat de geconstateerde uitvoeringsproblemen inhouden en wat de consequenties hiervan in de praktijk zullen zijn. Zij vragen voorts of instellingen geen gegevens registreren over zaken als: welke leerling voor welke opleiding is ingeschreven, waar onderwijs wordt gevolgd en over welke periode binnen het schooljaar.

Op deze vragen is ingegaan aan het begin van hoofdstuk 2 onder de kopjes «Differentiatie in de bol» en «Bol en reiskosten».

Reiskosten in voortgezet onderwijs

De regering geeft aan dat de groep leerlingen die reist om vo te volgen beperkt is tot 10% van het totaal. Wat verstaat de regering in dit verband precies onder reizen, zo vragen de leden van de fractie van de SGP. Tevens vragen zij of de relatief geringe omvang van de bedoelde groep een reden is om geen regeling voor deze doelgroep te treffen. Bovendien vragen zij of zich daaronder veel leerlingen bevinden voor wie grote bedragen aan reiskosten worden uitgegeven.

Onder reizen wordt verstaan het reizen per openbaar vervoer en per auto. Een afzonderlijke reiskostencomponent voor leerlingen in het vo acht ik niet noodzakelijk vanwege de brede spreiding van de onderwijsinstellingen waar dit onderwijs wordt verzorgd. Dit blijkt ook uit het reisgedrag van leerlingen in het vo. Uit het Nibud-onderzoek uit 1999 blijkt dat bijna 90% van de leerlingen in het vo met de fiets of lopend naar school gaat. Slechts 10% van de leerlingen reist met het openbaar vervoer naar school en maakt daardoor reiskosten. Voor deze groep leerlingen bedragen de reiskosten gemiddeld f 80,– per maand.

Van deze 10% reist minder dan de helft verder dan 15 km. De reiskosten in het vo worden dus gemaakt door een beperkte groep leerlingen. Voor deze leerlingen is vaak ook een instelling in de naaste omgeving aanwezig. Desondanks kiezen de ouders van deze leerlingen op grond van bepaalde motieven voor een andere onderwijsinstelling die verder van huis ligt. De financiële consequenties van die individuele keuzes behoren door betrokkenen zelf te worden gedragen. Ik ben daarom niet voornemens over te gaan tot herinvoering van een aparte reiskostencomponent voor het vo.

Richtingbegrip en reiskosten in voortgezet onderwijs

De leden van de fractie van de SGP vragen welke rol het richtingbegrip speelt bij de opmerking dat leerlingen in het vo in veel gevallen ook dichter bij huis onderwijs kunnen volgen. Zij vragen wat dat in dezen betekent voor de taak van de overheid.

De tegemoetkoming is volstrekt normatief. Bij mijn besluit om niet te voorzien in een afzonderlijke reiskostenvergoeding voor het vo, heeft het richtingbegrip geen enkele rol gespeeld. Dit besluit staat los van elk argument dat men zou kunnen hebben om te kiezen voor een andere dan de dichtstbijgelegen locatie waar onderwijs wordt aangeboden.

Alternatief van de SGP

De leden van de fractie van de SGP vragen de mogelijkheid te overdenken om de reiskosten op te nemen in de tegemoetkoming en tegelijkertijd de uitvoeringsproblemen beperkt te houden. Zij vragen een reactie op hun suggestie om de tegemoetkoming toe te passen op de afstand tot de meest dichtstbijzijnde plaats waar de gewenste vorm van onderwijs van de gewenste richting wordt aangeboden. Als daarbij verschillende locaties betrokken zijn, kan er met een gewogen gemiddelde afstand worden gerekend. De onderwijsinstelling zou hiervoor een verklaring kunnen afgeven.

Op deze vragen is ingegaan aan het begin van hoofdstuk 2 onder de kopjes «Differentiatie in de bol» en «Bol en reiskosten».

Uitvoering bij voortgezet onderwijs

De leden van de fracties van GPV en RPF zijn van mening dat de factoren die een uitvoering van een regeling voor de tegemoetkoming in de reiskosten in de bol in de weg zouden staan, voor het vo niet opgaan. Deze leden willen weten waarom desondanks de IB-Groep voor het vo niet tot het uitvoeren van genoemde regeling in staat is.

Hierboven heb ik reeds aangegeven dat ik een reiskostenvoorziening voor het vo niet noodzakelijk vind. De situatie in het vo is inderdaad minder complex dan in de bol. De factoren die een regeling voor een tegemoetkoming in de bol in de weg staan, gelden evenwel ook voor het vo. Voor het vo is het eveneens noodzakelijk om schoolsoort en locaties te registreren om te bepalen wat de huis–schoolafstand is. Ook hier geldt dat een voorziening die uitgaat van de werkelijke reisafstand, een uitgebreide registratie vergt die moeilijk is op te bouwen en te beheren. Bovendien zal ook hier ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik een controlesystematiek moeten worden opgezet. De vo-scholen zullen dus hier gegevens moeten verstrekken, bijvoorbeeld over de locatie waar en de periode waarin daar onderwijs wordt gevolgd.

Voor het antwoord op de vraag naar de reiskostencomponent voor studerenden in het vo verwijs ik naar hoofdstuk 2 onder het kopje «Reiskosten in voortgezet onderwijs».

Vrijheid van onderwijs en reiskosten

De leden van de fracties van GPV en RPF vragen of de minister onderkent dat de keuze voor een school van de eigen richting voor sommige groepen ouders tot zodanige extra kosten leidt, dat zij deze extra kosten niet zelf kunnen opbrengen en dat het schoolbezoek dan alleen mogelijk is met forse financiële ondersteuning door derden. Zij vragen of bekend is dat op die manier via plaatselijke en landelijke acties jaarlijks enkele miljoenen guldens worden opgebracht. Zij vragen of dit geen aanwijzing vormt dat de vrijheid van onderwijs voor bepaalde groepen ouders op forse reële belemmeringen stuit.

Zoals reeds opgemerkt, beoogt de WTOS een tegemoetkoming te bieden in de gemiddelde noodzakelijke kosten die ouders moeten maken om hun kind onderwijs te kunnen laten volgen. Uiteraard kunnen ouders ervoor kiezen hun kind om welke reden dan ook onderwijs te laten volgen aan een bepaalde school die mogelijk verder van huis gelegen is. Voor de eventuele meerkosten van die keuze zullen zij zelf een oplossing moeten vinden. Particuliere initiatieven kunnen ouders hierbij ondersteunen. Het gegeven voorbeeld illustreert dit. Een geldelijke ondersteuning van de overheid hiervoor acht ik niet in de rede liggen.

3. BREKEN VAN DE HARDE INKOMENSGRENS (GLIJDENDE SCHAAL)

Telkinderensystematiek

De leden van de fractie van de VVD vragen of de telkinderensystematiek in de WTOS en de WSF 2000 gecombineerd worden toegepast. Wat is het effect wanneer er bijvoorbeeld één kind een tegemoetkoming volgens de WTOS en één kind een aanvullende beurs volgens de WSF 2000 ontvangt. Is er dan sprake van een afbouw van 2 maal 26%. Of geldt ook dan dat de totale afbouw nooit meer is dan 26%. Is het juist dat schema 2 de afbouw aangeeft per kind.

De WTOS en de WSF 2000 kennen beide een telkinderensystematiek, maar deze zijn gebaseerd op een verschillende invulling van de begrippen ouder en huishouden. Deze verschillende invulling heeft te maken met het volgende.

In de WSF 2000 vormt de zelfstandige, meerderjarige student het uitgangspunt. Hij heeft altijd aanspraak op een basisbeurs en een OV-studentenkaart. Daarnaast kan hij een aanvullende beurs aanvragen. De hoogte hiervan is afhankelijk van de veronderstelde ouderlijke bijdrage aan de studerende. Hiervoor wordt gekeken naar het inkomen van de natuurlijke ouders.

In de WTOS vormt het huishouden waarvan het kind deel uit maakt het uitgangspunt. Tot het grensinkomen van het huishouden (dat niet per definitie hoeft te worden gevormd door de natuurlijke ouders van het kind) wordt aan de TOS-ouder(s) een gemiddeld kostendekkende vergoeding verstrekt voor de onderwijsbijdrage en de onderwijskosten om het besteedbaar inkomen van het huishouden op peil te houden. De veronderstelling hierbij is dat de verantwoordelijkheid voor de zorg en het onderhoud van het (minderjarige) kind volledig of grotendeels door de ouder(s) wordt gedragen waar het kind in huis woont. Ook bij andere regelingen zoals de kinderbijslag geldt eenzelfde principe.

Bij het vaststellen van de draagkracht van de aanvrager wordt in de WTOS rekening gehouden met alle tot het huishouden van de aanvrager behorende kinderen die onder het bereik van de WTOS vallen. Vanaf het grensinkomen wordt het kortingpercentage gedeeld door het aantal WTOS-kinderen binnen het huishouden, waardoor het totale bedrag aan tegemoetkoming aan het huishouden nooit verder wordt gekort dan met 26 cent per meerverdiende gulden. Kinderen die zelf studiefinanciering ontvangen, blijven buiten beschouwing.

In de WSF 2000 wordt bij de vaststelling van de aanvullende beurs van een studerende wel rekening gehouden met de kinderen van beide natuurlijke ouders, voorzover die kinderen vo of bol volgen maar nog geen studiefinanciering ontvangen. Voor elk van deze kinderen wordt bij beide natuurlijke ouders een vast bedrag (f 800,– ingevolge artikel 3.9, vijfde lid, onderdeel b, van de WSF 2000) in mindering gebracht op hun veronderstelde bijdrage in de kosten van de (WSF-2000)studerende. Dit geschiedt ongeacht of de ouder voor deze kinderen een WTOS-toekenning ontvangt en ongeacht of deze kinderen deel uitmaken van het huishouden van de desbetreffende ouder. Met andere woorden, in de draagkracht van beide ouders worden de kosten die zij moeten maken voor hun kinderen in het vo of in de bol 18– normatief verrekend. Aansluitend gaat dan nog de telkinderensystematiek gelden voor het aantal kinderen dat aanspraak heeft op WSF 2000. De veronderstelde ouderlijke bijdrage van de beide natuurlijke ouders wordt verdeeld over de kinderen.

De telkinderensystematiek uit de WTOS en de WSF 2000 kunnen voor de glijdende schaal dus niet gecombineerd worden toegepast vanwege de verschillende uitgangspunten tussen de WTOS en de WSF 2000. Dit laat onverlet dat er rekening mee wordt gehouden dat ouders altijd de zorg dragen voor het minderjarige kind in hun huishouden en dat dit consequenties heeft voor de bijdrage die zij kunnen verstrekken aan hun kind dat studeert en WSF 2000 geniet.

Percentage glijdende schaal en uitvoering door IB-Groep

De leden van de fractie van het CDA hadden voor de glijdende schaal liever een lager percentage gezien dan 26. Zij denken dan aan een percentage van 10. Verder stellen deze leden dat voorkomen had kunnen en moeten worden dat de WTOS pas kan ingaan per 1 augustus 2001 omdat de IB-Groep nog niet zover is.

Bij het regeerakkoord 1998 zijn extra middelen (f 250 mln) voor de WTS beschikbaar gesteld om de WTS aan te passen aan stijgende prijzen van de schoolkosten en om de armoedeval zoveel mogelijk te beperken (uitbreiding WTS tot inkomens van ca. f 60 000,–). Met de WTS eerste fase en de WTOS heb ik beoogd aan deze doelstelling van het regeerakkoord te voldoen door de normbedragen voor de tegemoetkoming schoolkosten te verhogen tot gemiddeld kostendekkend niveau, de inkomensgrens voor de tegemoetkoming schoolkosten te verhogen naar f 52 023,– (schooljaar 1999–2000) en een glijdende inkomensschaal en een telkinderensystematiek in te voeren. Gezien mijn keuze voor de genoemde combinatie van maatregelen was een kortingspercentage van 26% voor de glijdende schaal het hoogst haalbare gezien de extra middelen die mij voor de WTOS ter beschikking staan.

Het voorstel van de leden van de fractie van het CDA om een kortingspercentage van 10% te hanteren in plaats van 26% zou structureel ongeveer f 150 mln extra kosten. Indien ik deze keuze zou hebben overgenomen, was de verhoging van de normbedragen voor de tegemoetkoming schoolkosten tot een gemiddeld kostendekkend niveau en de verhoging van de inkomensgrens voor de tegemoetkoming schoolkosten naar f 52 023,(schooljaar 1999–2000) niet mogelijk geweest.

De WTOS is het sluitstuk van een gefaseerde wijziging van de WTS. Tot die fasering is besloten omdat de voorgestelde glijdende inkomensschaal en de telkinderensystematiek pas in 2001 kan worden ingevoerd. Dat de IB-Groep de vereiste systeemaanpassingen niet eerder zal hebben gerealiseerd, hangt onder meer samen met het feit dat het systeemontwikkelingstraject zwaar is en parallel loopt aan het beleidsontwikkelingstraject.

Aanvullende dekking voor uitvoering motie Mosterd c.s.

Op blz. 10 van de memorie van toelichting wordt gezegd dat bij uitvoering van de motie Mosterd c.s. het kortingspercentage zou moeten stijgen met 4%. De leden van de fractie van het CDA vinden dit argument niet juist omdat er aanvullende dekking mogelijk moet zijn.

Het budgettaire kader voor de verbeteringen in de WTS is in het regeerakkoord gegeven. De uitwerking van de verbeteringen moest vervolgens worden vormgegeven. Daarom sluit de maatvoering van de verschillende verbeteringen aan op dat budgettaire kader.

4. LESGELD

Indexering

De leden van de fractie van de PvdA vragen of met het voorstel om het lesgeld te indexeren ook een eind gemaakt wordt aan de lesgeldproblematiek waarbij automatisch de lesgelden stijgen. Daarnaast vragen deze leden of een vergelijkend overzicht gegeven kan worden over hoe de afgelopen 10 jaar het verloop is geweest van de herijking en tussentijdse indexering van het lesgeld en hoe dit verloop zou zijn geweest wanneer 10 jaar geleden overgegaan was op indexering op basis van de consumentenprijs.

Het wetsvoorstel maakt een eind aan de systematiek van driejaarlijkse herijking van het lesgeld, die schoksgewijze en grillige verhogingen van het lesgeld veroorzaakte. Voortaan wordt het lesgeld jaarlijks geïndexeerd op basis van de algemene prijsontwikkeling van de consumentenprijs (reeks werknemersgezinnen met een laag inkomen).

Onderstaande tabel geeft een vergelijkend overzicht over hoe de afgelopen 10 jaar het verloop is geweest van de herijking en tussentijdse indexering van het lesgeld en hoe dit verloop zou zijn geweest indien vanaf schooljaar 1987–1988 was geïndexeerd op basis van de consumentenprijs.

Ontwikkeling lesgeld sinds invoering LCW en ontwikkeling lesgeld bij indexering met de consumentenprijsindex

schooljaarherijking of indexeringlesgeld- bedrag consu- menten-prijsindexlesgeldbedrag bij indexering
1987–1988(eerste vaststelling)f 1 030,– f 1 030,–
1988–1989indexering niet toegepastf 1 030,–1,1%f 1 041,–
1989–1990indexering niet toegepastf 1 030,–1,0%f 1 052,–
1990–1991herijkingf 1 133,–3,1%f 1 084,–
1991–1992indexeringf 1 163,–3,0%f 1 117,–
1992–1993indexeringf 1 198,–2,9%f 1 149,–
1993–1994herijkingf 1 349,–2,8%f 1 182,–
1994–1995indexeringf 1 385,–2,8%f 1 214,–
1995–1996indexering niet toegepastf 1 385,–1,8%f 1 236,–
1996–1997herijkingf 1 497,–2,0%f 1 261,–
1997–1998indexeringf 1 507,–2,0%f 1 285,–
1998–1999indexering niet toegepastf 1 507,–1,9%f 1 310,–
1999–2000herijkingf 1 775,–1,9%f 1 335,–
2000–2001indexeringf 1 822,–2,8%f 1 372,–

Hardheidsclausule

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan verzekeren dat de voorgestelde hardheidsclausule in de LCW voor schrijnende gevallen ook daadwerkelijk toegepast zal worden.

Voor het antwoord op deze vragen verwijs ik naar hoofdstuk 1 onder het kopje «Hardheidsclausule in de LCW». De IB-Groep heeft ruime ervaring met de toepassing van hardheidsclausules. Aan een juiste toepassing hoeft niet te worden getwijfeld.

Saldo onderwijskosten voor ouders

De leden van de fractie van D66 vragen wat de diverse categorieën ouders nu per saldo meer of minder moeten betalen aan het onderwijs van hun kinderen: de tegemoetkoming voor de schoolkosten gaat voor de meeste ouders omhoog, het lesgeld echter ook.

De tegemoetkoming bestaat uit twee componenten: een tegemoetkoming in de schoolkosten en een tegemoetkoming in het lesgeld. Lesgeld wordt tot aan het grensinkomen van f 53 324,– volledig vergoed. Een stijging van het lesgeld heeft dus altijd eenzelfde stijging van de tegemoetkoming in het lesgeld tot gevolg. Als het belastbaar inkomen hoger is dan het grensinkomen, nemen zowel de vergoeding van het lesgeld als die van de schoolkosten evenredig af. In de toekenningsbeschikking van de IB-Groep zal het bedrag van beide vergoedingen afzonderlijk worden aangegeven.

Lesgeldpercentage

Volgens de leden van de fractie van D66 zou het automatische mechanisme dat het lesgeld 20% van de kosten per leerling bedraagt, van de baan moeten. Zij vragen of dit mechanisme in dit wetsvoorstel vervalt.

In dit hoofdstuk is hierboven onder het kopje «Indexering» aangegeven dat driejaarlijks aanpassing aan de hand van de kosten van het onderwijs, en in de twee tussenliggende jaren inflatiecorrectie, is losgelaten.

5. LEERLINGEN IN (DEELTIJD-)MAVO/HAVO/VWO (WTS 18+)

Bekostiging via bijzondere bijstand

De leden van de fractie van de PvdA, CDA, D66, GPV en RPF vragen hoe is gegarandeerd dat gemeenten daadwerkelijk de bijzondere bijstand aanwenden voor leerlingen 18+ die (deeltijd) mavo/havo/vwo volgen, hoe toekomstige wijzigingen in de WTOS door kunnen werken in deze bijzondere bijstand, hoe de voorlichting aan deze leerlingen geschiedt en vragen om een toelichting op aantallen en hoogte van de bijdrage.

Overheveling van tegemoetkoming (WTS) naar bijzondere bijstand (gemeente)

Gemeenten vervullen een centrale rol in de (volwassenen)educatie. Zij bepalen op basis van de locale en regionale situatie de behoefte aan educatie, zowel naar omvang als naar inhoud. De bekostiging van de educatie, waaronder ook het vavo, loopt via de gemeenten. Gemeenten sluiten locale arrangementen en contracten met ROC's over de uitvoering van deze programma's voor bepaalde doelgroepen.

De overheveling van het budget voor de tegemoetkoming in de studiekosten en de onderwijsbijdragen naar de bijzondere bijstand sluit aan bij deze systematiek. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal de gemeenten verzoeken de bijzondere bijstand voor deze doelgroep aan te wenden. Op decentraal niveau heeft de gemeente zowel de bevoegdheid als de verantwoordelijkheid voor het aanbod aan educatie en de toegankelijkheid ervan voor de individuele deelnemer. Op gemeentelijk niveau kan ook het maatwerk worden geleverd bij de ondersteuning in de studiekosten van deelnemers in een financieel zwakkere positie. De bijzondere bijstand maakt dit soort ondersteuning beter mogelijk dan een generieke landelijke regeling.

Omdat de tegemoetkoming voor deze doelgroep aan de gemeente is overgedragen, valt dit niet langer onder de verantwoordelijkheid van de centrale overheid. De vragen hierover kan ik dus niet alle beantwoorden.

Aanwending bijzondere bijstand

Garanties over het daadwerkelijk aanwenden van de bijzondere bijstand voor vavo-deelnemers kan ik niet geven. Gemeenten bepalen het aanbod aan educatie en de bekostiging ervan. Daarnaast hebben zij beleidsvrijheid, zowel naar vaststelling van de doelgroep als voor het bepalen van de omvang van de tegemoetkoming in de kosten aan de deelnemers. De gemeente kan maatwerk leveren, afgestemd op de individuele situatie van een deelnemer en de feitelijk gemaakte kosten. In de regel investeren gemeenten met name in zwakkere doelgroepen en mensen zonder startkwalificatie.

Voorlichting

Zoals aangegeven, zal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de VNG verzoeken haar leden te wijzen op de overheveling van deze middelen en op de mogelijkheid om middelen uit de bijzondere bijstand aan te wenden voor de educatie. In mijn algemene voorlichting aan burgers en onderwijsinstellingen zal ik op deze mogelijkheid wijzen. Daarnaast kunnen ook ROC's die met de gemeenten educatiecontracten sluiten, de betrokken deelnemers op de hoogte stellen van de voorziening.

Omvang doelgroep

Het aantal rechthebbenden dat onder de huidige landelijke regeling een tegemoetkoming ontvangt, is zeer gering en neemt af. Waren er in 1998 nog 4515 WTS-gerechtigden, in 2000 bedroeg hun aantal 1906. Deelnemers die momenteel aanspraak hebben op een tegemoetkoming, zullen – bij wijze van overgangsrecht – de keuze hebben tussen continuering op basis van de WTOS en de gemeentelijke voorziening. Van hen hoeft dus niemand erop achteruit te gaan.

Het is mogelijk dat een deel van de huidige doelgroep niet langer in aanmerking zal komen voor een WTOS-vergoeding. Te denken valt aan personen zonder eigen inkomen maar van wie de partner een aanzienlijk inkomen geniet. Omdat hier sprake is van onbedoeld gebruik van de WTS, wordt in hoofdstuk 5 van de WTOS een ander inkomensbegrip gehanteerd, namelijk het gezamenlijk inkomen van de aanvrager en diens partner (zie artikel 2.23, eerste lid, onderdeel c).

Overleg met VNG

De leden van de fractie van de VVD stellen de volgende vragen inzake het overleg met de VNG: kan worden aangegeven hoe het overleg met de VNG vordert; is al duidelijk of de gemeentelijke regelingen voor tegemoetkoming in de schoolkosten worden afgebouwd; wordt er meer rekening gehouden met werkelijk gemaakte kosten; wat is de positie van de VNG; kan de VNG instemmen met de ideeën hierover van de minister.

In de afgelopen periode zijn door het kabinet verschillende maatregelen voorgesteld om de nadelige effecten van inkomensafhankelijke regelingen zo veel mogelijk te reduceren of op te heffen. Daarbij gaat het enerzijds om het reduceren van de armoedeval, anderzijds om het voorkomen van cumulatie van regelingen die de armoedevaleffecten veroorzaken.

Op 20 april 2000 is het WHIR-rapport «De armoedeval, analyse en oplossingen» (kamerstukken II 1999–2000, 26 800 XV, nr. 72), waarin onder andere de WTS en de gemeentelijke regelingen worden geanalyseerd, aan de Kamer gezonden. In de kabinetsreactie op dit rapport is aangegeven dat het wenselijk is dat medeoverheden, zoals de gemeenten, in hun beleidsafweging nadrukkelijk het effect van cumulatie van verschillende ondersteunende regelingen op de armoedeval meewegen. Uitgangspunt daarbij is dat het Rijk verantwoordelijk is voor de generieke ondersteuning en de gemeenten zorg dragen voor individueel maatwerk.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft het voortouw genomen voor het overleg met de VNG en gemeenten om hierover in een breed kader tot goede afspraken te komen. Onlangs is een brede intentieverklaring met de VNG getekend. De aanwending van de bijzondere bijstand maakt hiervan deel uit.

De bijzondere bijstand vormt het sluitstuk van inkomensafhankelijke regelingen. Dit sluit aan bij de mijns inziens wenselijke inzet vanuit de bijzondere bijstand in gemeenten. Een bijdrage in de schoolkosten door een gemeente zal een aanvulling zijn op de generieke, gemiddelde kostendekkende vergoeding in de WTOS, indien deze normvergoeding in een individuele situatie niet toereikend mocht blijken te zijn.

Lesminuten

De leden van de fractie van de VVD vragen wat wordt bedoeld met lesminuten. Zij vragen of het hierbij om studiepunten gaat, hoe de vertaalslag eruit ziet van lesminuten naar tegemoetkoming, en of deze bijvoorbeeld lineair is of dat er een basisdeel en een variabel deel is.

Voor het deeltijd-vavo wordt geen lesgeld maar cursusgeld geheven. De hoogte van dat cursusgeld is afhankelijk van de intensiteit waarmee men onderwijs volgt. Deze intensiteit wordt uitgedrukt in lesminuten, omdat lesuren in het deeltijd-vavo in duur afwijken van die in het dagonderwijs. Een lesuur in het vavo duurt 45 minuten. Analoog aan deze rekenwijze wordt in de WTS de vergoeding bepaald voor het cursusgeld en voor de tegemoetkoming in de studiekosten. Dit gaat niet volledig lineair: er is een indeling gemaakt in drie intensiteitscategorieën en bijbehorende vergoedingen. Er is geen verband te leggen met studiepunten.

6. LERARENOPLEIDINGEN EN PEILJAARVERLEGGING

Partnerinkomen

De leden van de fractie van de PvdA zijn van oordeel dat niet naar het gezamenlijk inkomen moet worden gekeken, maar uitsluitend naar dat van de studerende. Zij merken op dat deze maatregel niet zal bijdragen aan het terugdringen van het lerarentekort. Daarnaast hebben zij meer ten principale moeite met het voorstel om het partnerinkomen mee te laten tellen bij de tegemoetkoming studiekosten; een student moet in staat zijn op eigen gelegenheid en op eigen kosten een studie te volgen.

Indien het inkomen van de partner van de studerende als bedoeld in hoofdstuk 5 buiten beschouwing zou blijven, zou dit ertoe leiden dat een tegemoetkoming wordt verstrekt aan studerenden met een belastbaar gezinsinkomen dat elders in de wet toereikend wordt geacht om de kosten van het onderwijs redelijkerwijs te dragen. Ik acht dat ongewenst.

Telkinderensystematiek

De leden van de fractie van de PvdA vragen in hoeverre een student aan een lerarenopleiding die een tegemoetkoming studiekosten ontvangt, meetelt in de telkinderensystematiek voor zijn ouders.

Een student aan een lerarenopleiding telt niet mee in de telkinderensystematiek. Deze systematiek is geregeld in artikel 2.26. In het eerste lid, tweede volzin, van dat artikel is aangegeven wat een telkind is: een leerling voor wie aanspraak op tegemoetkoming bestaat op grond van de hoofdstukken 3 of 4. De student aan een lerarenopleiding valt hier buiten omdat hij aanspraak heeft op een tegemoetkoming ingevolge hoofdstuk 5. Zijn ouders zullen immers geen onderhoudsplicht jegens hem meer hebben. Het betreft hier een student die zijn aanspraak op studiefinanciering op grond van de WSF 2000 al heeft verbruikt. Daarnaast valt onder het begrip leerling niet de student (artikel 1.1).

Aantal studenten in lerarenopleiding

De leden van de fractie van het CDA vragen of de regering kan aangeven hoeveel studenten op dit moment gebruik gemaakt hebben van de WTS voor studenten aan lerarenopleidingen.

In het studiejaar 1999–2000 hebben ca. 3000 studenten gebruik gemaakt van de WTS voor studenten aan lerarenopleidingen in een tekortvak. Als gevolg van de uitbreiding van het aantal tekortvakken in het studiejaar 2000–2001 zal het aantal studenten waarschijnlijk stijgen naar ca. 3400 studenten.

Vervroegen uitbreiding lerarenopleidingen

De leden van de fractie van D66 vragen of er een mogelijkheid is de uitbreiding van de regeling inzake de tegemoetkoming voor de lerarenopleidingen te vervroegen en zo ja, wat dat zou kosten.

Bij invoering van de WTOS per 1 augustus 2001 zal de tegemoetkoming WTS 18+van toepassing zijn op alle lerarenopleidingen. Om eerder tegemoet te komen aan de stijgende vraag naar docenten heb ik per schooljaar 2000–2001 de lijst met tekortvakken reeds uitgebreid met de vakken waarin volgens de huidige inzichten de grootste tekorten heersen.

Het vervroegd volledig openstellen van de WTS voor alle lerarenopleidingen per schooljaar 2000–2001 heeft niet de hoogste prioriteit, omdat deze uitbreiding met name betrekking heeft op de vakken waarin geen tekort bestaat (o.a. geschiedenis en lichamelijke opvoeding). Een dergelijke uitbreiding zou ca. f 3 mln kosten.

Peiljaar

De leden van de fractie van D66 vragen of in verband met het aanleveren van de gegevens door de belastingdienst, het peiljaar op termijn naar het jaar t-1 kan worden verlegd. Zij vragen of een onderwijsnummer hierbij van pas kan komen.

De gegevensuitlevering met de belastingdienst is nu zodanig dat het mogelijk is om de peildatum te vervroegen van t-3 naar t-2. Voor een adequate uitvoering van de wet is het wel gewenst dat kan worden uitgegaan van een vastgesteld belastbaar inkomen. De belastingdienst kan het belastbaar inkomen pas vaststellen in de tweede helft van het jaar volgend op het belastingjaar. Daardoor zijn de gegevens over het belastingjaar t-1 niet eerder dan in de tweede helft van het kalenderjaar t beschikbaar. Voor de bepaling van de tegemoetkoming voor jaar t, en het schooljaar t / t+1 is dit echter niet tijdig genoeg. De tegemoetkoming voor hoofdstuk 4 van de WTOS (VO18+) wordt immers al voorafgaand aan jaar t bepaald, en de tegemoetkoming voor de hoofdstukken 3 en 5 in de eerste helft van jaar t. Hieruit volgt dat vanwege het moment van het vaststellen van het belastbaar inkomen door de belastingdienst het niet mogelijk is de peildatum te vervroegen naar t-1. Het gebruik van het onderwijsnummer, zoals gesuggereerd door de leden van de fractie van D66, staat hier los van.

7. BERICHTENVERKEER

E-mail

De leden van de fractie van de PvdA vragen of e-mail wel een rechtsgeldig communicatiemiddel is om mutaties door te geven; worden documenten die een student per e-mail heeft ontvangen als rechtsgeldig beschouwd.

Op dit moment staat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) er nog aan in de weg dat een aanvraag om een beschikking per e-mail wordt gedaan en dat de IB-Groep op deze wijze een beschikking neemt. Immers, die wet kent de eis van schriftelijkheid en ondertekening. Er is een wetsvoorstel in voorbereiding waarin de Awb zodanig wordt gewijzigd dat communicatie tussen overheid en burgers via e-mail vergemakkelijkt.

8. FINANCIËLE GEVOLGEN

Verhoging tegemoetkoming lesgeld

De inkomensgrens voor het verkrijgen van een tegemoetkoming in het lesgeld is opgetrokken naar f 55 938,– (f 57 301,– in 2000–2001). De leden van de fractie van de PvdA vragen of de minister kan aangeven hoeveel deze maatregel heeft gekost.

Om ouders boven de inkomensgrens eerder tegemoet te komen, is de inkomensgrens voor (uitsluitend) een lesgeldvergoeding met ingang van schooljaar 1999–2000 verhoogd naar f 55 938,– (f 57 301,– in 2000–2001). Ouders in dit inkomenssegment ontvangen een volledige vergoeding van het lesgeld. Bij een inkomensgrens van ca. f 56 000,– gaan deze ouders er niet op achteruit als de glijdende schaal in schooljaar 2001–2002 wordt geïmplementeerd. Door het verhogen van de inkomensgrens krijgen per schooljaar ca. 15 000 leerlingen alsnog een lesgeldvergoeding. Bij de Voorjaarsnota 2000 en de behandeling van de eerste suppletoire begroting 2000 zijn voor de schooljaren 1999–2000 en 2000–2001 incidentele middelen beschikbaar gekomen (f 102 mln). Hiervan is f 54 mln ter dekking van de verhoging van de inkomensgrens voor een lesgeldvergoeding (per schooljaar f 27 mln). De overige f 48 mln zijn ter dekking van de incidentele meeruitgaven van de verhoging van de normbedragen voor de tegemoetkoming schoolkosten met f 100,–.

Verhouding wel/niet lesgeldplichtig

Kan uit tabel 4 de conclusie worden getrokken dat de verhouding tussen het aantal WTS-gerechtigden dat niet lesgeldplichtig is en het aantal WTS-gerechtigden dat wel lesgeldplichtig is, ongeveer 1:1 is, terwijl de regering eerst uitging van een verhouding 1:2 en vervolgens, als antwoord op vragen van de leden van de fractie van het CDA aangaf dat zij het met hen van mening was dat die verhouding in de toekomst meer naar 2:1 zou gaan. De leden vragen of de financiële uitkomsten door veranderingen in deze verhouding ook zijn gewijzigd. Deze leden willen bij het bekend zijn van de eerste gebruikcijfers, dus januari 2002, worden geïnformeerd over de verhoudingscijfers in de praktijk.

Vóór de invoering van de WTS eerste fase was 40% van de WTS-gerechtigden niet lesgeldplichtig, en 60% wel lesgeldplichtig. Hierover heb ik de heer Mosterd geïnformeerd bij brief van 27 april 1999. Daarbij is aangegeven dat deze verhouding is gebaseerd op de situatie in de WTS voor invoering van de eerste fase. Daarbij heb ik voor een verhouding gekozen die de risico's beperkt; er is conservatief gerekend.

Bij invoering van de WTS eerste fase is de inkomensgrens voor een tegemoetkoming in de overige studiekosten verhoogd van f 40 000,– naar f 52 000,–. Hierdoor is het aantal gerechtigden voor overige studiekosten in de eerste fase sterk uitgebreid, waardoor het aantal lesgeldvergoedingen relatief is afgenomen: tweederde van de WTS-gerechtigden is niet lesgeldplichtig, eenderde is wel lesgeldplichtig. Deze verhouding valt af te lezen uit tabel 4. Het gaat dan om de aantallen van vóór de WTOS.

Na invoering van de WTOS zal driekwart van de WTS-gerechtigden niet lesgeldplichtig, en een kwart wel lesgeldplichtig zijn. In tabel 4 zijn dit de aantallen WTOS.

Na invoering van de WTOS zal moeten worden bezien hoe de WTOS heeft uitgewerkt in de praktijk. Bij het bekend worden van de eerste gebruikscijfers zal ik de Kamer hierover informeren.

Gespreide betaling

De leden van de fractie van het CDA denken dat het nuttig en nodig is de mogelijkheden voor gespreide betaling te verruimen.

De mogelijkheid van gespreide betaling is ingevoerd in het schooljaar 1998–1999. Het huidige betalingsgedrag van de lesgeldtermijnen geeft aan dat de gespreide betalingssystematiek een succes is. 50% van degenen die feitelijk lesgeld betalen (dus niet de lesgeldplichtigen die een tegemoetkoming voor het lesgeld ontvingen), maakt gebruik van de gespreide betaling. Bij invoering was een percentage van 60% verondersteld. Deze veronderstelling was gebaseerd op ervaringsgegevens rond gespreide betaling van het collegegeld in het hoger onderwijs. Er zijn geen aanwijzingen dat er behoefte is aan meer termijnen. Daarnaast leidt verdere spreiding van het aantal betalingtermijnen zowel uitvoerings- als begrotingstechnisch tot extra kosten. Ik zie daarom geen reden het aantal betalingstermijnen uit te breiden.

9. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 11.1

De toelichting op artikel 11.1, eerste lid, stelt dat de AMvB waarover in dit lid gesproken wordt, bedoeld is om een wijziging in de aanduiding van de index te vergemakkelijken. Het systeem van indexering zal niet worden gewijzigd. Uit de tekst van het eerste lid valt evenwel niet anders te concluderen dan dat de indexering wel kan worden gewijzigd. De leden van de fracties van GPV en RPF vragen of de wettekst en toelichting niet meer met elkaar in overeenstemming moeten worden gebracht.

Naar mijn oordeel sluiten tekst en toelichting op elkaar aan: de tekst van artikel 11.1, eerste lid, maakt het mogelijk dat de indexeringssystematiek wordt gewijzigd. In de toelichting op die bepaling is evenwel aangegeven dat dit niet zal worden gedaan. Daarbij wijs ik op het overeenkomstige artikel 11.1 van de WSF 2000 en op de uitwerking daarvan in artikel 17 van het Besluit studiefinanciering 2000. De reden van delegatie aan een algemene maatregel van bestuur is niet dat de regering de vrijheid heeft om zonder tussenkomst van het parlement de indexeringsmethode te wijzigen, maar dat de naam van een index niet in de wet hoeft te worden genoemd. De praktijk leert namelijk dat deze benamingen regelmatig door het CBS worden gewijzigd. Recent is dat gebeurd met het prijsindexcijfer voor de gezinsconsumptie dat is vervangen door het prijsindexcijfer van de consumentenprijs.

Artikel 11.2

In de toelichting op artikel 11.2 wordt gemeld dat de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is op de WTS/WTOS. De leden van de fractie van de PvdA vragen of de minister uiteen kan zetten waarom deze inkomensafhankelijke regeling volgens hem als inkomensvoorziening dient te worden aangemerkt.

De basistoelage (artikel 4.2, onderdeel a) maakt een substantieel deel uit van de tegemoetkoming in de studiekosten. Deze inkomensonafhankelijke toelage is vergelijkbaar met de basisbeurs (WSF 2000) en de kinderbijslag. Volgens de memorie van toelichting op de Awb derde tranche moeten de studiefinanciering, algemene sociale uitkeringen en individuele huursubsidie worden aangemerkt als een (aanvullende) inkomensvoorziening. De bestedingsrichting van deze toelagen of uitkeringen staat, anders dan bij subsidies, immers niet vast. Deze toelagen of uitkeringen vallen dus buiten het subsidiebegrip van artikel 4:21 van de Awb. Ook de tegemoetkoming in de schoolkosten zal niet worden verstrekt ter verrichting van een bepaalde activiteit, maar om te voorzien in de kosten van bestaan, zodat evenmin sprake is van subsidie (kamerstukken II 1993–94, 23 700, nr. 3, blz. 34).

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

L. M. L. H. A. Hermans

Naar boven