Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2000-200127400-XIV nr. 83

27 400 XIV
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (XIV) voor het jaar 2001

23 147
Regels ter bescherming van in het wild levende planten- en diersoorten (Flora- en faunawet)

nr. 83
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 21 maart 2001

De vaste commissie voor Landbouw, Natuurbeheer en Visserij1 heeft op 21 februari 2001 overleg gevoerd met staatssecretaris Faber van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij over de brieven van de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij:

– d.d. 12 december 2000 inzake algemene maatregelen van bestuur ingevolge artikel 103 Flora- en Faunawet (LNV-00-1079);

– d.d. 7 december 2000 inzake de brief KNJV e.a. inzake Verzoek bijdrage kosten op- en inrichting faunabeheereenheden (LNV-00-1050);

– d.d. 19 december 2000 inzake Uitzetten Fazanten (LNV-00-1094);

– d.d. 3 januari 2001 inzake Terugdringen wildschade (LNV-01-10);

– d.d. 30 januari 2001 inzake Drijfjacht (27 400-XIV, nr. 59);

– d.d. 9 februari 2001 over Flora- en Faunawet artikel 13, lid 1b (23 147, nr. 127).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw Swildens-Rozendaal (PvdA) stelt dat in de Flora- en Faunawet de intrinsieke waarde van het dier en de bescherming van in het wild levende planten en dieren uitgangspunten zijn. Alleen als door een bepaald dier schade wordt veroorzaakt, mag op die bescherming inbreuk worden gemaakt. Slechts in het uiterste geval mogen de dieren worden gedood met een geweer, maar dan is er geen sprake van «jacht». Die is immers alleen toegestaan op een aantal in de Flora- en Faunawet genoemde diersoorten.

In de wet is de inbreuk op de bescherming van dieren nader geregeld door een systeem van vrijstelling en ontheffing voor de diersoorten die landelijk of provinciaal aanmerkelijke schade veroorzaken. De AMvB's zijn opgesteld om een wettelijke basis te scheppen voor het geval ingrijpen en doden echt het laatste middel is om schade te bestrijden. Kan de staatssecretaris bevestigen dat dit inderdaad de opzet is geweest? Door de gedetailleerdheid van de AMvB's kan namelijk onterecht de indruk ontstaan dat alle niet-bejaagbare diersoorten vogelvrij worden verklaard. Zo wordt omwille van schadebestrijding het doden van vossen op industrieterreinen en sportvelden toegestaan. Kan die schade niet op een andere manier voorkomen worden?

Met betrekking tot levende lokdieren lijkt er in de AMvB meer toegestaan dan in de wet. Op welke manier kan gegarandeerd worden dat de dieren inderdaad gefokt zijn? Waarom is er geen gebruik gemaakt van de wettelijke mogelijkheid om bij AMvB beperkingen te stellen, bijvoorbeeld ten aanzien van het vastbinden van stenen aan de poten van lokeenden?

Het gebruik van klemmen, vangkooien en kastvallen is zeer dieronvriendelijk en werkt aselectief omdat soms andere dan de beoogde dieren worden gevangen. Op welke manier kan bevorderd worden dat deze middelen in beperkte mate worden gebruikt? Overigens zijn deze instrumenten niet te verbieden, omdat dieren anders moeten worden afgeschoten om schade te bestrijden, hetgeen nadelig kan zijn voor de overige flora en fauna.

Schadebestrijding mag zowel uit stilstaande motorvoertuigen als in schoon- en broedtijd plaatsvinden in tegenstelling tot hetgeen in het kader van de jacht is toegestaan. Het verschaffen van jachtgenot aan particulieren buiten het gezelschap van de jachthouder zelf, bemoeilijkt evenwel de controle op overtreding van deze bepaling. Verder wordt voorgesteld om jacht op watervogels uit stilliggende boten toe te staan. Kan in dezelfde regeling opgenomen worden dat die boten niet te dicht bij elkaar mogen liggen omdat er anders een ongewenste vorm van jacht kan ontstaan?

Het is toegestaan dat honden worden getraind in het opsporen van fazanten en patrijzen. Kan de staatssecretaris bevestigen dat die training niet in de broedtijd mag plaatsvinden?

De provincies hebben voor hun gebied de verantwoordelijkheid over de vrijstellingslijst gekregen. Waarom staan op die lijst bijvoorbeeld de holenduif en de ringmus, waarvan nog niet goed bekend is hoeveel schade zij veroorzaken? Waarom staat de huismus op die lijst, terwijl die op een aantal plekken sterk terugloopt in aantal? Waarom is het mogelijk om diersoorten waarop gejaagd mag worden, ook in het kader van schadebestrijding af te schieten? De meest zorgwekkende vermelding op de provinciale lijst zijn evenwel de ganzen, waarvoor landelijk opvanggebieden gecreëerd zijn. Hoe staat het overigens met het extra gebied van 55 000 ha dat voor de ganzen beschikbaar zou komen? De Kamer heeft in 1993 (motie PvdA/CDA) uitgesproken dat er op migrerende trekvogels niet gejaagd mag worden en dat er in geval van ernstige schade eerst geprobeerd moet worden, de dieren te verjagen. Kan de staatssecretaris bevestigen dat het de grondgebruiker op grond van artikel 65 alleen is toegestaan, ganzen te verjagen? Kan zij bevestigen dat het niet de bedoeling is dat de dieren op basis van die provinciale vrijstelling gedood worden?

Jacht in natuurgebieden is niet toegestaan. Uit het oogpunt van schadebestrijding mag eventueel afschot plaatsvinden, maar ook daarbij dient uiterste terughoudendheid betracht te worden om de rust in natuurgebieden te waarborgen. Kan de staatssecretaris ook dit punt nog eens bevestigen? Bij het opstellen van beheerplannen moet in het kader van integraal faunabeheer niet alleen aandacht zijn voor schadegevoelige gewassen, maar ook voor alternatieven en voor effecten van ingrijpen op andere soorten. Er moet met transparante faunabeheerplannen voor elk gebied maatwerk geleverd kunnen worden. Is de staatssecretaris bereid om de provincies aan te moedigen tot het oprichten van provinciale platforms, waarin deskundigen juist die andere kanten kunnen belichten? Is zij nog steeds van mening dat inmiddels opgerichte faunabeheereenheden hun uitgaven kunnen beperken door standaardbasisplannen op te stellen? Dat zou in strijd zijn met het principe van maatwerk voor elk gebied.

Er is nog geen ministeriële regeling beschikbaar ex artikel 84 over de bepaling van schade naar redelijkheid en billijkheid, terwijl die betrokken zou worden bij de behandeling van de AMvB's. Het hoge beschermingsniveau van dieren dat in de wet is afgesproken heeft consequenties voor schade en vergoedingen. Het Faunafonds zou in dezen een centrale rol moeten spelen, maar nu lijkt een en ander aan de provincies te worden overgelaten. Het risico bestaat echter dat hun ontheffingsbeleid wordt bepaald door financiële aspecten.

In het Besluit beheer en schadebestrijding staat in artikel 4, lid 1c, dat als er sprake is van lijden van zieke of gebrekkige dieren, er met afschot mag worden ingegrepen. Dat impliceert dat er bij gezonde dieren niet wordt ingegrepen. Het beleid moet gericht zijn op ontrastering en vrijere migratiestromen; dieren mogen absoluut niet bijgevoerd worden. Kan de staatssecretaris deze punten nog eens bevestigen?

Als grote hoefdieren toch moeten worden gedood, dient dat zeer selectief te gebeuren door middel van de kogel. Daarbij zijn professionaliteit en deskundigheid van groot belang. Drijfjacht mag niet worden toegestaan, omdat die methode aselectief werkt en een te grote verstoring teweegbrengt. Drukjacht kan worden toegestaan, mits die wettelijk goed geregeld wordt. Het moet gaan om een één-op-één-situatie, dus één jager die na selectie één wild zwijn schiet, eventueel geholpen door een hulpje. Als het afschieten op deze manier en niet veelvoudig plaatsvindt, zal er nauwelijks sprake zijn van verstoring. Als deze manier van jagen wettelijk niet goed geregeld kan worden, is de aanzitjacht een goed alternatief.

Tegen het uitzetten van fazanten dient streng te worden opgetreden. Mogelijk zou het registreren van de aflevering van gefokte exemplaren de controle ten goede kunnen komen.

Met betrekking tot het amendement-Swildens-Rozendaal (23 147, nr. 106) heeft de staatssecretaris gesteld dat het beleid op dit punt op Europees niveau geharmoniseerd moet worden. Is zij bereid om te bevorderen dat de voorwaarden en de ketenbewaking, zoals neergelegd in de Flora- en Faunawet, op enig moment internationaal kunnen worden ingevoerd?

De heer Passtoors (VVD) memoreert aan de kernpunten in de Flora- en Faunawet, namelijk de bescherming van in het wild levende dieren en planten, en het evenwicht tussen bescherming en beheer, waarvan schadebestrijding een onderdeel uitmaakt. Het aantal AMvB's dat uit de wet is voortgevloeid, is kleiner dan verwacht, maar daar staat tegenover dat het opstellen ervan een tijd geduurd heeft, omdat er veel overleg nodig was tussen de betrokken partijen. Een aantal ministeriële regelingen en een Koninklijk Besluit moeten nog worden opgesteld. Kan de staatssecretaris met het oog daarop aangeven wanneer de wet daadwerkelijk in werking kan treden?

Voorheen is ex artikel 53 van de Jachtwet een aantal vergunningen verstrekt. Behouden die hun geldigheid als de Flora- en Faunawet van kracht wordt? Is er in dit verband een overgangsrecht? Zal er in een keer worden overgegaan op de nieuwe wetgeving of zal er sprake zijn van een redelijke overgangstermijn?

Waarom is afgeweken van de voorstellen over de landelijke vrijstelling voor de zwarte kraai en de provinciale vrijstelling voor de vos? Hoe verhoudt zich dit met de bevestiging van de staatssecretaris dat deze diersoorten vaak weideprojecten frustreren? Het benodigde draagvlak voor die projecten vermindert als de populaties van kraaiachtigen en vossen niet beheerd worden. Ook de vlaamse gaai ontbreekt op de provinciale vrijstellingslijst, omdat de staatssecretaris de schade die door deze diersoort wordt veroorzaakt eerst wil monitoren. Is het niet verstandiger om deze vogels op de lijsten te zetten en er pas anders over te beslissen als daar op basis van de monitor aanleiding toe is?

In de toelichting bij de AMvB wordt de indruk gewekt dat bij vrijstelling voor het vangen en doden van een dier alsnog ontheffing ex artikel 68 nodig is. Is er op dit punt geen sprake van een nodeloze extra administratieve last?

Kan de staatssecretaris bevestigen dat een aantal provincies gebruikmaakt van de adviserende diensten van Laser? In dat geval moeten faunabeheereenheden in wezen weer met de centrale overheid onderhandelen, terwijl in de wet juist bepaald is dat ontheffingen ex artikel 68 op decentraal – provinciaal – niveau moeten worden behandeld.

In artikel 15, lid 4b van het Jachtbesluit wordt de patrijs niet genoemd. Betekent dit dat het artikel moet worden gewijzigd als de jacht op de patrijs wordt geopend? Is er bij de Beneluxraad overigens al gevraagd naar de invulling van artikel 22 van het Jachtbesluit, de indeling in categorieën?

Over de begrippen «gehouden dieren», «recreatiedieren» en «hobbydieren» bestaat verwarring, evenals over de mogelijkheid om deze dieren te houden. Wat zal er gebeuren met de dieren die opeens niet meer gehouden mogen worden?

De KNJV, LTO Nederland, Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en de Federatie Particulier Grondbezit hebben ongeveer 21 faunabeheereenheden opgericht. Dit initiatief verdient een positieve benadering van zowel het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij als het IPO, en een solide financiering is daarbij wenselijk. Is de staatssecretaris bereid om de Kamer te informeren over het verloop van de overleggen tussen betrokkenen?

De drijfjacht is nodig om in korte tijd een groot afschot te realiseren en kan om die reden als mogelijke jachtmethode instandgehouden worden. Als zich op grote schaal een bepaalde ziekte voordoet, kan het namelijk nodig zijn om in korte tijd een groot aantal dieren af te schieten.

Op grond van onder meer een AID-rapport eist een aantal organisaties dat de jacht op fazanten verboden wordt. Misbruik mag evenwel geen reden zijn om de benuttingsjacht op de fazant af te schaffen. De nadruk moet liggen op de handhaving van de wet en bij overtreding daarvan moet hard opgetreden worden. Overigens heeft de KNJV adequate maatregelen genomen om de illegale praktijken rond de fazantenjacht aan te pakken.

Is de staatssecretaris bereid om het onderwerp stroperij onder de aandacht te brengen van haar collega's? Als er niet gecontroleerd wordt, kunnen zich immers zeker misstanden voordoen.

De bewoners van het landelijk gebied zijn de natuurbeheerders van de eigen omgeving. Het draagvlak voor het beheer is dan ook van groot belang.

Mevrouw Vos (GroenLinks) is van mening dat de voorliggende AMvB's geen recht doen aan de uitgangspunten van de Flora- en Faunawet, namelijk de intrinsieke waarde van het dier en de bescherming van planten en dieren. De begrippen «schade» en «schadebestrijding» zijn erg ruim omschreven, waardoor er veel mogelijkheden zijn voor ontheffing.

De staatssecretaris heeft in een brief aan de KNJV gesteld dat het afwegingskader van de Flora- en Faunawet niet wezenlijk verschilt van de huidige wetgeving. Verschilt de nieuwe wet echter niet juist van de oude vanwege het verankeren van die intrinsieke waarde van het dier?

De handhaving van de wet wordt steeds problematischer omdat de politie er te weinig prioriteit aan geeft en met een tekort aan menskracht kampt. Op welke manier wil de staatssecretaris de problemen aanpakken? De politie schijnt het handhaven van groene wetten te willen doorberekenen aan de jachthouders. Dient deze taak echter niet gewoon door de politie te worden uitgevoerd?

Eventuele alternatieven voor de jacht zijn zowel in de wet als in de AMvB's onvoldoende uitgewerkt. Is de staatssecretaris bereid, meer alternatieven te ontwikkelen en daar meer geld voor beschikbaar te stellen? In dit verband moet er meer aandacht zijn voor een instrument als het Faunafonds. De financiële middelen voor dit fonds zouden overigens niet uitgebreid moeten worden met geld dat nu voor jachtaktes betaald wordt.

De drijfjacht is niet meer van deze tijd, hetgeen onder meer blijkt uit de geringe mate waarin deze vorm van jacht nog wordt toegepast. Is de staatssecretaris bereid een wetswijziging met een verbod op te stellen? Verder is de gedachte dat de drukjacht netjes geregeld kan worden een illusie.

Dieren schijnen nog altijd massaal te worden bijgevoerd. Moet ook op dit punt niet een regeling in het leven worden geroepen?

Uit het rapport van de AID blijkt dat fazanten massaal illegaal worden gefokt en uitgezet. De overheid kan daar blijkbaar niets tegen doen. Op welke wijze wil de staatssecretaris dit probleem aanpakken? Waarom heeft zij nog geen verbod op de fazantenjacht afgekondigd? Hoeveel jachtakten zijn er vanwege de jacht op illegaal gefokte fazanten al ingetrokken? Verplichte ringen voor fazanten zijn geen goede manier om de illegale praktijken tegen te gaan, omdat die gemakkelijk verwijderd kunnen worden. Wellicht kan in plaats daarvan het verplicht registreren van fokken en afzet effectief zijn.

In de AMvB zijn de mogelijkheden om op vossen te jagen uitgebreid. Is de schade aan hobbyvee en op industrieterreinen en begraafplaatsen echt zo groot dat daartoe aanleiding is? Wat schade aan weidevogels betreft, is er in ieder geval meer onderzoek nodig. In de duinen zijn konijnen namelijk de voornaamste prooi van vossen en in de polder heeft onvoldoende onderzoek plaatsgevonden om conclusies te kunnen trekken. Zijn er overigens misschien alternatieven mogelijk voor de vossenjacht?

Over het Jachtbesluit stelt mevrouw Vos de volgende vragen. Waarom mogen honden, in strijd met bijvoorbeeld de vogelrichtlijn, in het voorjaar worden getraind worden voor de jacht op fazanten en patrijzen? Waarom zijn in het kader van schadebestrijding de mogelijkheden tot het jagen in het donker, in de sneeuw, binnen de bebouwde kom en op zondagen uitgebreid? Waarom mogen er weer levende dieren, zoals honden, fretten, jachtvogels en levende lokvogels, worden gebruikt? Waarom zijn dieronvriendelijke en aselectieve methoden zoals kastvallen, kooien en klemmen weer toegestaan? Zou bij het jachtexamen niet getoetst moeten worden op de kennis over dierenleed en alternatieve methoden? Waarom is het jachttoerisme, het jachtgenot buiten het gezelschap van de jager, niet gewoon verboden? Waarom zijn ganzen weer als provinciale schadesoort aangewezen? Hoe groot is het risico dat de uitbreiding van de jacht op de steenmarter negatieve gevolgen heeft voor de boommarter, gezien de gelijkenis tussen de twee diersoorten?

De kwaliteit van de faunabeheerplannen verdient aandacht. In artikel 10 van het Besluit faunabeheer staat bijvoorbeeld dat kwantitatieve gegevens alleen overhandigd behoeven te worden als ze beschikbaar zijn. Hoe wordt evenwel bepaald op welk dier er wordt gejaagd als die gegevens niet voorhanden zijn? Verder is de suggestie dat er een soort één-op-één-relatie is tussen het aantal dieren en de schade, te simplistisch. Faunabeheerplannen kunnen beter onderbouwd worden als er een onafhankelijke wetenschappelijke toets aan verbonden wordt. Is de staatssecretaris bereid om mogelijkheden daartoe te onderzoeken?

Mevrouw Augusteijn-Esser (D66) stelt dat in de Flora- en Faunawet het beheer van met name de fauna veel meer gericht is op schadebeheer en het uitgangspunt veranderd is van «doden mag» naar «niet doden, tenzij». In dit licht moeten ingediende beheerplannen uiterst zorgvuldig getoetst worden, bij voorkeur door een onafhankelijke landelijke commissie. Is de staatssecretaris het hiermee eens? Verder moeten beheerplannen regionaal kunnen verschillen, afhankelijk van de ecologische kwaliteit van het gebied. Er moet dus sprake kunnen zijn van maatwerk. Ook moeten provincies gecontroleerd kunnen worden op de uitvoering van de plannen en moet er controle zijn op het verlenen en uitvoeren van vrijstellingen. Verder moet bij schadebestrijding zorgvuldig worden overwogen of er wellicht diervriendelijke alternatieven zijn, want die verdienen te allen tijde de voorkeur.

In de AMvB wordt het gebruik van lokdieren toegestaan. Het moet evenwel duidelijk zijn dat dit gebruik alleen aan de orde is als alternatieven niet voorhanden of niet toereikend zijn. Ook mag er geen sprake zijn van dierenmishandeling. Op overtredingen van deze bepalingen moet een forse straf staan. Waarom zijn er overigens geen alternatieven opgenomen voor het gebruik van aardhonden en fretten bij de bestrijding van vossen en konijnen? In de faunabeheerplannen zou wat betreft vangst- of jachtmethoden eigenlijk een voorkeursvolgorde voor schadebestrijding vastgesteld moeten worden.

Het bijvoeren van in het wild levende dieren moet tot het uiterste beperkt blijven. Voedsel mag alleen verstrekt worden in tijden van grote schaarste, zoals in strenge winters. Momenteel bestaat de indruk dat dieren ook worden bijgevoerd om de populatie groter te maken ten behoeve van de jacht. Dat past niet bij de uitgangspunten van de wet.

Drijf- en drukjachten op wilde zwijnen zijn toegestaan, terwijl ze reeds lange tijd verboden zijn op edelherten, damherten en reeën. Deze jachtmethoden zijn ook niet nodig om de populatie van de zwijnen in de hand te houden, want uit cijfers blijkt dat het grootste deel van de zwijnen gedood wordt door de aanzitjacht. Verder blijkt dat dieren bij drijf- en drukjachten vaak alleen maar gewond raken, waardoor zij later een pijnlijke dood sterven. In de Flora- en Faunawet worden drijf- en drukjacht evenwel niet uitgesloten. Gedeputeerde staten zijn zelfs niet verplicht om nadere voorschriften te verbinden aan ontheffingen, zoals een verbod op drijf- en drukjacht. De enige manier om deze jachtmethoden te laten verdwijnen, is door een wettelijk verbod uit te vaardigen. Dit verbod zou voor het nieuwe jachtseizoen van kracht moeten worden.

Er zijn sterke aanwijzingen dat fazanten ten behoeve van de jacht worden gefokt en uitgezet en in sommige gevallen zijn daar jachtopzichters bij betrokken. Overtreders worden vindingrijker en intrekking van de jachtvergunning lijkt niet te werken. Zou een algeheel verbod op fazantenjacht niet een oplossing kunnen zijn?

Volgens artikel 4 van de AMvB en artikel 68 van de Flora- en Faunawet kan de vos, als schade is aangetoond, worden bestreden. Wordt aan eigenaren van hobbydieren gevraagd om maatregelen tegen vossen te treffen? Om hoeveel vossen gaat het eigenlijk en wat is de aard van de schade? Is de terugloop van het aantal weidevogels echt te wijten aan de vossen? Uitgangspunt is toch de zorg voor de biodiversiteit in de gebieden.

Het jagen op vossen, houtduiven, kraaien, eksters en konijnen tijdens het zoog- en broedseizoen is toegestaan. Is het echter niet beter voor het welzijn van dieren dat zij in die periode gevrijwaard worden van het jagen? Overigens kan het verwijderen van nesten van kraaien en eksters dienen als een middel om de populatie te beperken.

In de toelichting bij het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten zou opgenomen kunnen worden dat gefokte herten en zwijnen op dezelfde manier gedood worden als andere consumptiedieren, zoals varkens en koeien. Is de staatssecretaris daartoe bereid?

De Europese Commissie heeft het amendement-Swildens-Rozendaal (23 147, nr. 127) afgewezen, hetgeen betekent dat er vrij handelsverkeer mogelijk is van uit het wild gevangen, niet-beschermde diersoorten. Er zijn echter goede fokprogramma's voorhanden en er zou dan ook naar andere wegen gezocht moeten worden om de vrije in- en uitvoer van uit het wild gevangen dieren te voorkomen.

Mevrouw Schreijer-Pierik (CDA) is van mening dat er in de AMvB's een goede balans is gevonden tussen de bescherming van soorten en de mogelijkheid om ingrepen in de natuur toe te staan als dat nodig is. Op een aantal punten is evenwel aanvulling of verbetering noodzakelijk. Zo staat in de Flora- en Faunawet dat ontheffing pas aan de orde is als vrijstelling of aanwijzing niet verleend kunnen worden. De algemene toelichting bij het Besluit beheer en schadebestrijding dieren is op dit punt echter niet duidelijk en dient daarom in overeenstemming te worden gebracht met de systematiek van de wet.

De procedure die in geval van schade gevolgd moet worden, is onduidelijk. In artikel 84, lid 2 staat dat regels gesteld kunnen worden, maar de betreffende ministeriële regeling is nog niet bekend gemaakt.

Het beheer van weidevogels en vossen is een zaak die met name op het platteland van belang is en daarom moet er daar draagvlak zijn voor de maatregelen. Om een ontheffing te verkrijgen voor bestrijding van schade door vossen zal een zeer ingewikkelde procedure gevolgd moeten worden, hetgeen adequaat beheer in de praktijk nagenoeg onmogelijk maakt. In plaats daarvan zou de vos op de landelijke lijst geplaatst kunnen worden, via een aanwijzing ex artikel 67 door gedeputeerde staten, of door gebruik te maken van een vrijstelling door de minister ex artikel 75, lid 3. Daarbij zou het in datzelfde artikel onder 4c genoemde belang moeten worden aangegeven in de AMvB, artikel 4. De zwarte kraai staat ook niet op de landelijke vrijstellingslijst, terwijl hij in de landbouw veel schade aanricht. Zelfs het Faunafonds heeft geadviseerd deze vogelsoort op de vrijstellingslijst te plaatsen.

Het doel van de jacht op wilde zwijnen dient altijd gericht te zijn op het handhaven van de populatie in overeenstemming met de draagkracht van het terrein. Het achterwege laten van dit beheer zou uit het oogpunt van dierenwelzijn onverantwoord zijn. Het is dan ook van belang dat er gedegen cijfers beschikbaar zijn over de omvang van de populatie. Ook moet er wat betreft populaties van wilde zwijnen sprake zijn van selectief jachtbeheer. Drijfjacht mag daarom alleen worden toegestaan als minder onrust veroorzakende jachtvormen niet voldoen. Als er bijvoorbeeld veel natuurlijk voedsel voor de dieren beschikbaar is, is lokvoer in het kader van de aanzitjacht niet voldoende effectief. De staatssecretaris zou in de komende vijf jaar wel onderzoek kunnen laten verrichten naar de mogelijkheden van effectieve beheersjacht zonder drijfjacht. Is de staatssecretaris tot een dergelijk onderzoek bereid?

Kan de staatssecretaris bevestigen dat discussie over de Hofjacht overbodig is omdat op de Kroondomeinen dezelfde regels uit de Flora- en Faunawet van toepassing zijn als in de rest van Nederland? Zijn er in dit verband wel eens overtredingen geconstateerd?

Uit een IBN-DLO-rapport uit 1999 blijkt dat de voorjaarsstand van wilde zwijnen op de Veluwe in de afgelopen vijf jaar groter was dan op basis van het natuurlijk voedselaanbod mogelijk was. De vraag is daarom of het bijvoeren van zwijnen wel voldoende in de hand wordt gehouden. Bijvoeren moet beperkt blijven tot voorkoming van honger onder een populatie die overeenkomt met de natuurlijke draagkracht van het terrein en tot lokvoeren in het geval dat nodig is.

Het is verheugend dat de KNJV krachtig stelling neemt tegen het uitzetten van fazanten voor de jacht. Daarnaast is het goed dat van jagers de jachtakte wordt afgenomen als blijkt dat zij de regels op dit punt overtreden.

In artikel 46, lid 3 van de Flora- en Faunawet staat dat de jacht in wetlands en SPA's, 25% van de oppervlakte van Nederland, in principe verboden is. Deze maatregel belemmert schadebestrijding op bedrijven die in die gebieden gevestigd zijn. Is de staatssecretaris bereid om in artikel 15 van de AMvB aan te geven dat onder strikte voorwaarden beheer en schadebestrijding redenen kunnen zijn om het jachtverbod in deze gebieden op te heffen? Met deze bepaling zou ook de stroperij in de gebieden beperkt worden.

De heer Poppe (SP) maakt uit de AMvB's op dat er nog geen eind is gekomen aan de drijfjacht als jachtinstrument. Het draagvlak tegen de drijf- en drukjacht is daarentegen zowel in de samenleving als in de Kamer sinds het aannemen van de Flora- en Faunawet toegenomen. Deze jachtvormen zijn niet effectief omdat dieren vaak slechts worden verwond. Is de staatssecretaris bereid een wetswijziging met een verbod tot drijf- en drukjacht op te stellen?

In het Jachtbesluit staat dat de jachthouder schriftelijk toestemming kan verlenen van het hem toekomende genot van de jacht. Die uitdrukking is sterk verouderd en in strijd met het uitgangspunt van de bescherming van dieren. Daarnaast is het vreemd dat de jachthouder zijn «genot» aan anderen mag overdragen. Is het mogelijk om in die praktijk meer toezicht te laten plaatsvinden?

Volgens artikel 15 van het Jachtbesluit geldt het verbod op jagen in de sneeuw niet voor wilde eenden, houtduiven, konijnen, hazen en fazanten. Is de staatssecretaris bereid om een algeheel jachtverbod bij langdurige koude of sneeuw uit te vaardigen? Het bejagen van enkele soorten zal namelijk ook onrust veroorzaken bij andere dieren, die bij koud weer weinig weerstand hebben.

In de wet staat dat benuttingsjacht alleen is toegestaan op zes nader bepaalde diersoorten. Uit de AMvB ontstaat echter de indruk dat de vos de zevende diersoort is als hij zich begeeft op sportvelden, industrieterreinen en begraafplaatsen, of schade aanbrengt aan bedrijfsmatig gehouden vee. De vos zou eigenlijk alleen bejaagd mogen worden als andere alternatieven zijn uitgesloten. De overheid zou in het ontwikkelen van alternatieven het voortouw moeten nemen. Het is overigens maar de vraag of er inderdaad sprake is van grote populaties vossen, aangezien elke vos een eigen territorium vaststelt waarin hij geen andere vossen duldt.

De jachtmiddelen waarmee dieren mogen worden gevangen en gedood, zoals kooien en klemmen, getuigen niet van de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier. Dit geldt zeker ook voor de inzet van lokdieren, hetgeen eigenlijk niet toegestaan zou mogen worden.

Is de staatssecretaris bereid om een onafhankelijk wetenschappelijk orgaan bij het opstellen van de faunabeheerplannen te betrekken?

Aan het verlenen van bijzondere vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen zijn specifieke bepalingen verbonden. Zo is vrijstelling verleend voor het houden van gefokte dieren of producten van dieren die tot de inheemse diersoorten behoren. Op welke manier kan de staatssecretaris evenwel controleren dat dieren echt gefokt zijn in plaats van uit het wild gevangen? Is het niet effectiever om het houden van en de handel in beschermde inheemse dieren te verbieden?

Uit het rapport van de AID blijkt dat het effect van de handhaving van regelgeving op het punt van fazanten gering is en dat er naar andere manieren gezocht moet worden om de uitzetting van fazanten terug te dringen. Bovendien wordt geconcludeerd dat schadebestrijding niet de belangrijkste reden is voor jacht op fazanten. Uit het illegaal uitzetten kan worden afgeleid dat er kennelijk niet genoeg fazanten in het wild leven om op te jagen. De overtredingen zijn daarnaast reden om de jacht op fazanten te verbieden.

De heer Stellingwerf (ChristenUnie) wijst op het uitgangspunt in de Flora- en Faunawet dat zes diersoorten vrij bejaagbaar zijn en dat andere diersoorten alleen in het kader van beheer, onder bepaalde voorwaarden, mogen worden afgeschoten. Het begrip «jacht» is dan ook alleen van toepassing op de wildlijst met zes diersoorten. Bij schadebestrijding kan wellicht beter gesproken worden over «afschot». Een ander uitgangspunt in de wet is de decentralisatie van beleid naar provincies. De provinciale overheid kan immers het best bepalen welke maatregelen nodig zijn op het eigen gebied.

Uit onderzoeken van de AID en de Dierenbescherming blijkt dat fazanten vrijwel altijd in het kader van de jacht worden uitgezet. Het uitzetten van fazanten op zichzelf is momenteel namelijk toegestaan als daarmee nesten die bij het maaien van gras verloren zijn gegaan, gecompenseerd worden. Aangezien deze mogelijkheid wordt misbruikt, en er in de praktijk slechts een gering aantal fazanten bij het maaien omkomt, zou deze bepaling uit de wet geschrapt kunnen worden. Het uitzetten van fazanten zou dan in het geheel verboden zijn, hetgeen de duidelijkheid vergroot en de handhaving vergemakkelijkt.

Volgens de Flora- en Faunawet mag de jacht met roofvogels alleen plaatsvinden met de gekweekte binnenlandse vogelsoorten havik en slechtvalk. In de AMvB wordt het begrip «jachtvogels» echter in algemene zin gehanteerd. Betekent dit dat er toch vogels gebruikt mogen worden die in het wild gevangen of geïmporteerd zijn?

Van de hoefdieren zijn de wilde zwijnen de enige waarop nog door middel van een drijfjacht gejaagd mag worden. Grotere consistentie in dezen is gewenst, zeker gezien het verbod op drijfjachten dat Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, de provinciale landschappen en een aantal bosbeherende gemeenten reeds hebben uitgevaardigd. Zou de omslag in de wet van jacht naar beheer niet tot gevolg moeten hebben dat wordt afgezien van de drijfjacht op wilde zwijnen? Is de staatssecretaris bereid, op dit punt een wetswijziging voor te bereiden?

Het gebruik van lokvogels is vanwege de grote mate van stress bij de dieren ongewenst. Het middel is daarnaast feitelijk overbodig.

Sinds de regionalisering van de politie is de veldpolitie opgeheven. Het toezicht op de groene wetten is teruggelopen, omdat de regiopolitie prioriteit geeft aan de criminaliteitsbestrijding. De politie is om die reden onbekender met het gebied dan voorheen. Momenteel wordt in de natuurgebieden nog toezichtgehouden door bijvoorbeeld boswachters, jachtopzieners en duinwachters. Aangezien de jacht echter op basis van artikel 46, lid 3, grotendeels niet meer aantrekkelijk is voor de jachthouder, zal het draagvlak om nog te investeren in het toezicht teruglopen. De overheid zal daarom het toezicht moeten versterken dat momenteel nog wordt uitgeoefend door de bijzondere opsporingsambtenaren, die overigens veelal ongewapend moeten optreden tegen soms zware criminelen in de stroperij. Naar aanleiding van de motie-Van Heemst (24 420, nr. 7) dient jaarlijks een plan van aanpak groene milieuzorg te worden uitgebracht. Is de staatssecretaris bereid om dat plan en de hiervoor genoemde problematiek te betrekken bij de notitie over het toezicht op de groene wetten die naar aanleiding van de motie-Dijsselbloem (27 235, nr. 8) zal worden opgesteld?

Artikel 14 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten geeft vrijstelling tot het vervoer van zieke of gewonde beschermde inheemse diersoorten. Stropers worden op deze manier in de kaart gespeeld, want om bij controle vrijuit te gaan, behoeven zij alleen maar te betogen dat een dier nog leefde toen het in de auto werd geladen. Deze gang van zaken is te vermijden door een meldingsplicht in te stellen of het grofwild van de bepaling uit te zonderen.

Weidevogelbeheerders en fruittelers vrezen onvoldoende slagvaardig te kunnen optreden tegen schade door vossen en kraaiachtigen, vanwege de administratieve procedures. Omdat het principe van decentralisatie gehandhaafd dient te worden, moeten deze dieren evenwel niet op de landelijke vrijstellingslijst geplaatst worden. De provincie zou in het kader van beheer een tweejaarlijkse vrijstelling kunnen verlenen om via afschot evenwicht te brengen in bepaalde populaties. Met deze maatregel kan ook worden voorkomen dat het nieuwe systeem tot te veel bureaucratie leidt. Overigens mag beheer niet leiden tot hernieuwing van de plezierjacht. Hoe moet in dit kader de constatering van de staatssecretaris worden opgevat dat het afwegingskader in de Flora- en Faunawet niet wezenlijk verschilt van de vigerende wetgeving?

De schadevergoedingsregeling schijnt niet meer te zijn toegesneden op de daadwerkelijke omvang van de schade. Wat zijn de criteria voor schadevergoeding en wie is verantwoordelijk voor het actualiseren van de bijdragen?

De heer Van der Vlies (SGP) is van mening dat jacht op zichzelf niet per definitie een laakbare activiteit is. Het is wel van belang hoe ermee wordt omgegaan. De omslag van vrije jacht naar beheersjacht is vanuit dat oogpunt te rechtvaardigen, maar tegelijkertijd moet wel tegemoetgekomen kunnen worden aan de rechtmatige belangen van betrokkenen.

Het opstellen van de AMvB's, die voortvloeien uit de Flora- en Faunawet, heeft vanwege de weerbarstigheid van de materie lang geduurd. In het algemeen is bepaald dat dieren verjaagd moeten worden in plaats van afgeschoten om schade tegen te gaan. Op die manier verplaatsen de problemen zich echter alleen maar naar een buurgebied. Het is twijfelachtig of de fauna daarmee gediend is en of verplaatsing van het probleem wel ethisch te verantwoorden is. Met betrekking tot de beheerplannen zou er dan ook ten minste sprake moeten zijn van een implementatieperiode.

Een aantal diersoorten geniet momenteel een zekere bescherming, zoals de vos. Die neemt in sommige regio's echter spectaculair in aantal toe, met alle gevolgen voor bijvoorbeeld weidevogels en hobbyvee. Dienen vossen wel zo beschermd te worden?

Aan de financiële ondersteuning van de faunabeheereenheden moet de staatssecretaris samen met het IPO meer aandacht besteden, want die is momenteel ontoereikend.

In 1995 zijn de veldpolitie en milieupolitie opgeheven. Hun taken zouden door de gewone politie worden uitgevoerd, maar daar is onvoldoende sprake van geweest. Om de nieuwe wet te handhaven, zal daarom het toezicht versterkt moeten worden.

Bij de behandeling van de Flora- en Faunawet is uitvoerig gesproken over de drijfjacht. Deze jachtvorm moet als ultieme methode mogelijk blijven in het kader van een beheerplan.

Antwoord van de regering

De staatssecretaris noemt de Flora- en Faunawet een grote stap voorwaarts en wijst op de beleidsverschuivingen die met name gericht zijn op de bescherming van soorten. Dieren worden zo veel mogelijk met rust gelaten, waarmee de intrinsieke waarde van het dier wordt erkend. Ook zijn in de wet een aantal regelingen geïntegreerd en hebben faunabeheereenheden een wettelijke positie gekregen. De beleidsverschuivingen vereisen een aantal bijzondere voorzieningen. In dat verband moet duidelijk zijn dat de bepalingen in de AMvB's niet ruimer zijn dan in de Flora- en Faunawet bedoeld is. De besluiten getuigen juist van die nadruk op de bescherming van diersoorten. Wel moest in de AMvB's een aantal bijzondere voorzieningen worden getroffen omdat er nu eenmaal uitzonderingen in het kader van beheer en schadebescherming moeten worden toegestaan. Bij de behandeling van de wet is dat ook aan de orde geweest. Aan ingrepen in populaties zijn strikte voorwaarden verbonden. De noodzaak tot ingrijpen moet degelijk worden onderbouwd en ontheffingen worden dus slechts met grote terughoudendheid verleend. Het verjagen van diersoorten staat voorop en pas als dat niet afdoende blijkt, staat een aantal andere middelen ter beschikking. Voor een aantal diersoorten, zoals ganzen, geldt een gedoogbeleid. In het algemeen moet evenwel maximale rust verzekerd zijn.

Het opstellen van de AMvB's heeft enige tijd geduurd omdat de materie tamelijk ingewikkeld is. Ook moest een aantal zaken in detail geregeld worden, hetgeen intensieve bestudering vereiste. Een aantal ministeriële regelingen en uitvoeringsbesluiten moet nog worden opgesteld. Rond de zomer zullen de zaken zodanig zijn afgerond dat de wet in werking kan treden.

Op 30 januari is in reactie op vragen uit de Kamer en berichten in de media een brief naar de Kamer gestuurd om duidelijkheid te verschaffen over de drijfjacht op wilde zwijnen op met name Het Loo. Die jacht heeft conform de wettelijke bepalingen plaatsgevonden en in die zin is er dan ook zorgvuldig gehandeld. In de brief is ook inzicht gegeven in de verschillende jachtmethoden, te weten de drijfjacht, de drukjacht en de aanzitjacht. Op Het Loo was in het kader van beheer bewust voor de drijfjacht gekozen omdat het een effectieve methode is om een groot aantal zwijnen tegelijk af te schieten. Om de drijfjacht te kunnen verbieden, moet een wetswijziging worden opgesteld. Met het oog op het uitgangspunt van de bescherming van dieren in de Flora- en Faunawet en gelet op de gedachtegang rond drijfjacht in de samenleving en de Kamer, is de staatssecretaris daartoe bereid. De considerans bij de wet staat het opstellen van een dergelijke wetswijziging ook toe. Het wetsvoorstel tot wetswijziging kan waarschijnlijk voor de zomer naar de Kamer worden gestuurd. Overigens zullen bepaalde vormen van drijfjacht mogelijk moeten blijven voor noodsituaties, bijvoorbeeld voor het geval dat een groot aantal dieren om veterinaire redenen in korte tijd moet worden afgeschoten.

Een verbod op de drijfjacht houdt niet in dat ook de drukjacht in het geheel verboden wordt. Bij de drukjacht is de trefzekerheid en de selectiemogelijkheid groter dan bij de drijfjacht omdat dieren minder hard opgejaagd worden. Verder kan deze jachtvorm effectiever zijn bij het beheren van de omvang van de populatie dan de aanzitjacht. Op welke wijzen de drukjacht zal worden toegestaan, bijvoorbeeld via de één-op-één-benadering, dient evenwel nog bepaald te worden.

Het is verboden om voer te verstrekken aan diersoorten die op de jachtlijst staan. Andere diersoorten mogen als er een tekort is in het natuurlijk voedselaanbod bijgevoerd worden. Daarnaast wordt er natuurlijk voedsel neergelegd in het kader van de aanzitjacht. In de praktijk mag evenwel niet op grote schaal worden bijgevoerd.

De staatssecretaris zegt toe na te gaan of er cijfers beschikbaar zijn over de verschillende jachtvormen en de dieren die daarbij zijn afgeschoten. Als de informatie beschikbaar is, zal de Kamer daar schriftelijk over geïnformeerd worden.

Op de landelijke vrijstellingslijst worden alleen diersoorten geplaatst die veelvuldig belangrijke schade in het gehele land veroorzaken en op de provinciale lijst worden dieren geplaatst die dergelijke schade in delen van het land veroorzaken. Op de lijsten mogen alleen diersoorten worden geplaatst die niet in hun voortbestaan worden bedreigd. Over twee jaar zal een en ander geëvalueerd worden, waarbij ook het Faunafonds zal worden betrokken. De kraaiachtigen staan niet op de landelijke lijst, omdat ze niet in het gehele land veelvuldig belangrijke schade aan vee of gewassen toebrengen. Ook het bestuur van het Faunafonds heeft, weliswaar na enige discussie, ingestemd met plaatsing van de kraaiachtigen op provinciale lijsten, omdat op die manier de regionale verschillen duidelijk worden.

De plaatsing van ganzen op de provinciale lijst is noodzakelijk om naast jachthouders ook grondgebruikers de mogelijkheid te geven om schade door ganzen te bestrijden. Gelet op het gedachtegoed in de wet zullen provincies waarschijnlijk geen vrijstelling tot doden afgeven, maar verjagen moet wel tot de mogelijkheden behoren. De ganzengedoogzones beslaan in totaal 13 000 ha buiten de ecologische hoofdstructuur. In 2002 wordt dat uitgebreid tot 20 000 ha. Daarnaast zijn er ook binnen de ecologische hoofdstructuur rust- en foerageermogelijkheden.

In de AMvB staan niet meer mogelijkheden om op vossen te jagen dan in de wet. De vos staat niet op een vrijstellingslijst omdat hij niet veelvuldig belangrijke schade aanricht aan de landbouw. Volgens artikel 68, vertaald naar artikel 4 van het Schadebesluit, kunnen gedeputeerde staten evenwel in individuele gevallen ontheffing verlenen om schade door vossen te bestrijden. De staatssecretaris zegt toe in samenspraak met het Faunafonds met de provincies te overleggen over de alternatieve ontheffing via artikel 67.

In het AID-rapport staat onder meer dat fazanten nog steeds worden uitgezet ondanks het verbod daartoe. Het is in dit verband verheugend dat de KNJV aan zijn leden heeft laten weten dat overtredingen consequenties hebben voor het lidmaatschap van de vereniging. Van overheidswege is de richtlijn inzake de intrekking van jachtakten aangescherpt: ook van jagers die hebben deelgenomen aan een jachtpartij waarbij is gejaagd op wild waarvan «een redelijk vermoeden bestaat» dat het is uitgezet, wordt de jachtakte ingetrokken. Aangezien de provinciale korpsbeheerders de bevoegdheid tot intrekken hebben, is het niet bij de centrale overheid bekend hoeveel akten tot nu toe zijn ingetrokken. De staatssecretaris zegt toe de betreffende informatie bij de korpsbeheerders te verzamelen en naar de Kamer te sturen. In het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten zijn voorts maatregelen genomen om meer inzicht te verkrijgen in het fokken van fazanten en de bestemming van de gefokte vogels. De effectiviteit van de handhaving van de regels zal daarmee worden vergroot. Het uitzetten van fazanten ter vervanging van nesten die bij het maaien vernietigd zijn, is in de Flora- en Faunawet al niet meer mogelijk.

In een gesprek met de Vereniging van natuurtoezichthouders, waaronder de bijzondere opsporingsambtenaren (BOA's) vallen, is naar voren gekomen dat er waarschijnlijk aanvullende maatregelen nodig zijn om het natuurtoezicht effectief te laten zijn. De begrenzing van het territorium en de verschillende ingeperkte bevoegdheden van de BOA's leiden tot problemen bij handhaving. In overleg met de departementen van Justitie en Binnenlandse Zaken zal daar verder naar gekeken moeten worden. Over de Natuurinspectie zal naar aanleiding van de motie-Dijsselbloem (27 235, nr. 8) een notitie naar de Kamer worden gestuurd, waarbij het toezicht op naleving van de groene wetten betrokken zal worden.

Aan het opzetten van faunabeheereenheden en het opstellen van faunabeheerplannen wordt momenteel hard gewerkt. Zes organisaties leveren een actieve bijdrage aan dat proces onder meer door de opstellers van informatie te voorzien. De faunabeheereenheden zullen op basis van goedgekeurde beheerplannen verantwoordelijk zijn voor het beheer en de schadebestrijding. Met de faunabeheerplannen moet een versnipperd ontheffingenbeleid worden voorkomen. De plannen worden ingevuld naar de situatie in een gebied en het gaat dus om maatwerk. Het opstellen van een basismodel voor faunabeheerplannen en de coördinatie van de individuele beheerplannen doen daar niet aan af. In de beheerplannen moeten deugdelijke kwantitatieve en kwalitatieve gegevens zijn opgenomen, zoals omschreven in het Besluit Faunabeheer, om goedkeuring te verkrijgen van gedeputeerde staten. Mogelijkerwijs zijn niet alle gegevens van meet af aan beschikbaar en in de toekomst zal onderzoek de informatie moeten completeren. Het Faunafonds controleert de faunabeheerplannen en adviseert erover aan gedeputeerde staten. Het kan voor toetsing van de gegevens zonodig onafhankelijke deskundigen inschakelen. Alleen op grond van een goedgekeurd faunabeheerplan kan volgens artikel 68 ontheffing worden verleend.

Voor het coördineren, stimuleren en informeren van nieuwe faunabeheereenheden is f 250 000 beschikbaar gesteld. Aan betrokkenen is gevraagd om een plan van aanpak samen te stellen en als daaruit blijkt dat er voor het organiseren van goed functionerende faunabeheereenheden meer geld nodig is, dan is overleg daarover mogelijk.

De overgangsperiode tussen de oude en nieuwe regelingen is niet groot, want de Flora- en Faunawet treedt rond de zomer in werking. Artikel 114 bevat een overgangsbepaling, die bestaande vergunningen en ontheffingen tot het moment van expiratie respecteert.

In artikel 50 van de Flora- en Faunawet worden de middelen genoemd die gebruikt mogen worden bij de jacht. In het Besluit beheer en schadebestrijding worden de middelen genoemd die gebruikt mogen worden bij beheer en schadebestrijding. Hoewel die middelen effectief zijn gebleken, kleven er soms ook bezwaren aan. Bij schadebestrijding en beheer mag de doelmatigheid evenwel niet uit het oog worden verloren. De bescherming van dieren is het uitgangspunt, maar in het kader van beheer en schadebestrijding moeten er nu eenmaal jachtmiddelen bepaald worden, en daarbij wordt gekeken naar de effectiviteit en efficiency van het middel.

Levende lokeenden worden gebruikt bij de hutjacht op wilde eenden en die vindt slechts in beperkte mate plaats. Er zijn geen aanwijzingen dat lokeenden aan vormen van stress blootstaan. Tegen het gebruik van levende lokeenden is dan ook geen bezwaar, temeer omdat het wild op deze wijze dichter bij de jager wordt gelokt en de kans groot is dat het effectief wordt afgeschoten. De controle op gefokte vogels vindt plaats aan de hand van pootringen. Verder kunnen bij de afgifte van ontheffingen voorschriften worden opgegeven, bijvoorbeeld met betrekking tot de frequentie van de controle. In de wet is opgenomen dat het gebruik van lokeenden is toegestaan en het is moeilijk om situaties te bepalen waarin eventuele beperkingen van kracht kunnen zijn. De staatssecretaris is bereid om eventuele initiatieven van de Kamer op dit punt in overweging te nemen.

Ook voor kastvallen en vangkooien geldt dat in het kader van beheer en schadebestrijding nu eenmaal instrumenten ter beschikking moeten worden gesteld, die effectief zijn. Vangkooien en kastvallen zijn effectief, zeker bij het beheren van de stand bij kraaiachtigen.

Honden mogen ook buiten het seizoen getraind worden voor de jacht omdat er anders te weinig tijd is om ze goed af te richten. De training is noodzakelijk omdat de hond een belangrijk middel is bij het opsporen van aangeschoten wild. Om de rest van de natuur niet al te zeer te verstoren, wordt ontheffing verleend voor de periode voor de broedtijd.

Nadere gedachtewisseling

Mevrouw Swildens-Rozendaal dringt erop aan, provincies te stimuleren om provinciale platforms op te richten, juist om het draagvlak voor het beleid onder de betrokkenen te vergroten.

Kan de ministeriële regeling met betrekking tot schade op korte termijn worden opgesteld?

Kan de staatssecretaris bevestigen dat er in natuurgebieden geen jacht plaatsvindt?

Het is goed dat er een wetswijziging komt met een verbod op drijfjacht op grote hoefdieren, toegespitst op de wilde zwijnen. Het is ook begrijpelijk dat deze vorm van jacht mogelijk moet blijven in noodsituaties. Daarnaast is het voorstelbaar dat de staatssecretaris de drukjacht nader wil overwegen. In de overwegingen dient evenwel de één-op-één-gedachte een leidend principe te zijn. Overigens is de wetswijziging een goede aanleiding om een definitie te vinden van de begrippen «drijfjacht», «drukjacht» en «aanzitjacht», want die worden in de Flora- en Faunawet niet omschreven.

De heer Passtoors merkt op dat de considerans bij de Flora- en Faunawet geen reden kan zijn tot een wetswijziging. Verder is hij van mening dat de maatschappelijke discussie over de drijfjacht gevoed wordt door fanatieke acties met allerlei vormen van misleiding.

Kan er in de op te stellen ministeriële regeling met betrekking tot schadevergoedingen aandacht worden besteed aan een snelle en adequate beoordeling van claims? Zal er sprake zijn van redelijke vergoedingen?

Mevrouw Vos betreurt het dat er weinig alternatieven voor jachtmethoden, dus weinig diervriendelijke methoden om schade te bestrijden, naar voren zijn gebracht. Is de staatssecretaris bereid om zich actiever in te zetten voor het gebruik daarvan, ook in financieel opzicht? Voor lokeenden, hondentrainingen buiten het seizoen, vangkooien en kastvallen moeten toch zeker alternatieven te vinden zijn?

Het illegaal uitzetten van fazanten is een groot probleem. De staatssecretaris zou duidelijk moeten zijn tegen fazantenjagers. Kan hen geen «ultimatimumtermijn» worden gesteld, ofwel een datum waarop de zaken in orde moeten zijn?

Het is verheugend dat er een verbod op de drijfjacht komt. De drukjacht kan daarnaast evenwel niet blijven voortbestaan, want op die manier ontstaat er een onduidelijke situatie. Het bestaan van de drukjacht is overigens niet noodzakelijk.

Mevrouw Augusteijn-Esser is heel tevreden over het verdwijnen van de drijfjacht.

Wil de staatssecretaris bevorderen dat volgend jaar de exacte cijfers beschikbaar zijn van overtredingen die zijn geconstateerd op de bepalingen inzake de fazantenjacht?

Mevrouw Schreijer-Pierik acht het positief dat er een wetsvoorstel wordt opgesteld over de drijfjacht. Wat gebeurt er echter als blijkt dat er niet voldoende dieren kunnen worden afgeschoten via de drukjacht en de aanzitjacht?

Mevrouw Schreijer spoort de staatssecretaris aan om in het kader van de schadebestrijding met de provincies te spreken over het gebruik van artikel 67 in plaats van artikel 68.

De heer Poppe betwijfelt of de toets door het Faunafonds op de faunabeheerplannen onafhankelijk en wetenschappelijk genoeg is. Is de staatssecretaris overigens bereid om het ontwerpfaunabeheerplan bekend te maken, bijvoorbeeld op de provinciale websites, en daaraan een korte inspraaktijd te koppelen voor belanghebbenden?

De faunabeheereenheden hebben een wettelijke taak, namelijk het uitvoeren van de beheerplannen. Kan op de uitvoering in het veld onafhankelijke controle plaatsvinden door een instantie die terugrapporteert aan de provincie?

Het is niet goed dat er bij barre weersomstandigheden gejaagd mag worden, zoals volgens de uitzonderingsbepaling in artikel 15 is toegestaan.

De heer Stellingwerf verzoekt de staatssecretaris zich bij het opstellen van de wetswijziging voornamelijk te richten op een «excessenbepaling».

Mag er, in het kader van de jacht met roofvogels, alleen worden gejaagd met slechtvalken en haviken die in Nederland zijn gefokt, of mag er ook met geïmporteerde en in het wild gevangen dieren worden gejaagd?

Is de staatssecretaris bereid om faunabeheerplannen, jaarverslagen, ontheffingen en vergunningen ook bekend te maken via een moderner medium dan de staatscourant, bijvoorbeeld op internet?

De heer Van der Vlies stelt dat de wetsgeschiedenis van de Flora- en Faunawet duidelijk is over de drijfjacht. Na de wetsbehandeling is een maatschappelijke discussie ontstaan en heeft zich een verschuiving voorgedaan in de politieke krachtsverhoudingen op dit punt, waaruit de mogelijkheid is ontstaan tot wetswijziging.

De subsidieverzoeken voor het opzetten van faunabeheereenheden zijn goed onderbouwd en het beschikbare bedrag zal dan ook ontoereikend blijken. De staatssecretaris zou op dit punt meer moeten toegeven.

De staatssecretaris bevestigt dat honden niet getraind mogen worden in de broedtijd en dat in de Flora- en Faunawet is geregeld dat er in natuurgebieden niet mag worden gejaagd.

Met de provincies zal nader overleg worden gevoerd over het oprichten van provinciale platforms.

Met betrekking tot de op te stellen wetswijziging is de staatssecretaris het ermee eens dat de considerans in de wetsgeschiedenis van de Flora- en Faunawet moet worden geplaatst. Daarnaast kan echter ook geconstateerd worden dat de considerans een opening biedt om met maatschappelijke en politieke ontwikkelingen om te gaan.

In het kader van de drukjacht zal bekeken moeten worden welke methoden er mogelijk zijn, waarna tot een definitie kan worden gekomen. Afhankelijk daarvan kan worden beoordeeld of, en in welke omstandigheden, de drukjacht een noodzakelijk jachtmiddel is.

De schadeafhandeling zal op een snelle en adequate manier moeten plaatsvinden. Met de provincies, het Faunafonds en de uitvoerende instantie zullen daarover goede afspraken worden gemaakt.

Het Faunafonds kan betrokken worden bij het zoeken naar alternatieve jachtmethoden. Het fonds kan onderzoek verrichten of geld voor onderzoek verstrekken.

Gegevens met betrekking tot de fazantenjacht zullen nadrukkelijker in kaart worden gebracht, zodat er volgend jaar wellicht gerichter over kan worden gepraat.

De Flora- en Faunawet is gedecentraliseerd opgezet, hetgeen onder meer inhoudt dat uitvoering en controle op provinciaal niveau plaatsvinden. Dat principe wordt verlaten als er een onafhankelijke toets op het beleid wordt geïntroduceerd. Bovendien is geregeld dat het Faunafonds de provincie adviseert. Het fonds kan daarbij onafhankelijke deskundigen inschakelen. De onafhankelijkheid van de toetsing van de plannen is dan ook gewaarborgd. Het principe van decentralisatie geldt evenzeer voor de publicatie van de beheerplannen. Voor het gehele proces zijn de provincies afzonderlijk verantwoordelijk en de centrale overheid moet daar geen rol in spelen. De provincies zullen wel geïnformeerd worden over de wensen van de Kamer op dit punt. De ontwerpplannen zouden inderdaad op moderne wijze gepubliceerd kunnen worden.

In artikel 53 van de Flora- en Faunawet staat dat het verboden is om te jagen indien de grond met sneeuw is bedekt. In een aantal gevallen zijn uitzonderingen daarop toegestaan. Uitzonderingen zijn in sommige situaties nu eenmaal nodig en dienen daarom mogelijk te zijn. De staatssecretaris zegt toe de Kamer op korte termijn schriftelijk over de aard van die situaties te informeren.

Ook over het gebruik van roofvogels voor de jacht zal de staatssecretaris de Kamer schriftelijk informeren.

Voor het beschikbaar stellen van geld voor faunabeheereenheden is nog niets geregeld. Eventueel zouden provincies daar een aandeel in kunnen hebben. Het bedrag van 250 000 is bedoeld om vanuit een landelijk coördinatiepunt degenen die zich er in de provincie mee bezighouden van goede informatie te voorzien. Dat startbedrag moet voor dit moment voldoende zijn.

De voorzitter van de commissie,

Ter Veer

De griffier van de commissie,

De Lange


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, Swildens-Rozendaal (PvdA), Ter Veer (D66), voorzitter, Witteveen-Hevinga (PvdA), Feenstra (PvdA), Poppe (SP), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Stellingwerf (ChristenUnie), M.B. Vos (GroenLinks), Augusteijn-Esser (D66), Klein Molekamp (VVD), Passtoors (VVD), Eisses-Timmerman (CDA), Th.A.M. Meijer (CDA), Hermann (GroenLinks), Geluk (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), Atsma (CDA), Oplaat (VVD), Schoenmakers (PvdA), Waalkens (PvdA), Udo (VVD), Herrebrugh (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Dijsselbloem (PvdA).

Plv. leden: Van Vliet (D66), Depla (PvdA), Ravestein (D66), Zijlstra (PvdA), Albayrak (PvdA), Kant (SP), Mosterd (CDA), Van Middelkoop (ChristenUnie), Van der Steenhoven (GroenLinks), Scheltema-de Nie (D66), Verbugt (VVD), Cornielje (VVD), Buijs (CDA), Rietkerk (CDA), Karimi (GroenLinks), Kamp (VVD), Reitsma (CDA), Van Wijmen (CDA), Patijn (VVD), Dijksma (PvdA), Belinfante (PvdA), O.P.G. Vos (VVD), De Boer (PvdA), Te Veldhuis (VVD), Duivesteijn (PvdA).