27 400 X
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2001

nr. 7
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 16 oktober 2000

Inleiding

In antwoord op de vragen die zijn gesteld tijdens de regeling van werkzaamheden van 12 september jl. over de wervings- en vullingsproblematiek bij Defensie en de inzetbaarheid van de krijgsmacht voorzie ik U, mede namens de Minister, in deze brief van een nadere toelichting hierop.

Begrippenkader en systematiek van de personeelsvoorziening

De sterkte van de krijgsmacht komt tot uitdrukking in twee begrippen: de maximaal toegestane begrotingssterkte (MTBS) en debegrotingssterkte (BS). De MTBS geeft de maximale personele sterkte aan die iedere bevelhebber voor een bepaalde categorie personeel (beroeps onbepaalde tijd (BOT), beroeps bepaalde tijd (BBT) of burger) in enig jaar mag hebben. Die sterkte hangt samen met de taakstelling en de daaraan gekoppelde formatie van het betreffende krijgsmachtdeel.

Iedere bevelhebber geeft in zijn jaarlijkse Activiteiten Plan en Begroting (APB, de basis voor de ontwerp-begroting van Defensie) aan hoeveel personeel hij in het begrotingsjaar (en de daarop volgende planjaren) werkelijk beschikbaar kan hebben. In de ideale situatie is de BS gelijk aan de MTBS; afwijkingen (naar boven of naar beneden) zijn evenwel mogelijk. Met name bij de Koninklijke landmacht (KL) geldt voor het BBT-personeel thans een substantieel lagere begrotingssterkte dan volgens de MTBS is toegestaan. Dit verschil wordt onder andere veroorzaakt doordat de KL bij het afschaffen van de opkomstplicht de behoefte aan BBT'ers ter vervanging van de dienstplichtigen sterk zag oplopen. De situatie op de arbeidsmarkt, gekoppeld aan interne beperkingen (wervings- en selectiecapaciteit) leidden er toe, dat de KL gekozen heeft voor een langzaam oplopende groei van de BBT-begrotingssterkte. Het verschil wordt versterkt door recente uitbreidingen van het aantal operationele functies (BBT'ers) en de flexibilisering van het personeelsbestand op grond van de Defensienota 2000.

In bijlage 1 is aangegeven hoe de ontwikkeling van de MTBS en de BS in de periode 1998–2005 Defensiebreed verloopt. Ik teken daarbij aan dat uiterlijk aan het eind van de Defensienota-periode in 2009 voor alle beleidsterreinen de situatie moet zijn bereikt dat de BS gelijk is aan de MTBS.

Ook de begrippen aanstellingsbehoefte en aanstellingsopdracht behoeven toelichting. De aanstellingsbehoefte is het aantal militairen dat moet worden aangesteld om de voor dat jaar benodigde instroom van militairen te verwezenlijken. Militairen worden aangesteld voorafgaand aan de initiële opleidingen. Daarom wordt in de aanstellingsbehoefte – naast onder andere regulier en niet-regulier verloop – rekening gehouden met de uitval tijdens die initiële opleidingen, het opleidingsverloop. Omdat voorts tijd verstrijkt tussen het moment waarop Defensie Werving en Selectie (DWS) een sollicitant heeft gekeurd en geselecteerd en het moment waarop een sollicitant opkomt én omdat sollicitanten vaak nog andere sollicitaties hebben lopen en pas in een zeer laat stadium hun definitieve keuze maken, wordt in de aanstellingsopdracht – naast het opleidingsverloop – rekening gehouden met een tweede opslagfactor: het opkomstverloop. DWS moet derhalve, om aan de aanstellingsopdracht te kunnen voldoen, een nog hoger wervingsresultaat (het aantal werkelijke sollicitanten) behalen, waarin rekening is gehouden met de uitval tijdens de keuring en selectie. Dit proces kan als volgt in een schema worden weergegeven:

Schematisch: van sollicitatie tot instroomkst-27400-X-7-1.gifkst-27400-X-7-2.gif

1 plus t.b.v. uitval gedurende selectie/keuring

2 plus t.b.v. opkomstverloop

3 plus t.b.v. opleidingsverloop

De aanstellingsbehoefte is derhalve een inschatting, die in de ontwerpbegroting voor enig jaar wordt vastgelegd; dat is een half jaar voordat DWS de uitvoering van die opdracht ter hand neemt. Zowel de aanstellingsbehoefte als de aanstellingsopdracht zijn echter continu in beweging.

De aanstellingsbehoefte fluctueert gedurende het uitvoeringsjaar als gevolg van bijvoorbeeld wijzigingen in de organisatie, een hoger dan gepland niet-regulier verloop of opleidingsverloop. Wijziging van de aanstellingsbehoefte heeft direct invloed op de aanstellingsopdracht. Een opkomstverloop dat hoger uitvalt dan gepland betekent dat de aanstellingsopdracht moet worden bijgesteld. Ook de beschikbare opleidingscapaciteit speelt hierbij een rol. Het uiteindelijke aanstellingsresultaat is gekoppeld aan de definitieve aanstellingsbehoefte, die wordt vastgelegd in de jaarlijkse brief over de personeelsvoorziening.

Overigens wordt, in het kader van de maatregelen die zijn aangekondigd in mijn brief over de verbetering van de personeelsvoorziening d.d. 30 mei jl1, thans het proces van werving en selectie bij Defensie doorgelicht door bureau Rijnconsult. Daarnaast onderzoekt de Rijksvoorlichtingsdienst de arbeidsmarktcommunicatie van Defensie. De uitkomsten daarvan worden binnenkort verwacht en zullen worden verwerkt in het totale pakket verbetermaatregelen dat betrekking heeft op de personele bezetting van de krijgsmacht.

Informatievoorziening aan het parlement

Het parlement wordt structureel geïnformeerd over de personeelsvoorziening en de vulling van de defensie-organisatie, in het bijzonder de aanstellingsbehoefte en de verwezenlijking daarvan. Dit gebeurt in begrotingswetten, de eerdergenoemde jaarlijkse brief over de personeelsvoorziening en in antwoorden op kamervragen. In toenemende mate wordt in de memorie van toelichting bij de Defensiebegroting en in de brieven over de personeelsvoorziening aandacht besteed aan de integrale benadering van het proces van in-, door- en uitstroom alsmede de vulling van de organisatie. De tussentijdse bijstellingen van de aanstellingsbehoefte van de krijgsmachtdelen maken deel uit van de interne bedrijfsvoering en maken in beginsel geen deel uit van de structurele rapportages. Mondeling overleg met (een) vaste kamercommissie(s) biedt echter gelegenheid tot tussentijdse informatievoorziening over aanpassingen in de aanstellingsbehoefte en/of aanstellingsresultaten. Zo heb ik in het Algemeen Overleg met de Vaste Kamercommissie voor Defensie op 28 juni2 jl. inzake de brief over de personeelsvoorziening in 1999 van 18 februari 2000 en de brief over de verbetering van de personeelsvoorziening van 30 mei 20003 al gesteld dat de resultaten van de werving over 2000 tot dan toe zowel absoluut als procentueel lager waren dan voorgaande jaren, terwijl de behoefte juist groter is.

Voor de volledigheid bied ik u – onder verwijzing naar de genoemde stukken voor de meer uitgebreide overzichten – in de bijlagen 2 en 3 de cijfers aan die betrekking hebben op de instroom over 1998 en 1999. Voorts treft U in bijlage 4 een overzicht gevoegd van de uitstroomcijfers over 1998 en 1999. Daarbij is onderscheid gemaakt naar regulier verloop (einde contract, UKW) en niet-regulier verloop (voortijdige dienstverlating etc.).

In het licht van het bovenstaande ben ik derhalve van mening dat het parlement steeds toereikend is geïnformeerd over de personeelsvoorziening. Ik betreur daarom de suggestie van ontoereikendheid en onduidelijkheid; als er al sprake zou zijn van onduidelijkheid, dan wordt dit vooral veroorzaakt doordat gerapporteerde (deel)gegevens uit hun verband worden gelicht en worden vergeleken met andere cijfers, die binnen Defensie in een geheel andere context worden gebruikt. Mede tegen die achtergrond acht ik het niet wenselijk de twee geciteerde interne documenten – respectievelijk het vertrouwelijke memo van de SG aan de Minister en de uitvoeringsrapporten van 1GNC, beiden deelbeoordelingen van een groter vraagstuk – buiten hun context aan u aan te bieden.

De systematiek van de personeelsvoorziening berust, zoals uit het voorgaande blijkt, op een groot aantal begrippen. Heldere definities en uniforme toepassing van begrippen zijn dan ook een eerste vereiste voor verbetering van de interne en externe communicatie over de personeelsvoorziening. Defensie heeft daarom een handboek in voorbereiding waarin begripsdefinities worden vastgelegd (meta-gegevensbeheer) én dwingend worden voorgeschreven. Dit handboek zal nog voor het eind van dit jaar beschikbaar komen.

Ambitieniveau en personele vulling

De krijgsmacht moet volgens de Defensienota-2000 onder meer in staat zijn:

– in zijn geheel, inbegrepen reserve-eenheden, op te treden in het kader van een algemene verdediging in bondgenootschappelijk verband;

– voor een beperkte duur, dat wil zeggen zonder aflossing door eenheden van de Nederlandse krijgsmacht, deel te nemen aan een vredesafdwingende operatie met een eenheid van brigadegrootte of equivalenten daarvan (te weten: een maritieme taakgroep, drie squadrons jachtvliegtuigen of een combinatie). Het kan zijn dat daarvoor eenheden moeten worden vrijgemaakt die op dat moment elders in het kader van vredesoperaties zijn ingezet;

– voor langere tijd, dat wil zeggen met aflossing door eenheden van de Nederlandse krijgsmacht, deel te nemen aan maximaal vier vredesoperaties met eenheden van bataljonsgrootte of equivalenten daarvan, zoals een squadron jachtvliegtuigen of twee fregatten.

Rond de beschikbaarheid van operationele eenheden spelen twee hoofdvragen:

– wanneer moet een eenheid beschikbaar zijn;

– waaraan moet zo'n eenheid dan voldoen.

Als uitgangspunt geldt dat een beschikbare operationele eenheid voor alle hoofdtaken kan worden ingezet. De factor tijd is vastgelegd in het begrip «militaire voorbereidingstijd», ook wel «gereedheidstermijn» genoemd. Dat is de tijd tussen het verkrijgen van een opdracht en de uitvoering ervan. Hierover zijn in Navo-verband afspraken gemaakt. De variatie in de gereedheidstermijnen, uitgedrukt in «direct» (<20 dagen), op «korte termijn» (20–60 dagen) en op «lange termijn» (>60 dagen), biedt de mogelijkheid te variëren in de eisen waaraan een eenheid op een bepaald moment moet voldoen, oftewel de mate van inzetbaarheid van operationele eenheden. Het zou ondoelmatig zijn om alle operationele eenheden op dezelfde hoge graad van gereedheid te houden.

De inzetbaarheid van operationele eenheden wordt vastgesteld aan de hand van een integrale beoordeling van drie indicatoren, namelijk: personeel, materieel en geoefendheid. De normering die hiervoor wordt gehanteerd, sluit aan bij de in de NAVO in gebruik zijnde «ratings». Validatie van betrouwbaarheid en gebruik van de systematiek gebeurt in operationele audits, (internationale) meetoefeningen en tactische evaluaties. Defensie is dit jaar, mede in het licht van de nieuwe begrotingssystematiek (van beleidsbegroting tot beleidsverantwoording), krijgsmachtbreed begonnen met een opdrachten- en rapportagemethodiek die bestaat uit doelstellingen (uitgedrukt in het binnen een bepaalde gereedheidstermijn beschikbaar hebben van een x-aantal eenheden) en kengetallen (personeel, materieel en geoefendheid). Dit systeem van doelstellingen en kengetallen moet volgroeid zijn met ingang van de begroting 2003. De Vaste Kamer Commissie van Defensie is op hoofdlijnen over deze methodiek geïnformeerd tijdens de technische presentatie over de VBTB-dummy begroting op 6 sept jl.

Drie keer per jaar bieden de bevelhebbers het Politiek Beraad een integraal overzicht en een appreciatie aan van de stand van zaken bij hun krijgsmachtdeel, met inbegrip van de inzetbaarheid van operationele eenheden. Deze «toprapportage» van een bevelhebber behoeft niet dezelfde informatie en conclusies te bevatten als de uitvoeringsrapportage van een ondercommandant. Een knelpunt op een lager niveau kan immers door bijvoorbeeld het verschuiven van personele middelen, onderhoudsbudgetten of taakopdrachten op een hoger niveau worden bijgestuurd.

De vraag hoe het is gesteld met de vulling van de operationele eenheden van de krijgsmacht wordt in bijlage 5 (standdatum begin september) bij deze brief beantwoord. Uit de vullingscijfers alléén kunnen geen conclusies worden getrokken ten aanzien van de inzetbaarheid van operationele eenheden. De vullingsgraad is daarvoor immers slechts één van de indicatoren. Daarenboven geven de cijfers de stand van zaken weer op het moment dat is gemeten. Nog los van de samenhang met de andere indicatoren, kan pas een oordeel over de inzetbaarheid van operationele eenheden worden gegeven wanneer dat tegen de achtergrond van de voor die eenheid geldende gereedheidstermijn is beoordeeld. Als ik de personele vulling geïsoleerd van de andere indicatoren bekijk en indicatief beoordeel de mate waarin dat de taakuitvoering van de krijgsmacht zou kunnen beïnvloeden, ontstaat het navolgende beeld:

Algemene verdediging (art. 5 operaties).

De NAVO Force Structure voorziet in een militair vermogen voor de algemene verdedigingstaak, met inbegrip van reserve-eenheden. De reserve-eenheden van de krijgsmacht worden gevuld met voormalig beroepspersoneel of beroepspersoneel dat een functie vervult die alleen in vredestijd bestaat. Uit het parate bestand wordt dus ook de capaciteit van de krijgsmacht op langere termijn gegenereerd. De kwaliteit van het reserve-bestand is niet in alle gevallen optimaal. Dat komt hoofdzakelijk door het feit dat niet al het reserve-personeel in de parate periode heeft kunnen deelnemen aan alle oefeningen van operationele eenheden op de hogere niveaus. De militaire voorbereidingstijd bij een «artikel 5»-operatie biedt echter voldoende mogelijkheden eenheden alsnog op het vereiste niveau te brengen. Qua vulling biedt het reserve-stand voldoende flexibiliteit.

Vredesafdwingende operatie.

Rekening wordt gehouden met een bijdrage, zonder aflossing, met eenheden van brigadegrootte of equivalenten daarvan. Dit betekent voor de krijgsmachtdelen het volgende:

Koninklijke marine

De vacatures bij de eenheden kunnen in geval van inzet worden aangevuld, onder meer vanuit de walorganisatie. Bij het vlootpersoneel doen zich in bepaalde korpsen en subdienstgroepen tekorten voor, met name bij de commandocentrale officieren en de wapentechnische dienst vliegtuigtechniek.

Koninklijke landmacht.

Met name in de gevechtsfuncties bestaan vacatures. Naast het inlopen van die tekorten is de aandacht vooral gericht op de mogelijkheden om te voldoen aan het niveau van geoefendheid dat voor een optreden in een vredesafdwingende operatie nodig is. Het zogenaamde accent-model1 biedt de ruimte voor een meer gestructureerde en planmatige opbouw voor het behalen van de vereiste opleidings-en trainingsniveau. Nu de uitzenddruk door de concentratie op de operatie in Bosnië is afgenomen, verbeteren daartoe de mogelijkheden.

Koninklijke luchtmacht.

Bij de jachtvliegtuigen wordt de luchtverkenningscapaciteit thans verdeeld en wordt het 306 squadron omgebouwd tot opleidingseenheid. Het betreffende personeel wordt herverdeeld; hierdoor bestaan bij het 306 squadron vacatures. Voor een vredesafdwingende operatie zijn drie squadrons jachtvliegtuigen, evenals twee TRIAD-squadrons, voldoende gevuld. Binnen de Tactische Helikoptergroep (THG) is het 302 Squadron Bewapende Helikopters nog in oprichting. De THG werkt in samenwerking met de Luchtmobiele Brigade op naar volledige operationele inzetbaarheid medio 2003. De wervings- en opleidingsfasering van de Apache-squadrons houdt daarmee gelijke tred.

Vredesbewarende operaties

Gepland wordt op maximaal vier operaties met eenheden van bataljonsgrootte of equivalenten daarvan. Dit betekent voor de krijgsmachtdelen het volgende:

Koninklijke marine

Voor het Korps Mariniers levert een operatie voor langere duur vooralsnog aflossingsproblemen op. Vanaf 2004 zal dit zijn opgelost door het paraat stellen van het derde mariniersbataljon.

Koninklijke landmacht

De landmacht kan aan het ambitieniveau voldoen. Wel neemt het aantal maatregelen toe om uit te zenden eenheden voldoende gevuld te houden. Als gevolg daarvan moeten andere eenheden bijspringen, waardoor afbreuk wordt gedaan aan de gewenste gestructureerde opbouw in de opleiding en training volgens het acccentmodel. De nagestreefde vermindering van de uitzenddruk komt daarmee eveneens onder spanning. Zo kwam het in 1999 voor dat voor 2,6% van het aantal uitgezonden militairen de tijd tussen twee uitzendingen korter was dan 12 maanden (Zie mijn brief van 21september jl., TK 2000–2001, 27 127, nr. 98). Nu de uitzendlast door de concentratie op Bosnië is teruggebracht, ontstaat de gewenste ruimte voor verbetermaatregelen.

Koninklijke luchtmacht

Bij de squadrons jachtvliegtuigen bestaan vooral vacatures bij het technisch onderhoudspersoneel. Dit kan op de langere duur leiden tot problemen met het voortzettingsvermogen. Daarom wordt, waar nodig, door andere eenheden ondersteuning geleverd. Ook bij de geleide wapens kunnen in sommige functies op de langere duur problemen met het voortzettingsvermogen ontstaan.

Koninklijke marechaussee

Het functiebestand bij de marechaussee per september 2000 bedraagt in totaal 4852 functies . Het personeelsbestand per september 2000 bedraagt 4992, waarvan 581 in opleiding. Met dit personeelsbestand kan 88,5% van het aantal functies worden gevuld. Bij de Koninklijke marechaussee zijn, vanwege de al langer bestaande spanning tussen het aantal taken en het daarvoor beschikbare personeel, prioriteiten gesteld. In de taakuitvoering ligt het accent al enige jaren op Schiphol. Met het oog op het huidige tekort van 400 marechaussees is als tweede prioriteit de opleidingscapaciteit vergroot. Dit heeft onvermijdelijke consequenties voor de overige taken van de marechaussee, namelijk grensbewaking, mobiel vreemdelingentoezicht en de militaire politietaken. Voor de bijdrage aan vredesoperaties betekent dit in de komende jaren dat slechts een voortzetting op het huidige niveau mogelijk is. Uitbreiding van deze capaciteit kan pas na 2003 worden verwezenlijkt.

Conclusies

Met verwijzing naar het gestelde in eerdere wervings- en vullingsbrieven en het daarover gevoerde overleg constateer ik dat Defensie, net als vele andere overheidsorganisaties en sectoren uit het bedrijfsleven, de gevolgen merkt van de arbeidsmarktsituatie in Nederland. De toenemende zuigkracht van de arbeidsmarkt heeft zowel achterblijvende wervingsresultaten als een hogere uitstroom tot gevolg. Het gaat hierbij zowel om personeel voor technische en financieel-economische functies als om personeel voor meer algemene functie-groepen en gevechtsfuncties. Hoewel de personeelssituatie per krijgsmachtdeel enigszins verschilt, vraagt deze ontwikkeling om krijgsmachtbrede aandacht.

De krijgsmacht is nog steeds in staat te voldoen aan de bondgenootschappelijke verplichtingen in het kader van een algemene verdediging. Ook beschikt zij over voldoende gevulde operationele eenheden om het ambitieniveau voor de Nederlandse deelname aan crisisbeheersingsoperaties te verwezenlijken. Er bestaat thans geen aanleiding tot bijstelling van dit ambitieniveau.

Deze vaststelling laat onverlet dat de krijgsmacht kampt met knelpunten. In toenemende mate moeten maatregelen worden getroffen om eenheden voldoende gevuld te houden. Ik verwijs in dat verband naar mijn eerder genoemde brief van 30 mei jl. Ter vermindering van soms pijnlijke effecten voor het personeel, zoals oplopende werkdruk, toenemende plaatsingsonrust en afnemende mogelijkheden om de ongunstige vaar-wal verhouding en de uitzenddruk terug te dringen, zijn dit jaar maatregelen getroffen. Een aanvullend pakket maatregelen is aangekondigd in het kader van de begroting over 2001. Die maatregelen zijn zowel gericht op het verhogen van het wervingsresultaat als op het behoud van het juiste personeel. Dat heeft inmiddels geleid tot intensiveringen tot een omvang van ongeveer 200 miljoen gulden. Maatregelen hebben echter tijd nodig om het gewenste effect te sorteren.

Tenslotte stel ik vast, dat de informatieverstrekking aan het parlement over de personeelsvoorziening steeds toereikend is geweest. Dit laat onverlet de aanzienlijke tijd die verstrijkt tussen het moment waarop de Kamer kennis neemt van de aanstellingsbehoefte (in de ontwerp-begroting, in september voorafgaand aan het realisatiejaar) en het moment waarop het feitelijke aanstellingsresultaat wordt gepresenteerd (in de brief personeelsvoorziening, in het voorjaar van het jaar, volgend op het realisatiejaar). Ik zal daarom bezien op welke wijze de frequentie van de informatievoorziening op dit punt kan worden verbeterd.

De Staatssecretaris van Defensie,

H. A. L. van Hoof

BIJLAGE 1 Ontwikkeling van Begrotingssterkte (BS) en Maximaal toegestane begrotingssterkte (MTBS)

BOT-personeel

  19981999200020012002200320042005
COBS661624608590587587587587
 MTBS657624608590587587587587
          
KMBS8 7038 5408 1287 3186 9676 7036 4096 131
 MTBS8 6788 5408 1287 3687 0176 7536 4596 181
          
KLBS11 55311 32110 92710 74710 59510 40810 29110 207
 MTBS11 03910 95110 76310 66410 55910 44910 34110 251
          
KLuBS8 2648 0047 7677 3206 8646 5346 1375 822
 MTBS8 1927 8787 7507 3206 8646 5346 1375 822
          
KMarBS3 2093 2093 2973 0952 9742 8342 7052 589
 MTBS3 2033 2113 3043 1022 9742 8342 7052 578
          
DICOBS1 0461 1001 008994962961958954
 MTBS1 0101 024922909881880877873
          
totaalBS33 43632 79831 73530 06428 94928 02727 08726 290
 MTBS32 77932 22831 47529 95328 88228 03727 10626 292

BBT-personeel

  19981999200020012002200320042005
COBS3438262626262626
 MTBS3438262626262626
          
KMBS4 3254 3094 4314 8115 1435 4125 7636 041
 MTBS4 3254 2784 4154 9525 2935 5625 9136 191
          
KLBS12 70312 28612 18912 35212 95813 50113 85314 144
 MTBS13 84414 26914 73214 87515 06915 29015 41315 503
          
KLuBS3 2793 4683 5354 3134 8375 2315 7136 071
 MTBS3 2793 4683 5354 3134 8375 2315 7136 071
          
KMarBS1 4951 8651 9172 1382 2922 4402 5772 701
 MTBS1 5981 7391 9172 1382 2922 4402 5772 712
          
DICOBS502327377417431439442445
 MTBS505429461501515523526529
          
totaalBS22 33822 29322 47524 05725 68727 04928 37429 428
 MTBS23 58524 22125 08626 80528 03229 07230 16831 032

bron BS 1998 t/m 2000: OB van het betreffende begrotingsjaar

bron BS 2001 e.v.: OB-2001

bron MTBS 1998 t/m 2000: interne MTBS-boekhouding van het betreffende begrotingsjaar

bron MTBS 2001 e.v.: interne MTBS-boekhouding 2001

BIJLAGE 2

Aanstellingsbehoefte Defensie-totaal 1998

bronnendatumaanstellingsbehoefte 1998definitieve aanstellingsbehoefte 1998aanstellingsresultaat 1998
  BOTBBTBOTBBTBOTBBT
OB 1998sep. 19976856 505
OB 1999sep. 19987336 301
brief personeelsvoorzieningfeb. 19999006 1138255 255

Aanstellingsbehoefte KM 1998

bronnendatumaanstellingsbehoefte 1998definitieve aanstellingsbehoefte 1998aanstellingsresultaat 1998
  BOTBBTBOTBBTBOTBBT
OB 1998sep. 19971001 365
OB 1999sep. 19982271 118
brief personeelsvoorzieningfeb. 19992761 120233988

Aanstellingsbehoefte KL 1998

bronnendatumaanstellingsbehoefte 1998definitieve aanstellingsbehoefte 1998aanstellingsresultaat 1998
  BOTBBTBOTBBTBOTBBT
OB 1998sep. 19974803 900
OB 1999sep. 19984153 600
brief personeelsvoorzieningfeb. 19994613 6004613 021

Aanstellingsbehoefte KLu 1998

bronnendatumaanstellingsbehoefte 1998definitieve aanstellingsbehoefte 1998aanstellingsresultaat 1998
  BOTBBTBOTBBTBOTBBT
OB 1998sep. 199775775
OB 1999sep. 1998311 099
brief personeelsvoorzieningfeb. 199910391198842

Aanstellingsbehoefte KMar 1998

bronnendatumaanstellingsbehoefte 1998definitieve aanstellingsbehoefte 1998aanstellingsresultaat 1998
  BOTBBTBOTBBTBOTBBT
OB 1998sep. 199730465
OB 1999sep. 199860484
brief personeelsvoorzieningfeb. 19996048234404

BIJLAGE 3

Aanstellingsbehoefte Defensie-totaal 1999

bronnendatumaanstellingsbehoefte 1998definitieve aanstellingsbehoefte 1998aanstellingsresultaat 1998
  BOTBBTBOTBBTBOTBBT
OB 1999sep. 19988476 341
OB 2000sep. 19998346 887
brief personeelsvoorzieningfeb. 20009456 7058355 639

Aanstellingsbehoefte KM 1999

bronnendatumaanstellingsbehoefte 1998definitieve aanstellingsbehoefte 1998aanstellingsresultaat 1998
  BOTBBTBOTBBTBOTBBT
OB 1999sep. 19982161 144
OB 2000sep. 19992111 698
brief personeelsvoorzieningfeb. 20002791 2522361 102

Aanstellingsbehoefte KL 1999

bronnendatumaanstellingsbehoefte 1998definitieve aanstellingsbehoefte 1998aanstellingsresultaat 1998
  BOTBBTBOTBBTBOTBBT
OB 1999sep. 19985103 800
OB 2000sep. 19995103 800
brief personeelsvoorzieningfeb. 20004903 9804263 277

Aanstellingsbehoefte KLu 1999

bronnendatumaanstellingsbehoefte 1998definitieve aanstellingsbehoefte 1998aanstellingsresultaat 1998
  BOTBBTBOTBBTBOTBBT
OB 1999sep. 199846750
OB 2000sep. 199938802
brief personeelsvoorzieningfeb. 200010188695684

Aanstellingsbehoefte KMar 1999

bronnendatumaanstellingsbehoefte 1998definitieve aanstellingsbehoefte 1998aanstellingsresultaat 1998
  BOTBBTBOTBBTBOTBBT
OB 1999sep. 199875647
OB 2000sep. 199975587
brief personeelsvoorzieningfeb. 20007558778576

BIJLAGE 4 Uitstroom-cijfers (1998 en 1999)

Reguliere uitstroom

1999BOTBBTtotaalRealisatie 19991% reg. uitstroom
KM28864693412 5487,4%
KL2282 1482 37622 78110,4%
KLu29146675711 0866,8%
KMar591902494 8085,2%
totaal8663 4504 31651 2238,4%

1 Realisatie 1999 conform OB-2001, bijlage 1

bron: interne rapportages krijgsmachtdelen

Reguliere uitstroom

1998BOTBBTtotaalRealisatie19982% reg. uitstroom
KM25757483113 1086,3
KL1971 5741 77123 2017,6%
KLu29758087711 3307,7%
KMar531421954 6604,2%
totaal8042 8703 67452 2997,0%

2 Realisatie 1998 conform OB-2000, bijlage 1

bron: interne rapportages krijgsmachten

Niet-reguliere uitstroom

1999BOTBBTtotaalRealisatie19991% reg. uitstroom
KM37544782212 5486,6%
KL5071 3101 81722 7818,0%
KLu19415034411 0863,1%
KMar83821654 8083,4%
totaal1 1591 9893 14851 2236,1%

1 Realisatie 1999 conform OB-2001, bijlage 1

bron: interne rapportages krijgsmachten

Niet-reguliere uitstroom

1998BOTBBTtotaalRealisatie19982% reg.uitstroom
KM36441077413 1085,9%
KL5701 2911 86123 2018,0%
KLu14815630411 3302,7%
KMar62791414 6603,0%
totaal1 1441 9363 08052 2995,9%

2 Realisatie 1998 conform OB-2000, bijlage 1

bron: interne rapportages krijgsmachten

Opmerking:

In de cijfers t.a.v. reguliere uitstroom is inbegrepen de overgang van BBT (na contract-beëindiging) naar BOT.

Definities:

Reguliere uitstroom:

uitstroom ten gevolge van pensioen, VUT, LO en het verstrijken van de aanstellingstermijn

Niet-reguliere uitstroom:

alle vormen van voortijdig vertrek, anders dan op basis van regulier verloop

BIJLAGE 5 (Standdatum begin september 2000)

Koninklijke Marine

type eenheidvullingsperc
Fregatten86,9%
Bevoorradingsschepen92,4%
Amfibisch transportschip97,1%
Onderzeeboten88,2%
Mijnenbestrijdingsvaartuigen81,9%
Hydrografische vaartuigen71,9%
Maritieme patrouillevliegtuigen83,9%
Groep Operationele Eenheden Mariniers 
Mariniersbataljon paraat79,3% 72,9%
Mariniersbataljon (2 van 4 cien paraat)86,9%
Bijzondere Bijstands Eenheid85%

De kolom vullingsgraad geeft de vergelijking aan tussen het functiebestand versus personeel op functie.

Koninklijke Luchtmacht

type eenheidvullingsperc
Air Operations Control Centre79,7%
Squadrons Jachtvliegtuigen186,3%
Geleide Wapens/Triads79,4%
Squadron Luchttransport98,9%
Squadron Bewapende Helikopters (waarvan één nog in oprichting)72,1%
Squadron Transporthelikopters86,7%
Squadron Light Utility Helicopters74,8%

1 306 Squadron in transitie. Eén Squadron in MLU-conversie.

De kolom vullingsgraad geeft de vergelijking aan tussen het functiebestand versus personeel op functie.

Koninklijke Landmacht

type eenheidvullingsperc
1(GE/NL) Corps  
Command support brigade84,5%
Korps commandotroepen93,2%
Luchtmobiele brigade74,6%
luchtmobiel infanteriebataljon79,6% 72,7% 81,3%
Divisie gevechtssteuncommando (DGC)76,8%
Divisie verzorgingscommando(DVC)78,5%
Gemechaniseerde brigade (waarvan één nog in oprichting)88,9% 93,3% 75,7%
pantserinfanteriebataljon86,6% 91,4% 66,2%
tankbataljon92,0% 90,9% 78,2%
afdeling veldartillerie85,9% 110,9% 81,1%

De kolom vullingsgraad geeft de vergelijking aan tussen het functiebestand versus personeel op functie.


XNoot
1

TK 1999/2000, 26 900 X nr. 27

XNoot
2

TK 1999/2000, 26 800 X, nr. 44

XNoot
3

resp. TK 1999/2000, 26 800 X nr. 33 en TK 26 900 X nr. 27.

XNoot
1

Het accent-model houdt een opbouw in waarbij eenheden steeds zes maanden besteden aan het bereiken van het voor inzet benodigde niveau, vervolgens zes maanden gereed zijn voor inzet of worden uitgezonden, en tenslotte, na eventuele inzet, maximaal zes maanden recupereren. Kortom: voorbereiden, uitzenden, herstellen.

Naar boven