Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2000-200127400-VIII nr. 81

27 400 VIII
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (VIII) voor het jaar 2001

nr. 81
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 11 juni 2001

Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen1 hebben enkele fracties de behoefte over de brief van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (Adelmund) van 6 maart 2001 inzake evaluatie materiële bekostiging (OCW-01-272) enkele vragen en opmerkingen aan de staatssecretaris voor te leggen. Bij brief van 8 juni 2001 heeft de staatssecretaris deze beantwoord.

Vragen en opmerkingen van de PvdA-fractie

In de onderzoeksrapporten worden een aantal cijfers genoemd, waarmee de Londo-bekostiging zou moeten worden verhoogd om haar wel toereikend te maken. Zo is voor de component gebouwenonderhoud een verhoging nodig van 26,7 procent (3,9 procent van het totaal). Om te voldoen aan de eisen van Arbo-wetgeving zou dit onderdeel van de vergoeding met 10 procent omhoog moeten, en moeten afschrijvingstermijnen worden bekort met 60 procent. Voor ICT is de vergoeding van 56 gulden per leerling per jaar te laag. Voor overige leermiddelen is alleen een schatting gemaakt.

De leden van de PvdA-fractie vragen de staatssecretaris of zij kan aangeven met welke structurele bedragen de Londo-vergoedingen op de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen omhoog zouden moeten om aan al deze adviezen te voldoen? Hoeveel betekent dat voor een gemiddelde basisschool, ten opzichte van het huidige budget?

Volgens het rapport over leermiddelen ontvangen scholen sinds 1996 prijscompensatie op basis van de gegevens uit de Macro economische verkenningen (Mev). Kan de staatssecretaris in beeld brengen hoe lang scholen voor 1996 geen prijscompensatie hebben ontvangen? En kan zij in beeld brengen hoe hoog de gemiddelde prijsstijging in die jaren was? Volgens de onderzoekers doen de Mev-gegevens geen recht aan de gestegen prijzen van onderwijsmethoden. In hoeverre komt de vorig jaar gepleegde investering in leermiddelen aan die vaststelling tegemoet? Wat betekent dit voor individuele scholen?

TNO-rapport

Volgens het rapport van TNO bestaat er in de praktijk veel onduidelijkheid over inrichting, uitbreiding en onderhoud van schoolgebouwen, omdat verschillende instanties verantwoordelijk zijn voor de buitenkant (de gemeente) en de binnenkant (het schoolbestuur) van het gebouw. Kan de staatssecretaris aangeven hoe in de regelgeving rond de materiële instandhouding meer helderheid in deze verhouding kan worden gecreëerd? Is zij bereid stappen te zetten om het door TNO vastgestelde «grijze gebied» te minimaliseren?

Kan de staatssecretaris ingaan op de geconstateerde knelpunten voor Nederlands als tweede taal (methoden zijn nog duurder dan de standaardmethoden) en voor het speciaal basisonderwijs (vergoeding is hetzelfde, kosten zijn hoger)? Is de staatssecretaris bereid nader onderzoek uit te zetten naar met name het laatste punt?

Vragen en opmerkingen van de VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de rapporten van onderzoeken die in het kader van de evaluatie materiële bekostiging van scholen in het primair onderwijs zijn uitgevoerd. Uit de onderzoeken blijkt dat materiële bekostiging een structurele investering vraagt. Zij zijn van mening dat het belangrijk is om een afwegingskader te hebben voor de extra investeringen in het onderwijs (bijvoorbeeld investeringen in implementatie van moderne leermiddelen).

In het regeerakkoord is het bedrag voor ABB in het basisonderwijs verhoogd met 50 miljoen structureel, een bedrag dat onderdeel uitmaakt van de LONDO-vergoedingen. Inmiddels is er extra geïnvesteerd in ABB. Kan de staatssecretaris inzichtelijk maken hoeveel extra middelen sinds 1998 structureel en incidenteel aan ABB zijn toegevoegd?

TNO-rapport

Uit het TNO-rapport blijkt dat het niet duidelijk is wie verantwoordelijk is voor welk deel van de bekostiging als het gaat tussen de buiten- en binnenkant van een schoolgebouw. De scheiding is niet altijd te maken en levert een grijs gebied op.

De wet vereenvoudiging LONDO heeft ertoe geleid dat de vergoeding voor de materiële instandhouding is losgekoppeld van gebouwkenmerken. De vergoeding voor onderhoudselementen aan de buitenzijde van een schoolgebouw wordt toegekend aan het schoolbestuur. De vergoeding voor onderhoudselementen aan de binnenzijde wordt toegekend aan het schoolbestuur dat eigenaar is van het gebouw.

Kan de staatssecretaris helder maken wie verantwoordelijk is voor welk deel onderdeel van de bekostiging, zodat de juiste partij daarop kan worden aangesproken.

Bij najaarsnota is door de minister 400 miljoen extra geïnvesteerd in materiële bekostiging. Betreft het hier investeringen aan de binnenkant van het gebouw of is dit bestemd voor de buitenkant?

De leden van de VVD-fractie hebben begrepen dat een schoolbestuur in Alkmaar een zaak heeft aangespannen bij de Arrondissementsrechter tegen de gemeente Alkmaar, omdat de gemeente weigerde voorzieningen die door de Arbo-wet verplicht worden gesteld te financieren. Het betreft hier voorzieningen in het kader van huisvesting, zowel binnen als aan de buitenzijde van het gebouw. De rechter stelde het schoolbestuur in het gelijk en stelde dat de gemeente de op grond van de Arbo-wet verplichte voorzieningen zou dienen te betalen en merkte en passant ook op dat de veel gebruikte huisvestingsverdeling «de buitenkant is voor rekening van de gemeente; het schoolbestuur verzorgt de binnenkant», niet in de wet staat en als zodanig niet als argument door de gemeente kan worden gebruikt. Kan de staatssecretaris hierop reageren?

De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de staatssecretaris van 10 april 2001 waarin zij zegt te zullen streven om de Kamer in mei te informeren over het regeringsstandpunt, mede gezien de besluitvorming van de regering over de Voorjaarsnota en de kaders voor de begroting voor 2002. Zij wachten de voorstellen met belangstelling af.

Vragen en opmerkingen van de CDA-fractie

Rapport onderzoek leermiddelen

De leden van de CDA-fractie betreuren het dat de benodigde vergoedingen voor het meubilair, kantoor- en huishoudelijke benodigdheden buiten beschouwing zijn gelaten (blz. 5). Dit temeer omdat aan het eind van het rapport wordt geconcludeerd dat de totale jaarlijkse kosten van het onderwijsleerpakket hoger blijken uit te vallen dan de vergoedingen die er van rijkswege tegenover worden gesteld en de grootte van het verschil kosten, enerzijds, en structurele en éénmalige vergoedingen, anderzijds, niet valt te zeggen juist omdat de kosten van het meubilair niet zijn inbegrepen (blz. 95). Is de regering niet met de leden van de CDA-fractie van mening dat het rapport zo in feite, althans deels, zijn doel voorbij schiet? Deelt de regering de conclusie van het rapport dat de vergoedingen voor het onderwijsleerpakket tekortschieten? Kan de regering haar antwoord motiveren?

Kan de regering aangeven hoeveel de vergoedingen tekortschieten ten opzichte van wat nodig zou zijn om aan de programma's van eisen te voldoen en waarbij ook rekening wordt gehouden met de kosten voor het meubilair en huishoudelijke benodigdheden? Heeft – zo vragen de leden van de CDA-fractie – de regering uit het rapport al een conclusie getrokken en heeft zij een voorstel ontwikkeld op welke wijze de programma's van eisen met betrekking tot de leermiddelen volgens haar moeten worden gewijzigd? Kan de regering haar antwoord motiveren?

Kan de regering aan de leden van de CDA-fractie verduidelijken waarom, bijvoorbeeld, de Jenaplan-, Montessori- en Daltonscholen niet bij het onderzoek zijn betrokken? Wordt naar de toestand op deze scholen een apart onderzoek verricht?

Zo ja, wanneer kunnen deze leden dit onderzoek tegemoet zien? Zo nee, hoe wordt dan een realistische inschatting gemaakt van de benodigde middelen voor deze scholen? (blz. 10)

De leden van de CDA-fractie constateren dat een middel op de lijst wordt opgenomen, wanneer het door ten minste 80% van de onderzochte scholen wordt gebruikt. Naar deze leden hebben begrepen, wordt bij deze normstelling het basisonderwijs en het speciaal basisonderwijs (SBO) als één geheel beschouwd (blz. 10 en 11). Deze leden vragen of dit geen problemen met zich meebrengt omdat zij zich kunnen voorstellen dat het SBO andere behoeften heeft dan het reguliere basisonderwijs. Wat vindt de regering van de gedachte van deze leden om de 80%-norm weliswaar toe te passen, maar dan onderscheidenlijk voor het reguliere basisonderwijs en het SBO.

Is een afschrijvingstermijn van 8 jaar voor de methoden van alle vakken een realistisch gekozen termijn? Waarom is voor 8 jaar gekozen en niet, bijvoorbeeld voor 6 of 10 jaar? (blz. 13)

Bij de berekening van de benodigde verbruiksmaterialen wordt uitgegaan van een doorsneeschool (8 groepen, elk 25 leerlingen). Kan deze aanname nader worden toegelicht? Er zijn toch scholen met veel meer, of minder groepen een leerlingenaantallen? Zullen, straks, door deze benadering niet scholen of veel te veel verbruiksmaterialen of juist veel te weinig kunnen bestellen? (blz. 14)

Wat wordt bedoeld met de opmerking dat het Nederlandse reken- en wiskundeonderwijs momenteel in vergelijking met andere landen zulke goede resultaten kent dat er geen reden is om het groepsgewijze onderwijs overboord te zetten? Is het niet aan de scholen zelf om te bepalen of zij liever groepsgewijs, dan wel klassikaal reken- en wiskundeonderwijs willen geven? (blz. 37)

Het WO-onderwijs heeft de laatste tijd niet bepaald in het middelpunt van de belangstelling gestaan en gemeten naar de kerndoelen zijn de prestaties dan ook onder de maat. Onderschrijft de regering deze conclusies? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe denkt de regering verbetering in deze situatie te bewerkstelligen? (blz. 45)

Waarom wordt ten aanzien van de kopieerkosten uitgegaan van de opgave van de reguliere basisscholen als norm? Verdraagt zich deze norm wel met de extra kopieerkosten die SBO-scholen maken? (blz. 61)

Wat doet de regering met het advies om een programma op te stellen voor leerlingen die pas na hun tiende worden gealfabetiseerd en scholen te voorzien van een basisprogramma NT2 voor nieuwkomers? (blz. 69)

Deelt de regering de mening dat er een gebrek aan onderwijskundige kennis en vaardigheden is om computers in een onderwijssituatie optimaal te gebruiken? Kan de regering haar antwoord motiveren? (blz. 82)

Bijna de helft van de basisscholen krijgt ondersteuning van de lokale onderwijsbegeleidingsdienst bij zijn ICT-activiteiten. Om welke scholen gaat het hier?

Is het «gebrek» aan ICT-kennis en -vaardigheden onder alle typen en soorten van basisonderwijs evenredig verdeeld of zijn er typen waar dit probleem meer voorkomt? Zo ja, zou dit met extra beleid kunnen worden opgelost?

Wat vindt de regering van de opmerking dat er met betrekking tot de benodigde hardware in de toekomst problemen worden voorzien ten aanzien van de programmatuur en het beheer wanneer er minder snelle computers worden aangeschaft?

In het rapport «Onderzoek Leermiddelen» wordt gezegd dat op basisscholen nog veel wordt gewerkt met de eerste generatie software. Heeft dit mogelijk ook negatieve gevolgen? Is de regering door deze mededeling verontrust?

Hoe oordeelt de regering over de constatering in het rapport dat een grote groep leraren zelf aangeeft een gebrek aan kennis een vaardigheden op het terrein van de ICT te hebben? Welke consequenties trekt de regering daaruit?

Hoe oordeelt de regering over de constatering in het rapport dat er op de basisscholen onvoldoende kennis en tijd aanwezig is voor het onderhoud en het beheer van netwerken? Denkt de regering dat één dag per maand begeleiding per school wel voldoende is? Kan de regering haar antwoord motiveren?

Welke consequenties verbindt de regering aan de opmerking in de «algemene conclusies en aanbevelingen» dat de totale jaarlijkse kosten van het onderwijsleerpakket hoger blijken uit te vallen dan de vergoedingen die er van rijkswege tegenover worden gesteld? (blz. 95)

Verschillen in programma van eisen «Gebouwenonderhoud» BO

Hoe denkt de regering over het terugbrengen van de cyclustijd van het sanitair van 40 naar 30 jaar, zo vragen de leden van de CDA-fractie. Acht de regering dit haalbaar? Is de regering van mening dat een dergelijke maatregel een afdoende oplossing zou zijn voor de klachten vanuit het onderwijsveld ten aanzien van stankoverlast en een gebrekkige hygiëne?

Vindt de regering een stijging van de vergoeding voor het bouwkundig onderhoud met 26,7% aanvaardbaar? Kan de regering haar antwoord motiveren?

Deelt de regering de in het rapport genoemde conclusie dat in verband met toenemende criminaliteit de afrastering, buitenverlichting en alarminstallaties van scholen verbetering behoeven. Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze wil de regering in deze de scholen tegemoet komen?

Waarom is het niet altijd even eenvoudig om medegebruikers van de school mee te laten betalen aan de instandhouding van het schoolgebouw? Ziet de regering mogelijkheden om scholen hierbij te assisteren?

Wat wordt bedoeld met de opmerking dat de aanwezigheid van computers niet in de analyse is meegenomen. Kan de regering deze passage verduidelijken?

Waarom wordt in het bekostigingsstelsel uitgegaan van hekwerken bestaande uit palen, draden en gaas en niet van meer stevige, vandalisme bestendige hekken?

Is de regering van zins om de vergoeding voor de reparatie voor speeltoestellen te verhogen Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer en tot welke hoogte?

Wat is het oordeel van de regering over de adviezen die in het rapport worden gegeven ten aanzien van de buiten- en binnenzonwering?

Wat vindt de regering van de opmerking in het rapport dat enkel glas slechts in weinig gevallen wordt vervangen door dubbelglas omdat dit niet rendabel zou zijn? Wordt hiermee geen energieverspilling in de hand gewerkt?

Heeft het aanbrengen van verf op waterbasis ook een effect op de mate waarin onderhoud aan schoolgebouwen moet plaatsvinden? Heeft verf op waterbasis wel dezelfde kwaliteit als de verf die tot nu toe wordt aangebracht?

Het tegelwerk in de toiletten wordt één keer in dertig jaar vervangen. Is dit wel een afdoende oplossing voor de stank dat vaak wordt veroorzaakt door het tegelwerk rondom de toiletpotten?

Hoe oordeelt de regering over de adviezen die in het rapport worden gegeven ten aanzien de vergoedingen voor de vervanging en het onderhoud van de centrale verwarming en de ventilatie in scholen?

In het rapport wordt gesproken over de vergoeding en het onderhoud van de alarminstallaties van scholen. Worden hiermee inbraakinstallaties of brandalarminstallaties bedoeld?

Deelt de regering de opvatting van de leden van de CDA-fractie dat het volstrekt onaanvaardbaar is dat de vergoedingen voor het vervangen en het onderhouden van speeltoestellen niet afdoende is geregeld? Is de regering van zins in deze maatregelen te treffen?

Hoe oordeelt de regering over de in bijlage drie gegeven aanbevelingen?

Rapportage Van der Putten & Partners

Waarom is de correctie met de subsidie niet in de verder berekeningen meegenomen, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Vindt de regering het verantwoord dat het basisbedrag voor de kosten van automatisering relatief zijn gedaald; ook als het om hardware gaat? Kan de regering haar antwoord motiveren?

Ziet de regering mogelijkheden om de geconstateerde verzakelijking ten aanzien van de BTW-vrijstelling voor scholen tegen te gaan? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze? 86% van alle verzuim door leraren wordt vervangen. Neemt dit percentage inmiddels toe of juist af? Waarom is het ziekteverzuim bij vrouwen hoger dan bij mannen?

TNO-rapport

Wat vindt de regering van de opmerking dat er een grijs gebied en veel onduidelijkheid ontstaat omdat de verantwoordelijkheid voor de instandhouding van binnenkant en de buitenkant van de school respectievelijk een verantwoordelijkheid van de school en de gemeente is?

Hoe oordeelt de regering over de conclusie in het TNO-rapport dat de fysieke en fysische arbeidsomstandigheden in het basisonderwijs onder de maat zijn en dat de huidige materiële bekostiging ontoereikend is voor het op peil brengen van materiële voorzieningen volgens de normen van de Arbo- en bouwregelgeving? Welke consequenties trekt de regering uit dit oordeel van TNO?

Is de regering het eens met de observatie van TNO dat het bekostigingsstelsel een aantal structurele tekorten vertoont, zoals een afschrijvingssystematiek die geen rekening houdt met de dynamiek van het onderwijs en de veranderde Arbo-inzichten en een te laag niveau van vergoedingen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe denkt de regering deze tekortkomingen op te lossen? Is voor het vergroten van de betrokkenheid en deskundigheid ten aanzien van Arbo ook een rol weggelegd voor het REC of de schoolbegeleidingsdienst?

Het huidige Bouwbesluit kent «gedoognormen» voor de oudbouw. Aangezien de leden van de CDA-fractie een fel antigedoogbeleid voorstaat, vragen deze leden wat precies met dit begrip wordt bedoeld. Wat kunnen de gevolgen van dit gedogen zijn en waar ligt de grens tussen nog aanvaardbare en onaanvaardbare situaties?

Ziet de regering het door TNO geconstateerde gebrek aan overlegruimten, ruimten voor het werken met kleine groepen, e.d. ook als een probleem? Zo nee waarom niet? Zo ja, ziet de regering mogelijkheden dit probleem van gebrek aan ruimten op te lossen?

Deelt de regering de conclusie van TNO dat voor veel scholen de BGZ-vergoeding niet toereikend is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, ziet de regering hierin een reden om de BGZ-vergoeding te verhogen?

Waarom wordt het Nederlands Inkoopcentrum (NIC) niet door het ministerie gepromoot en waarom vraagt slechts een klein deel van de basisscholen advies en ondersteuning van het NIC bij zijn aanschafbeleid?

Kan de regering een actuele stand van zaken geven met betrekking tot het aantal en de spreiding van EHBO-gediplomeerden en BHV-ers in het basisonderwijs? Zijn er op iedere basisschool voldoende EHBO-gediplomeerden en BHV-ers aanwezig? Zo nee, op welke termijn zal dit wel het geval zijn?

Hoe oordeelt de regering over de opmerking in het TNO-rapport dat de brandveiligheid van schoolgebouwen een steeds groter punt van zorg is?

Vindt de regering het wel de taak van de school om zelf aan de hand van brandbeveiligingsconcepten te bepalen of zij wel aan de bouwkundige normen in verband met de brandveiligheid voldoen? Is dit niet meer een taak voor plaatselijke brandweer?

Wie is er verantwoordelijk voor het vervangen van gewoon glas door veiligheidsglas in de school, de gemeente of de school zelf? Welke middelen staan de regering ter beschikking om de scholen of de gemeenten te bewegen om het gewone glas door veiligheidsglas te laten vervangen?

Begin 2000 is de overgangsregeling afgelopen, waarbij scholen werden gecompenseerd voor een te grote achteruitgang in de materiële bekostiging. De effecten hiervan waren tijdens het onderzoek van TNO nog niet voldoende zichtbaar. Hoe is de situatie nu, een half jaar na het verschijnen van het rapport?

Ten tijde van het onderzoek waren scholen nog maar weinig geconfronteerd met controles op de handhaving van het Arbobeleid. Hoe is de actuele stand van zaken?

De leden van de CDA-fractie vragen zich bezorgd af wat er van het Arbobeleid terechtkomt wanneer scholen, kennelijk, onvoldoende kennis hebben of vergaren over de geldstromen waarmee Arbo kan worden betaald. Hoe ziet de regering dit?

Wat vindt de regering van het oordeel van TNO dat het onderwijsleerpakket, de administratie, het beheer en bestuur en het gebouwen- en schoonmaakonderhoud ontoereikend wordt bevonden? Deelt de regering de indruk van de leden van de CDA-fractie dat uit het TNO-rapport zonneklaar blijkt dat er in basisscholen onvoldoende wordt schoongemaakt? Is de regering bereid (nogmaals) te onderzoeken waarom dit zo is en waarom scholen kennelijk minder geld voor schoonmaken uitgeven dan ze krijgen? Kan de regering haar antwoord motiveren?

Hoe oordeelt de regering over de observatie van TNO dat in zijn algemeenheid de inrichting van de gemiddelde school ver achterblijft bij de inrichting van het gemiddelde kantoor?

Uit het TNO-rapport blijkt dat naar schatting zo'n 9600 kinderen per jaar na een ongeval op de basisschool op een SEH-afdeling worden behandeld. Kan dit cijfer nader worden toegelicht en naar type ongeval worden gespecificeerd en gekwantificeerd? Hoe scoort Nederland hier verhoudingsgewijs met de Europese buurlanden? Welk deel van de ongelukken is toe te schrijven aan zaken die de school of de overheid verwijtbaar zijn, zoals onbeschermde kapstokken, gladde trappen, ondeugdelijke speeltoestellen en onbeveiligde stopcontacten en snoeren? Wat doet de regering met deze wetenschap?

Verwacht de regering ook een «boeteregen» wanneer de Arbeidsinspectie zich in de toekomst strenger gaat opstellen? Zo ja, acht de regering dat rechtvaardig gezien de geringe mogelijkheden die het onderwijs heeft om de situatie te wijzigen? Wie zal de opgelegde boeten gaan betalen, wanneer de scholen niet in redelijkheid voor de geconstateerde gebreken aansprakelijk gesteld kunnen worden? Wat gebeurt er met het geld dat door middel van boetes wordt geïnd?

Hoe kan worden voorkomen dat door ruimtegebrek nooduitgangen worden versperd? Is de regering van zins – indachtig de gebeurtenissen in Volendam – om hierop onmiddellijk actie te ondernemen? Kan de regering haar antwoord motiveren?

Denkt de regering dat het advies van de Arbodiensten om aan de zonzijde van scholen buitenzonwering aan te brengen financieel en organisatorisch haalbaar is?

Waarom krijgen scholen onvoldoende middelen om, zoals de Arbeidsinspectie eist, de bureaustoelen van leerkrachten binnen twee jaar te vervangen?

Op blz. 47 van het TNO-rapport lezen de leden van de CDA-fractie de volgende passage: «VOS/ABB meldt op haar internet site dat aanpassingen van schoolgebouwen aan onderwijskundige vernieuwingen veelal door gemeenten niet worden gehonoreerd, omdat het Rijk daarvoor geen middelen beschikbaar stelt. Kennelijk worden de gemaakte afspraken tussen rijk en gemeente niet altijd uitgevoerd». Wat is de reactie van de regering op deze constatering van TNO?

Krijgen gemeenten, naar het oordeel van de regering, voldoende middelen om, daar waar nodig, gewoon glas te vervangen door veiligheidsglas? Wanneer verwacht de regering dat, overal waar nodig, het gewone glas door veiligheidsglas vervangen zal zijn?

TNO merkt in zijn rapport op dat de afschrijvingstermijnen voor het meubilair niet stroken met de huidige dynamische veranderingen in het onderwijs. Deelt de regering deze mening? Is de regering van zins om het advies van TNO op te volgen en de afschrijvingstermijn terug te brengen tot een factor 0,6 ten opzichte van de huidige termijn? Kan de regering haar antwoord motiveren?

Kan de regering een reactie geven op de uitspraak in het TNO-rapport dat de kwaliteit van de fysieke en fysische arbeidsomstandigheden in het basisonderwijs absoluut en relatief onder de maat is en dat de toestand in de scholen gemiddeld als armoedig kan worden bestempeld? Ziet de regering mogelijkheden om op korte termijn verbetering in deze toestand te brengen?

Heeft de regering een speerpuntenbeleid ontwikkeld ten aanzien van de belangrijkste knelpunten die door TNO zijn geconstateerd?

Ziet de regering kans om de structurele tekorten in de bekostigingssystematiek weg te nemen?

Welke conclusies trekt de regering uit het oordeel van TNO dat de huidige systematiek van financiering met verschillende bekostigingsstromen niet bevorderlijk is voor een integrale aanpak van Arbo binnen de scholen?

Hoe oordeelt de regering over de aanbevelingen van TNO? Welke aanbevelingen is de regering van zins over te nemen en welke niet? Kan de regering haar keuzes in deze motiveren?

Kan naar aanleiding van de aanbeveling van TNO de conclusie worden getrokken dat er momenteel geen controle plaatsvindt op het onderhoud van de brandbestrijdingsmiddelen in scholen? Zo nee, wat wordt dan met de aanbeveling van TNO bedoeld? Zo ja, wat vindt de regering hiervan en welke maatregelen is zij van zins te nemen?

Vragen en opmerkingen van de D66-fractie

De leden van de fractie van D66 hebben met belangstelling kennis genomen van de onderzoeken die zijn verricht in het kader van de evaluatie van de materiele vergoeding van basisscholen. Zij vinden de bevindingen ronduit zorgelijk. De staatssecretaris schrijft dat de onderzoeken een indringend beeld schetsen van de materiele bekostiging in het primair onderwijs. Indringend zeker, en in negatieve zin wel te verstaan, aldus de leden van de D66-fractie. Vooral de gedetailleerde opsommingen van de gebreken uit het TNO-rapport spreken tot de verbeelding. «De toestand in de scholen kan gemiddeld als armoedig worden bestempeld», aldus het rapport. En dan gaat het niet alleen over Arbo-onverantwoorde materialen, maar ook over gebrek aan hygiëne over slechte kwaliteit van leermiddelen en vele tekortkomingen op het gebied algemene veiligheid en brandveiligheid. Geconstateerd wordt dat de huidige bekostiging ontoereikend is voor het op peil brengen en instandhouden van materiele voorzieningen volgens de huidige normen van de Arboregelgeving en van het Bouwbesluit. Het gaat in dat Bouwbesluit niet over extra's of luxe, maar om minimumeisen. Ook wat betreft brandveiligheid gaat het volgens het TNO-rapport (blz. 15) om minimumeisen, gebaseerd op de ondergrens van wat nog als veilig geaccepteerd kan worden.

Deze leden vinden het onverteerbaar dat basisscholen te weinig geld krijgen van de overheid om te kunnen voldoen aan de regels die door diezelfde overheid gemaakt worden. De leden van de D66-fractie vragen dan ook hoe deze situatie eigenlijk kon ontstaan en wat de regering voorstelt eraan te doen. Op blz. 34 van het TNO-rapport staat dat er formeel bij invoering en wijziging van wettelijke bepalingen altijd in de memorie van toelichting een beschouwing over kosteneffecten worden opgenomen, maar dat deze beschouwingen in de praktijk weinig houvast bieden. Konden de effecten van de veranderingen in de arbo- en bouwregelgeving, die al dateren van 1996, niet eerder worden vertaald in een adequate financiering voor de basisscholen. Zijn deze financiële effecten voor basisscholen bij de vormgeving van die arbo- en bouwregelgeving destijds over het hoofd gezien? Deze vraag betreft overigens ook de door TNO genoemde ontwikkelingen die door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen zelf zijn ingezet, zoals zorgverbreding, individualisering van het onderwijs (inclusief het gebruik van computers) en uitbreiding schoolgebonden taken. Zij blijken niet of onvoldoende doorberekend in de materiele component.

Een van de problemen lijkt te zijn dat in 1996 is vastgelegd dat de programma's van eisen iedere 5 jaar worden aangepast. Deze leden vinden echter dat deze afspraak er niet toe mag leiden dat bij nieuwe regelgeving, of het nu gaat om specifiek onderwijsbeleid of ander beleid met gevolgen voor het onderwijs, waarvan van tevoren al duidelijk is dat het financiële consequenties heeft voor het funderend onderwijs, er de gedachte heerst, dat de verhoging van het budget voor de materiele bekostiging pas hoeft op het moment dat achteraf in de vijfjaarlijks evaluatie geconstateerd wordt dat dat eigenlijk zo moet zijn. Dat zou er immers op neerkomen dat men willens en wetens de scholen te weinig geld geeft tot er weer geëvalueerd is. Vandaar dat de leden van de D66-fractie voorstellen dat bijstelling van de programma's van eisen die ten grondslag liggen aan de materiele bekostiging niet alleen plaatsvindt in de reguliere aanpassing iedere 5 jaar, maar, om met de VOS/ABB te spreken (brief van 29 maart 2001) «ook als nieuwe wet- en regelgeving daartoe aanleiding geven».

Deze leden zien in de veel te krappe bekostiging voor het basisonderwijs een extra reden om in de discussie over een eventuele invoering van een lumpsumfinanciering voor deze sector afhoudend te zijn.

De leden van de fractie van D66 vinden de inhoud van de genoemde evaluaties van dermate groot belang dat zij op alle in de voorliggende rapporten genoemde conclusies en aanbevelingen, zowel de algemene als de specifieke, een reactie van de staatssecretaris willen vernemen. Een reactie waaruit op te maken valt of de staatssecretaris de conclusie wel of niet deelt, de aanbeveling wel of niet opvolgt, met welke redenen en wat de financiële consequentie daarvan is. Ook willen zij per onderdeel weten wat het structureel zou gaan kosten om het bekostigingsstelsel zo aan te passen dat weer voldaan wordt aan de vereisten.

In de brieven van de staatssecretaris staat dat zij naar aanleiding van de budgettaire besluitvorming over de Voorjaarsnota en de kaders voor de begroting 2002 op de rapporten terug zal komen. De leden wijzen echter op de brief van 9 november 2000, waarin een beleidsreactie op het TNO-rapport is toegezegd voor begin 2001. Zij gaan er dan ook vanuit dat er hoe dan ook nog een gedetailleerde beleidsreactie komt, en niet alleen op het TNO-rapport, maar ook op de andere nu voorliggende onderzoeken.

De leden van de D66-fractie willen weten op welke wijze en in welk tempo de bekostiging op peil kan worden gebracht, dat wil zeggen kan toe groeien naar volledige bekostiging. Eerdere rapporten (onder andere NEI) hebben aangetoond dat scholen slechts voor ongeveer 80% bekostigd worden. Hoe is dat nu?

De fractieleden van D66 vragen bovendien waarom niet reeds alle programma's van eisen geëvalueerd zijn. Waarom ontbreken onderhoudsbeheer, beheer en bestuur, auteursrechten, ICT en energie- en waterverbruik? Wanneer komen hier de onderzoeken over, opdat ook zij in 2002 opnieuw vastgesteld kunnen worden? Ook willen zij weten waarom de onderzoeken die nu gedaan zijn zich beperken tot het basisonderwijs en niet ook specifiek ingaan op het speciaal onderwijs.

Alvorens meer in detail nog een aantal opmerkingen te maken en vragen te stellen bij de voorliggende rapporten willen de leden de staatssecretaris ook een uitgebreide reactie vragen op de recente brief van de VOS/ABB over de materiele bekostiging. Hoe beoordeelt zij ieder van de door hen verwoorde componenten inhoudelijk en wat vindt zij van de door hen genoemde bedragen als financiële vertaling daarvan?

TNO-rapport

Zoals gezegd zouden de leden graag reacties krijgen op alle conclusies en aanbevelingen van dit rapport, zoals weergegeven in hoofdstuk 5 (blz. 57–64), zowel die zoals beschreven in de tekst, als ook die in de tabel waarin per geïnventariseerd arboknelpunt een advies wordt gegeven.

De onderverdeling van de financieringsstromen met betrekking tot de materiele bekostiging blijkt in de praktijk te onduidelijk: de instandhouding van de materiële voorzieningen aan de binnenkant gebouw (schoolbestuur verantwoordelijk, betaling door overheid middels VELO), en de verantwoordelijkheid voor de huisvesting (inrichting, uitbreiding, aanpassing) en de instandhouding van de buitenkant van het gebouw (gemeente verantwoordelijk voor uitvoering en financiering). Twijfelgevallen blijken niet te worden bekostigd omdat men zich niet verantwoordelijk voelt. Hoewel ook deze leden wetgeving op hoofdlijnen prefereren, als het resultaat is dat er ontoelaatbare gaten vallen dan lijkt de oplossing hier toch tot in detail vast te leggen wie verantwoordelijk is voor welk specifiek onderdeel van de bekostiging. Of ziet de staatssecretaris andere mogelijkheden?

De bekostigingssystematiek en meer specifiek het feit dat wordt uitgegaan van een gemiddelde school, blijkt bij oudere scholen en stedelijke scholen problemen op te leveren. Zij komen niet rond met de lumpsum. Is de staatssecretaris bereid van dit systeem af te stappen en over te gaan tot het opnieuw opnemen van gebouwspecifieke indicatoren?

Op blz. 23 wordt de vraag gesteld of het doenlijk is voor scholen om over de extra regelingen (voor niet-materiële zaken) up-to-date geïnformeerd te zijn en de juiste kanalen en voldoende tijd te vinden om er optimaal gebruik van te maken. Het lijkt een retorische vraag. Kent de staatssecretaris dit probleem? Heeft zij plannen om hierin verbetering aan te brengen?

Op bladzijde 23 van het TNO-rapport staat «dat uit Arbo-wet artikel 44 voortkomt dat elke financiële consequentie van een Arbowetverplichting nooit ten laste mag komen van de werknemer. Dat betekent dat arbo-verstrekkingen gratis dienen te zijn. Dat betekent ook dat thuiswerkplekken onder de zorgplicht van de werkgever vallen en aan arbo-vereisten moeten voldoen.» Betekent dit dat alle leerkrachten en directeuren van basisscholen een thuiswerkplek zouden moeten kunnen inrichten op kosten van de werkgever? Belangrijker nog dan een goede thuiswerkplek vinden de leden van de D66-fractie een oplossing voor het feit dat werkplekken voor geconcentreerd kantoorwerk «slechts beperkt voorhanden zijn in schoolgebouwen. De beschikbare ruimte in scholen wordt door alle (geïnterviewde) Arbo-diensten als problematisch gezien, zeker in nieuwere schoolgebouwen» (blz. 45). Deze leden vinden dat leraren en schooldirecties fatsoenlijke werkplekken in de scholen behoren te hebben. Niet alleen het personeel heeft op dit punt een probleem, «er is door toename van het aantal leerlingen altijd een tekort aan passend meubilair», zo meldt een schooldirecteur in een interview (blz. 47). Wat is de reactie van de staatssecretaris op deze tekortkomingen?

Een laatste punt dat de aan het woord zijnde leden uit het TNO-rapport wensen te lichten is de tekortkomingen ten aanzien van de brandveiligheid. Kan de staatssecretaris op dit specifieke punt aangeven wat er naar haar idee moet gebeuren ten behoeve van de veiligheid van leerlingen en personeel?

Rapport onderzoek leermiddelen

Ook van dit rapport willen de leden van de D66-fractie graag een reactie op alle conclusies en aanbevelingen, zowel op die van de deelonderzoeken ICT en NT2, als op die van het rapport als geheel (blz. 73, en blz. 91–96).

Zij willen met betrekking tot het deelonderzoek ICT speciale aandacht vragen voor het probleem dat er vanwege de hoge ontwikkelkosten en de kleine markt nauwelijks geschikte software voor SBO-scholen beschikbaar is. Geschikt betekent dat deze software: meer variatie moet kennen, verschillende specifieke leerproblemen zou moeten ondersteunen en dat er bij voorkeur zelfstandig mee gewerkt zou moeten kunnen worden. Is de staatssecretaris bereid om een oplossing voor dit probleem te zoeken?

Over het rapport «Verschillen in programma van eisen» van PRC Bouwcentrum B.V. van augustus 2000 hebben de leden van de D66-fractie geen speciale vragen anders dan dat ook hier gereageerd wordt op de conclusies en de aanbevelingen. Zij zijn verder benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris op de opmerking van VOS/ABB dat er een achterstand is ontstaan in het opbouwen van de benodigde reserve die vraagt om een eenmalige extra toekenning van 245 miljoen gulden. Ook zouden zij nog graag toegelicht krijgen hoe dit rapport zich verhoudt tot het TNO-rapport.

Tot slot willen deze leden aangeven dat ook zij, net als de VOS/ABB, het onderzoek dat is uitgevoerd door Van der Putten & Partners zeer ontoegankelijk vinden. Zij zouden dan ook graag bij een inzichtelijke toelichting op dit onderzoek willen krijgen. Deze leden zouden verder uit dit rapport, naast een reactie op de conclusies en aanbevelingen, in elk geval ook een reactie willen op de vraag over het normatieve werkpakket (blz. 9).

Vragen en opmerkingen van de SP-fractie

De leden van de SP-fractie hebben met ontzetting kennis genomen van de evaluatie van de materiële vergoeding van scholen voor primair onderwijs. De onontkoombare conclusie is dat de bekostiging van het primair onderwijs ernstig tekort schiet. Deze leden gaan ervan uit dat de bewindslieden bij de Voorjaarsnota en de kaders voor de begroting 2002 structureel middelen vrijmaken om basisscholen financieel afdoende te faciliteren. Voorts vragen zij wat precies wordt bedoeld met «een indringend beeld».

TNO-rapport

Op pagina i van het TNO-rapport staat dat de vraag is gerezen of de bekostigingsgrondslag nog wel toereikend is vanwege veranderingen in de arbo-regelgeving en het Bouwbesluit. De aan het woord zijnde leden vragen of de bekostigingsgrondslag überhaupt toereikend is, ook vóórdat de arbo-regelgeving en het Bouwbesluit werden gewijzigd.

Zij vragen wat voor oplossingen de bewindslieden aandragen om te ontkomen aan de problemen die ontstaan als gevolg van het feit dat er meerdere financieringsstromen bestaan met betrekking tot de bekostiging van basisscholen (schoolbestuur/gemeente). Deze leden vragen of het beter is om de budgetten rechtstreeks van het Rijk naar het schoolbestuur te laten vloeien.

Hoe komt het dat in het in het bekostigingsstelsel te weinig aandacht wordt besteed aan de toenemende individualisering in het onderwijs en uitbreiding van schoolgebonden taken? De leden van de SP-fractie zijn van mening dat de bewindslieden deze ontwikkelingen hadden kunnen voorzien. Aansluitend vragen zij of het, als gevolg van de snelle ontwikkelingen in het onderwijs, verstandig zou zijn als de programma's van eisen regelmatiger worden geëvalueerd, bijvoorbeeld iedere twee jaar.

Houden de bewindslieden rekening met de implicaties die voortvloeien uit de antwoorden op schriftelijke vragen van het Lid Van Bommel (ingezonden januari 2001) met betrekking tot de brandveiligheid. De staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geeft in zijn antwoorden aan dat hij een aantal voorschriften (o.a. over brandoefeningen) wettelijk zal vastleggen.

Deze leden vragen of de bewindslieden bereid zijn om, in navolging van de aanbeveling uit het rapport, de arbo-gerelateerde normbedragen op te hogen met 10% en de afschrijvingstermijn te verkorten tot 60% van de huidige termijnen.

Rapport onderzoek leermiddelen

De leden van de SP-fractie vragen hoe het komt dat de totale jaarlijkse kosten van het onderwijsleerpakket hoger blijken uit te vallen dan de vergoedingen die er van rijkswege tegenover worden gesteld. Zij vinden dat het niet wenselijk is om het budget voor het onderwijsleerpakket te verhogen ten koste van andere kostenposten.

Rapport gebouwonderhoud

Zijn de bewindslieden bereid om de vergoeding van het bouwkundig onderhoud met 26,7% te laten stijgen?

Rapport schoonmaakkosten

De leden van de SP-fractie vragen hoe de bewindslieden verklaren dat er scholen zijn die minder geld uitgeven aan schoonmaken dan dat ervoor beschikbaar is gesteld.

Zij dringen aan op een grondige verbetering van de bekostiging van het primair onderwijs. Jarenlange bezuinigingen zijn er de oorzaak van dat de basisscholen er in veel gevallen bedroevend bij staan. De leden van de SP-fractie verwachten dat de bewindslieden alles op alles zetten om de staat van het funderend onderwijs opnieuw een goed imago te bezorgen. Dat is in hun ogen vele malen belangrijker dan de instandhouding van begrotingsregels.

Vragen en opmerkingen van de ChristenUnie-fractie

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben kennis genomen van de brief van de staatssecretaris van 6 maart jl. en de daarbij behorende rapporten. Zij hebben daarover een aantal vragen.

Rapport onderzoek leermiddelen

Na 1996 is de hoogte van de vergoeding voor materiële instandhouding steeds aangepast aan prijsveranderingen aan de hand van gegevens uit de Macro Economische Verkenningen. Uit de conclusies blijkt dat deze aanpassingen niet in de pas lopen met de stijging van de werkelijke kosten voor een hedendaags onderwijsleerpakket. De leden van de ChristenUnie willen weten of dit geen aanleiding is tot een andere aanpassingssystematiek. (blz. 95)

De kosten van met name de leermiddelen voor taal en rekenen zijn sterk gestegen vergeleken met die van leermiddelen voor andere vakken. De oorzaak hiervoor is dat de inspanningen die de laatste jaren zijn verricht het onderwijs te verbeteren vooral waren gericht op de vakken taal en rekenen. De leden van de fractie van de ChristenUnie willen weten of dit betekent dat de komende jaren verbeteringen ten aanzien van andere vakken zijn te verwachten? En zo ja, zal dit dan leiden tot een toename van de kosten voor leermiddelen voor deze vakken? (blz. 95)

De onderzoekers zijn van mening dat de voorlopige conclusies over het onderwijsleerpakket op SBO-scholen tot verder onderzoek noodzaken. Is de staatssecretaris bereid dit onderzoek te laten verrichten?

TNO-rapport

De leden van de fractie van de ChristenUnie willen van de staatssecretaris weten waarom de afschrijvingstermijnen niet zijn aangepast aan het verhoogde tempo van veranderingen in het onderwijs en veranderde arbo-inzichten.

Met de brandveiligheid en algemene veiligheid in scholen is het slecht gesteld. Deze leden vinden dit niet toelaatbaar. Zij vinden dat scholen op korte termijn maatregelen ter verbetering moeten nemen. De staatssecretaris dient hierbij volgens deze leden een initiërende en stimulerende rol te spelen. Is de staatssecretaris bereid deze rol op zicht te nemen?

Eén van de conclusies van het onderzoek is dat de toestand in de scholen gemiddeld als armoedig kan worden bestempeld. De leden van de fractie van de ChristenUnie vinden dit een harde conclusie, die niet zonder reactie kan blijven. Graag horen deze leden het oordeel van de staatssecretaris over deze conclusie. (blz. 57)

Zij willen van de staatssecretaris vernemen waarom bij de invoering van VELO bestaande verplichtingen niet in de vergoeding zijn opgenomen. (blz. 57)

Het TNO-onderzoek constateert dat de «dubbele rol» van de gemeente met betrekking tot het openbaar onderwijs er toe leidt dat de gemeente bepaalde investeringsvragen vanuit het openbaar onderwijs bij voorkeur uit de Londo-vergoeding betaalt. Op deze wijze probeert de gemeente te voorkomen dat zij hetzelfde bedrag aan het bijzonder onderwijs moet uitkeren. De leden van de fractie van de ChristenUnie willen weten hoe de staatssecretaris deze handelwijze van gemeenten beoordeelt. (blz. 59)

Vragen en opmerkingen van de SGP-fractie

In haar aanbiedingsbrief geeft de staatssecretaris aan dat de onderzoeken zich richten op die aspecten van de bekostiging waarvoor substantiële veranderingen van de programma's van eisen worden verwacht. Op welke wijze wordt vastgesteld of ook andere bekostigingsaspecten aanleiding geven tot het aanpassen van de programma's van eisen? Heeft er ook op een of andere wijze een evaluatie van de overige aspecten van de materiële bekostiging plaatsgevonden? Zo nee, ligt dat dan in het verschiet?

Rapport onderzoek leermiddelen

Kan de staatssecretaris nader uiteenzetten waarom de kosten voor de vakken Nederlandse taal en rekenen binnen een periode van vijf jaar zijn verdubbeld?

Welke zijn de criteria die volgens de staatssecretaris een rol moeten spelen bij het bepalen van de programma's van eisen met betrekking tot informatie- en communicatietechnologie in het onderwijs?

Is de staatssecretaris voornemens om een nader onderzoek in te stellen naar de gelijkschakeling in basisbekostiging tussen het regulier basisonderwijs en het speciaal basisonderwijs, teneinde antwoord te krijgen op de vraag of deze gelijkschakeling terecht is?

In hoeverre is de staatssecretaris voornemens om tegemoet te komen aan de suggesties van het Centrum voor leermiddelenstudie voor aanvullend onderzoek?

TNO-rapport

Is de staatssecretaris bereid om naar aanleiding van het onderzoek naar de vergoeding voor materiële instandhouding ook conclusies te verbinden aan de constateringen over de eerste inrichting van scholen en dus de vergoeding aan de gemeenten voor dat doel te verhogen?

Antwoord van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Zoetermeer, 8 juni 2001

In het primair onderwijs wordt de materiële bekostiging voor scholen vastgesteld op grond van programma's van eisen. Iedere vijf jaar worden deze programma's van eisen geëvalueerd. In het jaar 2002 gaat een nieuwe periode van vijf jaar in.

In het kader van deze evaluatie is in het afgelopen jaar onderzoek gedaan naar de programma's van eisen. De onderzoeksrapporten daarover heb ik in maart 2001 aan u doen toekomen.

In deze brief geef ik u mijn inhoudelijke reactie op de bovengenoemde rapporten. Daarbij geef ik u ook aan op welke wijze de aanbevelingen uit deze rapporten vertaald zullen worden naar de programma's van eisen en de bijbehorende budgetten. De definitieve programma's van eisen zal ik u in oktober 2001 op de gebruikelijke wijze voorleggen.

Behalve deze vooruitblik is het goed om te memoreren dat het kabinet al van 1997 tot en met 2000 extra materiële middelen ter beschikking heeft gesteld aan het primair onderwijs. In totaal gaat het – inclusief ICT – om bedragen van circa 300 miljoen gulden incidenteel en circa 250 miljoen gulden structureel. Gelet op het totaalbudget van circa 1,4 miljard gulden voor materiële bekostiging zijn dit substantiële bedragen.

Daarnaast wordt dit najaar een extra incidenteel bedrag van 250 miljoen gulden voor de materiële bekostiging nog ter beschikking gesteld.

Hiervan is 125 miljoen bestemd voor leermiddelen, inclusief ICT. Scholen kunnen hiermee onder andere de aanpassing van leermiddelen betalen die met de invoering van de euro samenhangt. En de andere 125 miljoen is bestemd voor voorzieningen om schoolgebouwen veiliger te maken.

Aan de hand van de eerdergenoemde onderzoeksrapporten informeer ik u bij deze brief verder over de financiële middelen die vanaf het jaar 2002 structureel extra aan het primair onderwijs worden verstrekt.

Verder ga ik in deze brief in op de vragen die in het schriftelijk overleg door u gesteld zijn naar aanleiding van de door u ontvangen rapporten en mijn begeleidend schrijven van 6 maart 2001. In de bijlage treft u mijn antwoord op de meer specifieke vragen daarover aan.

Voordat ik hierop nu verder inga, geef ik u eerst enige toelichting op de manier waarop de programma's van eisen worden vastgesteld en de wijze waarop dit in het nabije verleden gebeurde.

Scholen voor het primair onderwijs ontvangen een lump sum bedrag voor de materiële bekostiging dat gebaseerd is op het aantal leerlingen van een school en het daaruit afgeleide aantal groepen. Deze vergoeding wordt op normatieve wijze gespecificeerd met zogeheten programma's van eisen. Daarbij wordt uitgegaan van de noodzakelijk geachte uitgaven voor een gemiddelde school die in normale omstandigheden verkeert. Daarbij valt te denken aan de afschrijvingstermijn van en het soort schoolboeken of meubilair, maar ook aan een onderhoudsof schoonmaakprogramma voor het schoolgebouw. Daarbij wordt een prijs voor de verschillende goederen en diensten bepaald. Op basis van die gegevens worden de genormeerde vergoedingen vastgesteld.

Vanaf 1997 is bij de vereenvoudiging van het materiële bekostigingsstelsel besloten tot een vijfjaarlijkse evaluatie. In de periode eraan voorafgaande zijn minder goede ervaringen opgedaan met een jaarlijkse bijstelling. Dit leidde tot problemen voor scholen die niet voldoende op langere termijn konden plannen en tevens gaf de jaarlijkse bijstelling weinig gelegenheid tot grondige evaluatie van de programma's van eisen. Daarom is destijds besloten over te gaan op een vijfjaarlijkse bijstelling met de mogelijkheid weliswaar jaarlijks aanpassingen aan te brengen indien onderwijskundige veranderingen daarom vragen.

Overigens wordt de vergoeding wel jaarlijks aangepast voor de inflatie.

In overleg met vertegenwoordigers van de besturenorganisaties is besloten om de vijfjaarlijkse evaluatie te richten op die aspecten van de materiële bekostiging waarvoor verwacht werd dat de ontwikkelingen substantiële veranderingen voor de programma's van eisen met zich mee zouden brengen. Dit zijn in de eerste plaats de programma's van eisen voor leermiddelen, gebouwonderhoud en administratie. Daarnaast is om dezelfde reden ook besloten om de gevolgen van de veranderingen in de Arbowetgeving te onderzoeken. In dat kader komen ook de programma's van eisen voor schoonmaken en meubilair aan de orde.

Voor deze programma's van eisen is door externe instituten onderzocht welke veranderingen zijn opgetreden met betrekking tot de kwaliteit en de kwantiteit van de materiële voorzieningen.

Voor de overige programma's van eisen worden geen ingrijpende veranderingen verwacht. Uit doelmatigheidsoverwegingen is daarom besloten deze programma's van eisen nu niet te laten onderzoeken.

Bij een volgende evaluatie heb ik overigens het voornemen om opnieuw in overleg met de besturenorganisaties te bekijken op welke aspecten dan deze evaluatie gefocust dient te worden.

Bij de voorliggende evaluatie hebben de onderzoeken zich verder vooral gericht op de programma's van eisen voor de scholen van het basisonderwijs. Er zijn geen aparte onderzoeken verricht naar de diverse onderwijssoorten van het speciaal onderwijs. De reden hiervoor is dat de programma's van eisen voor het speciaal onderwijs sterk verwant zijn aan die voor het basisonderwijs. Een onderzoek voor elke vorm van speciaal onderwijs zou hebben geleid tot tientallen extra onderzoeken, terwijl er geen enkele aanleiding is te veronderstellen dat de kostenontwikkelingen tussen de diverse onderwijssoorten substantieel verschillen.

Deze redenering geldt ook voor de speciale scholen voor basisonderwijs die werken met de programma's van eisen van de basisscholen, met een extra bijdrage die de beschikbare middelen aanvult tot de hoogte van de oude vergoedingen voor LOM- en MLK-scholen.

Bij de evaluatie wordt volstaan met het «vertalen» van de uitkomsten voor het basisonderwijs naar het speciaal onderwijs en naar de speciale scholen voor basisonderwijs. Deze praktische benadering is ook onderschreven door de besturenorganisaties.

Hierna zal ik ingaan op de afzonderlijke onderzoeksrapporten en de aanbevelingen in die rapporten. Omdat het niet altijd mogelijk is om elke aanbeveling geïsoleerd op zijn waarde te beoordelen, zal ik daarbij niet elke aanbeveling afzonderlijk behandelen. Het gaat in de eerste plaats erom of de rapporten tezamen aantonen dat de materiële bekostiging vanaf 2002 ruimer dient te zijn dan in de jaren ervoor. Mijn oordeel is dat de rapporten dat aantonen. Ik merk daarbij wel op – zoals ik al aan het begin van deze brief heb aangegeven – dat de afgelopen jaren al substantiële investeringen in de materiële bekostiging zijn gedaan. Omdat sommige investeringen vrij recent zijn, zijn de positieve resultaten daarvan nog niet altijd evengoed in de onderzoeksresultaten weerspiegeld.

Verder breng ik hier naar voren dat sommige aanbevelingen kwalitatief van aard vooral zijn, zoals de aanbeveling scholen beter schoon te maken.

Daardoor kan ik niet aangeven wat de uitgaven zouden moeten zijn als alle aanbevelingen die in de rapporten worden gedaan, opgevolgd worden.

Leermiddelen

Het Centrum voor Leermiddelenstudie van de Universiteit Utrecht (CLU) heeft voor wat betreft het onderdeel leermiddelen van het programma van eisen Onderhoud, vervanging en vernieuwing onderwijsleerpakket onderzocht welke onderwijskundige en vakdidactische ontwikkelingen zich hebben voorgedaan, mede als gevolg van beleidsmaatregelen van de rijksoverheid. Vervolgens is bekeken welke consequenties deze ontwikkelingen hebben voor het programma van eisen en de vergoeding van de leermiddelen.

Als uitgangspunt voor het onderzoek is gekozen voor de vakken genoemd in artikel 9 van de Wet op het primair onderwijs zoals zintuiglijke en lichamelijke oefening, Nederlandse taal, rekenen en wiskunde en Engelse taal. Tevens is gekeken naar Nederlands als tweede taal, ICT en enkele overige (kosten)ontwikkelingen.

Rekening houdend met de onderwijskundige en vakdidactische ontwikkelingen binnen het onderwijs heeft het CLU een onderwijsleerpakket samengesteld voor een normschool die bestaat uit 8 groepen met elk 25 leerlingen. Het onderwijsleerpakket bestaat uit leermiddelen die door tenminste 80% van de onderzochte scholen worden gebruikt. De totale jaarlijkse kosten van deze leermiddelen blijken hoger uit te vallen dan de normvergoedingen die er van rijkswege tegenover worden gesteld.

Een belangrijk deel van de kosten komt voor rekening van Nederlandse taal en rekenen. De kosten voor deze vakken blijken in vijf jaar tijd te zijn verdubbeld, terwijl de kostenverhoging van de overige vakken beperkt is gebleven. De inspanningen op school om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren waren de afgelopen jaren vooral toegespitst op Nederlandse taal en rekenen met de nodige gevolgen dan ook voor de desbetreffende leermiddelen.

Tevens is de stijging van de kosten te verklaren uit het feit dat veel methodes de laatste jaren zijn uitgegroeid tot omvangrijke pakketten met navenante prijzen.

Voor wat betreft de overige kosten gaat het om een stijging van de jaarlijkse kosten voor het kopiëren, het reprorecht en het onderhoud van apparatuur als een tv-toestel, een kopieerapparaat en dergelijke.

Uit het onderzoek van het CLU blijkt dat de vergoeding voor het onderwijsleerpakket niet overeenkomt met de werkelijke kosten. Ik plaats hierbij enkele kanttekeningen:

– het CLU heeft geen rekening gehouden met een kwantumkorting van gemiddeld 15% bij afname van leermethoden;

– de onderzoekers gaan er ten onrechte vanuit dat er geen rijksvergoeding beschikbaar wordt gesteld voor het onderhoud van audiovisuele materialen. Dat leidt tot een onderschatting van de jaarlijkse vergoeding met 1500 gulden per school;

– de kosten voor kopiëren worden niet onderbouwd en buitengewoon hoog ingeschat;

– in de afgelopen periode zijn diverse keren extra middelen aan het ICT budget voor scholen toegevoegd. Op basis van dit onderzoek zie ik geen reden om de hoogte van de voor ICT toegekende bedragen ter discussie te stellen. De ICT-monitor die jaarlijks plaats vindt en waarvan de Kamer op de hoogte wordt gesteld, biedt een beter zicht op de feitelijke ontwikkelingen en de eventuele consequenties voor de rijksvergoeding.

Dat alles laat onverlet dat gezien de onderzoeksresultaten geconstateerd moet worden dat er een discrepantie is tussen de rijksvergoeding voor leermiddelen en de feitelijke kosten van een gemiddeld leermiddelenpakket.

Voor een versnelde modernisering van de leermiddelen heb ik onlangs een eenmalige subsidie aan de scholen voor primair onderwijs verstrekt van f 112 miljoen. Daarnaast is in 1999 f 10 miljoen structureel toegevoegd aan het budget voor het onderwijsleerpakket.

Voor 2002 zal 45 miljoen gulden structureel extra beschikbaar worden gesteld voor leermiddelen. Daarmee kan bijvoorbeeld integratie van ICT in het onderwijsleerpakket verder vorm worden gegeven.

Gebouwonderhoud

PRC Bouwcentrum heeft bekeken of en zo ja, welke verschillen er zijn tussen de uitvoering en de bijbehorende kosten van het bouwkundig onderhoud en de uitgangspunten zoals deze ten grondslag liggen aan het programma van eisen gebouwonderhoud.

Daartoe zijn actuele onderhoudsprognoses van schoolgebouwen, opgesteld door het Nederlands Inkoopcentrum, vergeleken met het programma van eisen en de bijbehorende materiële vergoedingen.

De onderzoekers concluderen dat de rijksvergoeding voor gebouwonderhoud op een aantal onderdelen niet overeenkomt met de feitelijke kosten. Daarbij gaat het om de volgende soorten onderhoudsactiviteiten:

– veiligheid: onder andere reparatie speeltoestellen;

– vandalisme: uitbreiden alarminstallatie in verband met inbraak en verbeteren terreinverlichting;

– Arbo: aanbrengen buitenzonwering en een mechanisch ventilatiesysteem;

– milieu: aanbrengen hoge rendementsketels in combinatie met regelapparatuur;

– welzijn: verkorten cyclustijd schilderwerk; gezondheid: vervanging tegelwerk sanitair.

De onderhoudsprognoses blijken op onderdelen af te wijken van het programma van eisen en de bijbehorende rijksvergoedingen. Het gaat zowel om aanpassingen van het bestaande programma van eisen als om toevoegingen.

Een aantal van de genoemde zaken betreft de verantwoordelijkheid van gemeentebesturen. Zo zijn gemeenten verantwoordelijk voor schade als gevolg van vandalisme en hebben zij met name een financieel belang om dergelijke schade zoveel mogelijk te voorkomen door bijvoorbeeld het aanbrengen van terreinverlichting en een verbeterd alarmsysteem ter voorkoming van inbraak en brand. Het overnemen van dergelijke aanbevelingen vind ik dan ook een zaak van de gemeenten.

De overige aanbevelingen van de onderzoekers lijken mij op zich wenselijke verbeteringen, zeker gezien het belang van een adequate leer- en werkomgeving voor leerlingen en docenten. Deze hebben evenwel niet de allerhoogste prioriteit op dit moment.

In het jaar 2000 heeft het kabinet eenmalig een bedrag van 106 miljoen gulden beschikbaar gesteld voor een verbetering van de kwaliteit van schoolgebouwen en terreinen. Met ingang van 2002 zullen de programma's van eisen voor gebouwonderhoud met 30 miljoen gulden worden verhoogd.

Arbo

TNO Arbeid heeft onderzocht in hoeverre in het primair onderwijs wordt voldaan aan de bouw- en arboregelgeving. Bekeken is of er knelpunten zijn ten aanzien van de arbeidsomstandigheden op de scholen en wat de financiële gevolgen zijn voor de materiële bekostiging.

Daartoe zijn diverse rapportages over arbeidsomstandigheden in het onderwijs bekeken en sleutelpersonen geïnterviewd.

Zowel de Arbowet als het Bouwbesluit stellen eisen aan schoolgebouwen. Voor wat betreft het Bouwbesluit blijken met name de brandveiligheidseisen relevant voor dit onderzoek. Een verantwoorde inrichting van het gebouw is vooral afhankelijk van de eisen uit de Arbowet.

De onderzoekers constateren dat de huidige materiële bekostiging ontoereikend is voor het op peil brengen en vervolgens houden van materiële voorzieningen volgens de normen van arbo- en bouwregelgeving. De knelpunten hebben met name betrekking op:

– veiligheid: bedoeld worden zaken als ontbreken EHBO trommel, ontbreken noodverlichting en vluchtwegaanduiding, onvoldoende brandwerende deuren, onvoldoende onderhouden brandbestrijdingsmiddelen en onveilige speeltoestellen;

– schoonmaken: in het algemeen is er sprake van onvoldoende schoonmaak, ontbreken van zeep en handdoeken in toiletten, en onhygiënische zandbak;

– deugdelijke werkplekken: hier gaat het met name om de kwaliteit van het meubilair (geen goede Arbostoelen), slechte akoestiek in lokalen, onvoldoende berg- en nevenruimten en onvoldoende verlichting.

Er worden diverse tekortkomingen op het gebied van naleving van bouw- en arboregelgeving genoemd. Deze tekortkomingen blijken minder een gevolg van veranderde regelgeving, maar eerder een gevolg van een striktere toepassing van de bestaande regels en maatschappelijke ontwikkelingen.

Voor een aantal aspecten geldt dat deze reeds zijn opgenomen in de programma's van eisen en de bijbehorende vergoedingen. Het gaat dan om zaken als hulpmiddelen bedrijfshulpverlening, onderhoud van brandblusmiddelen, vluchtwegaanduiding, afvalberging, zandbaknet en dergelijke. In de praktijk lijkt de invulling niet in alle gevallen conform de eisen van de regelgeving. Dit heeft geen consequenties voor de vergoeding voor de materiële instandhouding voor deze onderdelen, maar mogelijk kan op deze punten de voorlichting aan scholen worden verbeterd. In dat kader verwijs ik tevens naar de campagne letselveiligheid die ik aan het voorbereiden ben met als doel scholen te ondersteunen op het gebied van schoolveiligheidsmanagement. U wordt over deze campagne binnenkort geïnformeerd. Ik wijs daarbij tevens op het geld dat voor het jaar 2001 wordt vrijgemaakt voor gebouwonderhoud, ten behoeve van het veilig maken van schoolgebouwen.

Verder betreft het een aantal tekortkomingen zaken die onder de verantwoordelijkheid van gemeentebesturen vallen. Dit geldt bijvoorbeeld voor berg-, neven-, werk- en overblijfruimten voor leerkrachten, asbest en brandwerende deuren. Het overnemen van dergelijke aanbevelingen lijkt mij dan ook een zaak van de gemeenten.

Tegelijkertijd constateren de onderzoekers dat de scheiding van verantwoordelijkheden tussen gemeenten en schoolbesturen niet altijd duidelijk is. In samenwerking met de besturenorganisaties en de VNG zal ik daarom bekijken welke maatregelen deze bezwaren kunnen ondervangen.

Ondanks de bovenstaande kanttekeningen resteren er aanbevelingen die worden vertaald in aanpassing van de programma's van eisen. Dit wordt in de hieronder te behandelen punten uitgewerkt.

Meubilair

Uit het onderzoek van TNO blijkt dat het meubilair op scholen niet aan Arbo-eisen voldoet. Dit betreft met name de stoel voor de leerkrachten die circa f 625,– kost, terwijl daar een rijksvergoeding van f 125,– tegenover staat. Voorts acht TNO-Arbeid de huidige afschrijvingstermijn van leerlingensetjes (tafeltjes en stoeltjes voor de leerlingen) van 20 jaar te hoog, dit moet gehalveerd worden, almede voor andere onderdelen van het meubilair, zoals bijvoorbeeld kasten (is 40 jaar moet 20 worden).

De hoge afschrijvingstermijn van meubilair leidt mijns inziens niet tot onoverkomelijke problemen. Daarom wordt voor 2002 alleen het budget structureel verhoogd met 5 miljoen gulden voor de betaling van arbo-stoelen voor docenten.

Schoonmaken

TNO constateert dat scholen onvoldoende schoon zijn. Het is een uitkomst die door ander onderzoek bevestigd is. Meer geld voor schoonmaak van scholen is, naast verbetering van het schoonmaakmanagement, noodzakelijk. Het budget voor schoonmaak wordt met ingang van 2002 verhoogd met 44 miljoen gulden.

Voor het primair onderwijs wordt hiermee tevens structureel invulling gegeven aan het amendement Lambrechts Cornielje over de schoonmaakkosten.

Administratie

Het bureau Van der Putten & Partners heeft een onderzoek verricht naar het programma van eisen voor administratie.

Het onderzoek toont aan dat er sprake is van een toename van de administratieve werkzaamheden voor de personeelsadministratie dat een gevolg is van een stijging van het aantal (parttime) dienstbetrekkingen.

Daarnaast is er een toename van algemene administratieve handelingen, zoals het vastleggen en evalueren van gegevens, omdat de overheid steeds meer een beter inzicht in de (financiële) gevolgen van beleidsmaatregelen wenst als gevolg van het beleid Accountancy, Toezicht en Controle.

Uit het onderzoek blijkt dus een stijging van de administratiekosten die met name veroorzaakt worden door volumeontwikkelingen. Het budget voor administratie blijkt geen gelijke tred te hebben gehouden met deze kostenstijging en de ontwikkelingen in het onderwijs.

De door de onderzoekers gegeven verklaringen lijken mij plausibel. Wel onderschrijf ik de constatering van de leden van de D66 fractie dat de toegankelijkheid van de onderzoeksresultaten te wensen overlaat. Om deze reden bekijk ik momenteel in samenwerking met vertegenwoordigers van besturenorganisaties welke maatregelen getroffen kunnen worden om de inzichtelijkheid te verbeteren.

Het budget voor administratie wordt met ingang van 2002 verhoogd met 20 miljoen gulden. Hiermee kunnen mede kosten bij de automatiseringsaspecten van verbetering van de informatievoorziening worden gedekt.

Inbreng besturenorganisaties

De besturenorganisaties benadrukken het belang van een adequate materiële vergoeding rekening houdend met de onderwijskundige en maatschappelijke veranderingen. Zij ondersteunen op hoofdlijnen de opzet en de conclusies van de uitgevoerde onderzoeken. Aansluitend pleiten zij voor extra middelen voor zaken die niet of nauwelijks in de onderzoeken naar voren, met name voor bestuurs- en beheerskosten1.

In dat kader wordt verwezen naar de resultaten van het onderzoek: «ABB de maat genomen» van Andersson, Elffers en Felix, juli 1996 (het onderzoek is destijds verstrekt aan de Tweede Kamer).

Het is duidelijk dat operaties die vragen om sterkere instellingen met een goed management ook vragen om ondersteuning van management en bestuur. Hiervoor zijn de afgelopen jaren middelen vrijgemaakt zoals onder andere blijkt uit het budget voor management, ondersteuning en arbeidsmarkt en de stimuleringsregeling bestuurlijke krachtenbundeling.

Samenvatting evaluatie onderzoeksrapporten

De onderzoeksrapporten tonen kwalitatieve tekorten aan die zijn ontstaan op het gebied van de materiële bekostiging van het primair onderwijs. De materiële bekostigingsnormen blijken niet meer geheel te voldoen aan de eisen die in de 21e eeuw aan een school gesteld kunnen worden. Het is gewenst om de normen en het daarbij behorende bekostigingsniveau aan te passen.

Conclusie

De kernopdracht van de school is om kwalitatief goed onderwijs aan ieder kind te geven. Wil de school deze opdracht goed blijven kunnen vervullen en innoverend te werk kunnen gaan, dan moeten de betrokkenen daartoe in staat worden gesteld. Dit betekent onder andere schoolgebouwen en leermiddelen die voldoen aan de eisen van deze tijd.

De verschillende onderzoeken over de evaluatie van de programma's van eisen geven aan dat:

– vanuit wet- en regelgeving, zoals regelgeving voor arbeidsomstandigheden en veiligheid, er een aantal nieuwe eisen wordt gesteld aan schoolgebouwen;

– mede als gevolg van beleidsmaatregelen van de rijksoverheid zich onderwijskundige ontwikkelingen hebben voorgedaan met consequenties voor de leermiddelen.

Op deze constateringen hebben we de afgelopen jaren al ingespeeld en ook nu weer worden substantiële aanvullende maatregelen getroffen.

Vanaf 1997 werd incidenteel meer dan 300 miljoen gulden ingezet, met name voor gebouwonderhoud, modernisering leermethoden en ICT.

Daarnaast werd het materiële budget in deze periode structureel verhoogd met circa 200 miljoen gulden voor ICT, met 10 miljoen gulden voor WSNS en met 30 miljoen gulden voor schoonmaak, gebouwonderhoud, ABB en het onderwijsleerpakket.

Voor dit jaar is besloten tot een extra incidentele impuls van 250 miljoen gulden om de opgelopen achterstanden verder te kunnen inhalen. Het is nogmaals goed om te memoreren dat dit dus niet de eerste verhoging is van het materiële budget in deze kabinetsperiode.

Verder zal vanaf 2002 voor primair onderwijs structureel de volgende verhoging in de materiële bekostiging plaatsvinden waarbij de volgende normatieve onderverdeling aangehouden wordt:

leermiddelen:f 45 miljoen
gebouwonderhoud:f 30 miljoen
meubilair:f 5 miljoen
schoonmaken:f 44 miljoen
administratie:f 20 miljoen
totaal:f 144 miljoen

Naast de incidentele verstrekkingen wordt met deze structurele verhoging van het budget opnieuw een belangrijke stap gezet bij het moderniseren van de programma's van eisen voor materiële bekostiging in het primair onderwijs.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

K. Y. I. J. Adelmund

De voorzitter van de commissie,

Van der Hoeven

De griffier van de commissie,

Coenen

Reactie op schriftelijk overleg

Specifiek

Hieronder wordt antwoord gegeven op de vragen die gesteld zijn door de leden van de fracties van de Tweede Kamer, en waarvan het antwoord niet verwoord is in de brief met mijn beleidsreactie.

Daarbij komen de vragen aan de orde die zijn gesteld over de rapporten van achtereenvolgens het Centrum voor Leermiddelenstudie, PRC Bouwcentrum, TNO Arbeid en Van der Putten. Vervolgens wordt aandacht besteed aan enkele overige vragen, en ga ik tenslotte in op de brief van VOS/ABB.

Centrum voor Leermiddelenstudie

De leden van de PvdA-fractie vragen naar de hoogte van de prijsstijging in de jaren voorafgaande aan 1996, en of in deze jaren inderdaad geen prijscompensatie uitgekeerd is.

Het rapport is niet voldoende helder op dit punt. Het is een misverstand dat scholen in de jaren voor 1996 geen prijscompensatie zouden hebben ontvangen. In die periode werd de prijscompensatie vastgesteld op productniveau waarbij de prijsstijging per programma van eisen werd gevolgd. In de periode van vijf jaar voorafgaande aan 1996 was de jaarlijkse prijscompensatie gemiddeld 2,5%.

Verder vragen de leden van de PvdA-fractie of de MEV-systematiek inderdaad geen recht heeft gedaan aan de prijsstijging van de leermiddelen, en of de vorig jaar gepleegde investeringen in leermiddelen mogelijk wel hieraan – ook voor de individuele school – tegemoet gekomen is.

De MEV is voldoende om normale prijsstijgingen op te vangen. Bij de vijfjaarlijkse aanpassing van de programma's van eisen zijn de veranderingen aan de orde die uitgaan boven de «normale» door de MEV gecompenseerde prijsstijgingen. In 1999 is het budget voor leermiddelen al verhoogd en in 2000 is meer dan 100 miljoen naar de scholen gegaan voor modernisering van de leermiddelen. Dat is meer dan f 10 000 per school om eventuele achterstanden bij het aanschaffen van nieuwe leermiddelen te kunnen inlopen.

De leden van de PvdA-fractie vragen tenslotte naar de mogelijke knelpunten voor Nederlands als tweede taal en met name de kosten daarvan voor het speciaal basisonderwijs.

Bij het basisonderwijs wordt de vergoeding voor het Nederlands als tweede taal (NT2) vastgesteld op basis van het aantal NOAT-leerlingen. Bij het speciaal onderwijs is deze toeslag op normatieve wijze in de vergoeding verdisconteerd. Dit geldt ook voor de speciale scholen voor het basisonderwijs waar deze toeslag in de programma's van eisen voor leermiddelen reeds verwerkt is.

De leden van de CDA-fractie betreuren het dat de vergoedingen voor het meubilair en andere kantoor- en huishoudelijke benodigdheden buiten beschouwing zijn gelaten.

Deze conclusie onderschrijf ik niet, aangezien in de rapportage van TNO ruimschoots aandacht wordt besteed aan de noodzaak van goed meubilair en de daarmee gepaard gaande financiële problematiek.

Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie zich af waarom er geen apart onderzoek is verricht naar bijvoorbeeld de situatie van de Jenaplan-, Montessori- en Daltonscholen.

Zoals ik in mijn algemene beleidsreactie heb aangegeven, heb ik in overleg met vertegenwoordigers van de besturenorganisaties de evaluatie van het stelsel voor de materiële bekostiging vormgegeven. Een stelsel dat destijds in samenspraak met betrokken organisaties dusdanig is opgezet dat de rijksvergoeding is gebaseerd op een gemiddelde school. Dat wil zeggen een gemiddelde school naar de omvang en denominatieve en/of onderwijskundige aspecten gemeten. Ik zie geen reden om dit uitgangspunt te verlaten. Uiteraard is de onderzoeksopzet zodanig opgezet dat de gegevens om een beeld te krijgen van de situatie van een gemiddelde school verzameld zijn door middel van onderzoek bij een groot aantal scholen en deskundigen, opdat recht wordt gedaan aan verschillen tussen scholen.

De leden van de CDA-fractie vragen of het geen goede gedachte is om voor het SBO een andere norm toe te passen dan voor het reguliere basisonderwijs, omdat zij zich kunnen voorstellen dat het SBO andere behoeften heeft dan het reguliere basisonderwijs.

Voor iedere schoolsoort bestaan er aparte programma's van eisen. Dat geldt voor de scholen voor het speciaal onderwijs, zoals de scholen voor zeer moeilijk lerende kinderen of de scholen voor doven en slechthorende kinderen, maar ook voor de speciale scholen voor het basisonderwijs (SBO). Het is een misverstand dat deze laatste groep scholen precies dezelfde vergoeding ontvangt als basisscholen. De huidige programma's van eisen voor SBO zijn wat betreft het bekostigingsniveau ongeveer gelijk aan de voormalige programma's van eisen voor scholen voor LOM en MLK. Daarbij zijn de programma's van eisen bij alle soorten van onderwijs wel zoveel mogelijk afgeleid van die van het basisonderwijs. Daar waar echter sprake is van een verschil in behoeften, komt dit ook tot uitdrukking in een ander programma van eisen en als gevolg daarvan een andere bijbehorende vergoeding.

Voor wat betreft de afschrijvingstermijn van leermethodes vraagt de CDA-fractie zich af waarom er is gekozen voor een termijn van 8 jaar.

Dit is een termijn die de onderzoekers op basis van het door hen uitgevoerde onderzoek realistisch achten. Ik heb geen reden te twijfelen aan deze conclusie.

Verder is de vraag door de leden van de CDA-fractie gesteld wat bedoeld wordt met de constatering van de onderzoekers dat «het Nederlandse reken- en wiskundeonderwijs tot nu toe in vergelijking met andere landen goede resultaten kent en er geen reden is het huidige groepsgewijze onderwijs overboord te gooien». Ook vragen deze leden of het inderdaad zo is dat het wereldoriëntatie-onderwijs de laatste tijd niet bepaald in het middelpunt van de belangstelling heeft gestaan en dat de prestaties gemeten naar de kerndoelen onder de maat zijn.

Beide opmerkingen zijn voor rekening van de onderzoekers, en vallen op dit moment buiten het kader van het onderzoek. In algemene zin kan ik alleen stellen dat het aan de scholen zelf is om te bepalen of zij reken- en wiskundeonderwijs liever groepsgewijs dan wel klassikaal willen geven. En voor het vak wereldoriëntatie hebben mij verder geen signalen bereikt dat hiervoor onvoldoende aandacht zou zijn.

De leden van de CDA-fractie vragen wat gedaan wordt met het advies van de onderzoekers om een programma op te stellen voor leerlingen die pas na hun tiende worden gealfabetiseerd en scholen te voorzien van een basisprogramma NT2 voor nieuwkomers.

Ik zal dit advies betrekken bij de nadere besluitvorming met betrekking tot het NT2 onderwijs.

De leden van de CDA-fractie of er mogelijk een gebrek aan onderwijskundige kennis en vaardigheden kan zijn om computers in het onderwijs optimaal te gebruiken.

Uit de ICT-monitor blijkt dat op ruim driekwart van de scholen de meeste leraren beschikken over algemene computervaardigheden (Windows en tekstverwerken). Wanneer het gaat om basiskennis op het gebied van onderwijskundig computergebruik beschikt op 57% van de scholen het merendeel van de leraren over deze kennis. In de afgelopen twee jaar heeft ruim een kwart van de leraren een nascholingscursus gevolgd waarbij aandacht is besteed aan het gebruik van ICT in het onderwijs.

Deskundigheidsbevordering op gebied van didactische ICT-vaardigheden wordt op verschillende manieren door mij gestimuleerd:

– In opdracht van het ministerie is het Digitaal Rijbewijs Onderwijs (DRO) ontwikkeld. De eerste modules van het toetssysteem DRO zijn nu operationeel (zie ook http://www.dro.nl). Medio 2001 kan het volledige DRO worden getoetst. Het systeem toetst zowel algemene als onderwijskundige ICT-vaardigheden in vijf deeltoetsen.

– Om het denken over didactische ICT-vaardigheden op gang te brengen, zal het ministerie van OCenW onderzoek laten verrichten en discussiebijeenkomsten (ook virtueel) organiseren met relevante partijen uit het onderwijs. (OOL)

– Het ministerie van OCenW zal een transparant overzicht laten maken van alle ontwikkelingen, instrumenten en aanbod op het gebied van de toepassing van ICT in de onderwijspraktijk, ook als het gaat om scholing. Bovendien zal OCenW ervoor zorgen dat dit overzicht bekend wordt gemaakt aan de doelgroep. (OOL)

– Het ministerie van OCenW verkent de mogelijkheid om leraren, managers en ander personeel samen met leerlingen en studenten ervaring te laten opdoen met de toepassing van ICT in het onderwijs, in de vorm van eenvoudige, kleinschalige ICT-projecten (OOL).

De leden van de CDA-fractie vragen welke scholen precies ondersteuning krijgen van de lokale onderwijsbegeleidingsdiensten bij hun ICT-activiteiten.

Bijna de helft van de basisscholen krijgt, zoals de onderzoekers aangeven, ondersteuning van de onderwijsbegeleidingsdienst. Belangrijker nog dan precies te weten welke scholen, geeft dat aan dat de scholen in ruime mate de ondersteuningsinstituten weten te vinden hen te helpen bij de implementatie van ICT.

De leden van de CDA-fractie vragen of het gebrek aan ICT-kennis en -vaardigheden evenredig verdeeld is onder alle typen en soorten van basisonderwijs.

De ICT-monitor geeft aan dat in alle segmenten van het basisonderwijs er voortgang is in de toepassing van ICT. De traditionele vernieuwingsscholen profiteren er wel meer van dan de standaard klassikale school. De scholingsbehoefte is hier dan ook aan gerelateerd.

De leden van de CDA-fractie vragen of er problemen zijn te verwachten met de programmatuur indien er minder snelle computers worden aangeschaft, en of er eventuele negatieve gevolgen zijn bij het werken met de eerste generatie software.

Beschikbaarheid van adequate computervoorzieningen is een noodzakelijke voorwaarde voor de inzet van ICT-toepassingen in het onderwijs. Uit de ICT-monitor blijkt dat bijna de helft van de computers in het basisonderwijs is uitgerust met het verouderde computertype Intel 486-processor. Dit betekent zelfs een lichte toename van dit type processors ten opzichte van 1999. Een groot deel van deze computers is vermoedelijk afkomstig van het bedrijfsleven en overheidsinstanties en geschikt gemaakt voor hergebruik in het onderwijs. Daar tegenover staat dat het aandeel computertypen Intel 286/386 snel afneemt en het aandeel computers met een modernere Pentium-processor gestegen is. Ook het aantal scholen met computers die geschikt zijn voor programmatuur met bewegende videobeelden en computers die voorzien zijn van een cd-rom drive stijgt gestaag. In de afgelopen jaren is niet alleen het percentage scholen met dergelijke computers toegenomen maar ook het aantal computers dat is uitgerust met deze voorzieningen.

De ingezette vergroting van de koopkracht van de scholen neemt de belemmeringen weg voor het aanschaffen van geavanceerde en adequate programmatuur. Deze programmatuur is noodzakelijk voor het gebruik van nieuwere generaties software, zoals die bijvoorbeeld ontwikkeld is in het kader van het project Interactie!.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering oordeelt over de constatering dat onvoldoende kennis en tijd aanwezig is voor het onderhoud en het beheer van netwerken. De constatering dat er op de basisscholen onvoldoende kennis en tijd aanwezig is voor het onderhoud en beheer van netwerken is herkend en erkend. De Stichting ICT op school is mede in het leven geroepen om hiervoor passende antwoorden kenbaar te maken.

De leden van de D66-fractie vragen aandacht voor het mogelijk onvoldoende aanbod van software voor SBO-scholen.

Voor het primair onderwijs is inmiddels een grote hoeveelheid educatieve software beschikbaar. Veel van deze software pakketten zijn modulair van opbouw en bieden voldoende mogelijkheden voor variatie. De programma's zijn zo te configureren dat zij op de specifieke behoefte van vrijwel iedere leerling zijn af te stemmen. Ook het zelfstandig werken met deze programmatuur is een uitgangspunt. Vaak is directe feedback in de programma's ingebouwd. Na een korte instructie door de leerkracht kunnen de leerlingen aan de slag. Dit betekent dat veel programma's die voor het primair onderwijs als geheel bedoeld zijn ook geschikt zijn voor scholen voor SBO. Dit neemt niet weg dat ook de ontwikkeling van software specifiek geschikt voor het SBO aandacht heeft. In het kader van het project Interactie! is opdracht verleend verschillende programmatuur voor deze doelgroep te ontwikkelen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of er de komende jaren een toename van de kosten voor leermiddelen voor andere vakken dan taal en rekenen zijn te verwachten, omdat mogelijk ook op deze andere vakken meer inspanningen – evenals tot nu toe voor taal en rekenen – door scholen zullen worden verricht.

De evaluatie van de programma's van eisen richt zich op de veranderingen die er in de afgelopen vijf jaar zijn opgetreden op onderwijskundig en maatschappelijk gebied die van invloed kunnen zijn op de materiële voorzieningen. De toekomstige ontwikkelingen zijn moeilijk in te schatten. Indien inderdaad de geschetste veranderingen zich de komende jaren voordoen, worden deze bij een volgende evaluatie meegenomen.

De leden van de SGP-fractie stellen de vraag welke criteria een rol moeten spelen bij het bepalen van een programma van eisen met betrekking tot informatie- en communicatietechnologie (ict) in het onderwijs.

Voor ict wordt de scholen een bedrag toegekend in de vorm van een bedrag per leerling. Gezien de dynamische ontwikkelingen op het gebied van ict, ligt daaraan geen programma van eisen aan ten grondslag. De overheid geeft de voor alle scholen geldende doelen aan, zorgt voor goede informatie en condities en houdt de scholen door onderzoek en toezicht een spiegel voor. De feitelijke ontwikkelingen en het overleg met partijen in en rond het onderwijsveld kunnen leiden tot aanpassingen van het beleid en de financiële vergoeding. De Kamer zal in de voortgangsrapportages van dergelijke veranderingen op de hoogte worden gesteld.

Daarnaast vragen de leden van de SGP-fractie zich af in hoeverre de aanbevelingen van de onderzoekers voor nader onderzoek worden overgenomen.

Het onderzoek is gedegen opgezet en geeft een duidelijk en onderbouwd beeld van de kosten van leermiddelen. Ik zie op dit moment geen reden om nader onderzoek te verrichten naar deelaspecten waarvan de resultaten naar mijn verwachting de conclusies van de onderzoekers niet of nauwelijks zullen beïnvloeden. Daarnaast verwijs ik naar de ict-monitor die jaarlijks plaats vindt en waarvan de Kamer op de hoogte wordt gesteld en naar mijn motivering in de beleidsreactie met betrekking tot de gelijkschakeling van de programma's van eisen voor het basisonderwijs en de speciale scholen voor basisonderwijs.

PRC-Bouwcentrum

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering ook van oordeel is dat scholen in verband met toenemende criminaliteit meer veiligheidsvoorzieningen moeten hebben, zoals afrastering, buitenverlichting en alarminstallaties die in het rapport genoemd worden.

Op dit moment beschik ik niet over harde cijfers waaruit blijkt dat inderdaad sprake is van toenemende criminaliteit en vandalisme op school. Maar de bezorgdheid voor en het terugdringen van agressie deel ik. Bij de herziening van de programma's van eisen wordt dan ook een deel van de extra middelen daartoe ingezet.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts waarom het niet altijd even eenvoudig is medegebruikers te laten meebetalen aan de instandhouding van het schoolgebouw.

Op dat punt ben ik minder pessimistisch gestemd dan het rapport aangeeft. Schoolbesturen moeten instemming geven voor het medegebruik van hun pand, met name als dit buitenschoolse activiteiten betreft. Ik heb geen signalen dat scholen hierbij in overwegende mate moeite zouden ondervinden om een redelijke bijdrage in de kosten te kunnen vragen van deze medegebruikers.

Ook wordt door de leden van de CDA-fractie gevraagd wat bedoeld wordt met de passage in het rapport dat de aanwezigheid van computers niet in de analyse is meegenomen.

Het onderzoek van PRC-Bouwcentrum richt zich uitsluitend op het gebouwonderhoud. Bij het in de school halen van computers kan inderdaad sprake zijn van eventuele noodzakelijke aanpassingen van de gebouwlijke infrastructuur, zoals het leggen van leidingen of het plaatsen van stopcontacten. Deze kosten is echter reeds inbegrepen in de structurele vergoeding voor ict die in het jaar 2000 en 2001 substantieel zijn verhoogd.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom in het bekostigingsstelsel niet wordt uitgegaan van stevige vandalismebestendige hekken in plaats van palen, draad en gaas.

In het oude bekostigingsstelsel werd inderdaad nog uitgegaan van palen, draad en gaas. Sinds de decentralisatie van de huisvesting in 1997 is de vervanging van de hekwerken de verantwoordelijkheid van de gemeente geworden.

Voorts vragen de leden van de CDA-fractie naar het advies om bij voorkeur buitenzonwering in plaats van binnenzonwering toe te passen.

De verbetering als gevolg daarvan van het binnenklimaat wordt door mij onderkend. Vorig jaar bij de kwaliteitsimpuls voor schoolgebouwen van ruim 100 miljoen heb ik vorig jaar in de inleiding daarop al gewezen, dat aanwending voor het doel van het aanbrengen van buitenzonwering een goede optie zou zijn.

De leden van de CDA-fractie vragen of energieverspilling niet in de hand gewerkt wordt omdat blijkt dat enkelglas slechts in weinig gevallen wordt vervangen door dubbelglas.

Bij bestaande gebouwen komt vervanging van enkelglas door dubbelglas inderdaad weinig voor. De vervanging blijkt, ondanks mogelijke subsidies, veelal niet rendabel te zijn.

Op een vraag van de leden van de CDA-fractie naar de levensduur van de meer milieuvriendelijke verf op waterbasis kan ik antwoorden dat hiermee voorzover mij bekend gemiddeld geen overwegend verschil bestaat ten opzichte van de klassieke verfsystemen.

De leden van de CDA-fractie vragen of vervanging van het tegelwerk éénmaal per dertig jaar afdoende is om de stank in de toiletten tegen te gaan.

Vervuiling van toiletten is een lastig probleem. Het is de vraag of een frequentere vervanging van het volledige tegelwerk hiervoor wel de aangewezen weg is. De aandacht zou zich meer moeten richten op de poreuze cementvoegen tussen de tegels. Regelmatige hervoeging hiervan is een beperkte post. Meer gangbaar is ook een kunststofvloer die goed is schoon te maken.

Verder vragen de leden van de CDA-fractie naar de adviezen over de vergoedingen voor onderhoud en vervanging van de centrale verwarming en de ventilatie in scholen.

Een deel van deze adviezen heeft betrekking op de feitelijke kostenontwikkeling en de feitelijke levensduur van de nu gebruikelijke voorzieningen, en een ander deel van de adviezen richt zich meer op een eventuele uitbreiding van de mechanische ventilatievoorzieningen. Vooral dit laatste advies vraagt van mij een nadere afweging van kosten en baten.

Onder de alarminstallatie waarvoor een onderhoudsvergoeding wordt verstrekt, wordt in antwoord op een vraag van de leden van de CDA-fractie daarnaar, een detectiesysteem voor inbraak bedoeld.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering hun opvatting deelt dat het niet aanvaardbaar zou zijn als de vergoedingen voor het vervangen en onderhouden van speeltoestellen niet afdoende is geregeld.

Ook ik vind het noodzakelijk dat kinderen op school veilig kunnen spelen. Voor het herstelonderhoud aan gebouw, schoolplein en meubilair ontvangt een gemiddelde basisschool jaarlijks ruim 7500 gulden. Hierin is onderhoud en reparatie van speeltoestellen inbegrepen. Bij de vaststelling van de nieuwe programma's van eisen zal met dit aandachtspunt rekening worden gehouden.

De leden van de D66-fractie vragen hoe het rapport van PRC-Bouwcentrum zich verhoudt tot het TNO-rapport.

Bij de opzet van de evaluatie is ervoor gekozen om de belangrijkste kostenposten waar zich ook ontwikkelingen op dat gebied hebben voorgedaan, aan een onderzoek te onderwerpen, zoals gebouwonderhoud, schoonmaken en leermiddelen. Daarbij is het onderzoek over gebouwonderhoud uitgevoerd door het adviesbureau PRC-Bouwcentrum. Aan de andere kant is bij de voorbereiding van de evaluatie waarbij overigens ook de besturenorganisaties zijn betrokken, duidelijk naar voren gekomen dat de verandering van regelgeving op Arbo-gebied die in de afgelopen jaren zich heeft voorgedaan, belangrijke consequenties kan hebben voor meer facetten van de materiële bekostiging. Arbozaken hebben betrekking op meerdere posten zoals schoonmaken, gebouwonderhoud en meubilair. Om deze reden heb ik ervoor gekozen om het Arbo-aspect ook apart te laten onderzoeken door TNO-Arbeid. Deze bevindingen zijn door PRC-Bouwcentrum vervolgens vertaald naar de consequenties in kosten voor het gebouwonderhoud.

TNO-Arbeid

Een groot aantal fracties wijst op de onduidelijkheden die in het TNO-Arbeid rapport worden gesignaleerd over de verdeling in verantwoordelijkheid tussen gemeente en schoolbestuur voor het onderhoud en de instandhouding van de huisvesting.

Na de decentralisatie van de huisvesting is een periode aangebroken waarin de verschillende partijen van ministerie, gemeenten en schoolbesturen ervaring hebben opgedaan met de invulling van hun rol en hun nieuwe verantwoordelijkheden in het nieuwe stelsel. In dat verband wordt in het TNO-rapport geattendeerd op een mogelijk grijs gebied waarbij niet altijd even duidelijk zou zijn wie nu waarvoor verantwoordelijk is bij het onderhoud van gebouwen. Ook de besturenorganisaties hebben mij hierop geattendeerd. Op dit moment ben ik daarom in overleg met de besturenorganisaties en de VNG om na te gaan of er inderdaad sprake is van grijze gebieden en eventuele knelpunten te inventariseren. Mocht hiervan inderdaad sprake zijn dan is het mijn intentie om deze onduidelijkheden zo goed mogelijk te reduceren en de gevraagde helderheid via voorlichting te verschaffen.

Naar aanleiding van een vraag van de leden van de VVD-fractie over een rechtsuitspraak in Alkmaar kan ik in aansluiting op mijn hierboven genoemde antwoord het volgende hieraan nog toevoegen. Inderdaad wordt vaak de zinsnede gebezigd bij de verdeling van de verantwoordelijkheden dat de binnenkant voor rekening van het bestuur is en de buitenkant voor rekening van de gemeente. Dit is echter een zinsnede die geen recht doet aan de nuances. Ook in de wet staat deze scheiding niet aldus geformuleerd. Juist bij onderwerpen als renovatie en aanpassingen kan deze betiteling, zo blijkt uit deze signalen, snel tot misverstanden leiden. Daarom is het verstandig dat ook dit aspect betrokken zal worden bij het eerdergenoemde overleg met de besturenorganisaties en de VNG.

De leden van de VVD-fractie vragen of de investering van 400 miljoen voor materiële bekostiging bij najaarsnota bestemd is geweest voor de binnenkant of buitenkant van het gebouw.

Van de investering van 400 miljoen is een bedrag van 182,5 miljoen naar de scholen voor het primair onderwijs gegaan waarbij 53 miljoen ervan bestemd was voor de verbetering van de kwaliteit van de binnenkant van de schoolgebouwen. Het resterende bedrag van 182,5 miljoen was voor ICT en modernisering leermethoden.

De leden van de CDA-fractie vragen of voor het vergroten van de betrokkenheid en deskundigheid ten aanzien van Arbo ook een rol is weggelegd voor het REC of de schoolbegeleidingsdienst.

Het REC is een samenwerkingsverband van schoolbesturen voor scholen voor het speciaal onderwijs waarvoor niet specifiek een rol is weggelegd voor vergroten van de betrokkenheid en deskundigheid ten aanzien van Arbo anders dan dit het geval zou zijn bij besturen van andere soorten van scholen. De schoolbegeleidingsdienst houdt zich vooral bezig met de bevordering van de schoolloopbaan van leerlingen waarvoor onder meer didactische en pedagogische kennis in huis is. Ook organisatorische deskundigheid maakt hiervan deel uit. Een eventuele rol voor Arbo is daarbij van marginale betekenis.

De leden van de CDA-fractie vragen zich af wat in het rapport wordt verstaan onder «gedoognormen» voor oudbouw, en waar de grens ligt tussen nog aanvaardbare situaties en onaanvaardbare situaties.

In het hoofdstuk over het Bouwbesluit geven de onderzoekers uitleg over het verschil tussen oudbouw en nieuwbouw in die zin dat er verschillende eisen van toepassing zijn voor beide categorieën. In deze paragraaf staat echter een minder gelukkige zinsnede waarbij de eisen voor oudbouw gedoognormen genoemd worden. Deze term is hier misplaatst. De eisen voor bestaande bouw zijn de ondergrens van wat nog maatschappelijk gezien veilig aanvaardbaar is, zoals ook verderop in het rapport aangegeven is. Zolang hieraan wordt voldaan, door een goede handhaving van deze regels, is er geen sprake van «gedogen».

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering het geconstateerde ontbreken van overlegruimten en ruimten voor het werken met kleine groepen als een probleem ervaart.

Het is wenselijk dat schoolgebouwen worden aangepast aan de eisen van deze tijd. Dat vraagt een kwaliteitsslag. Daarbij moet worden opgemerkt dat daar de huisvesting van scholen immers een verantwoordelijkheid van de gemeenten is, met de VNG overleg wordt gevoerd over de gewenste aanpassingen en de daarmee samenhangende kosten. Daarbij zullen plannen voor de lange termijn moeten worden gemaakt. Aanpassingen van het hele bestand aan schoolgebouwen kunnen niet in een paar jaar worden gerealiseerd.

De leden van de CDA-fractie vragen of de Bedrijfsgezondheidszorg (BGZ) vergoeding mogelijk inderdaad voor veel scholen niet toereikend is.

Vorig jaar is extra geld naar de scholen gegaan om de dienstverlening en opleidingen uit te betalen die noodzakelijk zijn voor een verantwoord Arbo-beleid op school. Deze middelen zijn ondergebracht in het schoolbudget. Naast de BGZ-vergoeding die scholen ontvangen, kunnen scholen ook de middelen uit dit verhoogde schoolbudget inzetten voor de Arbo-activiteiten. Ik ben dan ook niet van oordeel dat de bedoelde vergoeding voor veel scholen niet toereikend zou zijn.

De leden van de CDA-fractie vragen waarom het Nederlands Inkoopcentrum (NIC) niet zou worden gepromoot door het ministerie en wat de reden is waarom slechts een klein deel van de basisscholen advies en ondersteuning van het NIC vraagt bij zijn aanschafbeleid.

Al vele jaren loopt er bij het Nederlands Inkoopcentrum een contract voor de levering van diensten en produkten aan scholen. Met de dienstverlening van het NIC worden scholen gefaciliteerd. Het belang van deze facilitering is dat scholen terecht kunnen bij een inkooporganisatie die met prijzen rekent waarop het bekostigingsstelsel is afgestemd. Scholen zijn hiermee ruimschoots bekend. Van de openbaarheid van deze gegevens gaat ook een gunstige werking naar de markt uit. Binnen deze marktwerking blijft het de vrijheid van scholen om bij andere leveranciers in te kopen.

Voorts vragen de leden van de CDA-fractie naar de actuele stand van zaken met betrekking tot het aantal en de spreiding van EHBO-gediplomeerden en Bedrijfshulpverleners (BHV-ers) in het basisonderwijs, en of er een termijn is aan te geven dat er voldoende EHBO-gediplomeerden en BHV-ers aanwezig zijn.

Op basis van informatie van de Arbeidsinspectie bleek dat in het jaar 1996 er geen adequate regeling voor bedrijfshulpverlening was op 96% van de onderzochte scholen. Enkele jaren later in 1999 was dit arbo-aspect onvoldoende geregeld bij 40% van de scholen. Er is dus sprake van een verbetering waarbij wordt opgemerkt dat de EHBO wordt gerekend onder de BHV. In het lopende project van de Arbeidsinspectie wordt dit jaar, naast nooduitgangen en brandpreventiemaatregelen, ruim aandacht besteed aan de organisatie van de BHV.

De leden van de fracties van CDA, D66, SP en ChristenUnie wijzen op de tekortkomingen ten aanzien van brandveiligheid die bij scholen een steeds groter punt van zorg is, en leggen de vraag voor wat hieraan kan worden gedaan, en welke initiërende en stimulerende rol de staatssecretaris op zich kan nemen.

Mede naar aanleiding van de ramp in Volendam zijn er door enkele van uw leden begin dit jaar vragen gesteld over de brandveiligheid van schoolgebouwen en de eventuele verplichting tot het houden van ontruimingsoefeningen. In de lijn daarmee kan ik u antwoorden dat ik, mede gelet op de uitkomsten van het TNO-onderzoek, sinds enige tijd bezig ben met de voorbereidingen van een campagne om de veiligheid op school werkelijk te verbeteren.

In dat verband vraagt de CDA-fractie of de toetsing van brandveiligheid aan bouwkundige normen wel door een school zelf te doen is of meer een taak voor de plaatselijke brandweer is.

Ondanks goede voorlichting en degelijke informatievoorziening onderken ik dat de brandveiligheid en met name de preventieve toets aan bouwkundige normen een complexe materie blijft. In de campagne wordt naast een eenvoudige check-list dan ook vooral gewezen op nut en noodzaak dat de plaatselijke brandweer een preventieve controle uitvoert. De schoolleiding kan hiertoe het initiatief nemen. Maar de intentie is dat ook anderen zoals de GGD's die bij de uitvoering van de campagne betrokken zullen worden, de inspectie op brandveiligheid entameren.

Bij deze brandveiligheidscontrole – en het houden van de ontruimingsoefeningen – blijkt dan, zoals de CDA-fractie opmerkt, of er nooduitgangen versperd zijn of de bestrijdingsmiddelen niet op orde zijn.

In de campagne zal, in antwoord op een vraag van de SP-fractie, ook rekening gehouden worden met de implicaties die voortvloeien uit mijn antwoord eerder dit jaar op de schriftelijke vragen van het Lid Van Bommel over ontruimingsoefeningen.

De leden van de CDA-fractie vragen wie verantwoordelijk is voor de vervanging van gewoon glas door veiligheidsglas en op welke wijze deze vervanging bevorderd kan worden.

Voor het antwoord op de eerste deel van de vraag verwijs ik naar het overleg dat ik met de VNG en de besturenorganisaties voer over de eventuele behoefte aan een verdere precisering van de kwestie wie waarvoor verantwoordelijk is. Voor het tweede deel van de vraag verwijs ik naar de eerdergenoemde campagne voor de verbetering van de veiligheid in schoolgebouwen.

De leden van de CDA-fractie vragen naar de actuele stand van zaken bij de handhaving van het Arbo-beleid.

Het meest recente evaluatieonderzoek van de Arbeidsinspectie dateert van een jaar geleden dat gebaseerd is op de periode tussen 1997 en 1999. Daarin constateert de Arbeidsinspectie dat er vooruitgang is geboekt ten opzichte van de periode van een paar jaar daarvoor. Voorbeeld is dat in 1996 minder dan 10% van de scholen over een RisicoInventarisatie-&Evaluatie (RI&E) beschikte, en dat dit aantal in 1999 gestegen is naar de helft van de scholen. Deze stijgende lijn zet zich ook op andere Arbo-aspecten voort.

De leden van de CDA-fractie vragen wat er van het Arbobeleid terechtkomt wanneer scholen mogelijk onvoldoende kennis hebben of vergaren over de geldstromen waarmee Arbo kan worden betaald.

In haar rapport adviseert TNO-Arbeid om een informatiebrochure uit te brengen waarin alle financiële regelingen die verband kunnen houden met bekostiging van Arbozaken, bij elkaar staan. Dit voorjaar heeft het Vervangingsfonds al een nieuw Arbo-naslagwerk voor gezond werken in scholen uitgegeven. Samen met het Vervangingsfonds zal ik bezien of deze brochure voldoende tegemoet komt aan de aanbevelingen van TNO-Arbeid die overigens ook betrokken is geweest bij de ontwikkeling van de genoemde Schoolwijzer.

De leden van de CDA-fractie vragen naar een verdere specificatie van de ongevallen die op scholen gebeuren en in hoeverre de school of de overheid daartoe verwijtbaar is. Ook wordt gevraagd hoe ons land scoort in verhouding met de Europese buurlanden.

Uit het LetselInformatieSysteem (LIS) van de stichting Consument&Veiligheid is op te maken dat ruim de helft van de ongevallen het gevolg is van een val, struikelen of uitglijden. En een kwart van de ongevallen te maken heeft met ergens tegenaan botsen of tegen iemand aanstoten of geraakt worden door een voorwerp. En in één op de tien gevallen gaat het om een beknelling of het zich ergens aan snijden. Daarbij is het moeilijk een eenduidig antwoord te geven op de vraag naar de verwijtbaarheid van de school of de overheid. De meeste ongevallen zijn het gevolg van al of niet onveilig spelgedrag in combinatie met soms minder veilige producten in het schoolgebouw of op het schoolplein. Begin volgend schooljaar zal een campagne worden gestart die gericht is op het zich meer bewust maken van scholen op de mogelijke onveiligheid. Daarin wordt ook aandacht besteed aan het spelgedrag van de leerlingen en de behoefte aan huisregels. Ik heb geen cijfers beschikbaar over hoe ons land scoort in Europees verband.

De leden van de CDA-fractie verwachten dat de Arbeidsinspectie zich in de toekomst strenger gaat opstellen en vragen wat er met het geld gebeurt dat door middel van boetes wordt geïnd. En wie deze boetes moet gaan betalen wanneer de scholen niet in redelijkheid aansprakelijk gesteld kunnen worden voor de geconstateerde gebreken.

Sinds de invoering van de Arbowet 1998 die op 1 november 1999 van kracht is geworden, geldt ten aanzien van iedere arbeidsorganisatie in Nederland eenzelfde handhavingsbeleid met betrekking tot de arbeidsomstandigheden. Er is geen sprake van dat de Arbeidsinspectie zich strenger opstelt, alleen zullen – conform het handhavingsbeleid – ernstige overtredingen, anders dan in het verleden, direct worden beboet. Bij scholen in het primair onderwijs doet zich dit echter niet of nauwelijks voor. In het geval dat er toch een boete wordt opgelegd, komt deze ten gunste van de algemene middelen.

De CDA-fractie vraagt naar het al dan niet vergoeden van aanpassingen aan gebouwen door gemeenten, zoals beschreven in het TNO rapport.

De herverdeling van taken tussen rijk, gemeente en schoolbestuur heeft op sommige punten geleid tot een verschil in interpretatie van gemeenten en schoolbesturen. Er wordt in overleg met VNG en besturenorganisaties gewerkt aan het wegnemen van verschilpunten. Voor de uitvoering van de verschillende taken zijn voldoende middelen aan schoolbesturen en gemeenten overgedragen.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts naar de mogelijkheden voor een integrale aanpak van Arbo binnen de scholen omdat de huidige systematiek van financiering met verschillende bekostigingsstromen naar het oordeel van TNO hiervoor niet bevorderlijk zou zijn.

In haar rapport geeft TNO-arbeid het onderscheid aan tussen personele en materiële vergoedingen in de geldstromen, en daarnaast duidt het bureau ook op de communicerende werking tussen het klein en groot onderhoud waarvoor verschillende bekostigingsstromen lopen via het bestuur en de gemeente. Dat er inderdaad verschillende bekostigingsstromen in het onderwijs aanwijsbaar zijn, is echter niet alleen verklaarbaar maar ook verdedigbaar ondermeer vanuit oogpunt van allocatie en schaalgrootte.

Maar uiteraard dienen de voordelen van een dergelijke scheiding in geldstromen van tijd tot tijd te worden afgewogen tegen de mogelijke nadelen, zoals TNO-Arbeid nu bijvoorbeeld signaleert over de mogelijke domeindiscussies. Op dit moment ben ik in overleg met de besturenorganisaties en VNG over de ervaringen rond de huidige verdeling van de geldstromen met betrekking tot de huisvesting waaronder ook het klein en groot onderhoud behoort.

De leden van de D66-fractie vragen naar de mogelijke herinvoering van gebouwspecifieke indicatoren omdat oudere scholen en stedelijke scholen mogelijk niet rondkomen met de lumpsum.

Het oude bekostigingssysteem kende inderdaad gebouwspecifieke indicatoren die bij het nieuwe systeem zijn vervallen. De scholenhuisvesting is gedecentraliseerd naar de gemeenten waardoor de Rijksoverheid geen invloed meer heeft op de bouwwijze. Bij deze overweging is ook van belang geweest dat de invloed van deze gebouwindicatoren van slechts betrekkelijke betekenis was op de totale hoogte van de vergoeding die scholen voor materiële instandhouding ontvingen. Een eventuele herinvoering van deze indicatoren zou, ook uit die invalshoek gezien, geen substantieel effect hebben, terwijl het buitengewoon bewerkelijk is en een grote informatielast met zich meebrengt.

De leden van de D66-fractie vragen of en zo ja op welke wijze scholen goed geïnformeerd kunnen zijn en worden over de extra regelingen voor niet-materiële Arbo-zaken. Begin dit jaar heeft het Vervangingsfonds een brochure uitgebracht waarin de algemene kennis over Arbo op eenvoudige en goed leesbare wijze samengevoegd is. Met deze Schoolwijzer die samen met TNO-Arbeid tot stand is gekomen, wordt de kennis over Arbo-zaken in de school gebracht. Samen met het Vervangingsfonds zal ik bezien of er aanvullend nog informatie nodig is om de regelingen op Arbo-gebied nader onder de aandacht van de scholen te brengen.

De leden van de D66-fractie vragen of alle leerkrachten en directeuren een thuiswerkplek die aan de Arbo-vereisten voldoet, zouden moeten kunnen inrichten op kosten van de werkgever.

Indien de werkgever haar werknemers ertoe zou verplichten om thuiswerk te verrichten, of indien dit uit hoofde van de functie noodzakelijk is, ontstaat een situatie waarbij de werkgever verantwoordelijk is voor een thuiswerkplek die aan de Arbo-vereisten voldoet.

Aanvullend stellen deze leden de vraag of scholen mogelijk onvoldoende fatsoenlijke werkplekken op school hebben voor de leerkrachten voor geconcentreerd kantoorwerk.

Met name op de scholen voor het primair onderwijs waar leerkrachten over het algemeen gebonden zijn aan een vast klaslokaal en waar er regelmatige schooltijden zijn die voor de gehele school gelden, leent het klaslokaal zich goed voor het verrichten van kantoorwerk door de individuele leerkracht.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom bij de invoering van VELO destijds bestaande verplichtingen niet in de vergoeding zijn opgenomen.

De invoering van VELO was destijds uitsluitend gericht op de overgang van een oude systematiek naar een nieuwe bekostigingssystematiek. Daarbij werd de procedure vereenvoudigd, en de kostenstromen werden herverdeeld en het aantal indicatoren werd sterk gereduceerd. Maar een inhoudelijke evaluatie van de onderliggende programma's van eisen waaruit eventueel zou kunnen blijken dat niet altijd kon worden voldaan aan bepaalde verplichtingen, was destijds niet aan de orde.

De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar een mogelijke handelwijze van gemeenten die een «dubbele rol» in de bekostiging hebben en die ertoe leidt dat bepaalde investeringen in het openbaar onderwijs bij voorkeur uit de Londo-vergoeding worden betaald om te voorkomen dat hetzelfde bedrag aan het bijzonder onderwijs moet worden gegeven.

De desbetreffende passage in het rapport is wat ongelukkig geformuleerd. De overschrijdingsregeling is niet van toepassing op voorzieningen in de huisvesting waarvoor aanvragen door gemeenten op grond van prioriteit toegekend worden, van welke schoolsignatuur de aanvragen ook mogen zijn. Gemeenten hebben er om deze reden geen baat bij om Arbo-investeringen in het openbaar onderwijs te betalen uit de Londo-vergoeding.

De leden van de SGP-fractie vragen of de staatssecretaris bereid is naar aanleiding van het onderzoek naar de materiële instandhouding ook het budget te verhogen voor de eerste inrichting van de scholen.

Neen, de onderwijshuisvesting van scholen is als taak aan de gemeenten toebedeeld. Daarvan maakt de eerste inrichting deel uit. Hogere uitgaven van de rijksoverheid leiden tot verhoging van het accres van het gemeentefonds. Uit dit accres kunnen gemeenten hogere uitgaven voor onderwijshuisvesting, zoals eventueel hogere uitgaven voor eerste inrichting, betalen.

Van der Putten

De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel extra middelen sinds 1998 structureel en incidenteel aan ABB toegevoegd zijn.

Vanaf het bekostigingsjaar 1999 is er 10 miljoen structureel aan ABB toegevoegd. Overigens wordt opgemerkt dat, in tegenstelling tot deze leden menen, de genoemde 50 miljoen in het regeerakkoord niet uitsluitend bestemd was voor ABB. Het ging om schoonmaken, leermiddelen en ABB.

Waarom is de correctie met de subsidie niet in de verdere berekeningen meegenomen, zo vragen de leden van de CDA-fractie.

Met deze correctie wordt gedoeld op het caso-tarief. Bij de evaluatie van de administratiekosten is een vergelijking gemaakt tussen de kosten van het normatieve werkpakket in 1996 en nu. Voor een goede prijsvergelijking is het noodzakelijk dat hetzelfde pakket met elkaar vergeleken wordt. In 1996 maakte caso hiervan nog geen deel uit. Om deze reden is caso bij de evaluatie buiten beschouwing gelaten. Het spreekt voor zich dat de scholen naast de vergoeding voor het normatieve werkpakket uiteraard een aanvullende vergoeding ontvangen voor de overgedragen caso-werkzaamheden.

Verder vragen de leden van de CDA-fractie zich af of het verantwoord is dat de kosten die verband houden met de hardware, dalen.

Dit is een conclusie die door de onderzoekers wordt getrokken. Gezien de ontwikkelingen op het gebied van de automatisering heb ik geen reden om deze constatering van de onderzoekers in twijfel te trekken.

De leden van de CDA-fractie vragen of de regering mogelijkheden ziet om de geconstateerde verzakelijking ten aanzien van de BTW-vrijstelling voor scholen tegen te gaan. Zo nee, waarom niet?

Op grond van de Zesde richtlijn over de harmonisatie van de wetgevingen der EU-Lidstaten inzake omzetbelasting is onderwijs aan kinderen of jongeren – waaronder school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of -herscholing, met inbegrip van de diensten die hiermee nauw samenhangen of hiervoor onontbeerlijk zijn – door publiekrechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend, BTW-vrijgesteld.

De vrijstelling is van geval tot geval afhankelijk van met name voorwaarden in de winstsfeer en gelijke concurrentieverhoudingen. Bij bijvoorbeeld dienstverlening die ook door commerciële (BTW-plichtige) aanbieders wordt aangeboden, kan sprake zijn van concurrentie en dus toch van BTW-plicht om mogelijke concurrentieachterstand te voorkomen voor de commerciële aanbieder die ook BTW in rekening moet brengen.

De Zesde richtlijn is wat betreft de BTW-vrijstelling voor onderwijs niet gewijzigd. Op dit punt zie ik derhalve geen verzakelijking optreden. Waar sprake is van verzakelijking in de verhouding tussen dienstverleners en afnemers, moet de achtergrond daarvan worden gezocht in voorkomende gevallen herzien van stelsels van aanbod-bekostiging in vraag-bekostiging. Hetgeen, afhankelijk van de situatie in voorkomende gevallen overigens wel BTW-consequenties kan hebben.

Ten slotte bewerkstelligt het lopende implementatietraject van het rapport van de MDW-werkgroep Markt en Overheid (werkgroep Cohen) een toenemende financiële transparantie.

De leden van de CDA-fractie vragen of het vervangingspercentage van het ziekteverzuim door leraren inmiddels toe- of afneemt. En waarom het ziekteverzuim bij vrouwen hoger is dan bij mannen.

Over de jaren heen fluctueert het ziekteverzuim waarbij sprake is van een complex van oorzaken. Dat geldt ook voor het verschil in ziekteverzuim tussen mannen en vrouwen. Precieze redenen kan ik u dan ook niet aangeven, ook is de vervangingsgraad afhankelijk van mogelijkheden op decentraal niveau.

Onder een normatief werkpakket, waarnaar door de leden van D66-fractie wordt gevraagd, wordt een werkpakket bedoeld dat is gebaseerd op het aantal administratieve handelingen dat structureel moet worden uitgevoerd voor een gemiddelde school. Eenmalige handelingen, ter voorbereiding van nieuwe regelgeving, worden buiten beschouwing gelaten gezien het incidentele karakter.

Overige vragen

De leden van de CDA-fractie vragen naar de actuele situatie, nu de overgangsregeling begin 2000 is afgelopen waarbij scholen nog werden gecompenseerd voor een te grote achteruitgang in de materiële bekostiging.

Deze driejarige overgangsregeling die per 1 januari 2000 is afgelopen, zal worden verlengd. Daarover is het onderwijsveld al geinformeerd. Bij deze verlenging zullen scholen die destijds bij de overgang naar het nieuwe stelsel te maken hebben gehad met een grote achteruitgang van meer dan 10% in de materiële bekostiging, gecompenseerd worden gedurende een aanvullende periode van minimaal 3 jaar en maximaal 15 jaar.

De leden van de CDA-fractie, D66-fractie en SP-fractie vragen in verschillende bewoordingen of de programma's van eisen niet regelmatiger zijn te evalueren, bijvoorbeeld iedere twee jaar dan wel als nieuwe wet- en regelgeving of verandering van onderwijskundig beleid daartoe aanleiding geven.

In de jaren voor 1996 is ruime ervaring opgedaan met de jaarlijkse vaststelling van de programma's van eisen. Juist deze niet altijd even gunstige ervaringen hebben geleid tot de constatering dat een verantwoord bekostigingsproces meer gebaat is bij een minder frequente grondige evaluatie. Bij de vereenvoudiging van het Londo-systeem is daarom in de wet vastgelegd dat de programma's van eisen die ten grondslag liggen aan de materiële bekostiging, eenmaal in de 5 jaar geëvalueerd zouden worden. Ik heb vooralsnog niet de indruk dat de ontwikkelingen in het onderwijs en de maatschappij zo snel gaan dat deze termijn van vijf jaar niet aanvaardbaar zou zijn. Daarbij wijs ik erop dat ook bij deze vijfjarige vaststelling er rekening kan worden gehouden met tussentijdse veranderingen op het gebied van nieuwe wet- en regelgeving of onderwijskundige ontwikkelingen. Daarbij verwijs ik naar de tussentijdse aanpassingen in de materiële bekostiging voor ICT en groepsgrootteverkleining.

In aanvulling hierop vragen de leden van de D66-fractie waarom veranderde voorschriften in arbo- en bouwregelgeving niet eerder vertaald zijn in verhoging van het budget. Heel specifiek wordt in dat verband door de leden van de CDA-fractie gevraagd naar de bureaustoelen voor docenten.

In het TNO rapport is aangegeven dat niet zozeer de arbo- en bouwregelgeving is veranderd, maar dat er ontwikkelingen zijn in het handhavingsbeleid. Om dergelijke ontwikkelingen en de effecten op de bekostiging te signaleren is nu juist de evaluatie bedoeld. Over de vraag of het niveau van bekostiging hoger zou moeten liggen, blijft altijd discussie mogelijk. Dit is mede een kwestie van het stellen van prioriteiten.

De leden van de SP-fractie vragen naar een verklaring voor het feit dat er scholen zijn die minder geld voor schoonmaken uitgeven dan dat ervoor beschikbaar wordt gesteld.

Uit het onderzoek dat op verzoek van de Kamer is uitgevoerd naar het schoonmaken van scholen in het primair onderwijs blijkt inderdaad dat scholen minder geld aan schoonmaak besteden dan de beschikbare rijksvergoeding. Mogelijke redenen hiervoor zijn:

– vrijwilligers maken de school schoon

– het management van scholen geeft geen prioriteit aan het schoonmaken van scholen, omdat verondersteld wordt dat een schone school een onbereikbaar doel is.

Tegelijkertijd blijkt uit het onderzoek dat de schoonmaakcontracten weliswaar goed zijn, maar dat de naleving van de schoonmaakcontracten slecht wordt gecontroleerd. Zowel het management van scholen als de schoonmaakbedrijven besteden hier onvoldoende aandacht aan. Op dit moment bekijk ik dan ook met vertegenwoordigers van de schoonmaakbedrijven en de scholen welke maatregelen getroffen kunnen worden om deze situatie te verbeteren.

Reactie op brief VOS/ABB

Vanuit de D66-fractie wordt gevraagd naar een reactie op de brief van VOS/ABB met betrekking tot de materiële bekostiging (de brief van 29 maart 2001), zowel inhoudelijk als wat betreft de financiële vertaling.

Ik heb met belangstelling kennis genomen van de reactie van VOS/ABB.

Net als VOS/ABB ben ik van mening dat de onderzoeken die zijn uitgevoerd voldoende handreiking bieden om te kunnen aangeven op welke onderdelen de programma's van eisen bijgesteld moeten worden. Niet alleen voor het basisonderwijs, maar uiteraard ook voor het (voortgezet) speciaal onderwijs en het speciaal voortgezet onderwijs. Zoals ik in mijn reactie heb aangegeven worden de resultaten van de onderzoeken dan ook betrokken bij de voorbereiding van de nieuwe programma's van eisen die in oktober 2001 vastgesteld worden.

In overleg met vertegenwoordigers van de besturenorganisatie, waaronder VOS/ABB, is besloten om de evaluatie te richten op die aspecten van de materiële bekostiging waarvan verwacht werd dat de ontwikkelingen substantiële veranderingen voor de programma's van eisen met zich mee zouden brengen. Tevens is afgesproken de evaluatie met name te richten op het basisonderwijs. VOS/ABB ondersteunde destijds deze opzet, waarbij wel aandacht gevraagd werd voor bestuurs- en beheerskosten. Het pleidooi in de brief van 29 maart jl. voor een evaluatie van alle programma's van eisen voor de verschillende schoolsoorten verbaasde me dan ook en had ik graag gehoord ten tijde van het maken van de afspraken over de onderzoeksopzet.

Voor wat betreft de door VOS/ABB gemaakte opmerkingen met betrekking tot de onderzochte programma's van eisen, verwijs ik naar mijn reactie op de onderzoeksrapporten. Daarnaast vraagt VOS/ABB met nadruk aandacht voor beheer en bestuur (inclusief onderhoudsbeheer), auteursrechten, ict, energie- en watergebruik en de rentekorting.

Beheer en bestuur

Gesteld wordt dat een passende vergoeding voor bestuur- en managementondersteuning ontbreekt.

In verband met de bestuurs- en beheerslasten wordt door mij ook verwezen naar mijn reactie op de onderzoeksrapporten. Het is duidelijk dat operaties die vragen om sterkere instellingen met een goed management ook vragen om ondersteuning van management en bestuur. Hiervoor zijn de afgelopen jaren middelen vrijgemaakt zoals onder andere blijkt uit het budget voor management, ondersteuning en arbeidsmarkt en de stimuleringsregeling bestuurlijke krachtenbundeling.

Auteursrechten

VOS/ABB zou graag zien dat naast de kopieerkosten ook aandacht wordt gegeven aan de kosten van de auteursrechten voor met name de Stichting reprorecht, Buma, Sena en Videma.

De post auteursrechten heeft inderdaad een structureel karakter gekregen. Door besturenorganisaties worden de afspraken over de af te dragen kosten gemaakt met deze auteursrechtelijke instanties. Deze kosten komen in principe niet – zoals VOS/ABB meent – ten laste van de post overige uitgaven, maar dienen bekostigd te worden uit het programma van eisen leermiddelen en culturele vorming. Van deze kosten zal ik mij ook rekenschap geven bij de verdeling en toekenning van de extra financiële middelen.

ICT

VOS/ABB pleit voor een onderzoek dat recht doet aan alle aspecten die verbonden zijn aan ict.

Mijn inziens is er een dergelijk onderzoek: de ict-monitor. Jaarlijks wordt de Kamer op de hoogte gebracht van de resultaten opdat er een goed beeld is van de feitelijke ontwikkelingen en eventuele consequenties voor het beleid en de financiering.

Energie- en watergebruik

Voor het bijstellen van de vergoeding voor het energie- en watergebruik wordt gebruik gemaakt van de prijsindex voor de netto materiële overheidsconsumptie. Dit is een gewogen gemiddelde van de meest uiteenlopende kostencomponenten waarmee de overheid wordt geconfronteerd, dus inclusief zaken als de ecotax en publiekrechtelijke heffingen. Ik heb geen aanleiding om, zoals VOS/ABB wel doet, te veronderstellen dat de situatie in het onderwijs fundamenteel anders is dan de situatie in andere overheidssectoren.

Rentekorting

De rentekorting maakt onderdeel van de materiële bekostiging uit en is van toepassing op financiële reserves die door scholen gekweekt worden in verband met de jaarlijkse vergoeding voor meubilair, leermiddelen en gebouwonderhoud. Een deel van de zaken betreft periodieke uitgaven waarvoor bij doelmatig beheer reserveringen door de scholen worden aangehouden. De rente die op deze wijze te verwerven is, wordt na prijscorrectie normatief gekort op de vergoeding. De VOS/ABB is van oordeel dat de werkelijke reserves kleiner zijn dan de normatieve reserves. Om de juistheid van deze bewering te onderzoeken zou in het primair onderwijs een financieel jaarverslag verplicht moeten worden. Over de voor- en nadelen hiervan wordt met de besturenorganisaties overlegd. Dat de huidige rentevoet nu, zoals de VOS/ABB aangeeft, lager ligt dan het percentage dat in het stelsel wordt aangehouden, is een kwestie van toeval. Over een langere termijn gezien zal de vijfjaarlijkse vaststelling gemiddeld tot een redelijke overeenkomst tussen norm en werkelijkheid leiden.

Tenslotte vragen de leden van de D66-fractie naar een reactie op de opmerking van de VOS/ABB dat er bij het gebouwonderhoud een tekort is bij de opbouw van de reserves van 245 miljoen.

Deze opmerking van de VOS/ABB houdt verband met de reservering die scholen uit hun vergoeding aanhouden voor het doen van latere uitgaven. VOS/ABB berekent dat wanneer de vergoeding op een gegeven moment stijgt voor de bekostiging van hogere uitgaven, ook de eerder gedane reserveringen hierop dienen te worden aangepast. Om de volgende redenen is dit echter beperkt nodig. Ten eerste is het bedrag waarvan VOS/ABB uitgaat, het uiterste geval wanneer de voorgestelde voorzieningen uit het rapport van PRC-Bouwentrum en TNO-Arbeid volledig zouden worden gehonoreerd. Ten tweede geldt dat voor een deel van de extra voorzieningen helemaal geen extra reserveringen nodig zijn. Dit betreft bijvoorbeeld de extra vergoeding voor de reparatie van speeltoestellen of de verkorting van de cyclustijd van het binnenschilderwerk. Geleidelijk aan kan deze cyclustijd worden ingekort. Ten derde is het zo dat voor met name de grotendeels nieuwe voorzieningen, zoals de aanleg van het brandalarm of noodverlichting, de gemeente verantwoordelijk is voor de eerste inrichting. Uit het accres zijn deze zaken te bekostigen. En tenslotte heb ik ook al een kwaliteitsimpuls gegeven in de scholenhuisvesting vorig jaar waarbij ondermeer bepaalde voorzieningen zijn genoemd die nu door de onderzoekers zijn aangedragen, zoals de buiten-zonwering, waarin scholen konden investeren.


XNoot
1

Samenstelling: Leden: Van der Vlies (SGP), Van de Camp (CDA), Van der Hoeven (CDA), voorzitter, Rabbae (GroenLinks), Lambrechts (D66), Dittrich (D66), Cornielje (VVD), De Vries (VVD), Dijksma (PvdA), Cherribi (VVD), Rehwinkel (PvdA), Visser-van Doorn (CDA), Wagenaar (PvdA), Belinfante (PvdA), ondervoorzitter, Kortram (PvdA), Ross-van Dorp (CDA), Hamer (PvdA), Nicolaï (VVD), Van Bommel (SP), Barth (PvdA), Halsema (GroenLinks), Örgü (VVD), Eurlings (CDA), Slob (ChristenUnie) en Van Splunter (VVD).

Plv. leden: Schimmel (D66), Mosterd (CDA), Atsma (CDA), Harrewijn (GroenLinks), Bakker (D66), Ravestein (D66), E. Meijer (VVD), Van Baalen (VVD), Valk (PvdA), Udo (VVD), Van der Hoek (PvdA), De Pater-van der Meer (CDA), De Cloe (PvdA), Gortzak (PvdA), Molenaar (PvdA), Schreijer-Pierik (CDA), Spoelman (PvdA), Passtoors (VVD), Poppe (SP), Arib (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Rijpstra (VVD), Wijn (CDA), Stellingwerf (ChristenUnie) en Blok (VVD).

XNoot
1

In de bijlage zal op verzoek van de leden van de D66-fractie nader ingegaan worden op de brief van VOS/ABB.