Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummerDatum brief
Tweede Kamer der Staten-Generaal2000-200127400-VII nr. 6

27 400 VII
Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2001

nr. 6
BRIEF VAN DE MINISTERS VOOR GROTE STEDEN- EN INTEGRATIEBELEID EN VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 4 oktober 2000

Inleiding

In 1999 is bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het project Kiezen op Afstand (KOA) van start gegaan, waarbij door toepassing van ICT het uitbrengen van de stem minder plaatsafhankelijk moet worden. Hierbij staat de facilitering van de burger door middel van het gebruik van ICT centraal. Het gaat er niet om de opkomst bij de verkiezingen te verhogen – overigens kan dit wel het effect zijn – maar om de mogelijkheden tot deelname aan het stemproces voor de burgers uit te breiden en zo het stemmen toegankelijker te maken. Het uiteindelijke doel is, het mogelijk te maken dat de burger vanuit iedere willekeurige plek kan stemmen.

Vooralsnog wordt echter ingezet op een minder vergaande uitbreiding: het stemmen vanuit elk willekeurig stemlokaal, alsmede stemmen met gebruikmaking van zuilen, die zijn opgesteld in openbare ruimtes, zoals gemeentehuizen, bibliotheken en stations. Hiermee wordt een belangrijke stap voorwaarts gezet in de modernisering van het kiesproces, passend binnen de kabinetsdoelstelling om te komen tot een overheid die ook elektronisch toegankelijk wordt.

Richtpunt voor het project is vooralsnog om in 2003 bij de dan te houden provinciale-statenverkiezingen een groot experiment met KOA te houden, waarbij de in dat experiment uitgebrachte stemmen ook daadwerkelijk meetellen voor de verkiezingsuitslag.

Zoals al in de brief van 18 november 1999 is gemeld, zullen daarvoor de volgende activiteiten worden ontplooid:1

– het tot stand brengen van een wijziging van de Kieswet om een dergelijk experiment mogelijk te maken;

– het bouwen en testen van een Landelijk Raadpleegbaar Kiezersregister (LKR – casu quo een stelsel van landelijk raadpleegbare kiezersregisters)2;

– het ontwikkelen van een zeer betrouwbaar identificatiemiddel dat de identiteit op afstand vaststelt. Daarbij wordt gedacht aan de Nederlandse Identiteitskaart (NIK), die in het kader van het project Nieuwe Generatie Reisdocumenten (NGR) in ontwikkeling is en inmiddels ook wordt uitgetest;

– het ontwerpen, bouwen en testen van een virtueel stembureau, dat de verkiezingssoftware bevat.

Dit zijn ieder voor zich, maar zeker in hun samenhang omvangrijke en complexe activiteiten en voorzieningen. Aan Het Expertise Centrum (HEC) is verzocht hiernaar een definitiestudie uit te voeren. In deze definitiestudie is het totale bouwwerk in kaart gebracht. In deze brief wordt u over de resultaten van de definitiestudie geïnformeerd en wordt ook overigens ingegaan op de voortgang. Het definitierapport is als bijlage bij deze brief gevoegd1.

Definitierapport «Kiezen op Afstand»

Zoals in de brief van 18 februari 2000 is aangegeven, zijn meerdere modaliteiten denkbaar om het kiesproces minder plaatsafhankelijk te maken.2 De volgende modaliteiten worden onderscheiden:

1. Stemmen vanuit ieder willekeurig stembureau

2. Stemmen via beveiligde zuilen in openbare ruimten

3. Stemmen vanuit de woon- of werkplek

Aan Het Expertise Centrum (HEC) is gevraagd om te onderzoeken, welke van deze drie modaliteiten in 2003 tijdens de provinciale-statenverkiezingen kunnen worden gerealiseerd, en hoe de voorbereiding van een dergelijke beproeving zou moeten plaatsvinden. Daarbij is aangegeven dat de beproevingen in 2003 geen eindpunt zijn, maar een belangrijke tussenstap op de weg naar een uiteindelijk landelijk in te voeren systeem van KOA.

HEC concludeert dat de twee eerstgenoemde modaliteiten in 2003 realiseerbaar zijn. Deze twee modaliteiten worden door de onderzoekers echter uitsluitend op een veilige manier uitvoerbaar geacht, indien er gebruik wordt gemaakt van zogenoemde gesloten netwerken. Deze voorwaarde wordt gesteld vanwege het risico van moedwillige overbelasting van openbare netwerken als het internet. Een voorbeeld hiervan is een «distributed denial of service attack», waardoor een netwerk overbelast raakt en uit de lucht gaat. Als dat zich voordoet, kunnen kiezers hun stem niet meer uitbrengen. Met een landelijke invoering van een gesloten netwerk zijn volgens de onderzoekers echter forse investeringen gemoeid, met name omdat een dergelijk netwerk in zijn totaliteit nieuw zou moeten worden aangelegd.

De derde modaliteit, stemmen vanaf iedere willekeurige locatie (zoals woning of werkplek), wordt door de onderzoekers vanwege een viertal risico's in 2003 (nog) niet haalbaar geacht. Deze risico's worden door hen als volgt aangeduid:

1. De mogelijkheid van manipulatie van de apparatuur om daarmee de verkiezingsuitslag onrechtmatig te beïnvloeden (het gebruik van thuiscomputers bij verkiezingen staat immers niet onder toezicht van het stembureau).

2. De mogelijkheid van moedwillige overbelasting van het netwerk om daarmee het verkiezingsproces te verstoren (dit risico doet zich eveneens voor bij de eerste twee modaliteiten).

3. De grote diversiteit aan apparatuur bij kiezers thuis en op de werkplek, die het invoeren van deze modaliteit zeer complex maakt.

4. De mogelijkheid van het (georganiseerd) stemmen onder dwang of het (georganiseerd) kopen van stemmen.

Twee sporen

De hierboven geschetste onderzoeksresultaten hebben ons doen besluiten om het project KOA langs twee sporen voort te zetten.

Het eerste spoor is de verdere voorbereiding van een experiment, waarbij het tijdens de provinciale-statenverkiezingen in 2003 in meerdere gemeenten mogelijk zal zijn om te stemmen in een stembureau naar keuze of via stemzuilen in openbare gebouwen.

Langs het tweede spoor zal verder worden gewerkt aan modaliteit 3, het stemmen vanuit iedere willekeurige locatie. Wij erkennen de risico's die door HEC met betrekking tot de toepassing van deze modaliteit zijn gesignaleerd. Naar verwachting zullen deze risico's nog niet op korte termijn geëlimineerd kunnen worden. Om die reden zal het in 2003 hoogstwaarschijnlijk niet mogelijk zijn om vanuit, bijvoorbeeld, woon- of werkplek te stemmen bij een verkiezing die onder de Kieswet valt. Het streven blijft echter gericht op realisering van de derde modaliteit op de wat langere termijn. Dit mede gezien de bredere toepassingsmogelijkheden die een dergelijk systeem biedt voor bijvoorbeeld kiezers die vanuit het buitenland stemmen. Zoals aangegeven in de memorie van toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag betreffende het voorstel voor een Tijdelijke referendumwet, kunnen de in het kader van KOA-modaliteit 3 te ontwikkelen voorzieningen in de toekomst wellicht ook worden ingezet in de inleidende fasen van een referendum.1 Daarom zal nader onderzoek plaatsvinden naar de mogelijkheden die er zijn om de gesignaleerde risico's van modaliteit 3 te verkleinen en zullen er voorbereidingen worden getroffen voor een eventuele toekomstige invoering van voorzieningen om vanaf iedere willekeurige locatie te kunnen stemmen. Dit laatste zal onder meer geschieden door middel van het beproeven van elementen van KOA tijdens schaduwverkiezingen en stemmingen die niet plaatsvinden met toepassing van de Kieswet.

De aanbeveling van de onderzoekers om in 2003 bij de beproeving van de tweede modaliteit gebruik te maken van gesloten netwerken wordt niet overgenomen. Een dergelijke inrichting maakt een toekomstige uitbreiding van de voorzieningen voor KOA tot het stemmen vanuit woon- of werkplek namelijk bij voorbaat onmogelijk, terwijl er niettemin forse investeringen mee zijn gemoeid. De toegevoegde waarde en mogelijkheden van een dergelijk (gesloten) systeem zijn naar onze mening bovendien te beperkt. Er zal daarom vooralsnog ingezet worden op een werkbaar systeem dat gebruik maakt van open netwerken. In de periode tot 2003 zal worden onderzocht, in hoeverre een dergelijk systeem realiseerbaar is.

Ter uitwerking van de beide sporen vinden de volgende activiteiten plaats:

1. De voorbereiding van een voorstel tot wijziging van de Kieswet, teneinde een wettelijke grondslag voor het toepassen van nieuwe technieken te creëren.

2. De ontwikkeling van een kiezersregister dat (of verschillende kiezersregisters die) vanaf iedere plaats in Nederland kan worden benaderd (LKR).

3. De ontwikkeling van een elektronisch identiteitsdocument in het kader van het project NGR.

4. De ontwikkeling van een zogenoemd virtueel stemlokaal.

5. Daarnaast worden de ontwikkelingen op het gebied van e-voting in binnen- en buitenland op systematische wijze in kaart gebracht.

Ad 1: voorbereiding van een wettelijke grondslag

De Kieswet bepaalt zeer nauwkeurig, op welke wijze verkiezingen plaatsvinden. Om te voorkomen dat de technische ontwikkelingen op het gebied van stemmachines regelmatig tot wetswijziging leiden, is bij de herziening van de Kieswet in 1989 de regeling met betrekking tot het stemmen op andere wijzen dan door middel van stembiljetten beperkt tot slechts enkele algemene bepalingen (de artikelen J 32 tot en met J 34 van de Kieswet). De nadere voorschriften zijn in het Kiesbesluit en de Regeling voorwaarden en goedkeuring stemmachines 1997 vastgelegd. Op grond van deze regelingen zijn zowel «traditionele» elektronische stemmachines met stempaneel als stem-pc's met «touch-screen»-beeldschermen toegelaten. Tijdens de parlementaire behandeling van de herziening van de Kieswet is echter uitdrukkelijk gesteld dat het wetsvoorstel geen ruimte biedt voor het toepassen van nieuwe technieken op andere punten dan de stemming ten overstaan van de leden van het stembureau in het stemlokaal. Voorzieningen ten behoeve van het elektronisch op afstand stemmen werden daarmee vooralsnog uitgesloten.1

Zoals hierboven is aangegeven, bestaat het voornemen om in 2003 zo mogelijk tevens het uitbrengen van stemmen vanuit andere locaties dan stemlokalen te beproeven. Uiteraard kunnen tijdens verkiezingen slechts voorzieningen worden gehanteerd, die aan zeer hoge eisen voldoen. Zekerheid over de beschikbaarheid van systemen die aan die eisen voldoen, en daarmee over de daadwerkelijke toepassing van de beide hierboven genoemde modaliteiten bij de verkiezingen in 2003 is nog niet te geven. Indien echter niet reeds thans wordt begonnen met de voorbereiding van een wettelijke grondslag voor dergelijke experimenten, zou – gelet op tijd die gemoeid is met de totstandkoming van een wet in formele zin, de mogelijkheid om de bedoelde modaliteiten te beproeven reeds bij voorbaat worden uitgesloten.

Niet alleen vanwege de mogelijkheid van experimenten met stemmen vanuit andere locaties dan stemlokalen, maar ook om een aantal andere redenen is het gewenst om de voorgenomen experimenten met KOA bij de provinciale-statenverkiezingen van 2003 afzonderlijk te regelen. Zo gaan de huidige bepalingen met betrekking tot het stemmen anders dan door middel van stembiljetten, uit van een keuzevrijheid van alle gemeenten voor het gebruik van door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties goedgekeurde technieken. De verwachting is echter, dat in 2003 een aantal gemeenten – op hun verzoek – zal worden aangewezen als proefdeelnemer teneinde bij de verkiezingen een specifiek hiervoor uitgekozen techniek te beproeven. Voorts bevat de huidige regelgeving, met name de Regeling voorwaarden en goedkeuring stemmachines 1997, een zeer gedetailleerde beschrijving van de technische eisen waaraan stemmachines dienen te voldoen. De beproevingen in 2003 zijn daarentegen juist bedoeld om gegevens te verzamelen teneinde een doeltreffende wettelijke regeling van technische, en zo nodig ook administratieve en organisatorische, eisen te kunnen ontwerpen. Daarnaast is het in dit verband van belang om er op te wijzen, dat de huidige stemmachineleveranciers een zeer uitgebreide procedure dienen te doorlopen, alvorens hun stemmachines door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen worden toegelaten. De bedoelde procedure, die is vastgelegd in de eerdergenoemde Regeling voorwaarden en goedkeuring stemmachines 1997, kan naar verwachting nog niet worden toegepast ten aanzien van de technieken die voor de experimenten in 2003 zullen worden gebruikt. Voor alle betrokkenen dient echter duidelijk te zijn, dat de experimenten geen inbreuk maken op de beginselen van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Dit zal in de wettelijke grondslag voor de experimenten tot uitdrukking moeten komen. Ten slotte is het op dit moment nog niet te overzien welke consequenties de resultaten van het project KOA zullen hebben voor verkiezingen die ná 2003 zullen worden gehouden.

Gelet op het bovenstaande verdient het naar onze mening aanbeveling om ten behoeve van de beproevingen tijdens de provinciale-statenverkiezingen in 2003 een afzonderlijke, tijdelijke wettelijke grondslag te creëren.

Daartoe zal zo veel mogelijk worden aangesloten bij hetgeen is aanbevolen met betrekking tot wetgeving inzake experimenten in de nota «Het proberen waard», het eindrapport van het Interdepartementaal wetgevingsberaad inzake experimenteerbepalingen, die op 4 augustus 2000 door de minister van Justitie aan de Tweede Kamer is aangeboden.

Het is ons voornemen, een voorstel tot wijziging van de Kieswet van deze strekking zo mogelijk nog dit jaar aan de Kiesraad voor te leggen.

Ad 2: Ontwikkeling van een Landelijk Raadpleegbaar Kiezersregister (LKR)

Om het kiezen vanuit een ander stemlokaal, en de andere twee modaliteiten, mogelijk te maken zal – om vast te kunnen stellen of iemand stemgerechtigd is en niet eerder zijn stem heeft uitgebracht – een landelijk raadpleegbare elektronische kiezersregistratie tot stand moeten worden gebracht. Op basis van de resultaten van het Haalbaarheidsonderzoek Landelijk Raadpleegbaar Kiezersregister, dat u bij brief van 18 februari 2000 werd aangeboden,1 zal nu worden begonnen met het ontwerpen van een nog nader uit te werken variant van een LKR, die kan worden gebruikt bij KOA. Een dergelijk LKR kan overigens ook een belangrijke functie gaan vervullen tijdens de voorfasen van een referendum (zie hierover de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer betreffende het voorstel voor een tijdelijke referendumwet).2

Ad 3. Ontwikkeling van een elektronische identiteitskaart (eID-kaart) in het kader van het project Nieuwe Generatie Reisdocumenten

Voor het introduceren van dienstverlening op afstand door de overheid is een betrouwbare identificatie een vereiste. Dit geldt a priori voor KOA, wat in het HEC rapport nog eens wordt onderstreept. Volgens dit rapport is bij modaliteit 2 en 3 het hoogwaardige niveau van identificatie noodzakelijk dat beoogd is met de eID-kaart. In dit licht is de brede beschikbaarheid van een eID-kaart noodzakelijk voor de realisatie van deze modaliteiten. Indien de identiteit niet op elektronische wijze op afstand is vast te stellen, kan ook niet op afstand de kiesgerechtigdheid worden vastgesteld. In dat geval is het onvermijdelijk dat wordt vastgehouden aan een identiteitsvaststelling in het stembureau en wordt de keuze voor de modaliteiten beperkt tot modaliteit 1: het stemmen in ieder willekeurig stembureau.

In dit verband sluit het project KOA aan op ontwikkelingen omtrent biometrie die in gang zijn gezet door het project NGR. Over de voornemens met betrekking tot elektronische identificatie door middel van een op de Nederlandse Identiteitskaart (NIK) aan te brengen chip die een biometrische kenmerk bevat zal u, overeenkomstig de toezegging van de Minister van Grote Steden- en Integratiebeleid, nog dit najaar worden ingelicht.

Overigens zullen volgend jaar pilots plaatsvinden in Amsterdam Oud Zuid en in Groningen, die zich richten op de eID-kaart.

Ad 4. Ontwikkeling en bouw van een virtueel stemlokaal

Om elektronisch stemmen mogelijk te maken moet software worden ontwikkeld, in de vorm van een virtueel stemlokaal, om dit verkiezingsproces te ondersteunen. De keuze voor het beproeven van de modaliteiten 1 en 2 in 2003 is van groot belang voor deze ontwikkeling. Immers, het experiment dat in 2003 gehouden zal worden is territoriaal begrensd, waarmee de afstemming van een virtueel stemlokaal op het gebruik in combinatie met een zeer groot aantal verschillende computersystemen minder urgent is geworden. De verkiezingssoftware hoeft alleen aan te sluiten op systemen die gebruikt worden in de gemeenten waar het experiment zal plaatsvinden. In oktober zal worden begonnen met een definitiestudie, die de functionele eisen waaraan een virtueel stemlokaal zal moeten voldoen, zal opleveren. Daarna kan een eerste functioneel ontwerp gemaakt worden

Pilots

Tijdens de ontwikkeling van een LKR, de eID-kaart en een virtueel stemlokaal zal een aantal pilots plaatsvinden waarin deze elementen individueel en in samenhang worden getoetst. Dit gebeurt in vier fasen:

1 De eerste pilots vinden plaats in Amsterdam Oud Zuid en Groningen en richten zich op de eID-kaart in combinatie met modaliteit 2 en 3. De pilots worden vergezeld van de eerste beproevingen van een virtueel stemlokaal. In deze pilots wordt de opzet van burgerraadpleging en KOA volgens modaliteit 2 en 3 beproefd (vanaf een zuil en vanuit huis).

2 In 2002 wordt een pilot gehouden met een combinatie van de ontwikkelde elementen van KOA: een LKR, de eID-kaart en een virtueel stemlokaal. Deze pilot vindt plaats tijdens schaduwverkiezingen bij de verkiezingen van de Tweede Kamer en/of van de gemeenteraden.

3 In 2003 tenslotte zal een grootschalig experiment plaatsvinden tijdens de verkiezing van de leden van provinciale staten.

Momenteel worden voorbereidingen getroffen voor de eerste twee pilots: de realisatie van een elektronisch burgerpanel in Amsterdam Oud Zuid en Groningen. Inmiddels is, in overleg met de deelgemeente Amsterdam Oud Zuid, besloten met het eerstgenoemde experiment te starten. In de eerste helft van 2001 zullen 250 betrokkenen uit de deelgemeente deelnemen aan het experiment. Zij zullen voor de identificatie een eID-kaart krijgen uitgereikt.

De voorbereidingen in Amsterdam bevinden zich in de definitiefase, waarin wordt uitgekristalliseerd wat bereikt moet worden en waaraan voldaan moet zijn om de proefneming te kunnen uitvoeren. De voorbereidingen in de gemeente Groningen bevinden zich nog in de oriëntatiefase; naar verwachting zal deze proef een aantal maanden later starten dan die in Amsterdam.

Ad 5. Onderzoeken naar ontwikkelingen in binnen- en buitenland

Behalve aan de bovengenoemde vier actielijnen wordt ook gewerkt aan een tweetal onderzoeken.

In opdracht van de minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid volgt de Faculteit Bestuurskunde van de Universiteit Twente de internationale ontwikkelingen op het gebied van de inzet van informatietechnologie bij verkiezingen. Dit onderzoek is op 1 september jl. gestart en zal zich uitstrekken tot medio 2003.

Voorts is in september een extra onderzoek gestart naar enkele bestaande systemen. Dit onderzoek is mede ingegeven door de snelle ontwikkelingen op dit terrein. Zo zijn aan verschillende universiteiten het afgelopen half jaar faculteits- en universiteitsraadverkiezingen via het internet gehouden. De daar ontwikkelde en toegepaste systemen zullen grondig worden doorgelicht. Er zal bezien worden in hoeverre deze systemen of elementen daarvan behulpzaam kunnen zijn bij het ontwikkelen van een systeem van KOA in Nederland. Dit onderzoek zal naar schatting vier maanden duren.

Planning experimenten

Een en ander leidt tot het volgende, globale tijdschema:

De volgende activiteiten zijn afgerond:

– Het definitierapport van HEC over KOA (bijgevoegd) is opgeleverd.

Lopende activiteiten:

– Voorbereidingen worden getroffen voor de eerste pilot: de realisatie van een elektronisch burgerpanel in Amsterdam Oud Zuid en Groningen.

– In het kader van de pilots Amsterdam Oud Zuid en Groningen wordt een keuze gemaakt voor een kiessysteem te gebruiken voor deze pilots. Op basis van de ervaringen daarmee zullen specificaties worden opgesteld voor het definitief te kiezen systeem.

– De Universiteit Twente onderzoekt de internationale ervaringen met elektronisch stemmen.

– Cap Gemini Ernst & Young onderzoeken de resultaten van proeven met elektronisch stemmen tijdens verkiezingen op de Universiteiten van Delft, Groningen en Osnabrück.

De planning voor 2001:

– In de eerste helft van het jaar vindt de pilot plaats in Amsterdam Oud Zuid, gevolgd door de pilot in Groningen.

– Er worden eind 2001 vervolgpilots georganiseerd teneinde meer uitsluitsel te kunnen geven over de werking van de eID, op basis van de dan gehouden en geëvalueerde pilots met de eID.

– Er worden concrete stappen ondernomen aangaande het ontwerp en de bouw van een virtueel stemlokaal.

De planning voor 2002:

– Bij de verkiezingen van gemeenteraden en/of Tweede Kamer wordt het ontwikkelde proto-systeem getest tijdens schaduwverkiezingen.

De planning voor 2003:

– De elektronische Nederlandse Identiteitskaart komt ter beschikking. Deze kaart bevat een biometrisch kenmerk en een elektronische handtekening.

– Tijdens de verkiezing van de leden van provinciale staten vindt een grootschalig experiment plaats.

Klankbordgroep

Begin 2000 is een klankbordgroep ingesteld waarin deskundigen en betrokkenen uit verschillende externe organisaties zitting hebben, teneinde het gehele project KOA te adviseren en te ondersteunen. Met deze klankbordgroep heeft inmiddels twee maal overleg plaatsgevonden.

Financiën

Voor de financiering van deze activiteiten is voor de komende jaren een budget van 18 miljoen gulden beschikbaar.

Ten slotte

Het inzetten van nieuwe technologieën is nimmer geheel zonder risico. Het is daarom zaak grote zorgvuldigheid te betrachten bij de introductie van KOA. Immers, er mag niet getornd worden aan de legitimiteit van het kiesproces, het fundament van onze democratie. Ambitie om het kiesproces bij de tijd te houden is echter ook op zijn plaats.

Wij menen met het hiervoor geschetste tweesporenbeleid zorgvuldigheid en ambitie in balans te brengen. Al in 2003 wordt een «live» experiment gehouden met KOA. Landelijke invoering daarna zou een zeer grote uitbreiding betekenen van de mogelijkheid voor de burger om zijn stem elders dan in zijn stembureau te kunnen uitbrengen. Tegelijkertijd zullen experimenten, zoals in Amsterdam Oud Zuid, worden uitgevoerd met stemmen vanuit de huiskamer.

Er is een proces in gang gezet waarbij door middel van meerdere pilots de elementen worden getest die bij KOA een centrale plaats innemen (een LKR, de eID kaart, een virtueel stemlokaal). De Tweede Kamer zal medio 2001 wederom worden geïnformeerd over de voortgang van dit proces.

De Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid,

R. H. L. M. van Boxtel

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

K. G. de Vries


XNoot
1

Kamerstukken II 1999/2000, 26 800 VII, nr. 18.

XNoot
2

Daar waar in het vervolg van deze brief gesproken wordt over een LKR worden beide opties bedoeld.

XNoot
1

Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie.

XNoot
2

Kamerstukken II 1999/2000, 26 228, nr. 12.

XNoot
1

Kamerstukken II 1999/2000, 27 034, nr. 3, blz. 45, 84 en nr. 5, blz. 34 e.v.

XNoot
1

Kamerstukken II 1988/89, 20 264, nr. 8, blz. 55/56.

XNoot
1

Kamerstukken II 1999/2000, 26 228, nr. 12.

XNoot
2

Kamerstukken II 1999/2000, 27 034, nr. 5, blz. 34 e.v.